Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 juli 2026, nr. 2026-0000230468, tot de vaststelling van tijdelijke regels over het toekennen van een financiële vergoeding aan personen voor wie de WIA-uitkering niet correct is berekend als gevolg van een te lage vaststelling van het dagloon (Tijdelijke regeling eenmalige vergoeding correctie dagloon WIA) [KetenID WGK028117]

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-09-01
State In force
Source BWB
artikelen 17
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 3 en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • beschikking tot herziening: beschikking waarin het UWV heeft vastgesteld dat de hoogte van de WIA-uitkering onjuist is berekend, als bedoeld in artikel 2;
  • minister: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
  • UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 2 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

Hoofdstuk 2. Het recht op en de hoogte van de eenmalige vergoeding

Artikel 2. Recht op eenmalige vergoeding

Recht op een eenmalige vergoeding heeft de persoon ten aanzien van wie ambtshalve, of na een aanvraag tot herziening van de WIA-uitkering die is ingediend voor 1 september 2028, door het UWV is vastgesteld dat de hoogte van de WIA-uitkering onjuist is berekend door:

  • b. een onjuiste indexering van het dagloon als bedoeld in artikel 14 van de WIA, als het recht op de WIA-uitkering van die persoon is ontstaan in de periode van 1 juli 2006 tot en met 31 december 2022;
  • c. toepassing van artikel 33, eerste lid, van de Werkloosheidswet waardoor een loonloos tijdvak in de referteperiode is ontstaan en dit een verlagend effect heeft op de hoogte van de WIA-uitkering op of na 29 november 2023, als het recht op de WIA-uitkering van die persoon is ontstaan in de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 april 2026;
  • d. om andere redenen dan bedoeld in onderdeel c een of meerdere loonloze tijdvakken in de referteperiode zijn ontstaan en dit een verlagend effect heeft op de hoogte van de WIA-uitkering op of na 30 juli 2024, als het recht op de WIA-uitkering van die persoon is ontstaan in de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 april 2026;

Artikel 3. Uitsluitingsgronden

1.

Geen recht op een eenmalige vergoeding heeft de persoon, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, als door het UWV is vastgesteld dat de hoogte van de WIA-uitkering onjuist is berekend als gevolg van een te hoge vaststelling van het dagloon en artikel 2, onderdeel b, c of d, niet van toepassing is.

2.

Geen recht op een eenmalige vergoeding heeft de persoon, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wiens WIA-uitkering is beëindigd voor 1 januari 2020.

3.

Geen recht op een eenmalige vergoeding heeft de persoon wiens WIA-uitkering met terugwerkende kracht is herzien wegens een van de in artikel 2 bedoelde situaties.

4.

Het derde lid is niet van toepassing als het UWV heeft vastgesteld dat de herziening met terugwerkende kracht heeft geleid tot een onjuiste berekening van de hoogte van de WIA-uitkering als bedoeld in artikel 2.

Artikel 4. Hoogte van de eenmalige vergoeding

1.

De hoogte van de eenmalige vergoeding bedraagt de uitkomst van de volgende formule:

(Nieuw – Oud + V) x 0,65 + R

hierbij staat:

Nieuw voor het totaalbedrag van de WIA-uitkering, met uitzondering van de vakantiebijslag, dat de persoon, bedoeld in artikel 2, zou hebben genoten gedurende de periode, bedoeld in het tweede of derde lid, als de onjuiste berekening van de hoogte van de WIA-uitkering, bedoeld in artikel 2, niet had plaatsgevonden;

Oud voor het totaalbedrag van de WIA-uitkering, met uitzondering van de vakantiebijslag, dat de persoon, bedoeld in artikel 2, heeft genoten gedurende de periode, bedoeld in het tweede of derde lid;

V voor 0,08 x (Nieuw – Oud);

R voor 0,125 x (Nieuw – Oud + V).

2.

De periode waarover de hoogte van de eenmalige vergoeding wordt berekend is:

  • a. voor de persoon, bedoeld in artikel 2, onderdelen a en b, de periode van 1 januari 2020 tot en met de dag voorafgaand aan de eerste dag van de maand waarin de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft;
  • b. voor de persoon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, de periode van 29 november 2023 tot en met de dag voorafgaand aan de eerste dag van de maand waarin de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft;
  • c. voor de persoon, bedoeld in artikel 2, onderdeel d, de periode van 30 juli 2024 tot en met de dag voorafgaand aan de eerste dag van de maand waarin de beschikking tot herziening rechtsgevolg heeft.
3.

Als het recht op de WIA-uitkering is beëindigd voorafgaand aan de vaststelling van het recht op de vergoeding, is in afwijking van het tweede lid, de periode waarover de hoogte van de eenmalige vergoeding wordt berekend:

  • a. voor de persoon bedoeld in artikel 2, onderdelen a, c of d, een periode van maximaal vijf jaar voorafgaand aan de datum waarop het recht op de WIA-uitkering is beëindigd;
  • b. voor de persoon, bedoeld in artikel 2, onderdeel b, voor wie het recht op de WIA-uitkering is beëindigd op of na 1 januari 2020, een periode van maximaal vijf jaar voorafgaand aan de datum waarop het recht op de WIA-uitkering is beëindigd.
4.

Als meerdere onderdelen van artikel 2 voor een persoon van toepassing zijn, is de periode waarover de hoogte van de vergoeding wordt berekend, de ruimste periode die voor die persoon op grond van het tweede of derde lid van toepassing is.

Hoofdstuk 3. Het geldend maken van het recht en betaling

Artikel 5. De toekenning van het recht

1.

De minister kent het recht op de eenmalige vergoeding ambtshalve toe, nadat:

  • a. het UWV een beschikking tot herziening heeft genomen; en
  • b. de persoon ten aanzien van wie het voornemen bestaat om het recht op de eenmalige vergoeding ambtshalve toe te kennen, in de gelegenheid is gesteld om te kennen te geven niet in aanmerking te willen komen voor de eenmalige vergoeding.
2.

De minister kent het recht op de eenmalige vergoeding niet ambtshalve toe ten aanzien van de persoon die te kennen heeft gegeven niet in aanmerking te willen komen voor de eenmalige vergoeding.

Artikel 6. Uitbetaling van de vergoeding

De minister betaalt de eenmalige vergoeding binnen zes weken na de toekenning daarvan uit.

Hoofdstuk 4. Herziening, intrekking en terugvordering

Artikel 7. Herziening en intrekking

De minister herziet beschikkingen op grond van deze regeling of trekt dergelijke beschikkingen in, als:

  • a. de eenmalige vergoeding ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend;
  • b. na de toekenning van de eenmalige vergoeding een herziening van de hoogte van de WIA-uitkering heeft plaatsgevonden vanwege een onjuiste berekening van de hoogte van de WIA-uitkering als bedoeld in artikel 2.

Artikel 8. Terugvordering

1.

De eenmalige vergoeding die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 7 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de minister teruggevorderd.

2.

In afwijking van het eerste lid ziet de minister af van terugvordering voor zover de onverschuldigde betaling het gevolg is van een handelen of nalaten van de minister, tenzij het aan de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan vergoeding werd betaald.

Artikel 9. Hardheidsclausule

De minister kan afzien van een herziening, intrekking of terugvordering als de nadelige gevolgen voor een belanghebbende onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Hoofdstuk 5. Uitvoering en financiering

Artikel 10. Mandaat, volmacht en machtiging

1.

De minister verleent de voorzitter van de Raad van Bestuur van het UWV mandaat, volmacht en machtiging om, in het kader van de uitvoering van deze regeling:

  • a. besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten en handelingen te verrichten die een privaatrechtelijke rechtshandeling noch een besluit zijn;
  • b. te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat de persoon die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg; en
  • c. in rechte op te treden en tegen rechterlijke uitspraken hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep of cassatie.
2.

De Raad van Bestuur van het UWV is in het kader van de uitvoering van deze regeling bevoegd tot het verlenen van ondermandaat als bedoeld in artikel 10:9 van de Algemene wet bestuursrecht of het doorverlenen van zijn andere vertegenwoordigingsbevoegdheden aan bij het UWV werkzame functionarissen.

3.

Hoofdstuk 4 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009 is van toepassing op de uitoefening van bevoegdheden op grond van deze regeling en tevens op de uitoefening van bevoegdheden die krachtens ondermandaat respectievelijk doorverlening van volmacht en machtiging worden uitgeoefend.

Artikel 11. Gegevensverwerking

1.

De minister is de verwerkingsverantwoordelijke als bedoeld in artikel 4 van de Algemene verordening gegevensbescherming, voor de verwerking van persoonsgegevens op basis van deze regeling.

2.

De voorzitter van de Raad van Bestuur van het UWV is verwerker als bedoeld in artikel 28 van de Algemene verordening gegevensbescherming voor de verwerking van persoonsgegevens ter uitvoering van de aan hem gemandateerde taken.

3.

De persoonsgegevens die worden verwerkt ter uitvoering van deze regeling worden niet verder verwerkt voor andere doeleinden.

Artikel 12. Financiering

1.

Het Rijk voorziet in de middelen tot dekking van de uitgaven verbonden aan deze regeling.

2.

Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de middelen, bedoeld in het eerste lid.

3.

In verband met het middelenbeheer wordt de rijksbijdrage, bedoeld in het eerste lid, beschouwd als middelen die deel uitmaken van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.

Artikel 13. Bevoorschotting rijksbijdrage

De minister stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel b, van de Regeling Wfsv, na overleg met het UWV, maandelijks een periodiek voorschot op de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 12, derde lid, van:

  • a. de geraamde vergoedingen met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand; en
  • b. de geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand.

Artikel 14. Verantwoording en afrekening

1.

Het UWV brengt aan de minister inhoudelijk en financieel verslag uit over de uitvoering van deze regeling overeenkomstig artikel 49 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

2.

In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, worden de baten en lasten alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 13, uitgesplitst naar de eenmalige vergoedingen en de uitvoeringkosten, met betrekking tot deze regeling opgenomen.

3.

Op de in het tweede lid bedoelde eenmalige vergoedingen komen in mindering de eenmalige vergoedingen die zijn teruggevorderd en de bedragen die anderszins zijn terugbetaald.

4.

Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de minister de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten op grond van artikel 13, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.

Hoofdstuk 6. Wijziging van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ

Artikel 15. Wijziging van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ

Wijzigt de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ.

Artikel 16. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling eenmalige vergoeding correctie dagloon WIA.

Artikel 17. Inwerkingtreding en vervaldatum

1.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2026.

2.

Deze regeling vervalt met ingang van 1 september 2031, met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft op beschikkingen die verstrekt zijn op grond van deze regeling.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)