Besluit van de Autoriteit Consument en Markt van 5 februari 2026, kenmerk ACM/UIT/666113, op grond van artikel 3.121 van de Energiewet en artikel 36 van de Elektriciteitswet 1998 juncto artikel 7.42, tweede lid, van de Energiewet tot goedkeuring en vaststelling van de methoden en voorwaarden over het elektriciteitssysteem (Systeemcode elektriciteit 2026)

Type ZBO-regeling
Publication 2026-03-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 3.121 van de Energiewet;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

§ 1.1. Werkingssfeer en definities

Artikel 1.1

Deze code is onderdeel van de methoden of voorwaarden, bedoeld in artikel 3.119 van de Energiewet, voor zover die betrekking hebben op elektriciteit.

Artikel 1.2
1.

Voor de toepassing van deze code gelden de begrippen en bijbehorende begripsbepalingen uit de Begrippencode elektriciteit 2026, de Energiewet, Verordening (EU) 2015/1222 (GL CACM), Verordening (EU) 2016/631 (NC RfG), Verordening (EU) 2016/1388 (NC DCC), Verordening (EU) 2026/1447 (NC HVDC), Verordening (EU) 2016/1719 (GL FCA), Verordening (EU) 2017/1485 (GL SO), Verordening (EU) 2017/2195 (GL EB), Verordening (EU) 2027/2196 (NC ER) en Verordening (EU) 2019/943.

2.

In deze code wordt onder balanceringsverantwoordelijke, congestie, distributiesysteem, distributiesysteembeheerder, interconnectorsysteem, transmissiesysteem of transmissiesysteembeheerder telkens verstaan balanceringsverantwoordelijke, congestie, distributiesysteem, distributiesysteembeheerder, interconnectorsysteem, transmissiesysteem of transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit, tenzij anders vermeld.

3.

In deze code wordt onder aangeslotene mede verstaan degene die om een aansluiting heeft verzocht.

4.

In deze code wordt onder aangeslotene mede verstaan een systeembeheerder wiens systeem is gekoppeld met een ander systeem met een overwegend hoger spanningsniveau, tenzij anders vermeld.

5.

In deze code wordt onder aansluiting mede verstaan een systeemkoppeling, tenzij anders vermeld.

6.

In deze code wordt onder distributiesysteem en transmissiesysteem verstaan een distributiesysteem en een transmissiesysteem waarvoor op grond van artikel 3.2 van de Energiewet een distributiesysteembeheerder voor elektriciteit respectievelijk een transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit is aangewezen.

7.

In deze code wordt onder leverancier mede verstaan een marktdeelnemer die invoeding aggregeert, met uitzondering van de artikelen 10.38 tot en met 10.41.

Artikel 1.3
1.

Indien een aansluiting deel uitmaakt van een groepstransportovereenkomst, dient voor de toepasselijkheid van deze code in plaats van “aansluit- en transportovereenkomst” gelezen te worden “aansluitovereenkomst”, tenzij anders vermeld.

2.

Voor een groepstransportovereenkomst geldt in de paragrafen 7.1 en 7.3 tot en met 7.5 dat:

Artikel 1.4

Met in deze code bedoelde materialen en/of fysieke producten worden gelijkgesteld materialen en/of fysieke producten die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Hoofdstuk 2. Aansluitvoorwaarden

§ 2.1. Voorwaarden voor alle aansluitingen

Artikel 2.1
1.

De aansluiting voldoet aan de in deze paragraaf gestelde voorwaarden.

2.

De systeemkoppeling voldoet aan de artikelen 2.2 tot en met 2.5, 2.10 en 2.11.

Artikel 2.2
1.

Het verbinden van de elektrische installatie met de aansluiting geschiedt door of vanwege de systeembeheerder.

2.

Het verbinden van de hulpmiddelen die de meetfunctie ondersteunen en die onderdeel zijn van een aansluiting met de meetinrichting geschiedt door de systeembeheerder of de meetverantwoordelijke partij die op de desbetreffende grote aansluiting actief is.

Artikel 2.3
1.

De systeembeheerder identificeert de aansluitingen en geplande aansluitingen op het eigen systeem door aan elke aansluiting of geplande aansluiting één unieke EAN-code toe te kennen.

2.

De systeembeheerder deelt de aangeslotene desgevraagd mee welke EAN-code aan diens aansluiting is toegekend.

3.

Het primaire allocatiepunt van een aansluiting wordt geïdentificeerd met dezelfde EAN-code als de aansluiting.

4.

Indien de systeembeheerder op grond van de artikel 3.44, tweede lid, van de Energiewet een additioneel allocatiepunt toekent aan een aansluiting, identificeert de systeembeheerder het desbetreffende additionele allocatiepunt door middel van het toekennen van een unieke EAN-code.

5.

Indien een aansluiting bestaat uit meer dan één verbinding, identificeert de systeembeheerder de overdrachtspunten van elk van deze verbindingen door het toekennen van een EAN-code, onverminderd de verplichting om overeenkomstig het eerste lid aan de aansluiting als geheel een EAN-code toe te kennen.

6.

Indien aan een aansluiting bestaande uit één verbinding, meer dan één allocatiepunt is toegekend, identificeert de systeembeheerder het overdrachtspunt van die aansluiting door het toekennen van een unieke EAN-code, onverminderd de verplichting om overeenkomstig het eerste lid aan de aansluiting als geheel een EAN-code toe te kennen.

7.

De systeembeheerder identificeert elke overeenkomstig artikel 2.9, tweede lid gemelde elektriciteitsproductie-eenheid of elektriciteitsopslageenheid met een unieke EAN-code en verstrekt deze desgevraagd aan de aangeslotene. De systeembeheerder legt deze unieke EAN-code vast in het register, bedoeld in paragraaf 12.4.

8.

De systeembeheerder identificeert desgevraagd een verbruiksinstallatie die vraagsturing levert aan een systeembeheerder per vraagsturingleverende verbruikseenheid door het toekennen van een unieke EAN-code en legt deze vast in het register, bedoeld in paragraaf 12.4.

Artikel 2.4

De aangeslotene zorgt er voor dat:

Artikel 2.5
1.

De meetinrichting, bedoeld in artikel 2.46, eerste lid, van de Energiewet, registreert de comptabel te meten grootheden in het overdrachtspunt van de aansluiting. In geval van aansluitingen met een of meer additionele allocatiepunten gebeurt dat voor elk allocatiepunt afzonderlijk.

2.

De comptabel te meten grootheden worden vastgelegd in de aansluit- en transportovereenkomst.

Artikel 2.6
1.

De beveiliging van elektrische installaties (en onderdelen daarvan) is selectief ten opzichte van de beveiliging die de systeembeheerder in de aansluiting van de elektrische installatie of in het voedende systeem toepast.

2.

Bij de dimensionering van de elektrische installatie wordt rekening gehouden met de door de systeembeheerder toe te passen beveiliging.

3.

De systeembeheerder informeert de aangeslotene en overlegt met hem voor zover van toepassing bij eerste aansluiting en bij latere wijzigingen van het systeem omtrent:

4.

Voor zover de in het derde lid genoemde gegevens nodig zijn voor de bedrijfsvoering van de aangeslotene worden deze in de aansluit- en transportovereenkomst vastgelegd.

5.

Zowel de aangeslotene als de systeembeheerder kunnen het vastgelegde maximale kortsluitvermogen slechts in overleg met elkaar aanpassen.

Artikel 2.7
1.

Onverminderd het in of krachtens deze code bepaalde voldoen alle bedrijfsmiddelen en toestellen in of aangesloten op de elektrische installaties aan de op deze bedrijfsmiddelen en toestellen van toepassing zijnde normen.

2.

De in een elektrische installatie opgenomen machines, toestellen, materialen en onderdelen voldoen aan de voor de handel daarin of het gebruik daarvan vastgestelde wettelijke voorschriften.

3.

De elektrische installatie is bestand tegen het door de systeembeheerder ter plaatse verwachte kortsluitvermogen.

Artikel 2.8
1.

Elektrische installaties en de daarop aangesloten toestellen veroorzaken via het systeem van de systeembeheerder geen ontoelaatbare hinder.

2.

De systeembeheerder kan de aangeslotene verzoeken tot het treffen van zodanige voorzieningen dat de ontoelaatbare hinder ophoudt, dan wel voor een door hem te bepalen aantal uren de aangeslotene verbieden om door hem aan te wijzen toestellen en motoren te gebruiken.

3.

In afwijking van het tweede lid, past de transmissiesysteembeheerder centrale filtering toe wanneer de verantwoordelijkheid voor het treffen van de voorzieningen niet eenduidig kan worden toegewezen aan de aangeslotene of aan de transmissiesysteembeheerder, mits de ontoelaatbare hinder veroorzaakt wordt door spanningsverschijnselen als gevolg van de interactie van een wisselstroomkabel langer dan 5 km, deel uitmakend van de aansluiting of de installatie van een aangeslotene, en de systeemconfiguratie ter plaatse.

Artikel 2.9
1.

De elektrische installaties bevatten geen bedrijfsmiddelen die tot invoeding in het systeem van de systeembeheerder kunnen leiden, tenzij aan de aanvullende voorwaarden voor elektriciteitsproductie-eenheden uit hoofdstuk 3 wordt voldaan.

2.

De aangeslotene stelt de systeembeheerder tijdig op de hoogte van zijn voornemen tot het plaatsen of wijzigen van een elektriciteitsproductie-eenheid of een elektriciteitsopslageenheid, opdat de systeembeheerder eventueel noodzakelijke wijzigingen in het systeem kan doorvoeren.

3.

Indien het bedrijfsmiddel dat tot invoeding in het systeem van de systeembeheerder kan leiden, bedoeld in het eerste lid, een elektriciteitsopslageenheid betreft:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.