Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 31 maart 2026 nr. 2026-48474 over het verzamelbesluit lijfrenten en andere periodieke uitkeringen
De Staatssecretaris van Financiën,
Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en afdeling 3.5 en 3.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en hoofdstuk 2, artikel I, onderdelen O en T van de Invoeringswet Wet IB 2001;
Besluit:
Dit besluit vervangt het besluit van 21 januari 2025, nr. 2024-375909, Stcrt. 2025, 3741
De wijzigingen betreffen:
1. Inleiding
In dit besluit zijn de beleidsstandpunten opgenomen over de lijfrenteverzekering, de lijfrenterekening, het lijfrentebeleggingsrecht, de aftrek van premies voor lijfrenteverzekeringen en de aftrek van de inleg voor lijfrenterekeningen en lijfrentebeleggingsrechten als uitgaven voor inkomensvoorzieningen onder de Wet IB 2001. Ook zijn de beleidsstandpunten opgenomen over vóór 2001 gesloten lijfrenten en andere rechten op periodieke uitkeringen voor de toepassing van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Daarnaast zijn beleidsstandpunten opgenomen over onderhoudsverplichtingen in de vorm van verrekening van pensioenrechten.
1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
1.2. Basis goedkeuringen
De goedkeuringen in dit besluit zijn gebaseerd op de hardheidsclausule van artikel 63 AWR, tenzij anders aangegeven.
2. Voorwaarden voor lijfrenten (artikel 1.7, eerste en derde lid, Wet IB 2001)
2.1. Vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen
2.1.1. Nagekomen bedragen bij omzetting lijfrente en restsaldo lijfrenterekening en lijfrentebeleggingsrecht na de laatste uitkering
Van een lijfrente is alleen sprake als de aanspraak recht geeft op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen. Het komt voor dat de financiële instelling boven op deze uitkeringen een eenmalige (laatste) uitkering uitbetaalt. Dan kan sprake zijn van een gedeeltelijke afkoop waarover naast de inhouding van loonheffing ook revisierente is verschuldigd. Als het gaat om een bedrag van maximaal € 1.000 vind ik het berekenen van revisierente in de volgende situaties ongewenst.
Een bestaand lijfrenteproduct is omgezet in een (ander) lijfrenteproduct en de nieuwe aanbieder ontvangt na berekening van de uitkeringen nog een nagekomen bedrag aan rendement van de vorige aanbieder. Dit kan zich ook voordoen bij ter zake van de lijfrente door de verzekeraar toegekende schadevergoedingen. Een dergelijk nagekomen bedrag moet in beginsel leiden tot herrekening van de uitkeringen. Als het om een gering bedrag gaat, vindt een dergelijke herrekening niet altijd plaats en wordt het nagekomen bedrag in een keer uitbetaald.
Bij een lijfrenterekening en een lijfrentebeleggingsrecht moet het volledige lijfrentekapitaal in vaste en gelijkmatige uitkeringen worden uitgekeerd. Het komt echter voor dat een gering restsaldo van dat kapitaal overblijft en de financiële instelling dit uitkeert, bijvoorbeeld als gevolg van verschil in valutadata tussen de berekening en de daadwerkelijke overboeking van de uitkeringen.
Bij de beschreven uitbetaling van nagekomen bedragen in situatie 1 en de uitkering van restsaldi in situatie 2 is in feite sprake van een (laatste) reguliere uitkering. Het berekenen van revisierente in deze situaties vind ik ongewenst en daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat geen revisierente verschuldigd is als het nagekomen bedrag of het uitgekeerde restsaldo ten hoogste € 1.000 bedraagt. Het nagekomen bedrag of het restsaldo kan samen met de eerstvolgende uitkering(en), met de laatste uitkering(en), of separaat als extra uitkering worden uitbetaald. Hierbij moet de aanbieder loonheffing inhouden alsof sprake is van de uitkering van een reguliere lijfrentetermijn.
Als een nagekomen bedrag of een restsaldo hoger is dan € 1.000 en wordt uitbetaald, zijn de regels die gelden bij (gedeeltelijke) afkoop van toepassing en kan revisierente verschuldigd zijn.
2.1.2. Restsaldo lijfrente uitkerend in beleggingseenheden
Voor lijfrenten waarbij de uitkeringen worden gedaan in de vorm van beleggingseenheden, is het fiscaal toegestaan dat de hoogte van de termijnen gedurende een periode van ten hoogste 12 maanden wordt vastgesteld op een bepaald bedrag in euro’s per termijn (artikel 2a, vijfde lid, onderdeel b, en artikel 2b, vierde lid, onderdeel b, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001). Als een financiële instelling deze regel uitvoert, kan een restsaldo ontstaan als gevolg van hogere beleggingsresultaten in het laatste uitkeringsjaar van de lijfrente.
Wanneer de financiële instelling dit restsaldo uitbetaalt, kan fiscaal gezien sprake zijn van gedeeltelijke afkoop. Naast inhouding van loonheffing is over dit bedrag revisierente verschuldigd. Omdat het restsaldo ontstaat door de wettelijk toegestane berekening van de hoogte van de termijnen, vind ik de berekening van revisierente bij het uitkeren van het restsaldo ongewenst. Daarom keur ik in deze situatie het volgende goed.
Ik keur goed dat de financiële instelling het restsaldo dat in de hiervoor beschreven situatie ontstaat in het laatste uitkeringsjaar mag uitbetalen alsof sprake is van de uitkering van een reguliere termijn. Het restsaldo kan samen met de laatste uitkering of separaat worden uitbetaald.
2.1.3. Gevolgen van door toezichthouders getroffen maatregelen
De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) kunnen maatregelen treffen waardoor het kan voorkomen dat al lopende lijfrente-uitkeringen niet meer voldoen aan het criterium ‘vast en gelijkmatig’. Zo kan de AFM een lijfrentebeleggingsfonds op slot zetten en kan de DNB een levensverzekeraar failliet verklaren. In beide gevallen kan vanaf het moment dat de maatregel ingaat niet langer (volledig) worden uitgekeerd en zal worden gezocht naar een overnemende partij van de lijfrenteportefeuille. Totdat een overnemende partij is gevonden, kan een curator de uitkeringen verrichten.
Als de curator en/of de overnemende partij tot uitkeringen overgaat, zullen deze in het algemeen op een lager niveau liggen dan oorspronkelijk is overeengekomen. Uit een liquidatie en/of faillissement nagekomen betalingen kunnen echter (weer) leiden tot hogere lijfrente-uitkeringen.
Als door de getroffen maatregelen niet meer wordt voldaan aan het criterium ‘vast en gelijkmatig’, wordt de waarde van de lijfrente bij de houder van een lijfrente in aanmerking genomen als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en is in beginsel revisierente verschuldigd. Aangezien de houders van een lijfrente geen invloed hebben op de door de toezichthouders genomen maatregelen, acht ik deze fiscale gevolgen niet gewenst. Daarom keur ik het volgende goed.
Voor situaties waarin als gevolg van door DNB of de AFM opgelegde maatregelen een financiële instelling niet of voor een lager bedrag de lijfrente-uitkeringen uitbetaalt aan de houders van de lijfrente, keur ik onder voorwaarden goed dat zowel bij het tijdelijk niet uitkeren als bij het tijdelijk uitkeren van een lager bedrag aan uitkeringen, maar ook bij het herstel van de uitkeringen naar de oorspronkelijke omvang, geacht wordt te zijn voldaan aan het criterium ‘vast en gelijkmatig’. Ook mag in die situatie op een later moment de gemiste of lagere uitkering worden ingehaald. Deze situaties zullen niet leiden tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen.
Ik stel bij goedkeuring 1 de volgende drie voorwaarden:
Voor situaties waarin een financiële instelling door ingrijpen van DNB of de AFM is geliquideerd of failliet is verklaard en de portefeuille is overgenomen door een andere financiële instelling, keur ik onder voorwaarden goed dat wanneer een nagekomen bedrag uit de afwikkeling van de voormalige financiële instelling aan de houder van de lijfrente toekomt, geacht wordt te zijn voldaan aan het criterium ‘vast en gelijkmatig’. Deze nabetaling zal dan ook niet leiden tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen.
Ik stel bij goedkeuring 2 de volgende twee voorwaarden:
Om in aanmerking te komen voor een van de hiervóór opgenomen goedkeuringen meldt de uitkerende partij aan de Kennisgroep Verzekeringsproducten en Assurantiebelasting van de Belastingdienst1Emailadres kennisgroep: kg.verzekeringsproducten.assbel@belastingdienst.nl dat het hier een nagekomen bedrag uit de afwikkeling van een liquidatie of faillissement betreft.
2.2. Afkoopverbod en opzegging of ontbinding
Voor lijfrenteverzekeringen is in artikel 4:63 Wft een opzegmogelijkheid opgenomen die de verzekeringnemer de mogelijkheid biedt de overeenkomst binnen een periode van 30 kalenderdagen met onmiddellijke ingang op te zeggen (wettelijke bedenktijd). Voor lijfrenterekeningen die ‘op afstand worden afgesloten’ (via direct writer), is een vergelijkbare opzegmogelijkheid opgenomen in artikel 6:230x Burgerlijk Wetboek. Op grond van die bepaling kan een lijfrenterekening door een rekeninghouder worden ontbonden binnen 14 dagen.
Het opnemen van deze mogelijkheden tot opzegging of ontbinding in een overeenkomst is niet in strijd met het voor lijfrenten geldende afkoopverbod omdat ze wettelijk verplicht zijn. Voor lijfrenten waarbij niet zo’n wettelijke verplichting geldt, zou een dergelijke clausule wel in strijd komen met een afkoopverbod. Dit vind ik ongewenst omdat de fiscale regel dan een drempel opwerpt tegen (vrijwillige) consumentenbescherming én omdat het een gelijk speelveld tussen lijfrenteproducten belemmert.
Als een belastingplichtige gebruik maakt van een opzeg- of ontbindingsmogelijkheid (wettelijk verplicht of niet), is fiscaal gezien sprake van afkoop. Als de belastingplichtige de premiestorting of inleg heeft gedaan, moet hij negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking nemen. Daarbij is in beginsel revisierente verschuldigd. Het berekenen van revisierente vind ik in de geschetste situatie niet gewenst, omdat er slechts een korte tijdspanne zit tussen het sluiten van de overeenkomst en de opzegging daarvan op grond van een wettelijke regeling. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur onder voorwaarden goed dat een mogelijkheid tot opzegging of ontbinding niet in strijd is met het afkoopverbod én dat geen revisierente wordt berekend als van deze clausule gebruik wordt gemaakt.
Ik stel daarbij de volgende vier voorwaarden:
2.3. Herstel onjuiste verzekeringspolis of lijfrenteovereenkomst
Herstel van de verzekeringspolis of lijfrenteovereenkomst is mogelijk als op grond van een aanvraagformulier, een offerte, de hoogte van de betaalde premies of de overgemaakte bedragen, enzovoort, aannemelijk is dat een verzekeringspolis of lijfrenteovereenkomst niet de juiste weergave is van wat partijen beoogden overeen te komen. De tussenpersoon of de financiële instelling heeft dan een administratieve fout gemaakt. Na het herstel wordt de polis of overeenkomst geacht met inachtneming van de correctie te zijn opgemaakt vanaf het tijdstip van sluiten van de overeenkomst. Met andere woorden, het herstel heeft fiscaal terugwerkende kracht.
Herstel kan ook plaatsvinden als aannemelijk is dat bij de omzetting van een verzekering of lijfrenteovereenkomst in een ander zodanig product een administratieve fout is gemaakt. Dit herstel kan ook plaatsvinden door de aanbieder die de fout zelf niet heeft gemaakt.
Van een administratieve fout als zodanig is geen sprake als een verzekeringspolis of lijfrenteovereenkomst is opgemaakt conform de bedoeling van partijen maar berust op een foutief fiscaal inzicht bij de verzekeringnemer of de rekeninghouder, de tussenpersoon of de financiële instelling.
3. Tussentijdse beëindiging van een arbeidsongeschiktheidsverzekering of zuivere nabestaandenlijfrente
Een arbeidsongeschiktheidsverzekering of zuivere nabestaandenlijfrente waarvan de premies zijn afgetrokken als uitgaven voor inkomensvoorzieningen kan vóór het einde van de overeengekomen looptijd worden beëindigd. Hierbij kunnen zich twee situaties voordoen.
Als de verzekeraar bij tussentijdse beëindiging van de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de zuivere nabestaandenlijfrente geen uitkering doet, worden geen negatieve uitgaven in aanmerking genomen. In deze situatie zijn geen verzekerde rechten van betekenis meer aanwezig waarop artikel 3.133 Wet IB 2001 van toepassing kan zijn.
Als de verzekeraar wel een uitkering doet bij tussentijdse beëindiging van de arbeidsongeschiktheidsverzekering of zuivere nabestaandenlijfrente zonder dat het verzekerde risico zich heeft voorgedaan, is sprake van een reguliere afkoop. Op grond van artikel 3.133 Wet IB 2001 worden dan negatieve uitgaven in aanmerking genomen (met uitzondering van de situatie waarin de regeling voor afkoop kleine lijfrente van toepassing is (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, Wet IB 2001). Deze negatieve uitgaven worden gesteld op de waarde in het economische verkeer van de verzekering ten tijde van de beëindiging (artikel 3.137 Wet IB 2001). Hierover is revisierente verschuldigd (artikel 30i, eerste lid, onderdeel b, AWR).
Bij beëindiging van een arbeidsongeschiktheidsverzekering of zuivere nabestaandenlijfrente is het mogelijk dat de verzekeraar niet meer uitkeert dan het bedrag van de op het tijdstip van beëindiging nog onverdiende premies. Onverdiende premies zijn premies over een periode gedurende welke de verzekeraar (nog) geen risico heeft gelopen. In deze situatie vind ik het ongewenst dat over deze uitkering revisierente verschuldigd is. Ik keur het volgende goed.
Ik keur goed dat een uitkering van de nog onverdiende premies gedaan door de verzekeraar in verband met die beëindiging wordt aangemerkt als een restitutie van premie (artikel 3.132 Wet IB 2001). Het bedrag van de uitkering wordt in aanmerking genomen als een teruggave van een uitgave voor inkomensvoorziening. Over een dergelijke teruggave is tot het bedrag van de onverdiende premies geen revisierente verschuldigd.
4. Nabestaandenlijfrente
4.1. Gerechtigden tot nabestaandenlijfrenten; niet-natuurlijk persoon
Gerechtigden tot een nabestaandenlijfrenteverzekering kunnen alleen natuurlijke personen zijn. Het kan voorkomen dat ‘de erfgenamen’ als begunstigden in de polis van de nabestaandenlijfrente zijn vermeld en dat uit het testament blijkt dat een niet-natuurlijk persoon erfgenaam is. Het gaat bijvoorbeeld om een algemeen nut beogende instelling.
Op het ondeelbare tijdstip van overlijden voldoet deze nabestaandenlijfrenteverzekering niet langer aan de voorwaarden van artikel 3.125, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001. Bij de overledene worden daarom negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen voor het aandeel van de niet-natuurlijke persoon in de nabestaandenlijfrenteverzekering (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel b, Wet IB 2001). Bovendien is de overledene in zoverre revisierente verschuldigd.
Dit is van overeenkomstige toepassing op een lijfrenterekening en een lijfrentebeleggingsrecht waarvan de uitkeringen op het tijdstip van overlijden nog niet zijn ingegaan. Gerechtigden tot een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht kunnen in dat geval net als bij een nabestaandenlijfrenteverzekering alleen natuurlijke personen zijn. Het verschil met de nabestaandenlijfrenteverzekering is dat als de uitkeringen uit een lijfrenterekening en een lijfrentebeleggingsrecht op het tijdstip van overlijden echter al waren ingegaan (uitkeringsfase), de gerechtigden tot dergelijke nabestaandenlijfrenten ook niet-natuurlijke personen kunnen zijn.
Het is mogelijk dat de niet-natuurlijk persoon ten gunste van de andere erfgenamen afstand doet van zijn begunstiging respectievelijk gerechtigdheid. Het afstand doen gebeurt dan na het tijdstip van overlijden. Formeel voldoet de nabestaandenlijfrente op dat tijdstip niet meer aan de voorwaarden. Daarom keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat als een niet-natuurlijk persoon afstand doet van de begunstiging of gerechtigheid ten gunste van de andere erfgenamen, geen negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen bij de overledene in aanmerking worden genomen.
4.2. Uitstel nabestaandenlijfrente tot tijdstip beëindiging Anw
In de praktijk bestaat behoefte aan een nabestaandenlijfrente waarvan de uitkeringen niet direct ingaan bij het overlijden, maar pas als een recht op een Anw-uitkering is geëindigd. Gelet op de achtergrond van de nabestaandenlijfrente keur ik het volgende goed.
Ik keur goed dat sprake blijft van een nabestaandenlijfrente als bedoeld in artikel 3.125, eerste lid, onderdeel b, respectievelijk in artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel b, Wet IB 2001 als een Anw-gerechtigde de uitkeringen niet onmiddellijk na het overlijden laat ingaan.
Het is niet toegestaan dat de nabestaandenlijfrente ingaat op een tijdstip naar keuze van de nabestaande, bijvoorbeeld een tijdstip tussen het overlijden en het tijdstip waarop de gerechtigdheid op de Anw-uitkering eindigt. De nabestaandenlijfrente moet ingaan op het tijdstip waarop de Anw-gerechtigdheid daadwerkelijk is geëindigd. Hierbij is niet van belang door welke oorzaak de Anw-gerechtigdheid is geëindigd. De gerechtigde tot de nabestaandenlijfrente kan daarbij gebruikmaken van de wettelijke termijn bij leven van artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 (tekst 2025).
4.3. Onzekerheidsvereiste bij nabestaandenlijfrenteverzekering
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.