Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 april 2026, nr. HO&S/63327145, houdende regels voor de subsidieverstrekking ten behoeve van het inrichten van co-creatielabs in het kader van de Nationale Aanpak Professionalisering Leraren (Subsidieregeling co-creatielabs NAPL)
Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en artikel 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
Besluit:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- aanbodanalyse: beeld van reeds bestaand professionaliseringsaanbod dat aansluit op de vraagarticulatie;
- co-creatielab: interdisciplinaire werkplaats waarin op gelijkwaardige basis wordt samengewerkt aan de systematische ontwikkeling van leerarrangementen gericht op de professionele ontwikkeling van leraren.
- DUS-I: Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;
- educatieve alliantie: samenwerkingsverband, genoemd in bijlage 1 bij deze regeling;
- educatief consortium: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 11, eerste lid;
- instellingsbestuur: instellingsbestuur als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel j, van de WHW;
- hogeronderwijsinstelling: bekostigde instelling als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel g, van de WHW;
- Kaderregeling: Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
- leerarrangement: samenhangend geheel van formele en informele leeractiviteiten ten behoeve van de professionalisering van leraren, dat past binnen de in bijlage 2 omschreven ontwikkelpaden en dat voldoet aan de in bijlage 3 gestelde kwaliteitscriteria;
- leraar: persoon als bedoeld in artikel 2.1, onderdelen a, b c of e van het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel;
- lerarenopleiding: op basis van de WHW bekostigde bachelor- of masteropleiding die leidt tot het verkrijgen van een bevoegdheid om onderwijs te geven als bedoeld in de WPO, de WEC, de Wet primair onderwijs BES of de WVO 2020 of die ertoe leidt dat een docent voldoet aan de bekwaamheidseisen voor benoeming of tewerkstelling van docenten als bedoeld in artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel b, van de WEB;
- minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- onderwijsregio: onderwijsregio als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling Landelijk dekkend netwerk onderwijsregio’s waarvoor op basis van die regeling subsidie wordt verstrekt;
- ontwikkelpaden: in bijlage 2 opgenomen kaders voor professionaliseringstrajecten die door leraren kunnen worden gebruikt om zich te ontwikkelen van start- naar vakbekwaam, of van vakbekwaam naar expert;
- penvoerder: penvoerder van een educatief consortium als bedoeld in artikel 5, derde lid;
- private opleider: opleider die geen bekostigd onderwijs aanbiedt in de zin van artikel 2.1.1 WEB, artikel 2.1.2 WEB of een bekostigde instelling is in de zin van artikel 1.1, onder g van de WHW;
- Realisatie-Eenheid: organisatieonderdeel van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, opgericht in samenwerking met onderwijsraden, lerarenopleidingen en werknemersorganisaties, met de opdracht zorg te dragen voor de vorming van een landelijk dekkend netwerk van onderwijsregio’s en hier regie op te voeren;
- sectoren: primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in de WPO, WEC, WVO 2020 en WEB;
- school: school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- schoolleider: directeur als bedoeld in artikel 32 van de WPO, artikel 29 van de WEC, of directeur en rector als bedoeld in artikel 7.23 van de WVO 2020;
- schoolbestuur: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de WPO, artikel 1 van de WEC, artikel 1.1 van de WVO 2020 of in artikel 1.1.1 van de WEB;
- vraagarticulatie: voortdurend proces van afstemming binnen een onderwijsregio waarin professionaliseringsbehoeften van leraren, scholen en schoolbesturen worden gesignaleerd, verkend en doorgrond, waarbij het resultaat van dit proces de basis vormt voor het ontwikkelen, testen en evalueren van professionaliseringstrajecten in een co-creatielab;
- WVO 2020: Wet voortgezet onderwijs 2020.
Artikel 2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS
Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling, met uitzondering van artikel 4.3, eerste lid.
Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten
De minister kan aan een penvoerder als bedoeld in artikel 5 subsidie verstrekken voor:
- a. het inrichten van een co-creatielab waarin leerarrangementen worden ontwikkeld, getest en geëvalueerd en waarin bestaande leerarrangementen op de in bijlage 3 genoemde kwaliteitscriteria worden getoetst, waarbij de activiteiten in het co-creatielab betrekking hebben op de in bijlage 2 opgenomen ontwikkelpaden en de sectoren voor zover relevant naar aanleiding van de vraagarticulatie en aanbodanalyse; en
- b. het voor eenieder kosteloos toegankelijk maken van ontwikkelde en getoetste leerarrangementen als bedoeld in onderdeel a en de overige kennis die door uitvoering van de in onderdeel a bedoelde activiteiten is opgedaan:
- 1°. via een digitaal platform; en
- 2°. binnen het educatief consortium en met andere educatieve consortia door middel van deelname aan minimaal drie door de Realisatie-Eenheid te organiseren bijeenkomsten; en
- c. het verrichten van onderzoek dat bijdraagt aan kennisdeling als bedoeld onder b, en dat aansluit bij een landelijk onderzoek naar het functioneren van co-creatielabs.
Het co-creatielab bestaat in ieder geval uit:
- 1°. één of meer leraren; en
- 2°. één of meer lerarenopleidingen; en
- 3°. één of meerdere werkgevers, die kunnen bestaan uit schoolbesturen, schoolleiders en personen die op de desbetreffende vestiging van een mbo-instelling als directeur werkzaam zijn, voor zover dit blijkt uit de vraagarticulatie en de aanbodanalyse; en
- 4°. eventueel één of meer private opleiders.
Op grond van deze regeling wordt geen subsidie verstrekt voor:
- a. het verrichten van vraagarticulatie en aanbodanalyse voorafgaand aan de aanvraag;
- b. het verrichten van activiteiten waarvoor de minister reeds uit anderen hoofde subsidie heeft verstrekt;
- c. het verrichten van activiteiten die reeds worden bekostigd uit de rijksbijdrage voor scholen of hogeronderwijsinstellingen; en
- d. de deelname van leraren aan professionaliseringstrajecten.
Artikel 4. Hoogte van de subsidie
De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, bestaat uit een vast bedrag van € 2.700.000 per aanvraag.
Artikel 5. Penvoerder
De subsidie wordt aangevraagd door, verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder. Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke partij feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende activiteiten.
De penvoerder is een instellingsbestuur van een hogeronderwijsinstelling als bedoeld in bijlage 1 die deel uitmaakt van een educatief consortium, en die namens dat educatief consortium als penvoerder optreedt.
Per educatieve alliantie kan één daaraan deelnemende hogeronderwijsinstelling worden aangewezen die optreedt als penvoerder van een educatief consortium.
Een penvoerder kan zijn penvoerderschap krachtens schriftelijke overeenkomst overdragen aan een ander instellingsbestuur als bedoeld in het tweede lid, dat deelneemt aan dezelfde educatieve alliantie. Indien de penvoerder zijn penvoerderschap aldus overdraagt:
- a. wordt de subsidie, onverminderd het bepaalde in het eerste tot en met derde lid, geacht met terugwerkende kracht aan de nieuwe penvoerder te zijn verleend; en
- b. worden eventueel reeds door de oorspronkelijke penvoerder ontvangen voorschotten geacht met terugwerkende kracht aan de nieuwe penvoerder te zijn betaald op grond van artikel 4:89, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Een overeenkomst als bedoeld in het vierde lid wordt, alvorens die in werking treedt, ter goedkeuring voorgelegd aan de minister en bevat:
- a. één of meer bepalingen over de overdracht van verantwoordingsinformatie als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de oorspronkelijke penvoerder aan de nieuwe penvoerder; en
- b. voor zover sprake is van reeds betaalde voorschotten, en voor zover nog niet besteed, een regeling over bijschrijving daarvan op het vroegst mogelijke moment op een bij DUS-i bekende bankrekening van de nieuwe penvoerder.
Artikel 6. Subsidieplafond
Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is in 2026 een bedrag van € 27.000.000,– beschikbaar.
Artikel 7. Algemene bepalingen subsidieaanvraag
Op grond van deze regeling kan subsidie worden aangevraagd van 17 augustus 2026 om 9:00 uur tot en met 4 september 2026 om 13:00 uur.
Aanvragen die buiten de in het eerste lid bedoelde aanvraagronde worden ingediend, worden afgewezen.
Per penvoerder kan maximaal één aanvraag worden ingediend.
De subsidie wordt aangevraagd met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat daartoe beschikbaar is gesteld op de website van DUS-I.
In aanvulling op het aanvraagformulier, bedoeld in het derde lid, dient de penvoerder die een subsidie aanvraagt de volgende documenten in:
- a. een ambitiedocument als bedoeld in artikel 8;
- b. een activiteitenplan als bedoeld in artikel 9;
- c. een begroting als bedoeld in artikel 10;
- d. een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 11; en
- e. een samenvatting van de aanvraag die openbaar gemaakt kan worden.
De penvoerder neemt voorafgaande aan de subsidieaanvraag deel aan één of meerdere door de Realisatie-Eenheid georganiseerde overleggen ten behoeve van een verdeling van de in bijlage 2 opgenomen ontwikkelpaden en de sectoren per co-creatielab gedurende het eerste jaar van de subsidiabele periode.
Artikel 8. Ambitiedocument
Het ambitiedocument bevat in ieder geval:
- a. een beschrijving van de vraagarticulatie in het kader van het professionaliseren van leraren op de arbeidsmarkt binnen de regio of sector waar het educatief consortium zich op richt;
- b. een aanbodanalyse van de hogeronderwijsinstellingen en private opleiders in het educatief consortium waaruit blijkt in welke mate het bestaande professionaliseringsaanbod aansluit op de vraagarticulatie als bedoeld in onderdeel a, en welk professionaliseringsaanbod nog ontwikkeld dient te worden; en
- c. een beschrijving van de ambities van het educatief consortium met betrekking tot de verduurzaming van de activiteiten en resultaten daarvan, na afronding van de subsidieperiode.
Voor het ambitiedocument wordt gebruikgemaakt van het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.
Artikel 9. Activiteitenplan
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.