Wet van 18 juni 2026 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Bankwet 1998 en de Wet op de economische delicten ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1619 met betrekking tot kapitaalvereisten voor banken en Richtlijn (EU) 2024/2994 met betrekking tot blootstellingen op centrale tegenpartijen (Implementatiewet kapitaalvereisten 2026)

Type Wet
Publication 2026-09-22
Laatst bijgewerkt 2026-09-29
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om regels te stellen ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1619 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU wat betreft toezichtsbevoegdheden, sancties, bijkantoren uit derde landen en ecologische, sociale en governancerisico’s en Richtlijn (EU) 2024/2994 van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2024 tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2013/36/EU en (EU) 2019/2034 wat betreft de behandeling van het concentratierisico dat voortvloeit uit blootstellingen aan centrale tegenpartijen en het risico van tegenpartijen bij centraal geclearde derivatentransacties;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel I

Wijzigt de Wet op het financieel toezicht.

Artikel II

Wijzigt de Bankwet 1998.

Artikel III

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Artikel IV

1.

De Nederlandsche Bank beoordeelt uiterlijk op 10 januari 2027 of een bijkantoor met een vergunning als bedoeld in artikel 2:20 van de Wet op het financieel toezicht, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel S van deze wet, voldoet aan de vereisten van artikel 2:21 van de Wet op het financieel toezicht. Indien het bijkantoor voldoet aan de vereisten, verleent De Nederlandsche Bank een vergunning als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht overeenkomstig artikel 2:21 van die wet onder gelijktijdige intrekking van de vergunning als bedoeld in artikel 2:20 van de Wet op het financieel toezicht, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel S van deze wet. Indien het bijkantoor niet voldoet aan de vereisten, trekt De Nederlandsche Bank de vergunning als bedoeld in artikel 2:20 van de Wet op het financieel toezicht, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel S, van deze wet, in. Artikel 1:104, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht is van overeenkomstige toepassing.

2.

De artikelen 2:20, eerste lid, en artikel 3:5, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht zijn niet van toepassing op een in een staat die geen lidstaat is gevestigde onderneming die een overeenkomst heeft gesloten voor 11 juli 2026 met een persoon als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht in Nederland voor de verlening van de in artikel 2:20, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht genoemde activiteiten, met dien verstande dat de artikelen 2:20, eerste lid, en artikel 3:5, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht wel van toepassing worden op het moment dat die overeenkomsten onderhevig zijn aan looptijdverandering of novatie.

3.

Verklaringen van geen bezwaar, verkregen op grond van artikel 3:96, eerste lid, onderdelen a, b, of d, van de Wet op het financieel toezicht zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CCC, van deze wet, worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gelijkgesteld met een op grond van artikel 3:96a van de Wet op het financieel toezicht verkregen verklaring van geen bezwaar.

4.

Artikel 3:96b, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het financieel toezicht is niet van toepassing indien een aanvraag voor een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:96, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op het toezicht zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CCC, van deze wet is ingediend of verleend voorafgaand aan deze inwerkingtreding.

5.

Een aanvraag van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:96 van de Wet op het financieel toezicht ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel CCC, van deze wet wordt, indien op dat tijdstip nog niet onherroepelijk is beslist, gelijkgesteld met een aanvraag als bedoeld in artikel 3:96a van de Wet op het financieel toezicht.

Artikel IVa

De Implementatiewet richtlijn en verordening kapitaalvereisten wordt ingetrokken.

Artikel V

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel VI

Deze wet wordt aangehaald als: Implementatiewet kapitaalvereisten 2026

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)