Besluit van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 7 mei 2026, BZ2627337, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Fair Focus on Trade)
Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;
Gelet op de artikel 4.2, eerste lid, sub c, en artikel 4.3, eerste lid, sub c, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;
Besluit:
Artikel 1
Voor subsidieverlening op grond van artikel 4.2, eerste lid, sub c, en artikel 4.3, eerste lid, sub c, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 voor activiteiten ten behoeve van capaciteitsversterking van, dienstverlening door en het voeren van dialoog door maatschappelijke organisaties in of voor lage- en middeninkomenslanden, op het thema bevorderen van schone en eerlijke handel, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 de als bijlage (inclusief de annexen) bij dit besluit gevoegde beleidsregels.
Artikel 2
Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Fair Focus on Trade worden ingediend vanaf 30 juni 2026 12:00 CET tot en met 11 augustus 2026 12:00 CET.
Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Fair Focus on Trade worden ingediend aan de hand van een door de minister vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier1https://english.rvo.nl/subsidies-financing/fair-focus-on-trade en de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.
Artikel 3
Voor het in artikel 1 genoemde tijdvak geldt een subsidieplafond van € 83 miljoen.
Meerjarige subsidies kunnen worden verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat daarvoor in de daarop betrekking hebbende begrotingen voldoende middelen ter beschikking worden gesteld.
Artikel 4
De verdeling van het subsidieplafond, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die daaraan het beste voldoen het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding van de beschikbare middelen, als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Uit oogpunt van doelmatigheid en evenwichtige spreiding van de beschikbare middelen zal er voor elk doelland, genoemd in annex 1 bij de bijlage bij dit besluit, per primaire waardeketen niet meer dan één subsidieaanvraag in aanmerking kunnen komen voor subsidieverlening.
Artikel 5
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.
Artikel 6
Dit besluit wordt aangehaald als: Subsidieprogramma Fair Focus on Trade.
Bijlage
1. Achtergrond
Het kabinet wil met Focus, het beleidskader voor samenwerking met maatschappelijke organisaties in ontwikkelingshulp 2026–20302Kamerbrief van 27 juni 2025, Kamerstukken II, 2024–2025, 36 180, nr. 168, Doen waar Nederland goed in is – Strategie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking., technische en financiële ondersteuning bieden aan, met name lokale, maatschappelijke organisaties, zodat zij diensten kunnen verlenen en dialoog kunnen voeren die relevant zijn voor het bereiken van acht thematische beleidsdoelen.
Het kabinet verwacht dat de implementatie van Focus met name lokale maatschappelijke organisaties op gerichtere en efficiëntere manier verder in staat stelt om ontwikkelingssamenwerking te laten aansluiten op de eigen behoeften, toekomstvisie en bestaanszekerheid van lokale gemeenschappen.
Het Subsidieprogramma Fair Focus on Trade (hierna: subsidieprogramma) is de uitwerking van één van de acht instrumenten onder Focus. Het doel van dit subsidieprogramma is het bevorderen van schone en eerlijke handel door versterking van (lokale) maatschappelijke organisaties. Maatschappelijke organisaties spelen een belangrijke rol in sociaal-economische ontwikkeling. Zij zorgen ervoor dat ontwikkelingssamenwerking een verschil maakt in de doellanden van dit subsidieprogramma Dit subsidieprogramma richt zich daarbij op waardeketens die belangrijk zijn voor zowel de doellanden als Nederland of Europa. Door ook het Nederlandse deel van de waardeketen mee te nemen zal de lokale impact, en daarmee de doeltreffendheid, en duurzaamheid van het subsidieprogramma worden vergroot3Voor grondstoffen geldt dat waardeketens erg lang en complex kunnen zijn, en lastig traceerbaar voor Nederlandse ondernemingen aan het eind van de waardeketen, waardoor dit verband veel indirecter is. Toch zal bijvoorbeeld via het delen van lessen in het convenant hernieuwbare energie ook kunnen worden bijgedragen aan IMVO-implementatie van ondernemingen in Nederland.. Door in Nederland te werken aan gepaste zorgvuldigheid, verantwoorde inkooppraktijken wordt voorkomen dat kosten voor verduurzaming worden doorgeschoven in de waardeketen. Het lokale verdien- en investeringsvermogen wordt hiermee bevorderd, maar ook de weerbaarheid van de waardeketen en de leveringszekerheid van producten naar Nederland die met inachtneming van internationale IMVO-standaarden zijn geproduceerd.4In het bijzonder internationale raamwerken zoals de OESO-richtlijnen en de United Nations Guiding Principles on Business & Human Rights en Europese IMVO- en gerelateerde wet- en regelgeving zoals CSDDD, ontbossingsverordening, dwangarbeidverordening, conflictmineralenverordening, enzovoorts.
Het subsidieprogramma is onderdeel van het flankerend beleid van het kabinet bij Europese IMVO5Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.-gerelateerde wet- en regelgeving. De verschuiving van vrijwillige IMVO-standaarden naar IMVO-gerelateerde wet- en regelgeving zal een belangrijke impact hebben op wereldwijde waardeketens. Om de wetgeving effectief te kunnen implementeren is ondersteuning van het bedrijfsleven van essentieel belang. Dit subsidieprogramma draagt daar in belangrijke mate aan bij via de onmisbare rol van het maatschappelijk middenveld. Het versterken van het maatschappelijk middenveld is tevens één van de doelstellingen binnen het Nationaal Actieplan Bedrijfsleven en Mensenrechten, de nationale doorvertaling van de United Nations Guiding Principles on Business & Human Rights. Ook de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen benadrukken het belang van een goed functionerend maatschappelijk middenveld voor het effectief uitvoeren van gepaste zorgvuldigheid (due diligence).
Met dit subsidieprogramma wordt ingezet op het versterken van lokale maatschappelijke organisaties, waarbij Nederlandse kennis en kunde wordt aangewend om de verbinding met Nederlandse ondernemingen aan het einde van de waardeketen te maken (zie hierboven). Denk aan de bekende Nederlandse Diamantbenadering6Deze aanpak verwijst naar samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties om gezamenlijke economische en ontwikkelingsdoelen te bereiken., zoals toegepast bij de verduurzaming van de cacaoketen via het Dutch Initiative on Sustainable Cocoa (DISCO), of aan Nederlandse maatschappelijke organisaties die goed de verbinding kunnen leggen tussen lokale maatschappelijke organisaties en Nederlandse ondernemingen voor het stimuleren van schone en eerlijke handel.
Het subsidieprogramma volgt de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, de United Nations Guiding Principles on Business & Human Rights, en de thema’s die hierin naar voren komen. In het subsidieprogramma worden economische, sociale en vergroeningsaspecten integraal benaderd conform het People, Planet, Profit principe (zie annex 2 bij deze beleidsregels). Maatschappelijke organisaties kunnen met behulp van dit subsidieprogramma en met hun goede kennis van de Nederlandse en Europese markt lokale maatschappelijke organisaties verbinden met Nederlandse ondernemingen en hun toeleveranciers om zo bij te dragen aan schone en eerlijke handel.
De invulling van dit subsidieprogramma is in lijn met de beleidsuitgangspunten van het bredere beleidskader Focus en sluit aan op andere subsidieprogramma’s en initiatieven van het Ministerie van Buitenlandse Zaken die raakvlakken hebben met IMVO. Dit betreft onder andere het Subsidieprogramma Verantwoord Ondernemen7https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/subsidieprogramma-verantwoord-ondernemen-spvo, het Subsidieprogramma Sectorale Samenwerking IMVO8https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/sectorale-samenwerking-imvo, het European Partnership for Responsible Minerals9https://europeanpartnership-responsibleminerals.eu/ en het MVO-steunpunt10https://www.rvo.nl/onderwerpen/mvo-steunpunt.
2. Uitvoerder
De minister heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. RVO zal het subsidieprogramma uitvoeren namens de minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.
3. Begrippen
In het subsidieprogramma wordt verstaan onder:
4. Subsidieprogramma Fair Focus on Trade
4.1. Beleidsuitgangspunten, doel, sectoren en doellanden en thema’s
4.1.1. Beleidsuitgangspunten
Voor alle instrumenten van Focus gelden dezelfde beleidsuitgangspunten. Deze beleidsuitgangspunten zijn het referentiekader voor de vereisten en criteria voor de beoordeling en selectie van aanvragen onder het subsidieprogramma, evenals voor de vormgeving van de door de aanvragers te ontwikkelen en uit te voeren activiteiten. Het gaat daarbij om:
4.1.2. Doel
Het doel van het subsidieprogramma is het bevorderen van schone en eerlijke handel door versterking van lokale maatschappelijke organisaties zodat zij diensten kunnen verlenen en dialoog kunnen voeren die daarvoor relevant zijn. Het is belangrijk om dit te doen in verbinding met voor Nederland en Europa belangrijke waardeketens omdat daarmee de lokale impact kan worden vergroot (zie paragraaf 1) en er tegelijk ook een positief effect mogelijk is voor de implementatie van IMVO-wet- en regelgeving. Uiteindelijk wordt het lokale verdien- en investeringsvermogen hiermee bevorderd, maar ook de weerbaarheid van waardeketens en leveringszekerheid van producten naar Nederland die met inachtneming van internationale IMVO-standaarden zijn geproduceerd.
Maatschappelijke organisaties kunnen een belangrijke rol spelen in een multistakeholderaanpak, zoals de Nederlandse Diamantbenadering waarin economisch succesvolle bedrijfsmodellen worden ontwikkeld die misstanden in waardeketens verminderen en uitbannen. Of ze kunnen een rol spelen bij de opschaling van best practices binnen een sector. Maatschappelijke organisaties kunnen ook de stem helpen versterken van lokale producenten en werknemers, bijvoorbeeld door sociale dialoog ter verbetering van arbeidsrechten. Andere stakeholders die een belangrijke rol spelen in ketenverduurzaming zijn brancheorganisaties, sociale partners, de overheden in productielanden, de Nederlandse overheid en de Europese Commissie.
4.1.3. Focus sectoren, waardeketens en beleidsprioriteiten per doelland
De focus van dit subsidieprogramma ligt op de sectoren landbouw/agrofood, mijnbouw/grondstoffen en kleding/textiel, en daarbinnen op waardeketens die voor zowel de doellanden als Nederland of Europa belangrijk zijn en waar risico’s op misstanden groot zijn. Daarnaast moeten de door aanvragers geselecteerde primaire sectoren en waardeketens aansluiten op Nederlandse beleidsprioriteiten per doelland zoals geformuleerd in annex 1 bij deze beleidsregels. De geografische focus is gericht op 21 doellanden in Afrika en Azië.
4.1.4. Thema’s
Het subsidieprogramma volgt de OESO-richtlijnen en de United Nations Guiding Principles on Business & Human Rights, en de thema’s die hierin naar voren komen, waarbij economische, sociale en vergroeningsaspecten integraal worden benaderd conform het People, Planet, Profit principe (zie annex 2 bij deze beleidsregels).
4.2. Wie kunnen in aanmerking komen voor een subsidie
Subsidies in het kader van het subsidieprogramma zijn bedoeld voor maatschappelijke organisaties die:
Daarnaast gelden de volgende vereisten:
De bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van de aanvrager bedraagt, uiterlijk met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd, per kalenderjaar niet meer dan de hieronder vermelde maxima:
De aanvrager neemt in de aanvraag, conform motie 36 180-15912Gewijzigde motie van het lid De Korte over het recht op leefbaar loon als ambitie opnemen in de nieuwe subsidiekaders voor ontwikkelingshulp (t.v.v. 36 180-159), expliciet en integraal als ambitie op dat er wordt toegewerkt naar een leefbaar loon13Definitie leefbaar loon (ILO): A living wage is the wage level that is necessary to afford a decent standard of living for workers and their families, taking into account the country circumstances and calculated for the work performed during the normal hours of work (link: Report of the Meeting of Experts on wage policies, including living wages (Geneva, 19–23 February 2024)) voor mensen die op lokaal niveau werkzaam zijn (artikel 23 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van de Mens). In de verplichtingen die in de subsidieverleningsbeschikkingen zullen worden opgenomen over jaarlijkse rapportages zal de voortgang op het behalen van de ambitie om een leefbaar loon te betalen aan lokale medewerkers worden opgenomen. Om een leefbaar loon niveau te bepalen, kan gebruik worden gemaakt van verschillende leefbaar-loonbenchmarks die worden aanbevolen via de IDH Living Wage Roadmap14https://www.idhsustainabletrade.com/living-wage-platform/.
Voor het aantonen van de organisatiecapaciteit en het integriteitsbeleid, maakt dit subsidieprogramma gebruik van de Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA). Specificatie over welke documentatie de aanvrager hiervoor moet overleggen, is te vinden in de ORIA assessment handleiding op de RVO website.16https://english.rvo.nl/subsidies-financing/fair-focus-on-trade
Organisaties die in ieder geval niet in aanmerking komen voor subsidie zijn:
Een aanvrager kan ten hoogste voor twee subsidies in aanmerking komen. In geval meer dan twee aanvragen worden ingediend, wordt de aanvraag die als derde (en eventuele volgende) is ontvangen afgewezen en niet beoordeeld.
4.3. Subsidiabele activiteiten
4.3.1. Rolverdeling
De aanvrager wendt de gevraagde subsidie aan voor elk van de onderstaande activiteiten17Elke aanvraag moet dus ook betrekking hebben op elk van deze activiteitensoorten.:
Het met de gevraagde subsidie verstrekken van financiële steun is alleen subsidiabel als de betreffende subsidiemiddelen worden aangewend voor financiële ondersteuning van door partners uit te voeren dienstverlening en dialoog, niet voor (verdere door-)financiering naar andere maatschappelijke organisaties.
De aanvrager ontwikkelt en hanteert zelf eigen en transparante selectiemechanismen voor beoordeling en selectie van financieel of met capaciteitsversterking te steunen (in-country) partners die passen binnen dit subsidieprogramma. De aanvrager geeft hierin duidelijke randvoorwaarden en richting. Tegelijk laat de aanvrager partners zoveel mogelijk ruimte om eigen keuzes te maken die aansluiten op de lokale context.
4.3.2. Inhoudelijke vereisten
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van dit subsidieprogramma moet de aanvraag betrekking hebben op een planmatige integrale aanpak van activiteiten (ook wel te noemen: project). Deze activiteiten dienen bij te dragen aan het bevorderen van schone en eerlijke handel in door de aanvrager geselecteerde waardeketen(s), door versterking van lokale maatschappelijke organisaties. Daarbij is het noodzakelijk om activiteiten te richten op voor doellanden en Nederland belangrijke waardeketens, ten behoeve van het behalen van de doelen van dit subsidieprogramma (zie paragraaf 4.1). Aanvragers en (in-country) partners hebben elk hun rol in de waardeketen om zo gezamenlijk bij te dragen aan de verduurzaming van de gehele waardeketen.
Om subsidiabel te kunnen zijn geldt verder dat er minimaal sprake moet zijn van:
4.3.3. Niet-subsidiabele activiteiten
Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende activiteiten:
4.4. Subsidiabele activiteiten – per activiteitensoort
4.4.1. Financieringsactiviteiten
De aanvrager verstrekt financiële ondersteuning aan partners voor door hen uit te voeren dienstverlening en dialoog die relevant zijn voor de doelstellingen en thematische prioriteiten van dit subsidieprogramma. In de inceptiefase van het project worden de partners geselecteerd (zie hierna, paragraaf 4.5). Het is aan de aanvrager om met inachtneming van de beleidsregels van dit subsidieprogramma, criteria op te stellen en te hanteren voor de selectie, en een passende vorm te vinden voor de relaties die hij aangaat met de door hem geselecteerde partners. In de subsidieverleningsbeschikking zullen verplichtingen worden opgenomen die waarborgen dat de subsidieontvanger de besteding van de subsidiemiddelen naar behoren zal verantwoorden jegens de minister.
4.4.2. Dienstverlening
Onder dienstverlening vallen activiteiten die direct gericht zijn op het verbeteren van het welzijn of de levensomstandigheden van individuen of gemeenschappen in de doellanden. Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie moet het gaan om levensomstandigheden die een directe relatie hebben met voor Nederland relevante waardeketens. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het verbeteren van arbeidsrechten en -omstandigheden voor mannen en vrouwen werkzaam in waardeketens in verbinding met Nederlandse ondernemingen. Een ander voorbeeld is het tegengaan van ontbossing en vervuiling in productielanden gelinkt aan waardeketens in verbinding met Nederland. Dit kan door het aanbieden van educatie, training of voorlichting voor individuen, gemeenschappen of lokale organisaties (anders dan maatschappelijke organisaties) in de doellanden, bijvoorbeeld lokale leveranciers, boerencoöperaties of vakbonden. Bijvoorbeeld op het gebied van arbeidsgezondheid- en veiligheid, kinderarbeid of regeneratieve landbouw. Dit versterkt het lokale verdienvermogen én de leveringszekerheid van producten naar Nederland die zijn geproduceerd met inachtneming van internationale en Europese IMVO-standaarden.
4.4.3. Dialoog
Onder dialoog vallen activiteiten die gericht zijn op het voeren van doelgerichte gesprekken en interactie tussen relevante partijen zoals de Europese Unie, overheden, multilaterale instellingen, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Met als doel bewustwording te vergroten, beleidsverandering te stimuleren en (uitvoering van) wet- en regelgeving te verbeteren, om zo bij te dragen aan schone en eerlijke handel in door de aanvrager geselecteerde waardeketen(s). Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het financieren van een lokale maatschappelijke organisatie om deel te kunnen nemen aan een rondetafelgesprek over knelpunten en oplossingen in lokale markten in de koffie- of palmolieketen of door terugkoppeling te geven over ontwikkelingen in productielanden bij de implementatie van IMVO wet- en regelgeving.
4.4.4. Capaciteitsversterkende activiteiten
De aanvrager biedt, afgestemd op hun behoeften, ondersteuning aan in-country partners bij de versterking van hun capaciteit met het oog op hun rol als dienstverlener en bij het voeren van dialoog. Capaciteitsversterking kan onder meer bestaan uit training, coaching, technische assistentie, mentoring, kennisdeling of het beschikbaar stellen van middelen voor de versterking van interne systemen en processen. Maatschappelijke organisaties met goede kennis van de Europese markt kunnen bovendien in-country partners verbinden met Nederlandse ondernemingen en hun toeleveranciers. Dergelijke activiteiten zijn gericht op zowel de effectievere werking en grotere autonomie als de programmatische inzet van in-country partners.
Capaciteitsversterking kan plaatsvinden op drie terreinen:
Deze ondersteuning kan:
Capaciteitsversterking kan plaatsvinden op:
4.5. Looptijd van de activiteiten
De activiteiten hebben een totale looptijd van 60 maanden. De activiteiten moeten starten binnen twee maanden na subsidieverlening. De eerste uitvoeringsfase, onderdeel van deze 60 maanden, bestaat uit een zogenoemde inceptiefase van zes maanden.
4.6. Omvang van de subsidie
De omvang van de aangevraagde subsidie is niet lager dan € 10 miljoen en niet meer dan € 22 miljoen. De subsidie kan per aanvraag maximaal € 22 miljoen bedragen.
Daarnaast gelden er vereisten voor de omvang van de subsidie die maximaal kan worden verkregen in verband met de eigen inkomsten van de aanvrager. Deze vereisten zijn uitgewerkt in annex 4 bij deze beleidsregels. Een aanvrager moet dus bij het berekenen van het aan te vragen subsidiebedrag ook zorgen dat hij voldoet aan deze vereisten.
5. Subsidiabele kosten
5.1. Uitgangspunten
Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de te verlenen subsidie gelden de volgende uitgangspunten:
5.2. (Niet-)subsidiabele kosten
De subsidiabele kosten worden genoemd en toegelicht in de handleiding voor het budgetmodel dat verplicht moet worden gehanteerd voor de bij de aanvraag in te dienen begroting, en is opgenomen op de RVO website.21https://english.rvo.nl/subsidies-financing/fair-focus-on-trade
Verder geldt om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie een aantal concrete eisen ten aanzien van de verdeling van de subsidiabele kosten:
In het budgetmodel op de RVO website wordt (nader) toegelicht welke kosten niet subsidiabel zijn. Het betreft onder meer kosten voor het ontwikkelen van de aanvraag en het aanvragen van subsidie, andere kosten die voor indiening van de aanvraag zijn gemaakt en de btw voor zover dit geen kostenpost is.
6. Aanvraag
Aanvragen kunnen worden ingediend gedurende de openstellingsperiode: 30 juni 2026 – 11 augustus 2026, sluiting om 12:00 CET. Besluitvorming over al dan niet toekenning van subsidie volgt uiterlijk op 1 december 2026.
6.1. Aanvraagvereisten
De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door RVO beschikbaar gesteld middel en voorzien van de daarin genoemde bijlagen waarvoor modellen beschikbaar worden gesteld door RVO. De documenten moeten in het Engels worden aangeleverd23De volgende al gereed liggende documenten mogen ook in het Nederlands worden aangeleverd: statuten, integriteitsbeleid en de door externe, onafhankelijke accountant gecontroleerde jaarrekeningen..
De aanvraag bevat in ieder geval:
Aanvragers verklaren dat ze op de hoogte zijn van, en zullen handelen in overeenstemming met, de OESO-richtlijnen25https://www.oesorichtlijnen.nl/, alsook dat ze geen activiteiten ontplooien die op de FMO-uitsluitingenlijst26https://www.fmo.nl/policies-and-position-statements staan. Wanneer de subsidie wordt gebruikt voor het tegengaan van activiteiten die op de FMO-uitsluitingslijst staan, geldt een uitzondering. Denk hierbij aan het tegengaan van kinderarbeid en dwangarbeid.
6.2. Herstelperiode
In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de Minister (met gebruikmaking van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht) vragen om een aanvulling. Als datum en tijd van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum en tijd waarop de aanvulling is ontvangen; na de deadline voor het indienen van aanvragen is een aanvulling niet meer mogelijk. Daarnaast geldt in het algemeen dat het niet volledig indienen van aanvragen of onvoldoende onderbouwen van (onderdelen van) de aanvraag mogelijk leidt tot afwijzing van een subsidieaanvraag op basis van het niet of niet in voldoende mate voldoen aan de aan aanvragen gestelde vereisten en criteria.
Kortheidshalve verwijzen naar andere onderdelen van de aanvraag, websites of bijlagen is niet voldoende. Als onderdelen van de aanvraagdocumenten niet worden ingevuld loopt de aanvrager het risico op afwijzing van de aanvraag.
7. Beoordeling en verdeling beschikbare middelen
7.1. Beoordeling en verdeling
De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking in het kader van het subsidieprogramma. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in het subsidieprogramma zijn neergelegd.
Om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen moet de aanvraag voldoen aan de in paragraaf 4 tot en met 6 opgenomen vereisten. Slechts de aanvragen die daaraan voldoen worden inhoudelijk beoordeeld op kwaliteit aan de hand van de criteria in paragraaf 7.2, waaraan in voldoende mate (ten minste 70 punten van de maximaal 100 te behalen punten) moet worden voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie.
De verdeling van middelen vindt plaats via een subsidietender, oftewel op basis van kwaliteit. De kwaliteit wordt beoordeeld door beoordeling van aanvragen op grond van de kwalitatieve criteria neergelegd in paragraaf 7.2. De uitkomsten van deze beoordeling leiden tot een rangorde van de aanvragen op basis van kwaliteit. Aanvragen die niet van ten minste voldoende kwaliteit zijn worden niet meegenomen in deze rangschikking.
Uit oogpunt van doelmatigheid en evenwichtige spreiding zal er voor elk doelland per primaire waardeketen, niet meer dan één subsidieaanvraag in aanmerking kunnen komen voor subsidieverlening. Als er meerdere aanvragen gericht op dezelfde primaire waardeketen in hetzelfde doelland zijn, komt alleen de hoogst gerangschikte aanvraag in aanmerking voor subsidie. Hierbij wordt gekeken naar de primaire waardeketen waarop de aanvraag zich richt, zoals aangegeven in het aanvraagformulier. Als er twee of meer aanvragen gericht op dezelfde primaire waardeketen in hetzelfde doelland met een even hoge score op de hoogste plaats in de rangschikking staan, wordt door middel van loting de definitieve plaats in de rangschikking bepaald.
In geval het honoreren van twee of meer aanvragen met een even hoge score zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond, wordt door middel van loting bepaald welke aanvraag/aanvragen wordt/worden gehonoreerd tot het subsidieplafond is uitgeput.
7.2. Criteria
De hierna volgende criteria zijn van toepassing bij de kwalitatieve beoordeling van de aanvragen voor subsidie, waarbij de puntentoekenning afhankelijk is van de mate waarin er aan de (sub)criteria wordt voldaan.
7.2.1. Track record (minimaal 35, maximaal 50 punten)
7.2.2. Interventiestrategie inclusief begroting (minimaal 28, maximaal 40 punten)
7.2.3. Focus beleidsprincipes (minimaal 7 punten, maximaal 10 punten)
Ter ondersteuning van de beoordeling kan RVO verificatieactiviteiten uitvoeren ter controle van de in de aanvraag gemaakte aannames en stellingnames. Hiervoor kan RVO contact zoeken met relevante stakeholders.
RVO kan tijdens de inhoudelijke beoordeling ook advies inwinnen bij externe referenten.
De Nederlandse ambassades in de doellanden worden gevraagd om input tijdens de beoordeling van de aanvragen, in ieder geval op de (sub-)criteria over de interventiestrategie (paragraaf 7.2.2), in het bijzonder de factoren betreffende de aansluiting van de aanvragen op hun beleid en de inbedding in de lokale context.
8. Afwijzingsgronden
Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het bepaalde in dit subsidieprogramma of als het beschikbare subsidieplafond ontoereikend is.
9. Toezicht
RVO zal een steekproefsgewijze controle uitvoeren op het correcte gebruik van de subsidie waarbij op grond van de afgegeven beschikkingen wordt gecontroleerd op rechtmatigheid en doelmatigheid.
10. Verplichtingen
In de subsidieverleningsbeschikking worden onder andere de volgende verplichtingen voor de subsidieontvanger opgenomen:
11. Administratieve lasten
Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de aanvrager te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag voor subsidie, de beheerfase, de vaststelling van de subsidie en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 4,5% bedraagt.
Annex 1. – Lijst met Nederlandse focus sectoren, waardeketens en beleidsprioriteiten per land
De tabel hieronder geeft een overzicht van Nederlandse focus sectoren, waardeketens en beleidsprioriteiten per land. Dit overzicht is gebaseerd op het huidige hulp en handel beleid van de Nederlandse overheid.
Activiteiten die in aanmerking komen voor deze subsidie moeten gericht zijn op de focus sectoren en waardeketens per doelland in de tabel. Dit wordt toegepast als een ingangsvoorwaarde (zie paragraaf 4.3.2.).
Afstemming op beleidsprioriteiten zoals beschreven in de tabel wordt meegenomen in de kwalitatieve beoordeling van voorstellen (zie paragraaf 7.2.2 sub b). Activiteiten moeten zijn gebaseerd op grondige analyse van de lokale context en stakeholders en complementair zijn aan andere initiatieven en een multistakeholderaanpak bevorderen (paragraaf 7.2.2 sub a).
Hieronder staat een afbakening per focus sector:
Dit betreft ruwe en verwerkte landbouwproducten die worden geëxporteerd van de doellanden naar Nederland of de Europese Unie. Voorbeelden zijn cacao, palmolie en tuinbouwproducten.
Binnen de afbakening van dit subsidiekader vallen 36 type grondstoffen, bestaande uit 1) mineralen en/of metalen die onder de (Europese) duurzaamheidsstandaarden vallen, zoals de Conflict Mineralen Verordening (goud, tantaal, tin, wolfraam30https://policy.trade.ec.europa.eu/development-and-sustainability/conflict-minerals-regulation/regulation-explained_en) en de Batterijen Verordening (kobalt, natuurlijk grafiet, lithium en nikkel31https://data.consilium.europa.eu/doc/document/PE-2-2023-INIT/en/pdf); en/of 2) ruwe grondstoffen die kritiek zijn voor Nederland en de EU, zoals gedefinieerd op de EU lijst voor kritieke en strategische ruwe grondstoffen. Deze lijst bevat momenteel 34 grondstoffen en wordt elke drie jaar geüpdatet32https://single-market-economy.ec.europa.eu/sectors/raw-materials/areas-specific-interest/critical-raw-materials_en#fifth-list-2023-of-critical-raw-materials-for-the-eu.
Deze sector betreft zowel tot textiel verwerkte grondstoffen zoals garen en stoffen als kledingstukken en schoenen. Ruwe grondstoffen zoals katoen behoren expliciet niet tot deze categorie.
1 De EUDR is een Europese verordening die ervoor moet zorgen dat producten die op de EU-markt worden gebracht of daaruit worden geëxporteerd, niet bijdragen aan ontbossing of bosdegradatie wereldwijd.
Annex 2. – People, Planet, Profit
Het subsidieprogramma volgt de OESO-richtlijnen en de United Nations Guiding Principles on Business & Human Rights, en de thema’s die hierin naar voren komen. Hierbij kan gedacht worden aan de volgende thema’s, waarbij economische, sociale en vergroening aspecten integraal worden benaderd conform het People, Planet, Profit principe.
People: sociale duurzaamheid – human rights & decent work:
Planet: ecologische duurzaamheid – vergroening:
Het zuiniger omgaan met natuurlijke hulpbronnen, het behoud van biodiversiteit en het leefmilieu. Hieronder valt ook het werken aan weerbare, toekomstbestendige waardeketens die zijn voorbereid op de gevolgen van klimaatverandering. Maatregelen worden als groen gezien als ze bijdragen aan de milieudoelen van de EU-Taxonomie.34Verordening (EU) 2020/852) Dit omvat: bescherming en herstel van biodiversiteit en ecosystemen; klimaatmitigatie: het tegengaan van klimaatverandering; klimaatadaptatie: aanpassing aan klimaatverandering; duurzaam gebruik en bescherming van water en mariene hulpbronnen; transitie naar een circulaire economie; voorkomen en bestrijden van vervuiling.Een groene maatregel moet een positieve bijdrage hebben op minstens één van de voornoemde zes milieudoelen en tegelijkertijd geen negatieve impact te hebben op de andere vijf doelen noch op de sociale thema’s. Groene interventies moeten bovendien altijd een positief effect hebben op de lokale begunstigden.
Profit: economische duurzaamheid – zowel in productielanden (duurzame economische ontwikkeling) als in Nederland (Nederlands verdienvermogen)
Annex 3. – MEL-systematiek
Bij de aanvraag moet een opzet van de MEL-systematiek worden ingediend betreffende een interventielogica, resultatenkader, aannames en risico’s. De MEL-systematiek stimuleert een lerende en adaptieve aanpak door regelmatige reflectie op de behaalde resultaten en het systematisch trekken van lessen voor verdere uitvoering, en ontsluiten van lessen richting derden.
Gedurende de inceptiefase zal deze systematiek worden aangescherpt. De MEL systematiek moet een logisch geheel vormen met concreet en helder geformuleerde impact, outcomes, outputs en pathways die aansluiten bij zowel het overkoepelende beleidskader Focus als bij dit subsidieprogramma. Waar mogelijk zal RVO aansturen op afstemming tussen de verschillende projecten om waar mogelijk synergie te creëren en indicatoren te harmoniseren. De subsidieontvangers dragen zelf de verantwoordelijkheid voor het monitoren en leren gedurende de looptijd van het project.
Het MEL-kader omvat indicatoren die in het verlengde liggen van het doel van het subsidieprogramma (zie paragraaf 4.1). Daarnaast zijn er vier overkoepelende Focus-indicatoren die moeten worden meegenomen in het MEL-kader:
De methodological notes bij deze indicatoren worden beschikbaar gesteld als onderdeel van de subsidieverleningsbeschikking.
Er zal door het Ministerie van Buitenlandse Zaken een externe, Focus-brede baseline studie en een Mid-Term Evaluatie (MTE) worden uitgevoerd.
Annex 4. – Financiële onafhankelijkheid aanvragers en omvang van aanvragen
Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie voor dit subsidieprogramma is vereist dat van de totale jaarlijkse inkomsten van de aanvrager in 2022, 2023 en 2024 gemiddeld per jaar minimaal 25% afkomstig was uit bronnen anders dan die van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Onder ‘inkomsten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken’ wordt verstaan:
Aan aanvragers die voldoen aan dit minimale percentage van 25% ‘niet-BZ inkomsten’ kan op jaarbasis een subsidie of bijdrage verstrekt worden van maximaal het bedrag dat die organisatie in 2022, 2023 en 2024 gemiddeld per jaar aan ‘niet-BZ inkomsten’ ontving. Voor de hele looptijd van het project gaat dit dan om vijf keer dit bedrag in totaal, aangezien subsidies voor vijf jaar worden toegekend; uiteraard zullen ook geen subsidies worden verleend die het plafond zouden overschrijden dat beschikbaar is voor het subsidieprogramma waaronder subsidie wordt aangevraagd.
Om aan te tonen dat aan de vereiste mate van financiële onafhankelijkheid wordt voldaan:
Voor specialistische organisaties wordt een uitzondering gemaakt op de vereisten voor financiële onafhankelijkheid zoals hierboven toegelicht. Ook voor kleine, zuidelijke organisaties geldt dit niet. Voor beide soorten organisaties geldt dus 1) dat ze niet hoeven te voldoen aan de eis dat gemiddeld minimaal 25% van hun inkomsten in 2022, 2023 en 2024 afkomstig was uit bronnen anders dan die van het Ministerie van Buitenlandse Zaken of de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, en 2) dat zij per jaar voor méér middelen in aanmerking kunnen komen dan hun gemiddelde jaarlijkse niet-BZ-inkomsten over de afgelopen drie jaar.
In het kader van het subsidieprogramma wordt een specialistische organisatie als volgt gedefinieerd. Het is een maatschappelijke organisatie die ten opzichte van andere maatschappelijke organisaties werkzaam is op hetzelfde beleidsterrein, maar zich onderscheidt wat betreft focus, aard en omvang van kennis en ervaring. Dit wordt beoordeeld aan de hand van beide onderstaande vereisten:
Voor het subsidieprogramma wordt onder een kleine zuidelijke organisatie verstaan een organisatie die (i) is opgericht en statutair gevestigd in een land opgenomen op de lijst van lage- en middeninkomenslanden volgens de OESO-DAC indeling, en (ii) een personeelsbudget37Uitgaven aan werknemers in loondienst heeft van maximaal € 500.000 per jaar. Dit moet blijken uit respectievelijk de oprichtingsakte/statuten en het meest recente financiële jaarverslag.
Annex 5. – Maximale bezoldiging
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het subsidieprogramma Fair Focus on Trade geldt een eis over de maximale bezoldiging die de aanvrager mag hanteren voor hun topfunctionarissen (de leden van management en bestuur).
Dit is een vereiste waaraan elke subsidieaanvraag wordt getoetst. Als niet aan het vereiste wordt voldaan, wordt de subsidieaanvraag afgewezen. Hierbij geldt per land van statutaire vestiging van de betreffende rechtspersoon een specifiek maximum.
Hieronder staat een totaaloverzicht van alle maxima per land van statutaire vestiging.
Voor aanvragers die statutair zijn gevestigd in Nederland is het maximum vastgesteld op € 241.000.
Voor aanvragers die statutair zijn gevestigd in een van de 21 doellanden opgenomen in annex 1, is in onderstaand overzicht per doelland het maximum opgenomen:
1 Om verschillende redenen (waaronder schommelingen in de wisselkoersen van lokale valuta's) worden de maxima voor deze landen weergegeven in EUR of USD. Voor deze landen moet bij de toepassing van de maxima EUR worden gebruikt in plaats van de lokale valuta.
Dit besluit zal met de bijlage, inclusief de annexen, in de Staatscourant worden geplaatst.