Verdrag betreffende de status van vluchtelingen
Preambule
De HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN,
OVERWEGENDE, dat het Handvest van de Verenigde Naties en de op 10 December 1948 door de Algemene Vergadering goedgekeurde Universele Verklaring van de Rechten van de Mens het beginsel hebben bevestigd, dat de menselijke wezens, zonder onderscheid, de fundamentele rechten van de mens en vrijheden dienen te genieten,
OVERWEGENDE, dat de Verenigde Naties bij verschillende gelegenheden blijk hebben gegeven van haar grote bezorgdheid voor de vluchtelingen en er naar gestreefd hebben de uitoefening van deze fundamentele rechten en vrijheden door de vluchtelingen in de grootst mogelijke mate te verzekeren,
OVERWEGENDE, dat het gewenst is de vroegere internationale overeenkomsten betreffende de status van vluchtelingen te herzien en te bevestigen en aan de toepassing van die overeenkomsten en aan de daarbij verleende bescherming uitbreiding te geven door middel van een nieuwe overeenkomst,
OVERWEGENDE, dat het verlenen van asyl voor bepaalde landen onevenredig grote lasten kan medebrengen en dat derhalve een bevredigende oplossing van een vraagstuk waarvan de Verenigde Naties de internationale omvang en het internationale karakter hebben erkend, niet zonder internationale solidariteit kan worden bereikt,
DE WENS TOT UITDRUKKING BRENGENDE, dat alle Staten, het sociale en humanitaire karakter van het vluchtelingenvraagstuk erkennende, al het mogelijke zullen doen om te voorkomen, dat dit vraagstuk een oorzaak van spanningen tussen Staten wordt,
ER VAN KENNIS NEMENDE, dat de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen belast is met het toezicht op de toepassing van internationale verdragen welke voorzien in de bescherming van vluchtelingen, en erkennende, dat de doeltreffende coördinatie van de maatregelen welke worden genomen om dit vraagstuk op te lossen, zal afhangen van de samenwerking van de Staten met de Hoge Commissaris,
ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:
HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen
Artikel 1. Definitie van de term „vluchteling"
A. Voor de toepassing van dit Verdrag geldt als „vluchteling" elke persoon:
- (1). Die krachtens de Regelingen van 12 Mei 1926 en 30 Juni 1928 of krachtens de Overeenkomsten van 28 October 1933 en 10 Februari 1938, het Protocol van 14 September 1939 of het Statuut van de Internationale Vluchtelingenorganisatie als vluchteling werd beschouwd. De door de Internationale Vluchtelingenorganisatie gedurende haar mandaat genomen beslissingen waarbij personen niet in aanmerking werden gebracht voor de bescherming en de hulp van die organisatie, vormen geen belemmering voor het verlenen van de status van vluchteling aan personen die aan de voorwaarden van lid 2 van deze afdeling voldoen;
- (2). Die, ten gevolge van gebeurtenissen welke vóór 1 Januari 1951 hebben plaats gevonden, en uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit en ten gevolge van bovenbedoelde gebeurtenissen verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren.
Indien een persoon meer dan één nationaliteit bezit, betekent de term „het land waarvan hij de nationaliteit bezit" elk van de landen waarvan hij de nationaliteit bezit. Een persoon wordt niet geacht van de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, verstoken te zijn, indien hij, zonder geldige redenen ingegeven door gegronde vrees, de bescherming van één van de landen waarvan hij de nationaliteit bezit, niet inroept.
- (1). Voor de toepassing van dit Verdrag betekenen in artikel 1, afdeling A, de woorden „gebeurtenissen welke vóór 1 Januari 1951 hebben plaats gevonden" hetzij elke Verdragsluitende Staat zal bij de ondertekening, bekrachtiging of toetreding een verklaring afleggen, waarin wordt te kennen gegeven, welke van deze omschrijvingen hij voornemens is toe te passen met betrekking tot zijn verplichtingen krachtens dit Verdrag.
- (a). „gebeurtenissen welke vóór 1 Januari 1951 in Europa hebben plaats gevonden"; hetzij
- (b). „gebeurtenissen welke vóór 1 Januari 1951 in Europa of elders hebben plaats gevonden";
- (2). Elke Verdragsluitende Staat die de omschrijving (a) heeft aanvaard, kan te allen tijde door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zijn verplichtingen uitbreiden door omschrijving (b) te aanvaarden.
C. Dit Verdrag houdt op van toepassing te zijn op elke persoon die valt onder de bepalingen van afdeling A, indien:
- (1). Hij vrijwillig wederom de bescherming inroept van het land waarvan hij de nationaliteit bezit;
- (2). Hij, indien hij zijn nationaliteit had verloren, deze vrijwillig heeft herkregen;
- (3). Hij een nieuwe nationaliteit heeft verkregen en de bescherming geniet van het land waarvan hij de nieuwe nationaliteit bezit;
- (4). Hij zich vrijwillig opnieuw heeft gevestigd in het land dat hij had verlaten of waarbuiten hij uit vrees voor vervolging verblijf hield;
- (5). Hij niet langer kan blijven weigeren de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, in te roepen, omdat de omstandigheden in verband waarmede hij was erkend als vluchteling, hebben opgehouden te bestaan; Met dien verstande echter, dat dit lid niet van toepassing is op een vluchteling die onder lid 1 van afdeling A van dit artikel valt, en die dwingende redenen, voortvloeiende uit vroegere vervolging, kan aanvoeren om te weigeren de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, in te roepen;
- (6). Hij, indien hij geen nationaliteit bezit, kan terugkeren naar het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, omdat de omstandigheden in verband waarmede hij was erkend als vluchteling, hebben opgehouden te bestaan; Met dien verstande echter, dat dit lid niet van toepassing is op een vluchteling die onder lid 1 van afdeling A van dit artikel valt, en die dwingende redenen, voortvloeiende uit vroegere vervolging, kan aanvoeren om te weigeren naar het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, terug te keren.
D. Dit Verdrag is niet van toepassing op personen die thans bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen.
Wanneer deze bescherming of bijstand om welke reden ook is opgehouden, zonder dat de positie van zodanige personen definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, zullen deze personen van rechtswege onder dit Verdrag vallen.
E. Dit Verdrag is niet van toepassing op een persoon die door de bevoegde autoriteiten van het land waar hij zich heeft gevestigd, beschouwd wordt de rechten en verplichtingen te hebben, aan het bezit van de nationaliteit van dat land verbonden.
F. De bepalingen van dit Verdrag zijn niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen, dat:
- (a). hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;
- (b). hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;
- (c). hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.
Artikel 2. Algemene verplichtingen
Elke vluchteling heeft plichten tegenover het land waarin hij zich bevindt. Deze plichten brengen in het bijzonder mede, dat de vluchteling zich houdt zowel aan de wetten en voorschriften als aan de maatregelen, genomen voor de handhaving van de openbare orde.
Artikel 3. Non-discriminatie
De Verdragsluitende Staten zullen zonder onderscheid naar ras, godsdienst of land van herkomst de bepalingen van dit Verdrag op vluchtelingen toepassen.
Artikel 4. Godsdienst
De Verdragsluitende Staten zullen de vluchtelingen op hun grondgebied ten minste even gunstig behandelen als hun onderdanen, wat betreft de vrijheid tot uitoefening van hun godsdienst en de vrijheid ten aanzien van de godsdienstige opvoeding van hun kinderen.
Artikel 5. Rechten onafhankelijk van dit Verdrag verleend
Geen der bepalingen van dit Verdrag maakt inbreuk op de rechten en voordelen, welke door een Verdragsluitende Staat onafhankelijk van dit Verdrag aan vluchtelingen zijn verleend.
Artikel 6. De term ,,onder dezelfde omstandigheden"
Voor de toepassing van dit Verdrag houdt de term „onder dezelfde omstandigheden" in, dat een vluchteling voor de uitoefening van een recht moet voldoen aan alle eisen (waaronder begrepen die betreffende de duur van en de voorwaarden voor tijdelijk verblijf of vestiging) waaraan hij zou moeten voldoen indien hij geen vluchteling was, met uitzondering van de eisen waaraan, wegens hun aard, een vluchteling niet kan voldoen.
Artikel 7. Vrijstelling van de voorwaarde van wederkerigheid
-
- Behoudens de gevallen dat dit Verdrag gunstiger bepalingen bevat, zal een Verdragsluitende Staat vluchtelingen op dezelfde wijze behandelen als vreemdelingen in het algemeen.
-
- Na een driejarig verblijf genieten alle vluchtelingen vrijstelling van de voorwaarde van wettelijke wederkerigheid op het grondgebied van de Verdragsluitende Staten.
-
- Elke Verdragsluitende Staat zal aan vluchtelingen de rechten en voordelen blijven toekennen waarop dezen, bij het ontbreken van de voorwaarde van wederkerigheid, reeds recht hadden op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag voor die Staat.
-
- De Verdragsluitende Staten zullen in welwillende overweging nemen om aan vluchtelingen, bij het ontbreken van de voorwaarde van wederkerigheid, rechten en voordelen te verlenen buiten die waarop zij krachtens lid 2 en 3 aanspraak kunnen maken, alsmede om de vrijstelling van de voorwaarde van wederkerigheid uit te strekken tot vluchtelingen die niet aan de in lid 2 en 3 bedoelde voorwaarden voldoen.
-
- De bepalingen van lid 2 en 3 zijn zowel van toepassing op de rechten en voordelen, bedoeld in de artikelen 13, 18, 19, 21 en 22 van dit Verdrag, als op de rechten en voordelen, waarin dit Verdrag niet voorziet.
Artikel 8. Vrijstelling van buitengewone maatregelen
De Verdragsluitende Staten zullen de buitengewone maatregelen welke kunnen worden, genomen tegen de persoon, de goederen of de belangen van onderdanen van een vreemde Staat, niet enkel op grond van de nationaliteit toepassen op een vluchteling die formeel een onderdaan is van die Staat. De Verdragsluitende Staten die krachtens hun wetgeving niet het in dit artikel neergelegde algemene beginsel kunnen toepassen, zullen in de daarvoor in aanmerking komende gevallen vrijstelling ten gunste van zodanige vluchtelingen verlenen.
Artikel 9. Voorlopige maatregelen
Geen der bepalingen van dit Verdrag vormt een belemmering voor een Verdragsluitende Staat om, in tijd van oorlog of andere ernstige en buitengewone omstandigheden, ten aanzien van een bepaald persoon de voorlopige maatregelen te nemen, welke deze Staat noodzakelijk acht voor zijn nationale veiligheid, in afwachting van de vaststelling door de Verdragsluitende Staat, dat die persoon werkelijk een vluchteling is en dat de handhaving van die maatregelen te zijnen aanzien noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid.
Artikel 10. Ononderbroken verblijf
Wanneer een vluchteling gedurende de Tweede Wereldoorlog is gedeporteerd en overgebracht naar het grondgebied van een Verdragsluitende Staat en aldaar verblijft, wordt de periode van een zodanig gedwongen tijdelijk verblijf beschouwd als rechtmatig verblijf op dat grondgebied.
Wanneer een vluchteling gedurende de Tweede Wereldoorlog is gedeporteerd uit het grondgebied van een Verdragsluitende Staat en vóór de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag daarheen is teruggekeerd teneinde aldaar te verblijven, wordt de periode van verblijf vóór en na deze gedwongen verplaatsing, voor alle doeleinden waarvoor ononderbroken verblijf is vereist, beschouwd als één enkele ononderbroken periode.
Artikel 11. Vluchtelingen-zeelieden
Indien vluchtelingen geregeld als schepeling dienst doen aan boord van een schip dat de vlag voert van een Verdragsluitende Staat, zal die Staat in welwillende overweging nemen om hen toe te staan zich op zijn grondgebied te vestigen en om hun reisdocumenten te verstrekken of hen tijdelijk toe te laten op zijn grondgebied, in het bijzonder teneinde hun vestiging in een ander land te vergemakkelijken.
HOOFDSTUK II. Juridische status
Artikel 12. Persoonlijke staat
De persoonlijke staat van een vluchteling wordt beheerst door de wet van het land van zijn woonplaats, of, indien hij geen woonplaats heeft, van het land van zijn verblijf.
De rechten welke een vluchteling vroeger heeft verkregen en welke uit de persoonlijke staat voortvloeien, in het bijzonder de rechten, voortvloeiende uit het huwelijk, zullen door een Verdragsluitende Staat worden geëerbiedigd, behoudens dat, zo nodig, de vluchteling de door de wet van die Staat vereiste formaliteiten moet vervullen. Deze bepaling is alleen van toepassing op rechten welke door de wet van die Staat zouden zijn erkend indien de betrokkene geen vluchteling was geworden.
Artikel 13. Roerende en onroerende goederen
De Verdragsluitende Staten zullen een vluchteling zo gunstig mogelijk behandelen en in elk geval niet minder gunstig dan vreemdelingen in het algemeen onder dezelfde omstandigheden, wat betreft het verkrijgen van roerende en onroerende goederen en andere daarop betrekking hebbende rechten, alsmede huur en andere overeenkomsten betreffende roerende en onroerende goederen.
Artikel 14. Auteursrechten en industriële eigendom
Wat betreft de bescherming van de industriële eigendom, zoals uitvindingen, ontwerpen en modellen, handelsmerken, handelsnamen en de rechten op werken van letterkunde, kunst en wetenschap, geniet een vluchteling in het land waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, dezelfde bescherming als de onderdanen van dat land. Op het grondgebied van elke andere Verdragsluitende Staat geniet hij dezelfde bescherming als op dat grondgebied wordt verleend aan de onderdanen van het land waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft.
Artikel 15. Recht van vereniging
Wat betreft niet-politieke verenigingen, verenigingen zonder het oogmerk om winst te maken en vakverenigingen, zullen de Verdragsluitende Staten aan de rechtmatig op hun grondgebied verblijvende vluchtelingen de meest gunstige behandeling verlenen, welke wordt toegekend aan onderdanen van een vreemd land onder dezelfde omstandigheden.
Artikel 16. Rechtsingang
Een vluchteling heeft het genot van rechtsingang op het grondgebied van alle Verdragsluitende Staten.
Een vluchteling geniet in de Verdragsluitende Staat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, dezelfde behandeling als een onderdaan, wat betreft rechtsingang, waaronder begrepen rechtsbijstand en vrijstelling van de cautio judicatum solvi.
In andere Verdragsluitende Staten dan die waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, geniet een vluchteling, wat betreft de in lid 2 bedoelde aangelegenheden, dezelfde behandeling als een onderdaan van het land waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft.
HOOFDSTUK III. Winstgevende arbeid
Artikel 17. Loonarbeid
De Verdragsluitende Staten zullen aan de rechtmatig op hun grondgebied verblijvende vluchtelingen de meest gunstige behandeling verlenen, welke wordt toegekend aan onderdanen van een vreemd land onder dezelfde omstandigheden, wat betreft het recht om loonarbeid te verrichten.
In geen geval zullen de beperkende maatregelen welke voor vreemdelingen of voor de tewerkstelling van vreemdelingen ter bescherming van de nationale arbeidsmarkt gelden, worden toegepast op een vluchteling die er reeds van was vrijgesteld op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag voor de betrokken Verdragsluitende Staat, of die aan één van de volgende voorwaarden voldoet:
- (a). dat hij reeds drie jaren in het land verblijft;
- (b). dat hij gehuwd is met een persoon, die de nationaliteit bezit van het land waar hij verblijft. Een vluchteling kan zich niet op deze bepaling beroepen ingeval hij de bedoelde persoon heeft verlaten;
- (c). dat hij één of meer kinderen heeft, die de nationaliteit bezitten van het land waar hij verblijft.
De Verdragsluitende Staten zullen in welwillende overweging nemen, de rechten van alle vluchtelingen met betrekking tot loonarbeid gelijk te stellen met die van hun onderdanen en in het bijzonder van die vluchtelingen die hun grondgebied zijn binnengekomen ingevolge programma's van aanwerving van arbeidskrachten of ingevolge immigratieplannen.
Artikel 18. Zelfstandige beroepen
De Verdragsluitende Staten zullen een rechtmatig op hun grondgebied verblijvende vluchteling zo gunstig mogelijk behandelen en in elk geval niet minder gunstig dan vreemdelingen in het algemeen onder dezelfde omstandigheden, wat betreft het recht om voor eigen rekening in landbouw, industrie, ambacht en handel werkzaam te zijn en commerciële of industriële vennootschappen op te richten.
Artikel 19. Vrije beroepen
⋯
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.