Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 24 maart 2026, nr. WJZ/1787349, houdende regels voor subsidieverstrekking voor de instandhouding van monumenten met een woonfunctie op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Subsidieregeling instandhouding woonhuis-monumenten Caribisch Nederland 2026)

Type Ministeriele Regeling Bes
Publication 2026-04-08
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Toepassing Kaderregeling

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling. Onderdeel d van de begripsomschrijving van financieel verslag, bedoeld in artikel 1.1 van de Kaderregeling, de artikelen 3.1 en 3.3 tot en met 3.5, alsmede hoofdstuk 7 van de Kaderregeling zijn niet van toepassing.

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

De minister kan aan particuliere eigenaren van een monument als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder d, of beschermd monument met een woonfunctie subsidie verstrekken voor de instandhoudingskosten ten behoeve van dat monument of beschermd monument.

Artikel 4. Subsidiabele kosten en hoogte subsidiebedrag
1.

Subsidiabel zijn de instandhoudingskosten, met dien verstande dat kosten waarvoor op grond van artikel 7 subsidie wordt geweigerd als niet-subsidiabel worden aangemerkt.

2.

In afwijking van de artikelen 3.2, tweede lid, en 4.3, eerste lid, van de Kaderregeling zijn, in combinatie met instandhoudingskosten die worden gemaakt na een besluit tot subsidieverlening, ook de instandhoudingskosten subsidiabel ten aanzien van de voorbereiding van de aanvraag, bestaande uit aanbestedingskosten, leges voor de toestemming van het bestuurscollege voor de instandhoudingswerkzaamheden, en kosten voor inspectie, onderzoek, planvorming of rapporten.

3.

Het subsidiebedrag is gelijk aan de subsidiabele instandhoudingskosten, met een maximum van $ 100.000 per monument of beschermd monument.

Artikel 5. Subsidieplafond

Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is ten hoogste een bedrag beschikbaar van:

Artikel 6. Aanvraag subsidie
1.

De subsidie kan voor alle drie eilanden worden aangevraagd van 1 september 2026 tot en met 30 september 2026 (UTC-4).

2.

De aanvraag kan digitaal worden ingediend met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat daartoe op de website van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beschikbaar is gesteld.

3.

Bij de aanvraag om subsidie worden de volgende documenten ingediend:

4.

De minister kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen vier weken aan te vullen.

5.

Per monument of beschermd monument kan maximaal één aanvraag worden gedaan.

Artikel 7. Weigeringsgronden

In aanvulling op de artikelen 4:25 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt subsidie in ieder geval geweigerd:

Artikel 8. Wijze van verdeling beschikbare middelen
1.

Indien een subsidieplafond als bedoeld in artikel 5 niet hoog genoeg is om alle aanvragen ten laste van het beschikbare bedrag te honoreren, wordt op die aanvragen op de hierna aangegeven volgende volgorde beslist:

2.

Indien bij toepassing van het eerste lid een subsidieplafond als bedoeld in artikel 5 zou worden overschreden door subsidieverlening aan alle aanvragen in het eerste lid, onder a, b, c of d, wordt op de aanvragen in het desbetreffende onderdeel beslist in volgorde van de totale begrote kosten uit de aanvraag, waarbij een aanvraag met lagere totale begrote kosten voorrang krijgt.

3.

Indien na toekenning van de subsidie, na toepassing van het eerste en tweede lid, nog voor een of meer van de eilanden budget resteert, wordt dit budget samengevoegd en aangewend voor de eerstvolgende aanvraag die op basis van die rangschikking voor subsidieverlening in aanmerking komt, ongeacht op welk van de eilanden het monument of beschermd monument is gelegen.

Artikel 9. Subsidieverlening en bevoorschotting
1.

De minister besluit binnen 22 weken na de sluiting van het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel 6, eerste lid, op de aanvragen.

2.

De minister verleent een voorschot bij verleningsbeschikking dat wordt uitbetaald bij de start van de instandhoudingswerkzaamheden.

3.

De subsidiebedragen worden in Amerikaanse dollars verleend, uitbetaald en vastgesteld.

Artikel 10. Verplichtingen van de subsidieontvanger
1.

Aan de subsidieontvanger worden, in aanvulling op hoofdstuk 5 van de Kaderregeling, de volgende verplichtingen opgelegd:

2.

De minister kan de subsidieontvanger verplichten advies te vragen aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed alvorens met de voorgenomen activiteiten wordt gestart voor zover de monumentale waarde van het monument of beschermd monument of die activiteiten daartoe aanleiding vormen.

Artikel 11. Verantwoording
1.

De subsidieontvanger toont aan de hand van een prestatieverklaring aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, volledig zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

2.

De minister kan voor de prestatieverklaring een model vaststellen.

3.

Voor zover uit de prestatieverklaring volgt dat niet alle activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn uitgevoerd of de subsidieontvanger zich niet aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen heeft gehouden, bevat de prestatieverklaring de redenen hiervoor.

4.

Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, toont de subsidieontvanger op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Bij beschikking wordt aangegeven op welke wijze dit wordt aangetoond.

Artikel 12. Vaststelling subsidie
1.

De subsidieontvanger dient uiterlijk binnen 22 weken na de afronding van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, met gebruikmaking van het formulier dat daartoe door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beschikbaar wordt gesteld.

2.

De minister besluit binnen 22 weken op een aanvraag tot vaststelling van de subsidie.

Artikel 13. Intrekking subsidieverlening, uitstel startdatum en verlenging activiteitenperiode
1.

De minister kan de subsidieverlening intrekken indien de eigenaar niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, behoudens overmacht of onvoorziene omstandigheden aan de kant van de eigenaar.

2.

De minister kan de periode, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, op schriftelijk verzoek van de subsidieontvanger eenmalig uitstellen met maximaal zes maanden, indien het door overmacht of onvoorziene omstandigheden redelijkerwijs niet mogelijk is om de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend binnen de oorspronkelijke periode aan te laten vangen.

3.

Een verzoek om uitstel bevat:

4.

De subsidieontvanger dient een aanvraag als bedoeld in het tweede lid onverwijld in en uiterlijk voor de oorspronkelijke startdatum waarvoor de subsidie is verleend.

5.

De minister kan de periode, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, op schriftelijk verzoek van de subsidieontvanger maximaal twee keer met zes maanden verlengen, indien de subsidieontvanger door overmacht of onvoorziene omstandigheden redelijkerwijs niet in staat is de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend binnen de oorspronkelijke periode af te ronden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.