Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 16 februari 2026, nr. BZ2624775, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma DHI 2026–2030)
Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;
Gelet op artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;
Besluit:
Artikel 1
Voor subsidieverlening op grond van artikel 7.2 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op subsidiëring van activiteiten op het gebied van demonstratieprojecten, haalbaarheidsstudies, investeringsvoorbereidingsprojecten en marktvalidaties van startups, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.
Artikel 2
Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma DHI 2026–2030 worden ingediend in jaarlijkse openstellingen.
Aanvragen voor subsidie in de eerste openstelling van het Subsidieprogramma DHI 2026–2030 worden ingediend vanaf 2 maart 2026 tot en met 31 december 2026.
Voor aanvragen voor subsidie in volgende openstellingen van het Subsidieprogramma DHI 2026–2030 gelden nader bekend te maken openstellingsperiodes.
Aanvragen voor subsidies in het kader van het Subsidieprogramma DHI 2026–2030 worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld formulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1www.rvo.nl/dhi
Artikel 3
Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma DHI 2026–2030 geldt voor aanvragen bedoeld in artikel 2, tweede lid, een totaal subsidieplafond van € 8,5 miljoen, onderverdeeld in de volgende subsidieplafonds:
- a. € 4,5 miljoen voor het ondersteunen van Nederlandse MKB-ondernemingen die zich richten op nieuwe activiteiten in opkomende en ontwikkelde markten;
- b. € 4,0 miljoen voor het ondersteunen van Nederlandse MKB-ondernemingen die zich richten op nieuwe activiteiten in ontwikkelingslanden
Binnen elk van de subsidieplafonds bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, is maximaal € 0,5 miljoen beschikbaar voor aanvragen voor subsidieverlening voor marktvalidaties van startups.
Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma DHI 2026–2030 gelden voor aanvragen bedoeld in artikel 2, derde lid, nader bekend te maken subsidieplafonds.
Artikel 4
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Artikel 5
Dit besluit wordt aangehaald als: Subsidieprogramma DHI 2026–2030.
Bijlage
1. Achtergrond
Economische groei en werkgelegenheid zijn onlosmakelijk verbonden met handhaving van de Nederlandse positie in de internationale handels- en investeringsstromen. Ruim 35% van ons inkomen wordt in het buitenland verdiend, handel bedraagt meer dan 85% van het BBP en levert 2,6 miljoen voltijdbanen op. De ambitie van overheid en bedrijfsleven is handhaving van de positie op ‘traditionele’ markten en versterking van de positie op ‘nieuwe’ markten. Het midden- en kleinbedrijf (MKB) is sterk afhankelijk van de binnenlandse markt en het is cruciaal dat ook zij kunnen internationaliseren en profiteren van groeikansen.
Onbekendheid met buitenlandse markten en de complexiteit daarvan vormen barrières die risico’s en kosten met zich meebrengen. Nederlandse MKB-ondernemingen kunnen daardoor kansen mislopen, mede omdat banken en investeerders het risico in bepaalde landen (opkomende markten) hoog inschatten en voorzichtig zijn met financieren en investeren. Dit terwijl er ondanks eventuele extra risico’s juist kansen zijn voor Nederlandse ondernemingen om bedrijfsactiviteiten uit te breiden naar het buitenland. Daarnaast bepaalt de omvang van de MKB-onderneming de financiële slagkracht van een onderneming om zich op nieuwe markten te begeven. Kleine ondernemingen hebben niet altijd de financiële middelen om hun product op een nieuwe markt te introduceren.
In het geval van ontwikkelingslanden kunnen deze Nederlandse ondernemingen een belangrijke en positieve impuls geven aan verdere lokale ontwikkeling. Export en investeringen kunnen een bijdrage leveren aan duurzame economische groei en lokale werkgelegenheid, aan overdracht van kennis, vaardigheden en technologie en aan verbetering van lokale productiekracht.
De minister wil met het Subsidieprogramma DHI 2026–2030 (hierna: subsidieprogramma of DHI), net als in het ‘Subsidieprogramma DHI 2019–2023’ en het ‘Subsidieprogramma DHI’ dat in 2024 en 2025 was opengesteld, de economische activiteiten van Nederlandse ondernemingen stimuleren die een bijdrage leveren aan het oplossen van bovengenoemde barrières, waardoor kansen gecreëerd worden om nieuwe activiteiten op nieuwe markten te ontplooien. Met het subsidieprogramma wordt een bijdrage geleverd aan de uitvoering van de SDG-agenda2SDG staat voor Sustainable Development Goals..
Ook in deze subsidieprogramma periode zet de minister weer in om de drempels voor groene activiteiten te verlagen om zo meer groene banen en duurzame export te verwezenlijken. Dit betekent dat als ondernemingen kunnen aantonen dat de subsidiabele activiteiten groen zijn ze in aanmerking kunnen komen voor extra financiering (zie paragraaf 4.7).
Daarnaast wil de minister het subsidieprogramma uitbreiden met subsidie voor marktvalidaties waarmee startups een betere en snellere toegang kunnen krijgen tot nieuwe buitenlandse afzetmarkten (zie onderdeel d van paragraaf 4.4.). Juist voor startups geldt dat het vinden van de juiste product-marktfit een grote uitdaging is, zeker als het gaat om het buitenland. Ook andere knelpunten kunnen de marktentree belemmeren. Met een marktvalidatie kunnen technische, commerciële, economische of juridische knelpunten door middel van onderzoek worden weggenomen. In 2026 wordt voor marktvalidaties van startups maximaal € 1 miljoen gereserveerd binnen het totale beschikbare budget voor DHI, om te testen of het aan de voornoemde behoefte voldoet.
2. Uitvoerder
De minister heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken. RVO zal het subsidieprogramma uitvoeren namens de minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.
3. Begrippen
In dit subsidieprogramma wordt verstaan onder:
4. Subsidieprogramma DHI 2026–2030
4.1. Doel en doelgroep
Het subsidieprogramma heeft als doel om Nederlandse MKB-ondernemingen te ondersteunen bij het voorbereiden op export en investeringen in het buitenland. Het subsidieprogramma geeft mede invulling aan het beleid gericht op internationalisering van het Nederlandse MKB. Internationaal ondernemen is een belangrijk element in het streven naar duurzame economische groei in Nederland.
Het subsidieprogramma geeft tevens invulling aan de synergie tussen handel enerzijds en hulp anderzijds binnen de agenda van de Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, waarin stimulering van internationalisering van het MKB en bijdrage aan lokale en inclusieve economische groei samengaan. Met name voor ontwikkelingslanden geldt dat gezocht wordt naar ontwikkelingsrelevante economische activiteiten van het Nederlandse MKB dat daar marktkansen ziet.
De hoofddoelstelling van het subsidieprogramma is:
Het verhogen en versterken van het aantal Nederlandse ondernemingen dat succesvol internationaliseert door in een vroege fase te onderzoeken of een export-/investeringsproject haalbaar is of om te demonstreren dat een bepaalde technologie toepasbaar is of door knelpunten voor marktentree voor startups weg te nemen. Voor projecten in ontwikkelingslanden geldt dat hiermee tevens een positieve bijdrage wordt geleverd aan de lokale ontwikkeling van de landen waar deze internationaliseringen plaatsvinden.
Specifieke doelstellingen van het subsidieprogramma zijn:
En via bovenstaande 3 doelstellingen tevens het leveren van een bijdrage aan duurzame lokale economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden, in de vorm van groei van de lokale werkgelegenheid, duurzame overdracht van kennis, vaardigheden en technologie en verbetering van lokale productiekracht, in geval projecten in deze landen plaatsvinden.
4.2. Wie kunnen in aanmerking komen voor een subsidie
Met het subsidieprogramma wil de minister Nederlandse MKB-ondernemingen ondersteunen en samenwerkingsverbanden namens welke een penvoerder een subsidie aanvraagt.
Een samenwerkingsverband bestaat uit twee of meer exporterende of investerende Nederlandse ondernemingen, waaronder ten minste één MKB-onderneming. De penvoerder moet een Nederlandse MKB-onderneming zijn en een substantieel aandeel in het project hebben.
Als er sprake is van een samenwerkingsverband, dan kunnen ook grotere ondernemingen (in de zin van niet-MKB) subsidiemiddelen verkrijgen, voor zover dit binnen dat samenwerkingsverband noodzakelijk is voor het MKB waarmee zij samenwerken, en als in die samenwerking het accent op het MKB ligt.
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie moet de aanvrager een integriteitsbeleid6https://www.rvo.nl/onderwerpen/mvo/seksueel-grensoverschrijdend-gedrag hebben en procedures hebben ingevoerd om aan dat beleid invulling te kunnen geven binnen de eigen organisatie. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om grensoverschrijdend gedrag, daaronder onder andere begrepen seksuele misdragingen, jegens medewerkers en derden, bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft, door de projectpartners (als er sprake is van een samenwerkingsverband) en de door hen ingeschakelde partijen, zo veel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan RVO is gewaarborgd.
4.3. Adviestraject
Als een aanvrager overweegt een aanvraag voor subsidie in te gaan dienen, dan zal er een verplicht adviestraject plaatsvinden aan de hand van een daartoe ingediende ‘quick scan’. Meer informatie hierover staat op www.rvo.nl/dhi.
Met de verwerking van een verzoek om advies is tot twee weken gemoeid. Het adviestraject eindigt met een advies van een RVO-adviseur aan de potentiële aanvrager. De uitkomst van het adviestraject is niet bindend. Het is aan de aanvrager om wel of niet een subsidieaanvraag in te dienen. Als vervolgens besloten wordt om een aanvraag in te dienen, is en blijft het altijd de verantwoordelijkheid van de aanvrager om aan te tonen dat aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen wordt voldaan.
4.4. Subsidiabele activiteiten
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van dit subsidieprogramma moet de aanvraag betrekking hebben op een planmatige integrale aanpak van activiteiten die bijdragen aan één gezamenlijk doel.
Het project moet gericht zijn op het bereiken van de doelen in paragraaf 4.1. en betrekking hebben op activiteiten in niet meer dan één doelland, tenzij er valide overwegingen van effectiviteit of doelmatigheid zijn om activiteiten naar een naburig land uit te breiden.
Er kan subsidie worden aangevraagd voor de projecten a tot en met d:
4.5. Niet subsidiabele activiteiten
In ieder geval wordt geen subsidie verleend voor de volgende activiteiten:
Voorts wordt geen subsidie verleend voor steenkolenprojecten en voor de exploratie en ontwikkeling van nieuwe voorraden olie en gas in het buitenland, noch voor activiteiten op bestaande voorraden olie en gas, behalve daar waar sprake is van verbetering van de milieuprestatie en/of veiligheid en/of gezondheid en op voorwaarde dat de economische levensduur van de fossiele infrastructuur niet wordt verlengd.
4.6. Duur van de projecten en samenloop
De projecten in het kader van het subsidieprogramma moeten worden uitgevoerd binnen een maximale termijn van:
Per aanvrager kan hoogstens sprake zijn van één DHI-subsidieverlening tegelijkertijd, dat wil zeggen dat gedurende de periode waarin een subsidieontvanger bezig is met de uitvoering van een onder het DHI-subsidieprogramma gesubsidieerd project, er geen andere subsidie onder dit subsidieprogramma wordt verleend. Voor marktvalidaties van startups geldt daarnaast dat per aanvrager maximaal twee keer per jaar subsidie kan worden verleend.
4.7. Omvang van de subsidie
De subsidie bedraagt per aanvraag ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van:
In het geval van projecten, met uitzondering van marktvalidatie van startups, die positief uit de toets voor groene projecten komen geldt een subsidiepercentage van ten hoogste 70% van de subsidiabele kosten, tot bovengenoemde maximale bedragen. Deze toets wordt verricht aan de hand van het Toetsingskader groene projecten opgenomen in Annex 2 bij deze beleidsregels.
Positiefbetekent dat de kernactiviteitbijdraagt aan één of meer van de in het Toetsingskader genoemde categorieën van vergroeningsdoelen en een substantiële bijdrage levert aan de betreffende vergroeningsdoelen, zonder daarbij – en goed onderbouwd – schade te berokkenen aan de andere categorieën.
Met kernactiviteit wordt bedoeld: de specifieke technologie die centraal staat in de aanvraag. Met de subsidie wordt een onderneming geholpen om een ‘technologie’ op een nieuwe markt te brengen. Die technologie, of de directe uitwerking ervan, moet vergroenend zijn, ten einde in aanmerking te kunnen komen voor het hogere subsidiepercentage en moet bijdragen aan de transitie naar een groeninclusieve toekomstbestendige economie.
Met substantieel wordt hier bedoeld: de bijdrage aan de vergroening moet centraal staan (of op z’n minst een grote rol spelen) bij de implementatie van de betreffende technologie, en mag niet slechts een beperkt neveneffect (bijvangst) zijn.
DHI-subsidies worden verstrekt onder de toepassing van de De-minimisverordening. Hiervoor geldt een maximaal drempelbedrag van € 300.000 voor 3 jaren per onderneming, waarbij een groep van ondernemingen gezien wordt als één onderneming. Vanaf 1 januari 2026 wordt de de-minimissteun in een verplicht (Europees) register opgenomen7https://webgate.ec.europa.eu/competition/transparency/public. De de-minimisverklaring blijft wel als aanvraagvereiste gelden.
Het deel van de totale subsidiabele kosten waarvoor geen subsidie wordt verstrekt moet door de aanvrager zelf worden gefinancierd, dit wordt ook wel de eigen bijdrage genoemd. Deze mag niet worden gefinancierd met middelen die verkregen zijn door middel van een directe of indirecte subsidie of bijdrage ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken inclusief de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.
Een financiële bijdrage van derden (bijvoorbeeld van de buitenlandse klant of van een overheidspartij) in de kosten van het project leidt tot een even zo grote verlaging van het subsidiebedrag.
5. Subsidiabele kosten
Ten aanzien van de met het project gemoeide kosten geldt dat er sprake moet zijn van minimaal € 50.000 aan subsidiabele kosten.
5.1. Uitgangspunten
Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de subsidie gelden de volgende uitgangspunten:
5.2. Subsidiabele kosten
Voor demonstratieprojecten geldt dat de kosten voor tijdbesteding in Nederland niet hoger mogen zijn dan de begrote kosten voor tijdbesteding in het buitenland.
Voor investeringsvoorbereidingsprojecten geldt dat de kosten voor tijdbesteding in Nederland en tijdbesteding in het buitenland samen maximaal € 75.000 mogen bedragen. Als er een proefproductie wordt uitgevoerd, kan hiervoor extra tijdbesteding worden begroot.
Voor de verschillende soorten projecten dient een begroting te worden aangeleverd conform het model opgenomen op de RVO website9www.rvo.nl/dhi.
5.3. Niet-subsidiabele kosten
Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:
6. Aanvraag
6.1. Vereisten
De aanvraag wordt ingediend in de Nederlandse of Engelse taal met gebruikmaking van een daartoe op www.rvo.nl/dhi beschikbaar gesteld middel en voorzien van de daarin genoemde
bijlagen waarvoor modellen beschikbaar worden gesteld door RVO.
De aanvraag bevat in ieder geval:
De aanvrager verklaart dat hij op de hoogte is van, en zal handelen in overeenstemming met, de OESO-richtlijnen11https://www.oesorichtlijnen.nl/. Dit betekent dat er gepaste zorgvuldigheid (due diligence) wordt toegepast in overeenstemming met deze richtlijnen om (potentiële) negatieve effecten op mens en milieu in eigen activiteiten en de waardeketen te identificeren en waar nodig aan te pakken, en hier transparant over te communiceren. Ook wordt verklaard dat er geen activiteiten worden ondernomen die op de FMO-uitsluitingenlijst12https://www.fmo.nl/policies-and-position-statements staan.
Na het indienen van de aanvraag kan de aanvrager worden gevraagd een MVO-zelfscan in te vullen13Als RVO al in het bezit is van een geldige MVO-zelfscan van de Nederlandse onderneming(en) of als het project naar verwachting niet wordt verleend, zal deze zelfscan niet (nogmaals) worden opgevraagd. Dit is een korte vragenlijst die inzicht biedt in de stappen van gepaste zorgvuldigheid en de toepassing hiervan door de onderneming. RVO kan naar aanleiding van de ingevulde MVO-zelfscan contact opnemen.
6.2. Herstelperiode
⋯
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.