Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 juli 2026, nr. WJZ/1853084 (29021), over de frictiekostenvergoeding aan de landelijke publieke mediadiensten 2025–2028 (Beleidsregel frictiekosten 2025–2028)

Type Beleidsregel
Publication 2026-07-15
Laatst bijgewerkt 2026-07-17
State In force
Source BWB
artikelen 16
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 2.166, eerste lid, aanhef en onderdeel b, 2.167, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en 2.169 van de Mediawet 2008;

Besluit:

Artikel 1. Definities

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

Artikel 2. Frictiekosten

1.

Als frictiekosten worden uitsluitend aangemerkt personeelskosten en overige kosten voor de boekjaren 2025–2028 die:

2.

Personeelskosten als bedoeld in het eerste lid die verband houden met de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten van de medewerkers van de landelijke publieke mediadienst voor de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2028 dienen in overeenstemming te zijn met de CAO SR en de aldaar genoemde bedragen niet te overschrijden.

3.

Kosten van een vrijwillige vertrekregeling kunnen slechts worden aangemerkt als personele frictiekosten als aan de volgende procedure is voldaan:

Artikel 3. Aanvraag bijdrage in de frictiekosten van een landelijke publieke mediadienst

1.

Een landelijke publieke mediadienst kan tot en met 30 april 2029 een bijdrage in de frictiekosten aanvragen bij de minister. In afwijking van de vorige zin geldt voor de NPO dat zij tot en met 30

2.

In het geval de landelijke publieke mediadienst een omroepvereniging is die is vertegenwoordigd in een samenwerkingsomroep als bedoeld in artikel 2.24a van de Mediawet 2008, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid gedaan door de omroepvereniging en niet door de samenwerkingsomroep.

3.

De aanvraag wordt vergezeld van de stukken, bedoeld in de artikelen 5 tot en met 8.

4.

De landelijke publieke mediadienst zendt gelijktijdig een afschrift van de aanvraag en de bijbehorende stukken naar het Commissariaat.

Artikel 4. Toetsen van de aanvraag door het Commissariaat

1.

Het Commissariaat toetst of de aanvraag van een landelijke publieke mediadienst voor een bijdrage in de frictiekosten volledig is en voldoet aan de vereisten van de artikelen 2, 3 en 5 tot en met 8.

2.

Het Commissariaat bericht de minister uiterlijk op 1 oktober 2029 of de aanvraag voldoet aan de vereisten van de artikelen 2, 3 en 5 tot en met 8 en bericht de minister over de rechtmatigheid van de hoogte van de gevraagde bijdrage ten behoeve van het al dan niet vaststellen van de bijdrage in de frictiekosten.

3.

Het Commissariaat kan de landelijke publieke mediadienst in de gelegenheid stellen om de aanvraag aan te vullen of te verbeteren binnen een door het Commissariaat te bepalen termijn. Het Commissariaat bericht de minister in dat geval uiterlijk op 15 november 2029 over de aanvraag.

Artikel 5. Samenvatting van de bezuinigings- en reorganisatieplannen

Een aanvraag voor een bijdrage in de frictiekosten van een landelijke publieke mediadienst wordt vergezeld van een samenvatting van de bezuinigings- en reorganisatieplannen, waaruit in ieder geval blijkt:

Artikel 6. Toelichting op de frictiekosten

Een aanvraag voor een bijdrage in de frictiekosten van een landelijke publieke mediadienst wordt vergezeld van de jaarrekening 2028 van de landelijke publieke mediadienst met daarin opgenomen een toelichting op de frictiekosten van de landelijke publieke mediadienst overeenkomstig bijlagen 2 bij deze regeling.

Artikel 7. Overzicht medezeggenschapstrajecten

Een aanvraag voor een bijdrage in de frictiekosten van een landelijke publieke mediadienst wordt vergezeld van een overzicht van de door de landelijke publieke mediadienst met de eigen ondernemingsraad gevolgde medezeggenschapstrajecten voorafgaand aan de definitieve besluitvorming met betrekking tot bezuinigings- en reorganisatieplannen.

Artikel 8. Overzicht omvang van het verenigingsvermogen

1.

Bij de aanvraag voor een bijdrage in de frictiekosten van een landelijke publieke mediadienst wordt duidelijk inzicht geboden in de omvang van het verenigingsvermogen overeenkomstig bijlage 2, onderdeel 2.2, bij deze regeling.

2.

De peildatum voor het verenigingsvermogen is 31 december 2024.

3.

Dit artikel is niet van toepassing op een landelijke publieke mediadienst die een stichting is.

Artikel 9. Besluit van de minister

1.

De minister kan op aanvraag van een landelijke publieke mediadienst besluiten tot een bijdrage in de frictiekosten van de landelijke publieke mediadienst voor de boekjaren 2025–2028 indien blijkens de aanvraag wordt voldaan aan de artikelen 2, 3 en 5 tot en met 8.

2.

De minister neemt bij het besluit tot een bijdrage in de frictiekosten van een landelijke publieke mediadienst de uitkomsten van de toets en de berichten van het Commissariaat, bedoeld in artikel 4, mede in overweging.

3.

De minister past bij het besluit tot een bijdrage in de frictiekosten van een landelijke publieke mediadienst artikel 10 toe om de hoogte van de bijdrage in de frictiekosten te bepalen.

4.

De minister besluit uiterlijk op 31 december 2029.

5.

De minister zendt zijn besluit aan de landelijke publieke mediadienst en een afschrift van zijn besluit aan het Commissariaat.

6.

Aanvragen die niet tijdig zijn ingediend of die niet tijdig zijn aangevuld nadat daartoe door het Commissariaat een termijn is gesteld als bedoeld in artikel 4, derde lid, worden afgewezen.

7.

De minister doet betalingen aan de landelijke publieke mediadienst door tussenkomst van het Commissariaat. Op de bijdrage wordt een ontvangen voorschot als bedoeld in artikel 14 in mindering gebracht. Onverschuldigd betaalde voorschotten worden teruggevorderd.

Artikel 10. Berekening van de hoogte van de bijdrage in de frictiekosten

1.

Aan een landelijke publieke mediadienst die op 31 december 2024 beschikte over een verenigingsvermogen van meer dan € 1,5 miljoen, kan een bijdrage worden verstrekt van ten hoogste 50% van de frictiekosten van de desbetreffende mediadienst. De reserve media-aanbod wordt buiten beschouwing gelaten.

2.

Aan een landelijke publieke mediadienst die op 31 december 2024 beschikte over een verenigingsvermogen van € 1,5 miljoen of minder of die een stichting is, kan een bijdrage worden verstrekt van ten hoogste 100% van de frictiekosten van de desbetreffende mediadienst.

3.

Bij de bepaling van de hoogte van de bijdrage in de frictiekosten van de landelijke publieke mediadiensten geldt het volgende:

Artikel 11. Verantwoording bijdrage frictiekosten in de jaarrekening

1.

Op basis van artikel 10, eerste en tweede lid, berekent een landelijke publieke mediadienst jaarlijks de te verwachten bijdrage van OCW in de frictiekosten en neemt het volledige bedrag op als bate en als vordering in de jaarrekening in het jaar dat deze vordering ontstaat. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat een deel van deze vordering niet geïnd kan worden als de aanvragen de in artikel 10, derde lid, onder a, genoemde maximale bijdrage overschrijden.

2.

Op basis van het besluit van de minister, bedoeld in artikel 9, verwerkt een landelijke publieke mediadienst de in dat besluit opgenomen bijdrage in de frictiekosten in de jaarrekening 2029.

Artikel 12. Voorschot bijdrage frictiekosten

1.

Een landelijke publieke mediadienst kan voor 1 september 2026 en voor 1 september 2027 een voorschot op een bijdrage in de frictiekosten voor de boekjaren 2025, 2026, 2027 of 2028 aanvragen bij de minister.

2.

In het geval de landelijke publieke mediadienst een omroepvereniging is die is vertegenwoordigd in een samenwerkingsomroep als bedoeld in artikel 2.24a van de Mediawet 2008, wordt de aanvraag bedoeld in het eerste lid gedaan door de omroepvereniging en niet door de samenwerkingsomroep.

3.

De aanvraag wordt vergezeld van:

4.

Bij de aanvraag van een voorschot op een bijdrage in de frictiekosten van een landelijke mediadienst wordt duidelijk inzicht geboden in de omvang van het verenigingsvermogen overeenkomstig bijlage 1, onderdeel 1.2. De peildatum voor de omvang van het verenigingsvermogen is 31 december 2024. Dit lid is niet van toepassing op een landelijke publieke mediadienst die een stichting is.

5.

De landelijke publieke mediadienst zendt gelijktijdig een afschrift van de voorschotaanvraag en de bijbehorende stukken naar het Commissariaat.

Artikel 13. Toetsen van de voorschotaanvraag door het Commissariaat

1.

Het Commissariaat toetst de volledigheid van de aanvraag van een landelijke publieke mediadienst voor een voorschot op een bijdrage in de frictiekosten overeenkomstig de vereisten van artikel 12.

2.

Het Commissariaat bericht de minister of de aanvraag voldoet aan het eerste lid.

3.

Het Commissariaat bericht de minister over een voorschotaanvraag voor een bijdrage in de frictiekosten die vóór 1 september 2026 is ontvangen uiterlijk op 1 december 2026, en over voorschotaanvragen die in de periode van 1 september 2026 tot en met 31 augustus 2027 zijn ontvangen uiterlijk op 1 december 2027.

4.

Het Commissariaat kan de landelijke publieke mediadienst in de gelegenheid stellen om de aanvraag binnen twee weken aan te vullen of te verbeteren. Het Commissariaat bericht de minister in dat geval uiterlijk op 15 december 2026 over de voorschotaanvraag die voor 1 september 2026 is ontvangen en uiterlijk op 15 december 2027 over de voorschotaanvraag die voor 1 september 2027 is ontvangen.

Artikel 14. Besluit van de minister op de voorschotaanvraag

1.

De minister kan op aanvraag van een landelijke publieke mediadienst besluiten tot een voorschot op de bijdrage in de frictiekosten van die landelijke publieke mediadienst indien blijkens de aanvraag wordt voldaan aan de vereisten van artikel 12.

2.

De minister neemt bij het besluit tot een voorschot op de bijdrage in de frictiekosten van een landelijke publieke mediadienst de uitkomsten van de toets en de berichten van het Commissariaat, bedoeld in artikel 13, mede in overweging.

3.

De minister neemt zijn besluit op de aanvraag voor een voorschot binnen twee maanden na ontvangst van het bericht van het Commissariaat.

4.

De minister zendt zijn besluit aan de landelijke publieke mediadienst en een afschrift van zijn besluit aan het Commissariaat.

5.

Aanvragen voor een voorschot op een bijdrage in de frictiekosten die niet voor de data bedoeld in artikel 12, eerste lid, zijn ingediend of die niet tijdig zijn aangevuld nadat daartoe door het Commissariaat een termijn is gesteld als bedoeld in artikel 13, vierde lid, worden afgewezen.

6.

De minister doet betalingen aan de landelijke publieke mediadienst door tussenkomst van het Commissariaat.

Artikel 15. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Beleidsregel frictiekosten 2025–2028.

Artikel 16. Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2025.

Bijlage 1. Format aanvraag voorschot frictiekosten landelijke publieke mediadiensten

Bijlage 2. Format aanvraag bijdrage gerealiseerde frictiekosten landelijke publieke mediadiensten

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)