Regeling Verantwoording bbaz 2025 compartiment 1
Gelet op de artikelen 61, 62 en 68, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), is de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bevoegd tot het stellen van regels op het gebied van informatie die benodigd is om de beschikbaarheidbijdrage academische zorg (bbaz) te kunnen vaststellen.
1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
2. Doel van de regeling
Deze regeling beoogt om op transparante wijze vast te leggen welke gegevens de ontvangers van de beschikbaarheidbijdrage academische zorg (bbaz) uit compartiment 1 verstrekken aan de NZa en hoe zij deze gegevens aan de NZa verstrekken.
De regeling legt vast op welke wijze ontvangers van de bbaz zich dienen te verantwoorden over het jaar 2025. Op basis van de verantwoording stelt de NZa het bedrag voor de bbaz-ontvangers vast.
3. Reikwijdte
Deze regeling is van toepassing op de ontvangers van de beschikbaarheidbijdrage academische zorg uit compartiment 1.
4. Te verstrekken informatie
4.1. Procedure
De procedure voor het verantwoordingsjaar 2025 is als volgt:
4.2. Verantwoording
De jaarlijkse verantwoording vindt plaats aan de hand van de volgende twee onderdelen:
4.2.1. Verantwoording patiëntgebonden labels
De systematiek voor de verantwoording van de labels bestaat uit de volgende stappen:
In aanvulling op bovenstaande geldt het volgende ten aanzien van de berekening van de meerkosten:
Ad a) De ontvanger berekent de meerkosten op instellingsniveau als volgt:
ad b) De instelling bepaalt de top vijf diagnosegroep als volgt:
Bij het bepalen van de kosten voor de subtrajecten is de volgende scope van toepassing. Het gaat uitsluitend om verzekerde dbc-zorgproductie gerelateerd aan academische patiënten die zijn uitgeleverd door de NZa zoals bedoeld onder artikel 4.1 inclusief zorgtype 51. De volgende zorg is uitgesloten bij het bepalen van meerkosten voor de patiënten:
Een inhoudelijke uitwerking op instellingsniveau van de activiteiten van de ontvanger gericht op academische patiëntenzorg.
4.2.2. Verantwoording ontwikkeling en innovatie
De verantwoording van ontwikkeling en innovatie (O&I) ziet er als volgt uit:
De richtlijnen voor het opstellen van de verantwoording per categorie zoals opgenomen in artikel 4.2.2 lid 1 zijn verder uitgewerkt in de bijlage 2 – formulier huisspecifieke toelichting O&I en TRF 2025.
5. Accountantsrapport
De accountant doet onderzoek of bij het opstellen van de verantwoording van het vaste deel van de beschikbaarheidbijdrage academische zorg, het van toepassing zijnde accountantsprotocol is gevolgd en dat de opgegeven bedragen in de verantwoording voor de beschikbaarheidbijdrage conform dit accountantsprotocol zijn bepaald.
De accountant rapporteert zijn bevindingen via een Rapport van feitelijke bevindingen gericht aan de NZa. Het accountantsprotocol is opgenomen als bijlage bij de nadere regel in bijlage 3 – accountantsprotocol vaste deel bbaz compartiment 1.
6. Intrekken en vervallen oude regeling
Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze regeling wordt deRegeling Verantwoording bbaz 2024 compartiment 1, met kenmerk NR/REG-2423, ingetrokken.
7. Toepasselijkheid voorgaande regeling, bekendmaking, inwerkingtreding en citeertitel
De regeling Verantwoording bbaz 2024 compartiment 1, met kenmerk NR/REG-2423, blijft van toepassing op gedragingen (handelen en nalaten) van zorgaanbieders die onder de werkingssfeer van die regeling vielen en die zijn aangevangen – en al dan niet beëindigd – in de periode dat die regeling gold.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de regeling ingevolge artikel 5, aanhef en onder d, van de Bekendmakingswet wordt geplaatst.
De regeling ligt ter inzage bij de NZa en is te raadplegen op www.nza.nl
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Verantwoording bbaz 2025 compartiment 1.
Bijlage 1. – Functionele beschrijving labelsystematiek
Functionele beschrijving label systematiek topreferente patiënt
Het DIS (dbc-informatiesysteem) bevat de gegevens die we gebruiken om de aantallen patiënten per label zoals ontwikkeld in project Robijn te berekenen. Voor het bepalen van de labels gebruiken we DIS-data van de ziekenhuizen.
Op de DIS vinden bewerkingen plaats vóór de scores worden berekend. Deze bewerkingen zijn gericht op het verkrijgen van zo geschikt mogelijke data voor de berekening van de label scores. De volgende bewerkingen worden gedaan:
Datavalidatie
Als onderdeel van de datavalidatie worden gegevens gecontroleerd op basisvoorwaarden. Dit betreffen controles die gericht zijn op het identificeren van foutieve data. Het gaat hier bijvoorbeeld om verkeerde of ontbrekende codes, onmogelijke aantallen verrichtingen, dubbele registraties en negatieve aantallen. Deze data werkt vervuilend in de berekening van de labelscores en wordt daarom verwijderd.
De NZa voert deze schoning uit voordat de labelscores worden berekend. De schoningsredenen kunnen continu worden aangevuld om de kwaliteit van de gebruikte informatie voor de label berekeningen zo hoog mogelijk te houden. Hiervoor sluit de NZa aan bij de meest recente datavalidatie die is uitgevoerd door het team data. In dit traject worden gegevens teruggeven voor en na schoning. Alle afgekeurde trajecten lopen niet mee in de berekening van de labelscores. Eventueel niet beoordeelde trajecten (inclusief heraangeleverde trajecten) worden geaccepteerd en meegenomen in de label berekening.
Bewerking DIS
Op een aantal punten bewerken we DIS
Referentietabellen dbc-release en Vektis
De dbc-release tabellen van de NZa worden vanuit de bron bitemporaal uitgeleverd, elke versie van de tabel bevat historie met begin- en einddatum per regel.
Voor het bepalen van de juiste referentietabellen wordt de versie gekozen waarvan het actuele peilmoment valt binnen begin- en einddatum van de tabel. Voor zover de Vektis tabellen niet bitemporaal zijn nemen we de laatste versie.
We maken geen aanpassingen aan de referentietabellen met uitzondering van de volgende:
Zorgprofielklasse
De zorgprofielklasse bestaat uit twee posities. Indien de brontabel 1 cijfer bevat dan wordt er een voorloop ‘0’ gecodeerd.
Overige referentietabellen
Bepaling scores op labels
Hieronder volgt een functionele omschrijving van de verschillende labels.
Algemeen
De patiëntenpopulatie bestaat uit unieke patiënten voor wie binnen een bepaalde tijdspanne een verzekerde dbc-zorgprestatie geopend is bij een hoofdbehandelaar (subtrajecten met zorgtype 11, 21 of 13). Zorgtype 51 zal alleen meelopen bij het label complexe ok en behandelintensiteit.
Er worden twee referentiegroepen onderscheiden:
Nieuwe aanvragers vallen in de referentiegroep 2: overige instellingen.
Alle patiëntgebonden labels worden berekend op concernniveau, per jaar, waarbij gekeken wordt naar de openingsdatum van de dbc. Voor de telling van het aantal unieke patiënten wordt gebruik gemaakt van een geldig BSN.
Label 1. : behandelintensiteit
Gebruikt worden kostprijzen per activiteit voor onderlinge weging van alle voorkomende zorgactiviteiten binnen een traject. De activiteiten binnen de zorgprofielklassen 20, 89 en 99 worden hierbij uitgesloten. Behalve bij de zorgproductgroep 990027 medisch specialistische revalidatiezorg (MSRZ) en de hartrevalidatie worden ook activiteiten binnen zorgprofielklasse 14 uitgesloten. Voor ontbrekende kostprijzen wordt de gemiddelde kostprijs van de zorgprofielklasse genomen.
Zorgtype 51 zal meegenomen worden als het subtraject gekoppeld kan worden aan een initieel of vervolg dbc. De IC-zorgactiviteiten (zorgprofielklasse 18 en 19) wegen niet mee in het bepalen van de zorgzwaarte.
We zetten per traject in de DIS-data de profielzwaarte af tegen de landelijk gemiddelde profielzwaarte van datzelfde dbc-zorgproduct.
We definiëren trajecten als behandelintensief bij meer dan twee standaarddeviaties afwijking ten opzichte van het landelijk gemiddelde.
In deze laatste stap is een transformatie (natuurlijke logaritme) toegepast op de berekende profielzwaarte. Zodoende wordt de rechtsscheefheid in de verdeling van profielzwaarte tegengegaan en kan een zo robuust en zuiver mogelijke standaarddeviatie worden bepaald. Voor kostprijzen die kleiner dan 0,01 zijn wordt een vervangende waarde genomen van –6. Kostprijzen van 0 cent worden uitgesloten van de berekening.
Een (unieke) patiënt kan gedurende het jaar meerdere trajecten doorlopen. Wanneer bij één traject sprake is van hoge behandelintensiteit, wordt de patiënt als hoog behandelintensief geclassificeerd.
Alleen het aantal unieke patiënten die hieraan voldoen, per zorgaanbieder worden geteld.
Label 2. : unieke zorg
Per diagnose, zorgtype, specialisme en patiëntkenmerk wordt gekeken of de BBAZ ontvangers meer dan 85% van de totale dbc’s aan zorg leveren. De volgende vier patiëntkenmerken worden daarbij achtereenvolgens bekeken:
Vervolgens wordt het aantal unieke patiënten per instelling geteld die volgens bovenstaande operationalisatie unieke zorg krijgen.
Voor leeftijdscategorieën wordt de volgende leeftijdsgroepen opgesteld:
Categorie 0: 0 tot en met 14 jaar
Categorie 1: 15 tot en met 24 jaar
Categorie 2: 25 tot en met 44 jaar
Categorie 3: 45 tot en met 64 jaar
Categorie 4: 65 tot en met 74 jaar
Categorie 5: 75 tot en met 84 jaar
Categorie 6: 85 en ouder
Voor geslacht wordt aangesloten bij de verschillende geslachtsvormen die voorkomen in de DIS.
Voor de indeling op sociaal economische status wordt gebruik gemaakt van de gegevens op postcodeniveau van het SCP. De scores die door het SCP worden gepubliceerd zijn omgezet in categorieën op basis van afwijkingen ten opzichte van het gemiddelde. Hiervoor worden drie categorieën onderscheiden:
Laag (1): Gemiddelde minimaal één keer standaarddeviatie of minder.
Middel (2): Gemiddelde (tussen min één en plus één keer standaarddeviatie)
Hoog (3): Gemiddelde plus één standaarddeviatie of meer.
Voor de reistijdentabel wordt gebruik gemaakt van de meest recent beschikbare reistijdentabel van GEODAN voor alle postcodes in Nederland. Alle reistijden zijn weergegeven tussen alle mogelijke combinaties van postcodes. De reistijd van de postcode van de patiënt en het adres van de instelling wordt vervolgens bepaald. Op basis van de reistijden worden drie categorieën onderscheiden:
Categorie Kort: minder dan 30 minuten
Categorie Midden: 30 of meer en minder dan 60 minuten
Categorie Lang: 60 of meer minuten
Label 3. : multispecialistische zorg
Dit label identificeert patiënten die binnen een instelling zorg ontvangen van diverse poortspecialismen. Hierbij wordt gekeken naar het specialisme waar het subtraject op geregistreerd is, en het uitvoerend specialisme van een zorgactiviteit bij een patiënt binnen een bepaalde diagnosegroep. Patiënten worden gemarkeerd als ze zorg hebben ontvangen van drie of meer poortspecialismen.
Hier wordt een uitzondering op gemaakt: Indien het subtraject is geregistreerd op een niet poortspecialisme, en het uitvoerende specialisme is gelijk aan het behandelend specialisme waar het subtraject op geregistreerd is, wordt deze ook meegenomen als specialisme voor de bepaling van het label.
Voor de diagnosegroepen wordt gebruik gemaakt van de diagnosegroepentabel. De diagnosegroep omschrijvingen ‘X’, ‘Traject’, ‘Intercollegiaal consult’, ‘Screening’ en ‘Geen DRG’ worden uitgesloten.
Vervolgens wordt het aantal unieke patiënten per instelling geteld die volgens bovenstaande operationalisatie multispecialistische zorg krijgen.
Label 4. : complexe operatie
Binnen de set van operatieve verrichtingen wordt gekeken in hoeverre een operatieve-verrichting:
Met patiënten wordt de totale patiëntenpopulatie bedoeld. Hiervoor gebruiken we de meest recent beschikbare inwonersaantallen van het CBS op peildatum 31 december van ieder jaar. De operatieve verrichtingen die worden onderscheiden worden gebaseerd op de zorgactiviteiten met ZPK code 5 (Operatieve verrichtingen).
Bij het identificeren van complexe ok loopt zorgtype 51 ook mee. Een patiënt kan dus topreferent worden door een complexe ok verrichting door een subtraject met een zorgtype 51.
Het aantal unieke patiënten met zo’n operatie wordt per instelling geteld.
Label 5. : zeldzame diagnose
Een diagnose wordt als zeldzaam gekenmerkt als de diagnose per jaar in de totale patiëntenpopulatie bij minder dan 1 op de 100.000 mensen wordt vastgesteld.
Met mensen wordt bedoeld de totale patiëntenpopulatie van Nederland. Hiervoor gebruiken we de meest recent beschikbare inwonersaantallen van het CBS op peildatum 31 december van ieder jaar.
Het aantal unieke patiënten die aan dit criterium voldoet wordt per instelling geteld.
Label 6. : Tertiaire verwijzing
Het gaat hier om het aantal unieke patiënten dat eerder in een ander ziekenhuis behandeld werd en daarna doorverwezen is. We kijken hiervoor naar de initiële en vervolg dbc’s (zorgtype 11 en 21 in de DIS) waarvan de begindatum maximaal 1,5 jaar ligt na de begindatum van de dbc van een andere zorgaanbieder. Om te kunnen scoren op dit label dient een instelling tenminste verwijzingen te ontvangen naar 3 verschillende poortspecialismen. Voor dit label wordt op twee manieren bekeken of een patiënt aan deze eis voldoet. Hiervoor hanteren we een verwijzercriterium en een BSN-criterium. Bij het BSN-criterium moet een instelling boven een bepaalde drempelwaarde scoren. In de volgende alinea’s worden de verschillende methodes uitgelegd:
Criterium verwijzer:
Via de DIS-registratie van het ziekenhuis wordt nagegaan hoeveel patiënten verwezen zijn vanuit een andere instelling (met uitzondering van de Spoed Eisende Hulp). Deze patiënten moeten ook daadwerkelijk (op basis van BSN) maximaal 1,5 jaar voorafgaand aan de gegeven zorg aanwezig zijn in de ziekenhuisadministratie van een ander ziekenhuis.
Voor de instellingen die de DIS niet voldoende volledig hebben aangeleverd (minimaal 80%) wordt niet geverifieerd of de patiënt een dbc in een ander ziekenhuis heeft ontvangen volgens bovenstaande methode. Voor deze instellingen wordt gebruik gemaakt van de verwijsadministratie van de instelling zelf om vast te stellen of de patiënten binnen 1,5 jaar behandeld zijn in een ander ziekenhuis. Hiervoor baseren we ons enkel op de verwijsadministratie van het ziekenhuis zelf (variabele code_zelfverwijzer_cd met als waarde “06”). De BSN controle laten we dan los.
Criterium BSN:
De BSN methode analyseert welke patiënten in de periode van 1,5 jaar zoals hierboven beschreven in verschillende ziekenhuizen zijn behandeld zonder dat hiervoor een specifieke verwijzing is geregistreerd.
Om het BSN-criterium te bepalen worden de volgende stappen doorlopen:
Stap 1: Vaststellen van relevante landelijke verwijspatronen:
Stap 2: Het bepalen van drempelwaarde voor instellingen.
Een ziekenhuis met een sterk derdelijns karakter voor een bepaalde DRG/diagnose zal naar verwachting relatief veel tertiaire verwijzingen hebben. Om een onderscheid te maken tussen een tertiaire verwijzing en een terugverwijzing (voor niet-tertiaire zorg), wordt gebruik gemaakt voor een drempelwaarde op basis van het aandeel verwijzingen op basis van het 06-criterium. Bij het bepalen van de drempelwaarde worden de volgende stappen doorlopen:
Stap 3: Het toepassen van de drempelwaarde per instelling
Alle doorverwijzingen die zijn geïdentificeerd door het BSN-criterium zijn pas geldig als de instelling met zijn derdelijnsverwijzingen voor de desbetreffende DRG ook boven de drempelwaarde ligt.
Bij bepaling van de labelscore worden uiteindelijk unieke patiënten gelabeld die voldoen aan het BSN criterium en/of aan criterium verwijzer.
Label 7. : multimorbide patiënten
Het gaat hier om patiënten jonger dan 50 jaar met vier of meer verschillende diagnosegroepen gedurende de laatste twee kalenderjaren.
Bij deze analyse telt een patiënt ook als multimorbide als hij/zij bij meerdere zorgaanbieders is behandeld. We tellen het aantal unieke jonge multimorbide patiënten.
De volgende diagnosegroepen worden hier uitgesloten:
De diagnosegroepen: 'KGEN-01', 'Z35', 'S06 ', 'S42-0', 'S42-S52', 'S62-S102', 'S62-S103', 'S72', 'S82', 'S82-2', 'S83', 'S92', 'S93', 'GEEN' en alle diagnosegroepen die beginnen met en ‘S1’.
Daarnaast worden de volgende diagnosegroep omschrijvingen uitgesloten: ‘X’, ‘Traject’, ‘Intercollegiaal consult’, ‘Screening’.
Bijlage 2. Lijst unieke dbc-zorgproducten
Niet opgenomen.
Bijlage 3. DRG tabel
Niet opgenomen.
Bijlage 4. Formulier verantwoording OI en TRF 2025
Niet opgenomen.
Bijlage 5. Detailinstructie OI-verantwoording
Ligt ter inzage bij de NZa en is te raadplegen op www.nza.nl
Bijlage 6. Accountantsprotocol BB academische zorg compartiment 1
Niet opgenomen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.