Beleidsbesluit van de Staatssecretaris van Financiën van 6 augustus 2026, nr. 2026-15551 over de toepassing van bepalingen uit belastingverdragen, het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 en de Nederlandse heffingswetten bij de belastingheffing in de winstsfeer (Beleidsbesluit toepassing internationaal belastingrecht in de winstsfeer 2026)
Met ingang van 1 januari 2025 is de open commanditaire vennootschap, en de zelfstandige vennootschapsbelastingplicht van de open cv, komen te vervallen door de inwerkingtreding van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen (Stb. 2023, 508). Als een gevolg daarvan wordt de cv in beginsel als fiscaal transparant aangemerkt. Omdat niet langer sprake is van een lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wet Vpb 1969, is de vestigingsplaatsfictie van art. 2, vijfde lid, Wet Vpb 1969 niet langer van toepassing in de onderhavige situatie sinds 1 januari 2025.
4.2. Aftrekbare kosten
4.2.1. Aftrek Zwitserse bronbelasting op deelnemingsdividend
Een in Nederland gevestigde vennootschap ontvangt dividend van haar Zwitserse deelneming, waarbij Zwitserse dividendbelasting wordt ingehouden. Op grond van de bepalingen uit het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland uit 2010 (Trb. 2010, 98) heeft de Nederlandse vennootschap recht op terugbetaling van de in Zwitserland ingehouden dividendbelasting. Met deze teruggaafprocedure is echter enige tijd gemoeid. De Nederlandse vennootschap spreekt daarom met de Zwitserse fiscus af dat Zwitserland de teruggaafprocedure zal versnellen, waarbij de Nederlandse vennootschap niet het volledige bedrag van de ingehouden dividendbelasting in Zwitserland zal terugvragen maar ongeveer 2%-punten minder. Omdat het uitgekeerde dividend in Nederland onder de deelnemingsvrijstelling valt, is hierover geen vennootschapsbelasting verschuldigd. De Nederlandse vennootschap brengt de Zwitserse dividendbelasting die niet is teruggevraagd als kosten ten laste van haar winst. De Nederlandse vennootschap stelt dat deze kosten zijn gemaakt om de vordering die zij op de Zwitserse fiscus had (versneld) te incasseren en de vordering zich niet van een willekeurige vordering op een andere debiteur onderscheidt. Volgens de Nederlandse vennootschap zijn de kosten gemaakt in verband met de incasso en derhalve aftrekbaar voor de vennootschapsbelasting.
In deze benadering kan ik mij niet vinden. De 2% Zwitserse dividendbelasting die de vennootschap niet terugontvangt blijft het karakter van bronbelasting behouden, met de heffing waarvan de Nederlandse vennootschap instemt, en kan niet worden aangemerkt als incassokosten. Ervan uitgaande dat de dividenden die de Nederlandse vennootschap van haar Zwitserse deelneming ontvangt ingevolge artikel 10 van het verdrag volledig zijn vrijgesteld van Zwitserse belastingheffing, kan de ingehouden Zwitserse dividendbelasting volledig worden teruggevraagd. Aldus wordt dubbele belasting voorkomen. Op het gehele dividendbedrag is een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing. Daarom kan de niet terug ontvangen Zwitserse dividendbelasting vanwege artikel 10, eerste lid, onderdeel e, Wet Vpb 1969 niet in aftrek worden gebracht.
4.3. Eindafrekening
4.3.1. Vrijval opwaarderingsreserve bij zetelverplaatsing
Wanneer sprake is van een zetelverplaatsing van een belastingplichtige met een opwaarderingsreserve als bedoeld in artikel 13ba Wet Vpb 1969, en geen vaste inrichting in Nederland aanwezig is waaraan deze reserve kan worden toegerekend, brengt artikel 15d Wet Vpb 1969 mee dat deze reserve op dat moment moet vrijvallen in de Nederlandse winst. In deze situatie is de belastingplichtige opgehouden in Nederland belastbare winst te genieten. Doordat in de toekomst de mogelijkheid van in Nederland belastbare winst ontbreekt, kan de opwaarderingsreserve niet langer ten gunste van de Nederlandse winst vrijvallen. Om de bestaande 13ba-claim te effectueren, dient daarom belasting te worden geheven op de voet van artikel 15d Wet Vpb 1969, al dan niet in samenhang met artikel 15c Wet Vpb 1969.
Als de belastingplichtige haar zetel verplaatst naar een lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan kan zij op grond van artikel 25b Invorderingswet 1990 verzoeken om de verschuldigde belasting ter zake van de bedoelde vrijval in vijf gelijke jaarlijkse termijnen te voldoen.
4.4. Objectvrijstelling
4.4.1. Kwalificatie Britse overzeese gebieden als staat in de zin van artikel 15e Wet Vpb 1969
Op grond van artikel 15e, eerste lid, Wet Vpb 1969 wordt bij een belastingplichtige met winst uit een andere staat de winst verminderd met de positieve en de negatieve bedragen van de winst uit die staat.
Aangezien de Britse overzeese gebieden niet vallen onder de werking van het met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland gesloten belastingverdrag uit 2008 (Trb. 2008, 201), moet voor winsten uit de Britse overzeese gebieden voor de toepassing van de objectvrijstelling worden gekeken naar artikel 15e, tweede lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969. Ook in die situatie, waarin er geen belastingverdrag van toepassing is, is van belang of sprake is van winst die afkomstig is uit een andere staat.
In dit kader is de vraag opgekomen of het Brits Antarctisch Territorium, Zuid-Georgia en de Falklandeilanden elk kunnen worden gezien als staat. Dat is het geval. Artikel 2, tweede lid, letter d, AWR, verstaat onder een ‘staat’ mede een ‘mogendheid’. Op grond van artikel 2, tweede lid, letter c, AWR, wordt onder een mogendheid mede begrepen een daarmee gelijk te stellen bestuurlijke eenheid. Het Brits Antarctisch Territorium, Zuid-Georgia en de Falklandeilanden kwalificeren elk als bestuurlijke eenheid en daarmee als ‘staat’ in de zin van artikel 15e Wet Vpb 1969.
4.4.2. Objectvrijstelling bij onopgeloste MAP-tiebreaker
In verschillende door Nederland gesloten belastingverdragen is geregeld dat als een belastingplichtige, niet zijnde een natuurlijke persoon, inwoner is van beide verdragsluitende staten, de vestigingsplaats voor de toepassing van het betreffende verdrag in onderling overleg tussen de bevoegde autoriteiten van beide staten wordt vastgesteld (de zogenoemde MAP-tiebreaker). Gebeurt dit niet, dan kan, afhankelijk van wat hierover in het betreffende belastingverdrag is overeengekomen, het gevolg daarvan zijn dat de belastingplichtige geen aanspraak kan maken op een in het belastingverdrag voorziene vermindering of vrijstelling van belasting.
Wanneer de MAP-tiebreaker (nog) niet is opgelost en de belastingplichtige daardoor geen recht heeft op een vermindering of vrijstelling van belasting, komt de vraag op of voor de toepassing van de objectvrijstelling moet worden aangesloten bij artikel 15e, tweede lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969 of bij artikel 15e, tweede lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969.
Artikel 15e, tweede lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969 is van toepassing voor zover in de relatie tot een andere staat een belastingverdrag van toepassing is dat voorziet in een regeling voor de heffing over de bestanddelen van de winst van de belastingplichtige. In de situatie van een niet opgeloste MAP-tiebreaker is dat het geval. In de eerste plaats zou, als er geen verdrag van toepassing zou zijn53Zie in dit verband ook artikel 1 van OMV-gemodelleerde belastingverdragen, waarin wordt bepaald dat het verdrag van toepassing is op personen die inwoner zijn van een of van beide verdragsluitende staten., niet tot toepassing van de MAP-tiebreakerbepaling worden toegekomen. In de tweede plaats zien de door Nederland gesloten belastingverdragen met betrekking tot het inkomen (en vermogen) op de verdeling van heffingsrechten. Desalniettemin kan in het onderhavige geval geen beroep worden gedaan op toepassing van de objectvrijstelling op grond artikel 15e, tweede lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969 omdat uit de (slotzin van de) wettekst volgt dat deze bepaling slechts van toepassing is voor zover Nederland op grond van het aan de orde zijnde verdrag een vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting dient te verlenen. Ingeval van een (nog) niet opgeloste MAP-tiebreaker ontbreekt deze verplichting.
Evenmin kan een beroep worden gedaan op de in artikel 15e, tweede lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969 opgenomen objectvrijstelling. De bepaling in onderdeel b is van toepassing als er geen verdrag (of regeling) van toepassing is als bedoeld in artikel 15e, tweede lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969. Daarmee wordt gedoeld op een belastingverdrag dat (of regeling die) voorziet in de verdeling van heffingsrechten. Hiervan is, zoals hiervoor opgemerkt, sprake ingeval van een niet opgeloste MAP-tiebreaker. Aan de voorwaarde voor toepassing van artikel 15e, tweede lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969 wordt derhalve niet voldaan.
Zolang geen overeenstemming is bereikt door de bevoegde autoriteiten van Nederland en het betrokken andere verdragsland, kan in beginsel dus geen aanspraak worden gemaakt op een (vermindering of) vrijstelling van belasting, waaronder ook de toepassing van de objectvrijstelling. Wel kan de MAP-tiebreakerbepaling, afhankelijk van het specifieke belastingverdrag, de ruimte bieden aan de bevoegde autoriteiten om, ondanks het ontbreken van overeenstemming over de uitsluitende verdragswoonplaats, in een concrete situatie bepaalde verminderingen of vrijstellingen wel toe te kennen.
Bij het bereiken van een overeenstemming door de bevoegde autoriteiten over de oplossing van de MAP-tiebreaker, en dus de verdragswoonplaats, zullen de verdragsbepalingen in volle omvang van toepassing worden. Dat wil zeggen dat vervolgens van geval tot geval, zoals gebruikelijk, moet worden bezien of daadwerkelijk aanspraak kan worden gemaakt op de in een verdrag voorziene verminderingen of vrijstellingen.
De verdragsbepalingen over de MAP-tiebreaker bevatten geen regeling over de periode die wordt bestreken door een beslissing door de bevoegde autoriteiten over de MAP-tiebreaker. In dit verband kan gewezen worden op paragraaf 24.3 van het Commentaar bij artikel 4, derde lid, van het OMV. Daarin is aangegeven dat de bevoegde autoriteiten bij hun beslissing over de MAP-tiebreakerbepaling moeten aangeven welke periode door de beslissing wordt bestreken. In het eerder aangehaalde Besluit MAP-tiebreaker (zie onderdeel 2.4.1. van dit besluit) wordt dit voor Nederland ook bevestigd: het vaststellen van het moment vanaf wanneer aanspraak kan worden gemaakt op de verdragsvoordelen vormt een onderdeel van het onderlinge overleg onder de MAP-tiebreaker procedure. De Nederlandse bevoegde autoriteit zal daarbij in de regel uitgaan van het moment waarop het dubbele inwonerschap is ontstaan.
Veelal zal de belastingplichtige de procedure voor een onderling overleg (MAP) voor het oplossen van een MAP-tiebreaker opstarten, maar in voorkomende gevallen kunnen ook de bevoegde autoriteiten uit eigen beweging zo’n procedure starten.
4.4.3. Toerekening rente op vreemd vermogen aan vaste inrichting bij fiscale eenheid
Op grond van artikel 15e, eerste lid, Wet Vpb 1969 wordt bij een belastingplichtige met winst uit een andere staat, de winst verminderd met de positieve en de negatieve bedragen van de winst uit die staat. Een van de aspecten van het berekenen van de winst uit een andere staat is het bepalen van de rentelast ter zake van het aan een vaste inrichting gealloceerd vreemd vermogen. Daarbij zijn er verschillende methodes toepasbaar. Mijn voorkeur gaat uit naar de zogenoemde ‘fungibility approach’, waarbij na de allocatie van het vermogen de rentelast van het lichaam naar rato van het toegerekend vreemd vermogen wordt gealloceerd aan de vaste inrichting.54Zie in dit verband ook het Besluit winstallocatie vaste inrichtingen 2022.
Een bijzondere situatie in dit kader is die waarin sprake is van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. In zijn algemeenheid geldt de regel van artikel 15ac, vierde lid, Wet Vpb 1969, namelijk dat de vermindering van belasting ingevolge voorschriften ter voorkoming van dubbele belasting wordt berekend alsof de maatschappijen van de fiscale eenheid één belastingplichtige zijn. Op deze hoofdregel wordt in artikel 15ac, vijfde lid, Wet Vpb 1969 echter een uitzondering gemaakt. Op basis van deze bepaling wordt, kort gezegd, de bij de berekening van een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting in aanmerking te nemen buitenlandse winst van de fiscale eenheid in bepaalde gevallen gecorrigeerd.
De vraag is gesteld wat artikel 15ac, vijfde lid, Wet Vpb 1969 betekent voor de in dit kader toe te rekenen rentelasten aan een in het buitenland gelegen vaste inrichting, met name of daarbij moet worden uitgegaan van de rentevoet van de gehele fiscale eenheid of van die van de maatschappij die over de vaste inrichting beschikt.
Artikel 15ac, vijfde lid, Wet Vpb 1969 is vanaf 1 januari 2018 aangepast.55Overige fiscale maatregelen 2018 (Stb. 2017, 518). Vóór deze wetswijziging zag deze bepaling uitsluitend op interne financieringskosten die toerekenbaar zijn aan een vaste inrichting (of aan vastgoed), maar als gevolg van de fiscale eenheid niet in de winst van de fiscale eenheid tot uitdrukking komen. Deze bepaling zag dus niet op het, zoals in de gestelde vraag, bepalen van de te hanteren rentevoet. Daarom kon toen, gelet op de hoofdregel van artikel 15ac, vierde lid, Wet Vpb 1969, bij de toerekening van de financieringskosten aan de vaste inrichting worden uitgegaan van de gemiddelde rente over het vreemd vermogen van de gehele fiscale eenheid.
Vanaf 1 januari 2018 volgt uit artikel 15ac, vijfde lid, Wet Vpb 1969 dat bij toepassing van de objectvrijstelling door een fiscale eenheid in feite een vergelijking moet worden gemaakt tussen:
Als vanwege de fiscale eenheid bij de toepassing van de objectvrijstelling een ander bedrag aan buitenlandse winst in aanmerking zou worden genomen dan zonder de fiscale eenheid het geval zou zijn, dan wordt de winst uit een andere staat tot het bedrag in aanmerking genomen dat die winst zou hebben belopen bij afwezigheid van de fiscale eenheid. Dit betekent in wezen dat voor de berekening van de onder de objectvrijstelling vrij te stellen winst de fiscale eenheid wordt weggedacht en dat het vennootschapsniveau – dat wil zeggen de winst van de vennootschap die over de desbetreffende vaste inrichting beschikt – bepalend is.
Het voorgaande betekent dat vanaf 1 januari 2018 bij de toepassing van de objectvrijstelling rentelasten aan een vaste inrichting worden toegerekend op basis van de gemiddelde rente over het vreemd vermogen van de gevoegde vennootschap met de vaste inrichting in plaats van (zoals vóór 1 januari 2018) de gemiddelde rente over het vreemd vermogen van de gehele fiscale eenheid.
4.4.4. Jaar waarin stakingsverlies in aanmerking wordt genomen bij toepassing artikel 15j, tweede lid, Wet Vpb 1969
Door toepassing van de objectvrijstelling worden verliezen van een vaste inrichting in beginsel niet in aanmerking genomen. Wordt een vaste inrichting gestaakt, dan kan op dat moment onder voorwaarden een stakingsverlies worden genomen op de voet van artikel 15i Wet Vpb 1969. Dit geldt volgens artikel 15i, vijfde lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969 echter niet als de vaste inrichting wordt voortgezet door een verbonden lichaam. Het potentiële stakingsverlies wordt dan op grond van artikel 15j, eerste lid, Wet Vpb 1969 doorgeschoven naar het betreffende verbonden lichaam. Artikel 15j, tweede lid, Wet Vpb 1969 bepaalt vervolgens dat een voortzetting in principe niet aanwezig wordt geacht ingeval van voortzetting in het zicht van staking, waarvan sprake is als er binnen drie jaar na de voortzetting wordt gestaakt.
Bij voortzetting in het zicht van staking blijft het stakingsverlies op grond van artikel 15j, tweede lid, Wet Vpb 1969 achter bij de vennootschap die de vaste inrichting heeft overgedragen. In een dergelijk geval wordt het stakingsverlies pas in aanmerking genomen in het jaar van daadwerkelijke staking en niet in het jaar van overdracht van de vaste inrichting. Immers, pas op dat moment is duidelijk of artikel 15j, tweede lid, Wet Vpb 1969 van toepassing is, terwijl de aanslag over het jaar van overdracht van de vaste inrichting op dat moment mogelijk al onherroepelijk vaststaat. Daarnaast brengen doel en strekking van artikel 15i, vijfde lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969 in samenhang artikel 15j, eerste lid, Wet Vpb 1969 mee dat een stakingsverlies pas in aanmerking kan worden genomen nadat de activiteiten op het niveau van het concern daadwerkelijk zijn gestaakt. Het past daarin niet om bij toepassing van artikel 15j, tweede lid, Wet Vpb 1969 het stakingsverlies in aanmerking te nemen in een jaar voordat de activiteiten daadwerkelijk zijn gestaakt. Het doel van artikel 15j, tweede lid, Wet Vpb 1969 doet daaraan niet af. Deze bepaling heeft namelijk een andere achtergrond, zijnde het voorkomen van onwenselijk gebruik door het naar willekeur verschuiven van een toekomstig stakingsverlies naar een andere belastingplichtige.
4.4.5. Overgangsregeling oude inhaalverliezen, reikwijdte artikel 33b, derde lid, Wet Vpb 1969
Bij invoering van de objectvrijstelling in artikel 15e Wet Vpb 1969 is voorzien in overgangsrecht, onder meer in verband met op 1 januari 2012 openstaande, nog in te halen verliezen.56Zie voor deze oude ‘inhaalregeling’ artikel 35 Bvdb 2001 (tekst tot 1 januari 2012). Het in artikel 33b, eerste lid, Wet Vpb 1969 neergelegde overgangsrecht bepaalt dat de objectvrijstelling geen toepassing vindt voor het totale bedrag van de op 1 januari 2012 nog in te halen buitenlandse verliezen.
Artikel 33b, derde lid, Wet Vpb 1969 behelst een uitzondering op deze regel. Deze bepaling schrijft voor dat artikel 33b, eerste lid, Wet Vpb geen toepassing vindt indien de belastingplichtige is opgehouden winst uit de in dat lid bedoelde andere staat te genieten, de belastingplichtige niet binnen drie jaren na het tijdstip waarop hij is opgehouden winst uit die andere staat te genieten weer winst uit die andere staat is gaan genieten en voldaan is aan de voorwaarden van artikel 15i, tweede, derde en vijfde lid, Wet Vpb 1969 voor het in aftrek kunnen brengen van een stakingsverlies.
De uitzondering van artikel 33b, derde lid, Wet Vpb 1969 is uitsluitend van toepassing op verliezen van een op of na 1 januari 2012 gestaakte vaste inrichting, mits ter zake van die staking een stakingsverlies in aanmerking kan worden genomen.
De uitzondering van artikel 33b, derde lid, Wet Vpb 1969 is daarentegen niet van toepassing als de op 1 januari 2012 nog in te halen verliezen zijn geleden door een vaste inrichting waarvan de activiteiten vóór 1 januari 2012 zijn gestaakt.57Zie het kennisgroepstandpunt KG:040:2024:9, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.Artikel 33b, derde lid, Wet Vpb 1969 vereist namelijk dat wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 15i, tweede, derde en vijfde lid, Wet Vpb 1969 voor het in aftrek kunnen brengen van een stakingsverlies. Deze zinsnede is beperkt tot vaste inrichtingen waarvan de activiteiten na 2011 zijn gestaakt, aangezien artikel 15i Wet Vpb 1969 pas in 2012 ingevoerd is. Artikel 33b, derde lid, Wet Vpb 1969 ziet op gevallen waarin sprake is van een samenloop van het oude regime (er is op 1 januari 2012 sprake van nog in te halen verliezen) en het huidige regime (bij staking van de activiteiten is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de stakingsverliesregeling). Voor die situatie is geregeld dat niet alleen het stakingsverlies, maar ook een resterend bedrag aan nog in te halen verliezen van vóór de invoering van de objectvrijstelling definitief aftrekbaar is.58Dit kan ook uit de wetsgeschiedenis worden opgemaakt, zie Kamerstukken II, 2011/12, nr. 33 003, nr. 3, p. 108–109.
4.5. Buitenlandse belastingplicht
4.5.1. Vorming HIR bij einde buitenlandse belastingplicht
Een niet in Nederland gevestigde en naar Nederlands recht opgerichte vennootschap kan voor de boekwinst behaald met de verkoop van haar in Nederland gelegen onroerende zaken een of meer herinvesteringsreserves (hierna: HIR) vormen, mits deze vennootschap over een kwalificerend herinvesteringsvoornemen beschikt.59Zie Hoge Raad 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6710 en Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:513. Van een kwalificerend herinvesteringsvoornemen is sprake als dit voornemen ziet op binnenlandse onroerende zaken.
Onduidelijk is of het voorgaande eveneens geldt voor een naar buitenlands recht opgerichte, buitenlands belastingplichtige vennootschap in overigens gelijke omstandigheden. Daarvoor is vereist dat het hebben van een kwalificerend herinvesteringsvoornemen binnen de reikwijdte van artikel 17a, onderdeel a, Wet Vpb 1969 valt.
Ik kan er mee instemmen dat ook in deze situatie een HIR wordt gevormd, mits het Nederlandse heffingsrecht over een eventuele vrijval van deze HIR in de praktijk gewaarborgd wordt, bijvoorbeeld door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst.
4.5.2. Kwalificatie locatie voor verhuur vervoermiddelen als vaste inrichting onder een belastingverdrag
Wanneer een buitenlandse onderneming in Nederland locaties aangewezen heeft gekregen waar zij vervoermiddelen mag stallen die door gebruikers, tegen vergoeding, daar meegenomen kunnen worden en na gebruik weer op een locatie ingeleverd kunnen worden, kan sprake zijn van een in Nederland gelegen vaste inrichting die tot buitenlandse belastingplicht leidt (artikel 17, derde lid, Wet Vpb 1969).60Zie het kennisgroepstandpunt KG:040:2022:9, dat eerder is gepubliceerd op de website kennisgroepen.belastingdienst.nl.
Voor zover een belastingverdrag (of een vergelijkbare regeling) van toepassing is, wordt voor de buitenlandse belastingplicht in Nederland aangesloten bij het begrip vaste inrichting dat geldt voor de toepassing van het desbetreffende verdrag (artikel 3, vierde lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969 in samenhang met artikel 17, derde lid, Wet Vpb 1969).
Op grond van artikel 5 van het OMV, of daarmee vergelijkbare bepaling in een belastingverdrag, is van een vaste inrichting sprake indien de buitenlandse onderneming in Nederland haar ondernemingsactiviteit uitoefent, met behulp van een bedrijfsinrichting, op een vaste plaats en gedurende een voldoende lange periode. Door vervoermiddelen op verschillende in Nederland gelegen stallingslocaties tegen een vergoeding ter beschikking te stellen gedurende een voldoende lange periode wordt aan deze voorwaarden voldaan. De bedrijfsinrichting hoeft niet voor de onderneming ingericht te zijn (zie paragraaf 10 van het Commentaar bij artikel 5 OMV). De verschillende locaties kunnen in dit geval even zovele vaste inrichtingen vormen. De resultaten van alle vaste inrichtingen worden samengevoegd in de jaarlijkse aangifte van de buitenlandse belastingplichtige.
4.6. Verliesverrekening
4.6.1. Opvolgende vaste inrichtingen: verliesverrekening mogelijk?
Een buitenlandse belastingplichtige met een vaste inrichting in Nederland mag verliezen uit die vaste inrichting verrekenen met de positieve resultaten in latere jaren (artikel 17, eerste en tweede lid, Wet Vpb 1969). Dit geldt ook wanneer een buitenlandse belastingplichtige gedurende een of meer tussenliggende jaren geen vaste inrichting in Nederland meer heeft, maar later wel weer over een vaste inrichting in Nederland beschikt. Verrekening van verliezen van een voorheen in Nederland gedreven vaste inrichting met de positieve resultaten in latere jaren uit een andere door dezelfde buitenlandse belastingplichtige in Nederland gedreven vaste inrichting vloeit voort uit het stelsel van de wet. Hieraan doet niet af dat de buitenlands belastingplichtige gedurende enige tijd geen Nederlands inkomen heeft genoten. Vanzelfsprekend moeten in dit kader de regels in de Wet Vpb 1969 inzake verliesverrekening, waaronder de verliesverrekeningstermijn, in acht worden genomen.
5. Dividendbelasting
5.1. Dividendvergunning onder belastingverdrag met principal purpose test
Een inhoudingsplichtige kan om een beschikking verzoeken waarmee zij wordt ontslagen van de verplichting om de dividendbelasting in te houden als die op grond van een belastingverdrag niet verschuldigd is (hierna: de vergunning). Een vergunning wordt in principe alleen verleend als een inhoudingsplichtige geen beroep kan doen op de nationale inhoudingsvrijstelling uit de Wet DB 1965.
De inhoudingsvrijstelling vindt onder meer geen toepassing als sprake is van misbruik in de zin van de Wet DB 1965 (artikel 4, derde lid, onderdeel c, Wet DB 1965). Dit betekent dat een vergunning kan worden afgegeven in de situatie waarin wel sprake is van misbruik in de zin van de Wet DB 1965, maar geen sprake is van misbruik als bedoeld in het betreffende belastingverdrag op grond waarvan verdragsvoordelen zouden kunnen worden geweigerd.
In dit kader is de vraag opgekomen hoe de antimisbruikbepaling van artikel 4, derde lid, onderdeel c Wet DB 1965 zich verhoudt tot de principal purpose test (hierna: PPT) uit het MLI en vergelijkbare in belastingverdragen opgenomen PPT’s.
Over de verhouding tussen de Nederlandse invulling van de PPT en nationale antimisbruikbepalingen heeft de wetgever het volgende opgemerkt:
6. Ingetrokken regeling
Het besluit van 16 juni 2023, nr. 2023-11648 (Stcrt. 2023, 17534) is ingetrokken op de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
7. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
8. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsbesluit toepassing internationaal belastingrecht in de winstsfeer 2026.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)