Regeling kwaliteitscriteria en opleidings- en trainingsvereisten van de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Type Ministeriële regeling
Publication 2010-09-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Overwegende:

dat op grond van artikel 41, eerste lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba de landen onderling een regeling treffen die kwaliteitscriteria en opleidings- en trainingsvereisten voor ambtenaren van politie bevat;

dat deze regeling in elk van de landen wordt vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, respectievelijk algemene maatregel van bestuur,

Gelet op artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden en artikel 41, eerste lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Aanstellingseisen

Artikel 2.1
1.

Voor een aanstelling als aspirant komt uitsluitend in aanmerking degene die:

2.

Voor een aanstelling als vrijwillige ambtenaar in opleiding aangesteld voor de uitvoering van de politietaak komt uitsluitend in aanmerking degene die voldoet aan het gestelde in het eerste lid, a tot en met d en f.

Artikel 2.2

Voor een aanstelling als ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de vrijwillige ambtenaar komt uitsluitend in aanmerking degene die:

Artikel 2.3

Voor de aanstelling als ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie komt in aanmerking degene die:

Artikel 2.4

Teneinde vast te stellen of de persoon, bedoeld in de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef, en tweede lid, 2.2, aanhef, en 2.3, aanhef, in voldoende mate geschikt en bekwaam is voor de vervulling van de functie, kan het bevoegd gezag de gegevens die door de betrokkene desgevraagd zijn verstrekt, verifiëren en zo nodig aanvullen.

Hoofdstuk 3. Opleidingsniveau

Artikel 3.1
1.

Onze Minister wijst voor zijn land de onderwijstrajecten voor de ambtenaren van politie aan op de kwalificatieniveaus:

2.

Onze Ministers stellen voor onderwijstrajecten, bedoeld in het eerste lid, competentiegerichte eindtermen vast.

Artikel 3.2
1.

Voor toelating tot de onderwijstrajecten op kwalificatieniveau VSBO/MBO komt in aanmerking degene die in het bezit is van:

2.

Voor toelating tot een onderwijstraject op kwalificatieniveau HBO komt in aanmerking degene die in het bezit is van:

3.

Voor toelating tot een onderwijstraject op kwalificatieniveau WO komt in aanmerking degene die in het bezit is van:

4.

Met een diploma, genoemd in het eerste, tweede en derde lid, wordt voor de toepassing van deze leden gelijkgesteld een diploma vergezeld met een verklaring van de daartoe bevoegde autoriteit waarin staat dat het wordt gelijkgesteld met een diploma, genoemd in deze leden. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een getuigschrift, bedoeld in het eerste lid, onder f.

Artikel 3.3
1.

Kandidaten die niet voldoen aan de krachtens artikel 3.1 aan een onderwijstraject gestelde eisen, kunnen een door Onze Ministers goedgekeurde toelatingstoets afleggen.

2.

Indien de toets met goed gevolg wordt afgelegd, komt de kandidaat alsnog in aanmerking voor toelating tot het desbetreffende onderwijstraject.

Hoofdstuk 4. Geschiktheidsonderzoek

Artikel 4.1
1.

De kandidaat-aspirant en de kandidaat-vrijwillige ambtenaar in opleiding wordt onderworpen aan een geschiktheidsonderzoek, bestaande uit achtereenvolgens:

2.

Het taalvaardigheidsonderzoek, het cognitief capaciteitenonderzoek en het psychologisch onderzoek worden afgenomen door een door Onze Minister aangewezen instantie belast met de werving en selectie van politie met inachtneming van de nader door Onze Ministers te bepalen richtlijnen.

3.

Het fysiek motorisch onderzoek wordt afgenomen door het in het tweede lid bedoelde instantie en geschiedt met inachtneming van de nader door Onze Ministers te bepalen richtlijnen.

4.

De in het tweede lid bedoelde instantie rapporteert aan het bevoegd gezag naar aanleiding van de uitkomsten.

5.

De kosten van het geschiktheidsonderzoek worden gedragen door het bevoegd gezag.

Artikel 4.2

Niet tot aanstelling bij een politiekorps kan worden overgegaan indien:

Hoofdstuk 5. Geneeskundig onderzoek

Artikel 5.1
1.

Nadat alle overige beoordelingen van de geschiktheid van de betrokkene hebben plaatsgevonden en het bevoegd gezag op grond daarvan voornemens is de betrokkene aan te stellen, wordt de betrokkene onderworpen aan een geneeskundig onderzoek.

2.

Het geneeskundig onderzoek kan steeds worden verricht voorafgaand aan een met betrekking tot de betrokkene in stellen onderzoek als bedoeld in artikel 6.1 of artikel 6.4.

3.

Het geneeskundig onderzoek geschiedt door een door het bevoegd gezag aangewezen geneeskundige, niet zijnde de behandelend arts van de betrokkene, met inachtneming van de nader door Onze ministers te bepalen richtlijnen.

4.

De uitslag van het geneeskundig onderzoek wordt de betrokkene zo spoedig mogelijk medegedeeld.

5.

De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van het bevoegd gezag.

Artikel 5.2
1.

Indien aan het geneeskundig onderzoek voor de betrokkene een negatieve gevolgtrekking dan wel een positieve gevolgtrekking onder bepaalde bedenkingen wordt verbonden, heeft betrokkene recht op een herkeuring aan de hand van de richtlijnen, bedoeld in artikel 5.1, derde lid. De betrokkene maakt zijn wens daartoe met redenen omkleed aan het bevoegd gezag kenbaar binnen twee weken nadat de genoemde gevolgtrekking aan hem is meegedeeld.

2.

In geval van herkeuring wordt de door het bevoegd gezag te nemen beslissing uitgesteld totdat de uitslag van de herkeuring aan het bevoegd gezag is meegedeeld.

3.

De herkeuring geschiedt door een commissie van drie geneeskundigen.

4.

Het bevoegd gezag en de betrokkene wijzen elk een geneeskundige aan voor de commissie. Deze geneeskundigen wijzen een derde geneeskundige aan voor de commissie.

5.

De geneeskundige die het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, heeft verricht en de behandelend arts van de betrokkene maken geen deel uit van de commissie.

6.

De kosten van de herkeuring komen ten laste van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag kan van de betrokkene een redelijke bijdrage verlangen.

Artikel 5.3

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.