← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 20 april 2026, nr. IENW/BSK-2026/67802, houdende vaststelling van tijdelijke regels voor het verlenen van subsidie voor de aanschaf en installatie van batterijpakketten voor zeeschepen en de noodzakelijke laadinfrastructuur daarvoor (Tijdelijke subsidieregeling batterij-elektrisch varen zeehavens 2026–2029) [KetenID WGK028108]

Geldende tekst a fecha 2026-04-22

Gelet op de artikelen 2, eerste lid, 4, 6, zesde lid, 7, derde lid, 8, eerste lid, 9, 10, tweede lid, 13, 15, vierde en vijfde lid, en 23, derde en vijfde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M;

BESLUIT:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Doel van de regeling

Het doel van de regeling is het realiseren van een reductie van de stikstofdepositie in overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door middel van het stimuleren van de toepassing van batterijen aan boord van zeeschepen bestemd voor vervoer van goederen of passagiers of voor nautische of andere dienstverlening.

Artikel 3. Subsidiabele activiteiten
1.

De Minister kan, gelet op het doel in artikel 2, aan een aanvrager subsidie verstrekken voor:

2.

Het batterijpakket dient ten minste gebruikt te kunnen worden voor aandrijving van het schip.

3.

De subsidie voor de laadinfrastructuur wordt alleen verleend aan aanvragers die tevens een batterijpakket aanvragen.

Artikel 4. Subsidieplafond en hoogte subsidie
1.

Het subsidieplafond voor de periode 2026 tot 2029 bedraagt:

2.

De subsidie wordt verleend met toepassing van artikel 36 ter en artikel 56 ter van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

3.

De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, tot een bedrag van ten hoogste € 3.000.000,– per aanvrager.

4.

Het subsidiebedrag voor laadinfrastructuur, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, bedraagt ten hoogste 40% van de subsidiabele kosten tot een bedrag ten hoogste € 1.200.000,– per project.

5.

Een project waarin activiteiten bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en onder b worden gecombineerd heeft een subsidiemaximum van € 3.000.000,– per aanvrager.

6.

De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op basis van de volgorde van rangschikking van de aanvragen, bedoeld in artikel 9.

Artikel 5. Standaardberekeningswijze van uurtarieven
1.

Als standaardberekeningswijze voor de berekening van uurtarieven in het kader van subsidiabele kosten worden door de aanvrager:

Artikel 6. Berekening subsidiabele kosten bij toepassing integrale kostensystematiek
1.

Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, worden de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager berekend.

2.

De subsidiabele kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendrager te vermenigvuldigen met het ingevolge het eerste lid berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge het eerste lid vastgestelde tarief.

Artikel 7. Berekening subsidiabele kosten bij toepassing kosten per kostendrager met opslag
1.

Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, worden de directe loonkosten per uur vermenigvuldigd met het aantal uren dat direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt.

2.

De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid berekende bedrag te vermeerderen met:

3.

Voor zover er geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, wordt voor de berekening van de kosten van de arbeid uitgegaan van € 80,– per uur.

Artikel 8. Berekening met forfaitair uurtarief loonkosten
1.

Bij het hanteren van uurtarieven die tot stand zijn gekomen met de standaardberekeningswijze bedoeld in artikel 5, onderdeel c, wordt een uurtarief gehanteerd van € 80,– per uur.

2.

De subsidiabele kosten worden berekend door het ingevolge het eerste lid gehanteerde bedrag te vermenigvuldigen met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gewerkt en te vermeerderen met:

Artikel 9. Rangschikkingscriteria
1.

De Minister kent, bij het beoordelen van een project, aan een aanvraag een hoger aantal punten toe naarmate:

2.

De Minister kent aan de onderdelen genoemd in het eerste lid in totaal ten hoogste 100 punten toe, waarvan ten hoogste 70 punten aan onderdeel a, ten hoogste 15 punten aan onderdeel b en ten hoogste 15 punten aan onderdeel c.

3.

Indien twee of meer aanvragen op dezelfde plaats in de rangschikking terechtkomen, wordt de definitieve plaats in de rangschikking bepaald door middel van loting.

Artikel 10. Aanvraag
1.

Een aanvraag voor subsidie heeft betrekking op één project.

2.

Een aanvraag tot subsidie kan worden ingediend door een Nederlandse reder die voornemens is een project uit te voeren als bedoeld in deze regeling. De Nederlandse reder is eigenaar of, in geval van een nieuwbouwschip, de toekomstige eigenaar, van het schip dat onderdeel is van het project.

3.

Een aanvraag tot subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een door de Minister beschikbaar gesteld digitaal formulier dat wordt geplaatst op de website van de RVO.

4.

Een aanvraag kan worden ingediend bij RVO:

5.

Onverminderd artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit bevat een aanvraag de gegevens bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

6.

De aanvraag gaat ten minste vergezeld met:

Artikel 11. Specifieke afwijzingsgronden

Onverminderd de artikelen 11 en 12 van het Kaderbesluit wordt een subsidieaanvraag afgewezen indien:

Artikel 12. Subsidieverlening

Voor zover de subsidie wordt verleend ten laste van een nog niet door de Staten-Generaal aangenomen rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat, wordt in de beschikking tot verlening van een subsidie vermeld dat de verlening plaatsvindt onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld in de Wet tot vaststelling van de rijksbegroting, onderdeel Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 13. Verplichtingen van de subsidieontvanger
1.

De te subsidiëren activiteiten bedoeld in artikel 3 worden binnen 36 maanden na de startdatum afgerond. Bij een schip dat nieuw gebouwd wordt, wordt het te subsidiëren project binnen 60 maanden na de startdatum van het project afgerond. De startdatum is maximaal 3 maanden na de subsidieverlening.

2.

De subsidieontvanger doet gedurende de uitvoering van het project, door middel van een jaarlijks voortgangsrapportage, volgens een digitaal op de website van RVO beschikbaar gesteld format, verslag van de voortgang van het project.

3.

De subsidieontvanger toont aan dat het project waarvoor de subsidie is verleend is verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

4.

De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie door middel van verstrekking van gegevens die betrekking hebben op de effecten van de door hem op grond van deze regeling uitgevoerde activiteiten tot 60 maanden na de datum van de subsidievaststelling en voor zover medewerking redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.

5.

Met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kunnen gegevens van de aanvrager en de aanvraag worden gedeeld met betrekking tot de berekende stikstofdepositie en de verplichting in het vierde lid van dit artikel.

6.

Het schip waarvoor subsidie is verleend moet na de indiening van het vaststellingsverzoek minimaal 24 maanden op naam van dezelfde eigenaar staan als ten tijde van de aanvraag. Voor toepassing van dit lid wordt de opdrachtgever, ingeval het gaat om nieuwbouw, geacht de eigenaar te zijn van het te bouwen schip.

Artikel 14. Voorschot
1.

Na de beschikking tot subsidieverlening wordt een voorschot van maximaal 30% verleend.

2.

12 maanden na verlening van het eerste voorschot wordt maximaal 50% verleend.

3.

De Minister verstrekt het resterende bedrag bij de vaststelling van de subsidie.

Artikel 15. Verplichtingen betreffende voorlichting
1.

Op verzoek van de Minister verleent de subsidieontvanger medewerking aan het delen van de resultaten van zijn op grond van deze regeling gesubsidieerde activiteiten.

2.

De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt vanaf de datum van de beschikking tot subsidieverlening tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 16. Subsidievaststelling
1.

Binnen dertien weken nadat de activiteit(en) is/zijn afgerond wordt door de subsidieontvanger een aanvraag tot subsidievaststelling ingediend met gebruikmaking van een door de Minister beschikbaar gesteld digitaal formulier dat wordt geplaatst op de website van RVO.

2.

Onverminderd artikel 24, vierde lid, van het Kaderbesluit worden bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in elk geval de volgende gegevens verstrekt:

3.

In de beschikking tot subsidievaststelling stelt de Minister de subsidie vast op basis van de gegevens die bij de aanvraag tot subsidievaststelling zijn ingediend.

Artikel 17. Evaluatie

Uiterlijk op 1 juli 2032 stelt de Minister een verslag op over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling.

Artikel 18. Inwerkingtreding en horizonbepaling

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn aangevraagd.

Artikel 19. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling batterij elektrisch varen zeehavens 2026–2029.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.