Beleidsregel van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur van 29 juni 2026, nr. WJZ/22549150, houdende regels die zien op het verlenen van rechten voor het vissen en kweken van schelpdieren (Beleidsregel uitgifte rechten schelpdieren) [KetenID WGK26249]
Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 7, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, en 21, eerste en tweede lid, onderdeel a, van de Visserijwet 1963, 11 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, 6d, eerste lid, van het Reglement zee- en kustvisserij 1977 en 36, 77a en 77b van de Uitvoeringsregeling visserij;
Besluit:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen en toepassingsbereik
De begripsbepalingen van de Uitvoeringsregeling visserij zijn van toepassing.
Deze beleidsregel is van toepassing op het verlenen van schriftelijke toestemming, ontheffing, vrijstelling, vergunning en het afsluiten van een huurovereenkomst, voor het vissen op schelpdieren als bedoeld in Bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling Visserij in de visserijzone of de kustwateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel a, respectievelijk onderdeel c, van de Wet, of in het Grevelingen- en Veerse meer.
Deze beleidsregel is niet van toepassing op de rechten, bedoeld in het tweede lid, die verleend zijn voor 26 oktober 2023 en op het verlengen van deze rechten.
§ 2. Verlenen rechten voor nieuwe activiteiten
Artikel 2. Verlenen rechten voor visserij op schelpdieren
De Minister verleent voor de activiteiten, genoemd in het vierde lid, niet de rechten, genoemd in het vierde lid, indien het verlenen van deze rechten leidt tot een uitbreiding van de visserijactiviteiten in het betreffende gebied.
De volgende activiteiten worden niet aangemerkt als een uitbreiding van de visserijactiviteiten als bedoeld in het eerste lid:
- a. het vervangen van het vistuig door degene die rechten heeft voor het vissen op schelpdieren in het betrokken gebied; of
- b. activiteiten die volledig gecompenseerd worden doordat de aanvrager andere activiteiten betreffende het vissen op schelpdieren van gelijke omvang in hetzelfde gebied beëindigt en de Minister de rechten voor deze activiteiten intrekt.
In afwijking van het eerste lid kan de Minister voor de activiteiten, genoemd in het vierde lid, onderdelen a, d en g, de rechten, genoemd in deze onderdelen verlenen, indien de activiteit een experiment is als bedoeld in de artikelen 5 en 6.
De rechten en activiteiten, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, zijn:
- a. een ontheffing of vrijstelling op grond van artikel 6d, eerste lid, van het Reglement zee- en kustvisserij 1977 of een vergunning als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de Uitvoeringsregeling Visserij voor het vissen van mosselen op de bodem;
- b. een ontheffing of vrijstelling op grond van artikel 6d, eerste lid, van het Reglement zee- en kustvisserij 1977 of een vergunning als bedoeld in artikel 77a van de Uitvoeringsregeling Visserij voor mosselzaadinvanginstallaties, als daardoor het aantal hectares wordt overschreden dat de Minister hiervoor op grond van artikel 77d van de Uitvoeringsregeling visserij heeft aangewezen in de Waddenzee, Oosterschelde en Voordelta;
- c. een schriftelijke toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet, en een visrecht als bedoeld in paragraaf 5 van hoofdstuk V van de Wet, voor het uitzaaien van mosselen als bedoeld in artikel 45 van de Uitvoeringsregeling Visserij en het vissen van deze mosselen, als daardoor het aantal hectares wordt overschreden dat de Minister hiervoor heeft aangewezen in de Waddenzee en Oosterschelde;
- d. een schriftelijke toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet, en een visrecht als bedoeld in paragraaf 5 van hoofdstuk V van de Wet, voor het gebruik van mosselhangculturen in de Oosterschelde;
- e. een ontheffing of vrijstelling op grond van artikel 11 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985 voor het vissen van oesters op de bodem als daardoor het aantal hectares wordt overschreden dat de Minister hiervoor heeft aangewezen in het Grevelingenmeer;
- f. een ontheffing of vrijstelling op grond van artikel 6d, eerste lid, van het Reglement zee- en kustvisserij 1977 of een vergunning als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Visserij, voor het vissen van oesters op de bodem als daardoor het aantal hectares wordt overschreden dat de Minister hiervoor heeft aangewezen in de Oosterschelde;
- g. de rechten, genoemd in artikel 1, tweede lid, voor:
- i. visserijactiviteiten in de Waddenzee;
- ii. het vissen op kokkels, strandschelpen, zwaardscheden en mesheften; en
- iii. visserijactiviteiten in het Grevelingen- of Veerse meer.
De Minister verleent alleen een schriftelijke toestemming als bedoeld in de artikelen 7, tweede lid, onderdeel a, en 21, tweede lid, onderdeel a, van de wet, en verhuurt alleen een visrecht als bedoeld in paragraaf 5 van hoofdstuk V van de wet, voor het vissen op schelpdieren, bedoeld in artikel 1, tweede lid, waarvoor een vergunning, vrijstelling of ontheffing nodig is, indien hij op grond van deze beleidsregel voor deze activiteit een vergunning, vrijstelling of ontheffing verleent.
Artikel 3. Verlenen rechten in Grevelingen- en Veerse meer
De Minister verleent alleen een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in artikel 11 van het Reglement voor de Binnenvisserij 1985, indien:
- a. de visserijactiviteit geen bestaande rechtmatige visserijactiviteiten beperkt;
- b. de aanvrager een projectplan indient waarin ten minste is opgenomen welke activiteit op welke locatie zal plaatsvinden;
- c. de visserijactiviteit niet plaatsvindt in een gebied waar:
- •. scheepvaartroutes liggen;
- •. vaargeulbeheer plaatsvindt;
- •. zandsuppleties zijn gepland;
- •. kabels en leidingen liggen; of
- •. oefenterreinen van het Ministerie van Defensie liggen.
- d. de effecten op de natuur en nabijgelegen locaties en, indien de activiteit een vervolg is op een experiment, de uitkomsten van het experiment in een monitoringsplan in kaart zijn gebracht; en
- e. de visserijactiviteit niet of nauwelijks leidt tot een belemmering van ander gebruik en het beheer van het gebied waar de activiteit verricht wordt.
De Minister betrekt bij de beoordeling van een aanvraag voor de rechten, genoemd in het eerste lid, de wenselijkheid van de voorgenomen visserijactiviteit gelet op:
- a. de verbondenheid van de sector in het betreffende gebied waar de aanvrager toebehoort met de voorgenomen visserijactiviteit; of
- b. de sociaaleconomische positie van deze sector.
De Minister beslist voor 1 maart op een aanvraag die is ingediend voor het einde van het vorige jaar en voor 1 september op een aanvraag die is ingediend voor 1 juli van het desbetreffende jaar.
Naar gelang er fysieke en ecologische ruimte is, worden de rechten, bedoeld in het eerste lid, als volgt verleend:
- a. op volgorde van rangschikking van deze aanvragen op basis van het tweede lid;
- b. bij gelijke rangschikking op grond van onderdeel a, beslist de Minister over de gelijk gerangschikte aanvragen door middel van loting.
De Minister kan de rechten, bedoeld in het eerste lid, aan het einde van de periode waarvoor het recht is verleend ambtshalve verlengen, doch ten hoogste totdat een periode van twaalf jaar vanaf de eerste verlening is bereikt.
Een aanvraag voor een nieuwe periode na de maximale periode genoemd in het vijfde lid wordt ten minste een half jaar voor het aflopen van deze periode ingediend. Bij de aanvraag betrekt de Minister het belang dat voortzetting van de activiteiten rechtvaardigt, waaronder reeds gedane investeringen.
Artikel 4. Verlenen rechten in de kustwateren en visserijzone
Artikel 3 is van overeenkomstige toepassing op het in de kustwateren en de visserijzone verlenen van:
- a. een ontheffing of vrijstelling op grond van artikel 6d, eerste lid, van het Reglement zee- en kustvisserij 1977; en
- b. een vergunning als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de Uitvoeringsregeling Visserij.
In afwijking van artikel 3, vijfde en zesde lid, verlengt de Minister rechten voor mosselzaadinvanginstallaties ambtshalve voor een periode langer dan twaalf jaar ter uitvoering van het Convenant transitie mosselsector en natuurherstel Waddenzee.
§ 3. Verlenen rechten voor experimenten
Artikel 5. Verlenen rechten voor experimenten in Grevelingen- en Veerse meer
De Minister verleent in het Grevelingen- of Veerse meer alleen een ontheffing als bedoeld in artikel 11 van het Reglement voor de Binnenvisserij 1985 voor een experiment betreffende het vissen op schelpdieren indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a. het experiment richt zich op het ontwikkelen van, voor Nederland, nieuwe dan wel aangepaste visserij- of kweektechnieken of het uitproberen van deze technieken op nieuwe locaties;
- b. de uitkomsten van experimenten dragen bij aan nieuwe kennis over de verduurzaming van de schelpdiersector of het minimaliseren van de impact van de schelpdiervisserij op de natuurwaarden;
- c. indien het experiment zich richt op de kweek van exoten is deze in overeenstemming met Europees en nationaal recht en toont onderzoek aan dat de exoot niet schadelijk is voor het ecosysteem;
- d. de aanvrager dient een plan van aanpak in dat voldoet aan de voorwaarden gesteld in het derde lid;
- e. het experiment vergt niet meer ruimte dan strikt noodzakelijk is voor de doeleinden van het experiment; en
- f. het experiment vindt niet plaats in een gebied waar:
- •. scheepvaartroutes liggen;
- •. vaargeulbeheer plaatsvindt;
- •. zandsuppleties zijn gepland;
- •. kabels en leidingen liggen; of
- •. oefenterreinen van het Ministerie van Defensie liggen.
Artikel 3, tweede tot en met vierde lid, onderdeel a, zijn van overeenkomstige toepassing. In aanvulling hierop betrekt de Minister bij de beoordeling van de wenselijkheid van de voorgenomen visserijactiviteit, bedoeld in artikel 3, tweede lid, het belang van de betreffende sector bij het experiment.
Het plan van aanpak bevat de volgende gegevens:
- a. de onderzoeksvragen;
- b. beschrijving van de soort waarop experiment gericht is;
- c. de te verwachten resultaten gedurende de looptijd van het experiment;
- d. de locatiekeuze;
- e. de looptijd van de (deel)experimenten;
- f. het uitvoeringsplan voor de (deel)experimenten;
- g. de omgang met risico’s omtrent voedsel- en scheepvaartveiligheid;
- h. de te verwachten effecten op experimenteergebied, aangrenzende percelen en omliggende natuur;
- i. de onderbouwing hoe dit experiment bijdraagt aan de verduurzaming van de schelpdiersector;
- j. de contactgegevens van het wetenschappelijk instituut dat of de objectieve deskundige die een rapportage of evaluatie gaat uitvoeren.
De Minister verlengt de rechten, bedoeld in het eerste lid ambtshalve, doch ten hoogste totdat een periode van zes jaar vanaf de eerste verlening is bereikt.
Na de periode genoemd in het vierde lid kan de Minister de rechten, bedoeld in het eerste lid, op aanvraag verlenen als deze aanvraag een half jaar voor het aflopen van deze periode is ingediend. Bij de beslissing op de aanvraag betrekt de Minister het belang dat voortzetting van het experiment rechtvaardigt.
De ontheffing, bedoeld in het eerste lid, kan alleen worden verlengd of verleend voor een nieuwe periode als bedoeld in het vierde en vijfde lid indien:
- a. een evaluatie is uitgevoerd overeenkomstig het zevende lid en een rapportage is opgesteld overeenkomstig het achtste lid;
- b. de evaluatie en de rapportage gelet op de voorwaarden in het eerste lid aanleiding geven om het experiment voort te zetten.
Een evaluatie als bedoeld in het zesde lid voldoet aan de volgende voorwaarden:
- a. de evaluatie is gebaseerd op het plan van aanpak en de resultaten zoals bekend op het moment van de aanvraag van een nieuwe schriftelijke toestemming;
- b. de evaluatie is drie maanden voor het verlopen van de ontheffing afgerond; en
- c. de evaluatie wordt uitgevoerd door de deskundige die ook betrokken is bij de monitoring.
Een rapportage als bedoeld in het zesde lid wordt jaarlijks en uiterlijk een maand na het verstrijken van het jaar voorafgaand aan het betreffende jaar overgelegd en gaat ten minste in op de volgende onderdelen:
- a. ecologische impact van het experiment; en
- b. bijdrage van het experiment aan het minimaliseren van de ecologische impact van de schelpdiersector.
Artikel 6. Verlenen rechten voor experimenten in de kustwateren en visserijzone
Indien is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 5, eerste lid, kan de Minister voor experimenten betreffende het vissen op schelpdieren de volgende rechten verlenen:
- a. een ontheffing of vrijstelling op grond van artikel 6d, eerste lid, van het Reglement zee- en kustvisserij 1977; en
- b. een vergunning als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de Uitvoeringsregeling Visserij.
Artikel 5, tweede tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing op een experiment als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b.
In afwijking van het eerste lid en artikel 5, vierde lid, kan de Minister rechten voor mosselzaadinvanginstallaties ambtshalve verlengen voor een periode langer dan twaalf jaar ter uitvoering van het Convenant transitie mosselsector en natuurherstel Waddenzee.
§ 5. Slotbepalingen
Artikel 7. Intrekking
De beleidsregel Duurzame eiwitten uit Nederlandse schelpdieren (Kamerstukken II 2023/24, 29 675, nr. 225) wordt ingetrokken.
Artikel 8. Inwerkingtreding
Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 juli 2026. Indien de Staatscourant waarin deze beleidsregel wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 juli 2026 treedt hij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst, en werkt hij terug tot en met 1 juli 2026.
Artikel 9. Citeertitel
Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel uitgifte rechten schelpdieren.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)