Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, 1961, zoals gewijzigd door het Protocol tot wijziging van het Enkelvoudige Verdrag inzake verdovende middelen, 1961
Preambule
De Partijen,
Bezorgd om de gezondheid en het welzijn der mensheid,
Erkennende, dat het geneeskundig gebruik van verdovende middelen onmisbaar blijft voor het verzachten van pijn en lijden en dat voldoende maatregelen moeten worden genomen om te verzekeren, dat verdovende middelen voor die doeleinden beschikbaar zijn,
Erkennende, dat verslaving aan verdovende middelen een ernstig kwaad vormt voor de mens persoonlijk en vele sociale en economische gevaren met zich medebrengt voor de mensheid,
Zich bewust van hun plicht om dit kwaad te voorkomen en te bestrijden,
Overwegende, dat doeltreffende maatregelen tegen het misbruik van verdovende middelen een gecoördineerd en wereldomspannend optreden vereisen,
Beseffende, dat een dergelijk wereldomspannend optreden internationale samenwerking nodig maakt, die geleid wordt door dezelfde beginselen en gericht is op gemeenschappelijke doelstellingen,
Erkennende, dat de Verenigde Naties bevoegd zijn op het gebied van het toezicht op verdovende middelen en verlangende te bewerkstelligen, dat de desbetreffende internationale organen binnen het kader van die Organisatie worden geplaatst,
Verlangende een algemeen aanvaardbaar internationaal verdrag te sluiten ter vervanging van de bestaande verdragen inzake verdovende middelen, waarbij het gebruik van die verdovende middelen beperkt wordt tot gebruik voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden en waarbij maatregelen worden genomen ter verzekering van een voortdurende internationale samenwerking en een voortdurend internationaal toezicht voor het bereiken van die doelstellingen,
Komen overeen als volgt:
Artikel 1. Definities
Behalve voorzover uitdrukkelijk anders is bepaald of waar het zinsverband een andere uitleg vereist, gelden in het gehele Verdrag de volgende definities:
- (a). „Comité” betekent het Internationale Comité van Toezicht op verdovende middelen.
- (b). „Cannabis” betekent de bloeiende of vruchtdragende toppen van de cannabisplant (met uitzondering van de zaden en bladeren indien deze niet vergezeld gaan van de toppen) waaruit de hars niet is geëxtraheerd, met welke naam ook aangeduid.
- (c). „Cannabisplant” betekent iedere plant van het geslacht Cannabis.
- (d). „Cannabishars” betekent de afgescheiden hars, ruw of gezuiverd, verkregen uit de cannabisplant.
- (e). „Cocaplant” tekent de plant van een der soorten van het geslacht Erythroxylon.
- (f). „Cocablad” betekent het blad van de cocaplant met uitzondering van een blad waaruit alle ecgonine, cocaïne en alle andere ecgonine alkaloïden zijn verwijderd.
- (g). „Commissie” betekent de Commissie voor verdovende middelen van de Raad.
- (h). „Raad” betekent de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties.
- (i). „Verbouw” betekent de verbouw van papaver, cocaplant of cannabisplant.
- (j). „Verdovend middel” betekent elk der stoffen genoemd in de Lijsten I en II, hetzij natuurlijk hetzij synthetisch.
- (k). „Algemene Vergadering” betekent de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.
- (l). „Sluikhandel” betekent de verbouw van of de handel in verdovende middelen in strijd met de bepalingen van dit Verdrag.
- (m). „Invoer” en „uitvoer” betekenen, al naar het zinsverband, de daadwerkelijke overbrenging van verdovende middelen van de ene Staat naar de andere of, binnen dezelfde Staat, van het ene gebied naar het andere.
- (n). „Vervaardiging” betekent alle bewerkingen, met uitzondering van produktie, waarbij verdovende middelen kunnen worden verkregen, met inbegrip van zowel zuivering als omzetting van verdovende middelen in andere verdovende middelen.
- (o). „Medicinaal opium” betekent opium dat de bewerkingen heeft ondergaan die nodig zijn om het geschikt te maken voor geneeskundig gebruik.
- (p). „Opium” betekent het gestremde sap van de papaver.
- (q). Papaver” betekent de plant van de soort Papaver somniferum L.
- (r). „Bolkaf” betekent alle delen (met uitzondering van de zaden) van de papaver, na het maaien.
- (s). „Preparaat” betekent een vast of vloeibaar mengsel dat een verdovend middel bevat.
- (t). „Produktie” betekent de afscheiding van opium, cocabladeren, cannabis en cannabishars van de planten waaruit zij worden verkregen.
- (u). „Lijst I”, „Lijst II”, „Lijst III” en „Lijst IV” betekenen de overeenkomstig genummerde lijsten van verdovende middelen of preparaten, die aan dit Verdrag zijn gehecht, zoals van tijd tot tijd overeenkomstig artikel 3 gewijzigd.
- (v). „Secretaris-Generaal” betekent de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
- (w). „Bijzondere voorraden” betekent de hoeveelheid verdovende middelen die in een land of gebied wordt aangehouden door de regering van dat land of gebied voor bijzondere regeringsdoeleinden en om het hoofd te bieden aan bijzondere omstandigheden; de uitdrukking „bijzondere doeleinden” wordt op overeenkomstige wijze uitgelegd.
- (x). „Voorraden” betekent de in een land of gebied aangehouden hoeveelheden verdovende middelen die bestemd zijn voor:
- (i). verbruik in het land of gebied voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden,
- (ii). gebruik in het land of gebied voor de vervaardiging van verdovende middelen en andere stoffen of
- (iii). uitvoer; doch omvat niet de in het land of gebied aangehouden hoeveelheden verdovende middelen
- (iv). door apothekers of andere daartoe gemachtigde kleinhandelaren en door instellingen of bevoegde personen die behoorlijk gemachtigd zijn tot de uitoefening van therapeutische of wetenschappelijke functies, of
- (v). als „bijzondere voorraden”.
- (y). „Gebied” betekent ieder deel van een Staat dat, wat het in artikel 31 vervatte systeem van invoercertificaten en uitvoervergunningen betreft, behandeld wordt als een afzonderlijke eenheid. Deze definitie geldt niet voor de uitdrukking „gebied” zoals deze wordt gebruikt in de artikelen 42 en 46.
In dit Verdrag wordt een verdovend middel als „verbruikt” beschouwd, wanneer het is geleverd aan een persoon of onderneming voor afgifte in het klein, voor geneeskundig gebruik of voor wetenschappelijk onderzoek; de uitdrukking „verbruik” wordt op overeenkomstige wijze uitgelegd.
Artikel 2. Stoffen onder toezicht
Behalve wat betreft maatregelen van toezicht die beperkt zijn tot bepaalde verdovende middelen, zijn de verdovende middelen van Lijst I onderworpen aan alle maatregelen van toezicht die van toepassing zijn op verdovende middelen die onder dit Verdrag vallen en, in het bijzonder, aan die maatregelen die zijn vervat in de artikelen 4 (c ), 19, 20, 21, 29, 30, 31, 32, 33, 34 en 37.
De verdovende middelen van Lijst II zijn onderworpen aan dezelfde maatregelen van toezicht als de verdovende middelen van Lijst I, met uitzondering van de maatregelen voorgeschreven in artikel 30, leden 2 en 5, ten aanzien van de kleinhandel.
Andere preparaten dan die van Lijst III zijn onderworpen aan dezelfde maatregelen van toezicht als de verdovende middelen die zij bevatten, doch ramingen (artikel 19) en statistieken (artikel 20) die geen betrekking hebben op deze verdovende middelen zijn niet vereist, indien het dergelijke preparaten betreft; de bepalingen van artikel 29, lid 2 (c ), en artikel 30, lid 1 (b ) (ii), zijn dan niet van toepassing.
De preparaten van Lijst III zijn onderworpen aan dezelfde maatregelen van toezicht als de preparaten die verdovende middelen van Lijst II bevatten, met dien verstande dat artikel 31, eerste lid, letter (b) en de leden 3 tot en met 15, en, wat betreft de aanschaffing en verkoop in de kleinhandel van deze preparaten, artikel 34, letter (b), niet van toepassing zijn en dat voor ramingen (artikel 19) en statistieken (artikel 20) de vereiste inlichtingen beperkt zijn tot de bij de vervaardiging van dergelijke preparaten gebruikte hoeveelheden verdovende middelen.
De verdovende middelen van Lijst IV zijn tevens opgenomen in Lijst I en onderworpen aan alle maatregelen van toezicht die van toepassing zijn op de verdovende middelen van laatstgenoemde Lijst, terwijl bovendien:
- (a). een Partij alle bijzondere maatregelen van toezicht neemt die naar haar mening noodzakelijk zijn in verband met de bijzonder gevaarlijke eigenschappen van een aldus opgenomen verdovend middel;
- (b). een Partij, indien zulks naar haar mening, gelet op de in haar land heersende toestanden, de meest aangewezen wijze van bescherming van de volksgezondheid en het openbaar welzijn vormt, de produktie, de vervaardiging, de uit- en invoer van, de handel in en bezit of het gebruik van een dergelijk verdovend middel verbiedt behalve voorzover het hoeveelheden betreft die uitsluitend nodig zijn voor geneeskundig en wetenschappelijk onderzoek, daaronder begrepen klinische proeven met bedoelde verdovende middelen welke moeten worden uitgevoerd onder het rechtstreekse toezicht van de Partij of aan zodanig toezicht en zodanige controle zijn onderworpen.
Behalve aan de maatregelen van toezicht die van toepassing zijn op alle verdovende middelen van Lijst I, is opium onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 19, eerste lid, letter (f), 21 bis, 23 en 24, cocablad aan die van de artikelen 26 en 27 en cannabis aan die van artikel 28.
De papaver, de cocaplant, de cannabisplant, bolkaf en cannabisbladeren zijn onderworpen aan de maatregelen van toezicht vervat in onderscheidenlijk de artikelen 19, eerste lid, letter (e), 20, eerste lid, letter (g), 21 bis, en 22 tot en met 24; 22, 26 en 27; 22 en 28; 25; en 28.
Partijen zullen alles in het werk stellen om op stoffen die niet onder dit Verdrag vallen doch die gebruikt kunnen worden bij de klandestiene vervaardiging van verdovende middelen, alle uitvoerbare maatregelen van toezicht toe te passen.
Partijen zijn niet verplicht de bepalingen van dit Verdrag toe te passen op verdovende middelen die gewoonlijk in de industrie worden gebruikt voor niet-geneeskundige of niet-wetenschappelijke doeleinden, op voorwaarde dat:
- (a). zij door daartoe geëigende denatureringsmethoden of op andere wijze verhinderen, dat de aldus gebruikte verdovende middelen worden misbruikt of een nadelige uitwerking hebben (artikel 3, lid 3) en dat de schadelijke stoffen in de praktijk kunnen worden teruggewonnen; en
- (b). zij in de door hen verstrekte statistische gegevens (artikel 20) de hoeveelheden van elk aldus gebruikt verdovend middel vermelden.
Artikel 3. Wijzigingen in de omvang van het toezicht
Indien een Partij of de Wereldgezondheidsorganisatie over inlichtingen beschikt,die naar haar mening een wijziging van één der Lijsten noodzakelijk maken, doet zij daarvan mededeling aan de Secretaris-Generaal en verschaft hem alle inlichtingen ter ondersteuning van deze mededeling.
De Secretaris-Generaal geeft een dergelijke mededeling, alsmede alle inlichtingen die naar zijn mening terzake dienende zijn, door aan Partijen, aan de Commissie en, indien de mededeling wordt gedaan door een Partij, aan de Wereldgezondheidsorganisatie.
Indien een mededeling betrekking heeft op een stof die niet reeds is vermeld in Lijst I of Lijst II,
- (i). onderzoeken Partijen in het licht van de beschikbare gegevens de mogelijkheid van een voorlopige toepassing op de desbetreffende stof van alle op de verdovende middelen van Lijst I toepasselijke maatregelen van toezicht;
- (ii). kan de Commissie, in afwachting van haar beslissing als bedoeld in alinea (iii) van dit lid, beslissen, dat Partijen op de desbetreffende stof dienen toe te passen alle op de verdovende middelen van Lijst I toepasselijke maatregelen van toezicht. Partijen zullen die maatregelen dan voorlopig toepassen op de desbetreffende stof;
- (iii). doet de Wereldgezondheidsorganisatie, indien zij van oordeel is, dat de stof aanleiding kan geven tot een soortgelijk misbruik en een soortgelijke nadelige uitwerking als de verdovende middelen van Lijst I of Lijst II of in een verdovend middel kan worden omgezet, daarvan mededeling aan de Commissie, die, overeenkomstig de aanbeveling van de Wereldgezondheidsorganisatie, kan besluiten, dat de stof zal worden toegevoegd aan Lijst I of Lijst II.
Indien de Wereldgezondheidsorganisatie van oordeel is, dat een preparaat tengevolge van de stoffen die het bevat geen aanleiding kan geven tot misbruik en geen nadelige uitwerking kan hebben (lid 3) en dat het verdovende middel dat het bevat niet gemakkelijk kan worden teruggewonnen, kan de Commissie, in overeenstemming met de aanbeveling van de Wereldgezondheidsorganisatie, dat preparaat toevoegen aan Lijst III.
Indien de Wereldgezondheidsorganisatie van oordeel is, dat een verdovend middel van Lijst I in bijzondere mate aanleiding kan geven tot misbruik en tot een nadelige uitwerking (lid 3) en dat daartegenover geen aanzienlijke therapeutische voordelen staan die niet behoren tot de eigenschappen van niet op Lijst IV voorkomende verdovende middelen, kan de Commissie, in overeenstemming met de aanbeveling van de Wereldgezondheidsorganisatie, dat verdovend middel in Lijst IV opnemen.
Indien een mededeling betrekking heeft op een verdovend middel dat reeds is opgenomen in Lijst I of Lijst II of op een preparaat van Lijst III, kan de Commissie, behalve de in lid 5 bedoelde maatregelen, in overeenstemming met de aanbeveling van de Wereldgezondheidsorganisatie elk der Lijsten wijzigen door:
- (a). een verdovend middel over te brengen van Lijst I naar Lijst II of van Lijst II naar Lijst I, of door
- (b). een verdovend middel of een preparaat, al naar het geval zich voordoet, van een Lijst af te voeren.
Elk door de Commissie ingevolge dit artikel genomen besluit wordt door de Secretaris-Generaal medegedeeld aan alle Lid-Staten van de Verenigde Naties, aan alle Staten die geen Partij bij dit Verdrag zijn, aan de Wereldgezondheidsorganisatie en aan het Comité. Een dergelijk besluit wordt ten aanzien van elke Partij van kracht op de datum van ontvangst van een dergelijke mededeling, waarna Partijen alle maatregelen nemen, die krachtens dit Verdrag vereist zijn.
- (a). De besluiten van de Commissie tot wijziging van de Lijsten kunnen op verzoek van een Partij door de Raad aan een hernieuwd onderzoek worden onderworpen, welk verzoek binnen negentig dagen na de ontvangst van de kennisgeving van het besluit moet worden ingediend. Het verzoek om een hernieuwd onderzoek wordt aan de Secretaris-Generaal toegezonden, vergezeld van alle terzake dienende gegevens waarop het verzoek om een hernieuwd onderzoek is gebaseerd;
- (b). De Secretaris-Generaal zendt afschriften van het verzoek om een hernieuwd onderzoek en van de terzake dienende gegevens toe aan de Commissie, de Wereldgezondheidsorganisatie, alsmede aan alle Partijen, met het verzoek binnen negentig dagen commentaar te leveren. Alle ontvangen commentaren worden aan de Raad ter bestudering voorgelegd;
- (c). De Raad kan het besluit van de Commissie bevestigen, wijzigen of herroepen; het besluit van de Raad is definitief. Kennisgeving van het besluit van de Raad wordt gezonden aan alle Lid-Staten van de Verenigde Naties, aan Staten die geen lid zijn van de Verenigde Naties doch Partij bij dit Verdrag, aan de Commissie, de Wereldgezondheidsorganisatie en aan het Comité;
- (d). Gedurende de tijd dat het hernieuwd onderzoek plaats heeft, blijft het oorspronkelijke besluit van de Commissie van kracht.
Door de Commissie overeenkomstig dit artikel genomen besluiten zijn niet onderworpen aan de in artikel 7 voorziene herzieningsprocedure.
Artikel 4. Algemene verplichtingen
Partijen nemen de wetgevende en administratieve maatregelen die nodig zijn om
- (a). de bepalingen van dit Verdrag op hun gebied in werking te stellen en uit te voeren;
- (b). met andere Staten samen te werken bij de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag; en
- (c). met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag de produktie, de vervaardiging, de uit- en invoer, de afgifte van, de handel in, het gebruik en het bezit van verdovende middelen uitsluitend tot geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden te beperken.
Artikel 5. De internationale organen van toezicht
Partijen, de bevoegdheid van de Verenigde Naties op het gebied van het internationale toezicht op verdovende middelen erkennende, komen overeen aan de Commissie voor verdovende middelen van de Economische en Sociale Raad en aan het Internationale Comité van Toezicht op verdovende middelen de werkzaamheden toe te vertrouwen, die ieder van hen krachtens dit Verdrag onderscheidenlijk zijn opgedragen.
Artikel 6. De kosten van de internationale organen van toezicht
De kosten van de Commissie en het Comité zullen door de Verenigde Naties worden gedragen op een door de Algemene Vergaring vast te stellen wijze. De Partijen die geen Lid zijn van de Verenigde Naties dragen aan deze kosten de sommen bij, die de Algemene Vergadering billijk acht en van tijd tot tijd na overleg met de regeringen van deze Partijen vaststelt.
Artikel 7. Herziening van besluiten en aanbevelingen van de Commissie
Behalve wat de krachtens artikel 3 genomen besluiten betreft, zijn alle door de Commissie overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag genomen besluiten of aangenomen aanbevelingen onderworpen aan goedkeuring of wijziging door de Raad of de Algemene Vergadering op dezelfde wijze als andere besluiten of aanbevelingen van de Commissie.
Artikel 8. Werkzaamheden van de Commissie
De Commissie is bevoegd alle vraagstukken die betrekking hebben op de doelstellingen van dit Verdrag in overweging te nemen; zij is in het bijzonder bevoegd om:
- (a). de Lijsten overeenkomstig artikel 3 te wijzigen;
- (b). de aandacht van het Comité te vestigen op alle vraagstukken die met de werkzaamheden van het Comité verband kunnen houden;
- (c). aanbevelingen te doen ter uitvoering van de doelstellingen en bepalingen van dit Verdrag, met inbegrip van programma's voor wetenschappelijk onderzoek en de uitwisseling van wetenschappelijke of technische gegevens;
- (d). de aandacht van Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag te vestigen op de door de Commissie krachtens dit Verdrag genomen besluiten of aangenomen aanbevelingen, teneinde te bereiken, dat deze Staten zullen overwegen maatregelen te nemen in overeenstemming met deze besluiten en aanbevelingen.
Artikel 9. Samenstelling en werkzaamheden van het Comité
Het Comité bestaat uit dertien leden, die door de Raad als volgt worden gekozen:
- (a). drie leden met geneeskundige, farmacologische of farmaceutische ervaring uiteen door de Wereldgezondheidsorganisatie opgestelde voordracht van ten minste vijf personen;
- (b). tien leden uit een door de Leden van de Verenigde Naties en door Partijen die geen Lid zijn van de Verenigde Naties opgestelde voordracht.
De Leden van de Raad dienen personen te zijn die door hun kundigheid, onpartijdigheid en onbaatzuchtigheid algemeen vertrouwen genieten. Gedurende hun ambtstermijn mogen zij geen positie bekleden of werkzaamheden uitoefenen die bij de uitoefening van hun werkzaamheden afbreuk zouden kunnen doen aan hun onpartijdigheid. In overleg met het Comité treft de Raad alle maatregelen die nodig zijn om te verzekeren, dat het Comité in technisch opzicht volledig onafhankelijk zal zijn bij het verrichten van zijn werkzaamheden.
Zich baserend op het beginsel van billijke aardrijkskundige vertegenwoordiging, houdt de Raad rekening met het belang om in het Comité, in billijke verhouding, personen op te nemen die bekend zijn met de situatie op het gebied van verdovende middelen in de producerende landen, de fabrieks- en verbruikslanden, en die met deze landen een binding hebben.
In samenwerking met de Regeringen en onder voorbehoud van de voorwaarden van dit Verdrag, streeft het Comité naar beperking van de verbouw, de produktie, de vervaardiging en het gebruik van verdovende middelen tot een hoeveelheid die voldoende is voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden, naar verzekering van de beschikbaarheid van verdovende middelen voor zodanige doeleinden en naar voorkoming van clandestiene verbouw, produktie en vervaardiging van, sluikhandel in en clandestien gebruik van verdovende middelen.
De uit hoofde van dit Verdrag door het Comité genomen maatregelen dienen volldig in overeenstemming te zijn met het doel, de samenwerking van Regeringen met het Comité te bevorderen en een instrument te bieden voor een voortdurende dialoog tussen de Regeringen en het Comité, dat aan doeltreffend nationaal optreden hulp zal bieden en dit zal vergemakkelijken ten einde de doelstellingen van dit Verdrag te bereiken.
Artikel 10. Ambtstermijn en salariëring van de leden van het Comité
De ambtstermijn van de leden van het Comité is vijf jaar; zij kunnen worden herkozen.
De ambtstermijn van elk lid van het Comité loopt af op de vooravond van de eerste bijeenkomst van het Comité; de opvolger van dit lid kan die bijeenkomst rechtens bijwonen.
Een lid van het Comité dat drie opeenvolgende zittingen niet heeft bijgewoond, wordt geacht zijn ontslag te hebben ingediend.
Op aanbeveling van het Comité kan de Raad een lid van het Comité ontslaan, indien dit lid niet meer voldoet aan de in artikel 9, tweede lid, gestelde voorwaarden voor het lidmaatschap. Negen leden van het Comité moeten voor een dergelijke aanbeveling hebben gestemd.
Indien zich gedurende de ambtstermijn van een lid een vacature in het Comité voordoet, vervult de Raad deze vacature zo spoedig mogelijk en in overeenstemming met de van toepassing zijnde bepalingen van artikel 9, door voor de resterende ambtstermijn een ander lid te kiezen.
De leden van het Comité ontvangen een door de Algemene Vergadering vastgestelde passende vergoeding.
Artikel 11. Reglement van orde van het Comité
Het Comité kiest zijn eigen President en de door het Comité noodzakelijk geachte andere functionarissen en stelt zijn eigen reglement van orde vast.
Het Comité komt bijeen zo vaak als dit naar zijn mening voor de juiste uitoefening van zijn taak noodzakelijk is, doch ten minste twee maal per kalenderjaar.
Het voor de bijeenkomsten van het Comité noodzakelijke quorum is acht leden.
Artikel 12. Toepassing van het stelsel der ramingen
Het Comité stelt de datum of data vast waarop de in artikel 19 voorziene ramingen moeten worden ingediend, alsmede de wijze waarop dit dient te geschieden. Het schrijft de hiervoor te gebruiken formulieren voor.
Het Comité verzoekt, met betrekking tot landen en gebieden waarop dit Verdrag niet van toepassing is, de desbetreffende regeringen ramingen in te dienen overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag.
Indien een Staat met betrekking tot een of meer van zijn gebieden in gebreke blijft op de aangegeven datum de ramingen in te dienen, stelt het Comité deze ramingen zelf vast voor zover zulks mogelijk is. Bij het vaststellen van zulke ramingen werkt het Comité voor zover mogelijk met de betrokken regering samen.
Het Comité bestudeert de ramingen, de aanvullende ramingen daaronder begrepen, en kan, behalve met betrekking tot behoeften voor bijzondere doeleinden, betreffende een bepaald land of gebied ten behoeve waarvan een raming is ingediend om de noodzakelijk geachte gegevens verzoeken teneinde de raming volledig te maken of een daarin vervatte opgave toe te lichten.
Met het oog op de beperking van het gebruik en de verspreiding van verdovende middelen tot een hoeveelheid die voldoende is voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden en met het oog op het verzekeren van de beschikbaarheid van verdovende middelen voor zodanige doeleinden bevestigt het Comité de ramingen, de aanvullende ramingen daaronder begrepen, zo spoedig mogelijk of kan het deze ramingen wijzigen met toestemming van de betrokken Regering. Bij verschil van mening tussen de Regering en het Comité heeft dit laatste het recht zijn eigen ramingen, aanvullende ramingen daaronder begrepen, op te stellen, mede te delen en te publiceren.
Behalve de in artikel 15 bedoelde verslagen verstrekt het Comité, op door het Comité te bepalen tijdstippen, doch minstens eenmaal per jaar, die gegevens over de ramingen die naar zijn mening de uitvoering van dit Verdrag zullen vergemakkelijken.
Artikel 13. Toepassing van het stelsel der statistieken
Het Comité bepaalt op welke wijze en in welke vorm statistieken worden ingediend als voorzien in artikel 20 en stelt de formulieren daarvoor vast.
Het Comité bestudeert de statistieken met het doel vast te stellen, of een Partij of enige andere Staat zich aan de bepalingen van dit Verdrag heeft gehouden.
Het Comité kan om de door hem noodzakelijk geachte nadere gegevens verzoeken teneinde de in die statistieken vervatte gegevens volledig te maken of toe te lichten.
Het Comité is niet bevoegd vragen te stellen of een mening kenbaar te maken ten aanzien van statistieken betreffende verdovende middelen die voor bijzondere doeleinden nodig zijn.
Artikel 14. Maatregelen van het Comité ter verzekering van de uitvoering der Verdragsbepalingen
- (a). Indien het Comité, op grond van de bestudering van door de Regeringen aan hem krachtens de bepalingen van dit Verdrag overgelegde gegevens, of op grond van gegevens verstrekt door organen van de Verenigde Naties of door gespecialiseerde organisaties of, mits zij op aanbeveling van het Comité door de Commissie zijn goedgekeurd, door andere intergouvernementele organisaties dan wel internationale niet-gouvernementele organisaties die ter zake rechtstreeks bevoegd zijn en die krachtens artikel 71 van het Handvest van de Verenigde Naties consultatieve status bezitten bij de Economische en Sociale Raad of die bij bijzondere overeenkomst met de Raad een soortgelijke status genieten, een objectieve aanleiding heeft te veronderstellen, dat de doelstellingen van dit Verdrag ernstig in gevaar worden gebracht doordat een bepaalde Partij, een bepaald land of gebied in gebreke blijft de bepalingen van dit Verdrag uit te voeren, heeft het Comité het recht de betrokken Regering voor te stellen overleg te openen of deze te verzoeken een verklaring te geven. Indien een Partij, een land of een gebied, zonder dat zij of het in gebreke blijft de bepalingen van dit Verdrag uit te voeren, een belangrijk centrum is geworden, of indien er aanwijzingen zijn dat een ernstig gevaar bestaat dat zij of het een belangrijk centrum kan worden van clandestiene verbouw, produktie of vervaardiging van, of van sluikhandel in of clandestien verbruik van verdovende middelen, heeft het Comité het recht de betrokken Regering voor te stellen overleg te openen. Onverminderd het recht van het Comité de aandacht van de Partijen, de Raad en de Commissie te vestigen op de in letter (d) hieronder bedoelde aangelegenheid, behandelt het Comité een aan een Regering krachtens deze letter gedaan verzoek om gegevens en om toelichting of een voorstel tot overleg en het met een Regering gevoerde overleg als vertrouwelijk.
- (b). Nadat het Comité maatregelen heeft genomen krachtens letter (a) hierboven, kan het, indien het ervan overtuigd is dat zulks noodzakelijk is, de betrokken Regering verzoeken de corrigerende maatregelen ter verzekering van de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag te nemen, die onder de omstandigheden noodzakelijk kunnen blijken.
- (c). Het Comité kan, indien het een zodanig optreden noodzakelijk acht ten einde een in letter (a) van dit lid bedoelde aangelegenheid te kunnen beoordelen, de betrokken Regering voorstellen dat op haar grondgebied een onderzoek van de aangelegenheid wordt verricht op de wijze die de Regering passend acht. Indien de betrokken Regering besluit tot dit onderzoek over te gaan, kan zij het Comité vragen de deskundigheid en de diensten ter beschikking te stellen van een of meer personen met de vereiste bevoegdheid om de functionarissen van de Regering bij te staan bij het voorgestelde onderzoek. De persoon of personen die het Comité voornemens is ter beschikking te stellen, is of zijn onderworpen aan de goedkeuring van de Regering. De modaliteiten van dit onderzoek en de termijn waarbinnen het onderzoek moet zijn voltooid, worden vastgesteld in overleg tussen de Regering en het Comité. De Regering deelt het Comité de resultaten van het onderzoek mede en geeft de corrigerende maatregelen aan welke zij nodig acht.
- (d). Indien het Comité constateert dat de betrokken Regering in gebreke is gebleven een bevredigende verklaring te geven op het tijdstip waarop haar dit krachtens letter (a) hierboven werd verzocht, of in gebreke is gebleven de corrigerende maatregelen te nemen waarom haar werd verzocht krachtens letter (b) hierboven, of dat er een ernstige situatie is die gezamenlijk optreden op internationaal niveau vereist ten einde deze te corrigeren, kan het de aandacht van de Partijen, de Raad en de Commissie op deze aangelegenheid vestigen. Het Comité treedt zo op, indien de doelstellingen van dit Verdrag ernstig in gevaar worden gebracht en het niet mogelijk is geweest de aangelegenheid op een andere wijze bevredigend op te lossen. Het treedt eveneens zo op, indien het constateert dat er een ernstige situatie is die gezamenlijk optreden op internationaal niveau vereist ten einde deze te corrigeren en dat het aan de Partijen, de Raad en de Commissie ter kennis brengen van een zodanige situatie de meest passende methode is om zulk een optreden te vergemakkelijken; na bestudering van de verslagen ter zake van het Comité en, indien beschikbaar, van de Commissie, kan de Raad de aandacht van de Algemene Vergadering op de aangelegenheid vestigen.
Wanneer het Comité overeenkomstig het eerste lid, letter (d), hierboven de aandacht van Partijen, de Raad en de Commissie vestigt op een zodanige aangelegenheid, kan het, indien het ervan overtuigd is dat zulk een gedragslijn noodzakelijk is, Partijen aanbevelen de invoer van verdovende middelen, de uitvoer van verdovende middelen of beide van of naar het betrokken land of gebied te staken, hetzij voor een bepaald tijdvak, hetzij totdat het Comité gunstig oordeelt over de toestand in dat land of gebied. De betrokken Staat kan de zaak aan de Raad voorleggen.
Het Comité heeft het recht over alle krachtens de bepalingen van dit artikel behandelde aangelegenheden een verslag te publiceren en dit over te leggen aan de Raad, die het aan alle Partijen doet toekomen. Indien het Comité in dit verslag een krachtens dit artikel genomen besluit of enigerlei hierop betrekking hebbende gegevens bekend maakt, maakt het daarin eveneens de inzichten van de betrokken regering bekend, indien deze dit verzoekt.
In alle gevallen waarin een krachtens dit artikel door het Comité genomen besluit dat niet eenstemmig is genomen, wordt gepubliceerd, wordt de mening van de minderheid gepubliceerd.
Iedere Staat wordt uitgenodigd zich te doen vertegenwoordigen op een bijeenkomst van het Comité waarop een aangelegenheid wordt besproken die deze Staat krachtens dit artikel rechtstreeks raakt.
De besluiten van het Comité krachtens dit artikel worden genomen met een meerderheid van twee-derde van het totaal aantal leden van het Comité.
Artikel 14 bis. Technische en financiële hulp
In gevallen waarin het Comité zulks passend acht en als aanvulling op dan wel in plaats van de maatregelen vervat in artikel 14, eerste en tweede lid, kan het, met toestemming van de betrokken Regering, aan de bevoegde organen van de Verenigde Naties en de gespecialiseerde organisaties aanbevelen, dat technische of financiële hulp, of beide, worden verschaft aan de Regering ter ondersteuning van haar pogingen tot nakoming van haar verplichtingen krachtens dit Verdrag, met inbegrip van die vervat of bedoeld in de artikelen 2, 35, 38 en 38 bis.
Artikel 15. Verslagen van het Comité
Het Comité stelt een jaarverslag over zijn werkzaamheden op, alsmede de door hem nodig geachte aanvullende verslagen, die tevens een uiteenzetting bevatten van de hem ter beschikking staande ramingen en statistieken en, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, een uiteenzetting van de eventuele door de regeringen gegeven of van hen gevraagde toelichtingen, alsmede alle door het Comité gemaakte opmerkingen en gedane aanbevelingen. Deze verslagen worden door tussenkomst van de Commissie aan de Raad overgelegd, die over de inhoud daarvan de opmerkingen kan maken die hem nuttig voorkomen.
De verslagen worden aan Partijen toegezonden en vervolgens door de Secretaris-Generaal gepubliceerd. Partijen keuren goed, dat deze verslagen onbeperkt worden verspreid.
Artikel 16. Secretariaat
De Secretaris-Generaal zorgt voor de secretariaatsdiensten van de Commissie en het Comité. Met name wordt de Secretaris van het Comité door de Secretaris-Generaal benoemd in overleg met het Comité.
Artikel 17. Bijzondere administratie
Partijen dienen te beschikken over een bijzondere administratie belast met de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag.
Artikel 18. Door Partijen aan de Secretaris-Generaal te verstrekken gegevens
Partijen verstrekken de Secretaris-Generaal die gegevens waarom de Commissie kan vragen voorzover deze noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar werkzaamheden, en in het bijzonder:
- (a). een jaarverslag over de werking van het Verdrag binnen elk van hun gebieden;
- (b). de tekst van alle wetten en regelingen die van tijd tot tijd worden uitgevaardigd ter uitvoering van dit Verdrag;
- (c). door de Commissie vast te stellen bijzonderheden aangaande gevallen van sluikhandel, daarbij inbegrepen de bijzonderheden van elk ontdekt geval van sluikhandel die van belang kunnen zijn wegens de inlichtingen die daarbij zijn verkregen over de oorsprong van verdovende middelen voor de sluikhandel, wegens de hoeveelheden die erbij waren betrokken of wegens de wijze waarop de sluikhandelaren te werk zijn gegaan;
- (d). de namen en adressen van de regeringsinstanties die bevoegd zijn uitvoervergunningen en invoercertificaten af te geven.
Partijen verstrekken de in het voorgaande lid bedoelde gegevens op de door de Commissie aangegeven wijze en data en met gebruikmaking van de formulieren als door de Commissie verzocht.
Artikel 19. Ramingen van de behoeften aan verdovende middelen
Partijen verstrekken het Comité met betrekking tot elk van hun gebieden jaarlijks op de wijze en in de vorm door het comité voorgeschreven en op door het Comité verstrekte formulieren de volgende ramingen:
- (a). de hoeveelheden verdovende middelen te verbruiken voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden;
- (b). de hoeveelheden verdovende middelen te gebruiken voor de vervaardiging van andere verdovende middelen, van de preparaten van Lijst III en van niet onder dit Verdrag vallende stoffen;
- (c). de voorraden verdovende middelen op 31 december van het jaar waarop de ramingen betrekking hebben;
- (d). de hoeveelheden verdovende middelen die moeten worden toegevoegd aan bijzondere voorraden;
- (e). de oppervlakte (in hectaren) en de geografische ligging van de voor de verbouw van de papaver te gebruiken grond;
- (f). bij benadering, de te produceren hoeveelheid opium;
- (g). het aantal industriële inrichtingen dat synthetische verdovende middelen vervaardigt; en
- (h). de door elk van de in de voorgaande letter bedoelde inrichtingen te vervaardigen hoeveelheden synthetische verdovende middelen.
- (a). Niet medegerekend de in artikel 21, derde lid, bedoelde afgetrokken hoeveelheden, bestaat het totaal der ramingen voor elk gebied en elk verdovend middel, met uitzondering van opium en synthetische verdovende middelen, uit het totaal van de krachtens de letters (a), (b) en (d) van het eerste lid van dit artikel aangeduide hoeveelheden, onder toevoeging van elke hoeveelheid die nodig is om de voorraden die op 31 december van het voorafgaande jaar daadwerkelijk aanwezig waren op het overeenkomstig letter (c) van het eerste lid geraamde peil te brengen.
- (b). Niet medegerekend de in artikel 21, derde lid, bedoelde afgetrokken hoeveelheden met betrekking tot de invoer en de in artikel 21 bis, tweede lid, bedoelde afgetrokken hoeveelheden, bestaat het totaal der ramingen voor opium voor elk gebied uit hetzij het totaal van de krachtens de letters (a), (b) en (d) van het eerste lid van dit artikel aangeduide hoeveelheden, onder toevoeging van elke hoeveelheid die nodig is om de voorraden die op 31 december van het voorafgaande jaar daadwerkelijk aanwezig waren op het overeenkomstig letter (c) van het eerste lid geraamde peil te brengen, hetzij uit de hoeveelheid aangegeven krachtens letter (f) van het eerste lid van dit artikel, met dien verstande dat de grootste hoeveelheid van beide wordt aangehouden.
- (c). Niet medegerekend de in artikel 21, derde lid, bedoelde afgetrokken hoeveelheden, bestaat het totaal der ramingen voor elk gebied voor elk synthetisch verdovend middel uit hetzij het totaal van de krachtens de letters (a), (b) en (d) van het eerste lid van dit artikel aangeduide hoeveelheden, onder toevoeging van elke hoeveelheid die nodig is om de voorraden die op 31 december van het voorafgaande jaar daadwerkelijk aanwezig waren op het overeenkomstig letter (c) van het eerste lid geraamde peil te brengen, hetzij uit het totaal van de hoeveelheden aangegeven krachtens letter (h) van het eerste lid van dit artikel.
- (d). De krachtens de voorgaande letters van dit lid verstrekte ramingen worden waar nodig aangepast om rekening te houden met eventuele in beslag genomen en daarna voor wettig gebruik vrijgegeven hoeveelheden, alsmede met hoeveelheden onttrokken aan bijzondere voorraden ter voldoening aan de behoeften van de burgerbevolking.
Elke Staat kan in de loop van het jaar aanvullende ramingen indienen, vergezeld van een toelichting op de omstandigheden die deze ramingen noodzakelijk maken.
Partijen stellen het Comité in kennis van de werkwijze die is gebruikt voor het vaststellen van de in de ramingen voorkomende hoeveelheden, alsmede van alle wijzigingen die eventueel in deze werkwijze worden aangebracht.
De in artikel 21, derde lid, bedoelde afgetrokken hoeveelheden niet medegerekend, en zo nodig met inachtneming van de bepalingen van artikel 21 bis, mogen de ramingen niet worden overschreden.
Artikel 20. Aan het Comité te verstrekken statistieken
Partijen verstrekken het Comité met betrekking tot elk van hun gebieden op de wijze en in de vorm door het Comité voorgeschreven en op door het Comité verstrekte formulieren de volgende statistieken:
- (a). de produktie of de vervaardiging van verdovende middelen;
- (b). het gebruik van verdovende middelen voor de vervaardiging van andere verdovende middelen, van preparaten van Lijst III en van niet onder dit Verdrag vallende stoffen, alsmede het gebruik van bolkaf voor de vervaardiging van verdovende middelen;
- (c). het verbruik van verdovende middelen;
- (d). de hoeveelheden in- en uitgevoerde verdovende middelen en bolkaf;
- (e). in beslag genomen verdovende middelen en de daaraan gegeven bestemming;
- (f). de voorraden verdovende middelen aanwezig op 31 december van het jaar waarop de statistieken betrekking hebben; en
- (g). de vast te stellen oppervlakte van de grond waarop de papaver wordt verbouwd.
- (a). De Statistieken die betrekking hebben op de in het eerste lid bedoelde onderwerpen, met uitzondering van letter (d), worden jaarlijks opgemaakt en worden niet later dan 30 juni volgende op het jaar waarop zij betrekking hebben, aan het Comité verstrekt.
- (b). de statistieken die betrekking hebben op de in letter (d) van het eerste lid bedoelde onderwerpen worden elk kwartaal opgemaakt en worden aan het Comité verstrekt binnen een maand na afloop van het kwartaal waarop zij betrekking hebben.
Partijen behoeven geen statistieken te verstrekken met betrekking tot bijzondere voorraden, doch verstrekken afzonderlijke statistieken betreffende in hun land of gebied voor bijzondere doeleinden ingevoerde of verkregen verdovende middelen, alsmede met betrekking tot hoeveelheden verdovende middelen, onttrokken aan bijzondere voorraden ter voldoening aan de behoeften van de burgerbevolking.
Partijen behoeven geen statistieken te verstrekken met betrekking tot bijzondere voorraden, doch verstrekken afzonderlijk statistieken betreffende in hun land of gebied voor bijzondere doeleinden ingevoerde of verkregen verdovende middelen, alsmede met betrekking tot hoeveelheden verdovende middelen, onttrokken aan bijzondere voorraden ter voldoening aan de behoeften van de burgerbevolking.
Artikel 21. Beperking van vervaardiging en invoer
Het totaal van de hoeveelheden van elk verdovend middel dat door welk land of gebied dan ook in enig jaar wordt vervaardigd en ingevoerd, mag het totaal der volgende hoeveelheden niet overtreffen:
- (a). de binnen de grens van de desbetreffende raming voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden verbruikte hoeveelheid;
- (b). de hoeveelheid gebruikt binnen de grens van de desbetreffende raming voor de vervaardiging van andere verdovende middelen, van preparaten van Lijst III en van niet onder dit Verdrag vallende stoffen;
- (c). de uitgevoerde hoeveelheid;
- (d). de hoeveelheid toegevoegd aan de voorraad teneinde die voorraad op het in de desbetreffende raming aangegeven peil te brengen; en
- (e). de hoeveelheid, binnen de grens van de desbetreffende raming voor bijzondere doeleinden verkregen.
Van het totaal der in lid 1 aangegeven hoeveelheden wordt eventueel afgetrokken elke hoeveelheid die in beslag is genomen en voor legaal gebruik is vrijgegeven, alsmede elke hoeveelheid onttrokken aan bijzondere voorraden om aan de behoeften van de burgerbevolking te voldoen.
Indien het Comité constateert, dat de in enig jaar vervaardigde en ingevoerde hoeveelheid het totaal van de in lid 1 aangeduide hoeveelheden overschrijdt, rekening houdende met de hoeveelheden die krachtens lid 2 van dit artikel moeten worden afgetrokken, wordt elk zodanig geconstateerd overschot dat aan het eind van het jaar nog over is, in het daarop volgende jaar afgetrokken van de te vervaardigen of in te voeren hoeveelheden en van het totaal van de ramingen omschreven in lid 2 van artikel 19.
- (a). Indien uit de statistieken betreffende in- of uitvoer (artikel 20) blijkt, dat de naar een bepaald land of gebied uitgevoerde hoeveelheid het totaal van de ramingen voor dat land of gebied als omschreven in lid 2 van artikel 19 overschrijdt, vermeerderd met de als uitgevoerd aangegeven hoeveelheden en na aftrekking van enig overschot als bedoeld in lid 3 van dit artikel, kan het Comité dit feit mededelen aan de Staten die naar zijn mening een dergelijke mededeling dienen te ontvangen.
- (b). Na ontvangst van zulk een mededeling zullen Partijen in de loop van het desbetreffende jaar geen verdere uitvoer van het betreffende verdovende middel naar dat land of gebied toestaan, behalve:
- (i). ingeval een aanvullende raming voor dat land of gebied is ingediend met betrekking tot zowel de te veel ingevoerde hoeveelheid als tot de aanvullende hoeveelheid die benodigd is, of
- (ii). in uitzonderlijke gevallen waarin de uitvoer naar de mening van de regering van het uitvoerende land noodzakelijk is voor de behandeling van zieken.
Artikel 21 bis. Beperking van de produktie van opium
De produktie van opium door een land of gebied dient op dusdanige wijze te worden georganiseerd en gecontroleerd, dat voor zover mogelijk de in een jaar geproduceerde hoeveelheid niet de raming van de te produceren opium zoals vastgesteld ingevolge artikel 19, eerste lid, letter (f), overschrijdt.
Indien het Comité op grond van overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag te zijner beschikking staande gegevens constateert dat een Partij die ingevolge artikel 19, eerste lid, letter (f), een raming heeft verstrekt, de binnen haar grenzen geproduceerde opium niet heeft beperkt tot wettige doeleinden overeenkomstig de desbetreffende ramingen en dat een aanzienlijke hoeveelheid van de al dan niet wettig binnen de grenzen van een zodanige Partij geproduceerde opium naar de sluikhandel is afgevloeid, kan het Comité, na bestudering van de verklaringen van de betrokken Partij, die aan het Comité dienen te worden gegeven binnen een maand na kennisgeving van de desbetreffende constatering, besluiten het geheel of een gedeelte van een zodanige hoeveelheid af te trekken van de te produceren hoeveelheid en van het totaal van de ramingen zoals omschreven in artikel 19, tweede lid, letter (b), voor het eerstvolgende jaar waarin een zodanige aftrek technisch kan worden verwezenlijkt, zulks met inachtneming van het jaargetijde en de contractuele verbintenissen tot uitvoer van opium. Dit besluit wordt van kracht negentig dagen nadat de betrokken Partij daarvan in kennis is gesteld.
Het Comité pleegt, na kennisgeving aan de betrokken Partij van het besluit dat het ingevolge het tweede lid hierboven heeft genomen met betrekking tot een aftrek, met die Partij overleg ten einde de situatie bevredigend op te lossen.
Indien de situatie niet bevredigend wordt opgelost, kan het Comité indien nodig het bepaalde in artikel 14 toepassen.
Het Comité houdt, wanneer het ingevolge het tweede lid hierboven een besluit ten aanzien van een aftrek neemt, niet alleen rekening met alle van belang zijnde omstandigheden, met inbegrip van die waaruit het sluikhandelprobleem bedoeld in het tweede lid hierboven voortvloeit, maar ook met alle van belang zijnde nieuwe maatregelen van toezicht die de Partij heeft genomen.
Artikel 22. Bijzondere bepaling van toepassing op de verbouw
In alle gevallen waarin, gezien de in het land of het gebied van een Partij heersende omstandigheden, het verbod van de verbouw van de papaver, de cocaplant of de cannabisplant naar de mening van die Partij de meest geschikte maatregel is om de volksgezondheid en het openbaar welzijn te beschermen en om te verhinderen dat verdovende middelen een weg vinden naar de sluikhandel, verbiedt de betrokken Partij de verbouw.
Een Partij die de verbouw van de papaver of de cannabisplant verbiedt, neemt passende maatregelen tot inbeslagneming en vernietiging van clandestien verbouwde planten, met uitzondering van kleine hoeveelheden die de Partij nodig heeft voor wetenschappelijke doeleinden of voor onderzoek.
Artikel 23. Nationale opiumbureaus
Een Partij die de verbouw van papaver voor de produktie van opium toelaat, richt, indien zij dit niet reeds heeft gedaan, een of meer regeringsbureaus (hierna in dit artikel te noemen Bureau) op en houdt deze in stand om de in dit artikel vereiste werkzaamheden uit te voeren.
Elke zodanige Partij past de volgende bepalingen toe op de verbouw van de papaver voor de produktie van opium en op opium:
- (a). het Bureau geeft de gebieden aan waarin, en de stukken land waarop, de verbouw van de papaver voor de produktie van opium is toegelaten;
- (b). alleen verbouwers die een desbetreffende vergunning van het Bureau hebben ontvangen zijn gerechtigd de verbouw uit te oefenen;
- (c). in elke vergunning wordt de oppervlakte van het land waarop de verbouw is toegelaten vermeld;
- (d). alle verbouwers van papaver zijn verplicht hun gehele opiumoogst aan het Bureau af te leveren. Het Bureau dient deze oogst zo spoedig mogelijk aan te kopen en in daadwerkelijk bezit te nemen, doch niet later dan vier maanden na beëindiging van de oogstwerkzaamheden;
- (e). met betrekking tot opium heeft het Bureau het alleenrecht van invoer, uitvoer, groothandel en het aanhouden van andere voorraden dan die welke beheerd worden door fabrikanten van opiumalkaloïden, medicinale opium of opiumpreparaten. Partijen behoeven dit alleenrecht niet uit te breiden tot medicinale opium en opiumpreparaten.
De in lid 2 bedoelde overheidstaken worden uitgeoefend door een enkel regeringsbureau, indien de grondwet van de betrokken Partij dit toelaat.
Artikel 24. Beperking van de produktie van opium bestemd voor de internationale handel
- (a). Indien een Partij met de produktie van opium wenst te beginnen of de bestaande opiumproduktie wenst te vergroten, houdt zij rekening met de op dat ogenblik bestaande wereldbehoefte aan opium zoals die blijkt uit de door het Comité gepubliceerde ramingen, opdat de produktie van opium door die Partij geen overproduktie van opium in de wereld ten gevolge heeft.
- (b). Een Partij laat de produktie van opium niet toe of vergroot de bestaande produktie daarvan niet, indien zij van mening is, dat deze produktie of vergrote produktie op haar gebied tot sluikhandel in opium kan leiden.
- (a). Indien, met inachtneming van lid 1, een Partij die op 1 januari 1961 geen opium voor de uitvoer produceerde door haar geproduceerde opium wenst uit te voeren in hoeveelheden die jaarlijks niet meer dan vijf ton bedragen, stelt zij het Comité hiervan in kennis en verstrekt hierbij gegevens betreffende: het Comité kan een dergelijke mededeling goedkeuren of de Partij aanbevelen geen opium voor uitvoer te produceren.
- (i). het krachtens dit Verdrag van kracht zijnde toezicht betreffende de te produceren en uit te voeren opium; en
- (ii). de naam van het land of van de landen waarnaar zij opium denkt uit te voeren;
- (b). Indien een andere Partij dan die bedoeld in lid 3, opium voor uitvoer wenst te produceren in hoeveelheden die meer bedragen dan vijf ton per jaar, stelt zij de Raad hiervan in kennis en verstrekt hierbij de terzake dienende gegevens, waaronder begrepen: de Raad kan een dergelijke mededeling goedkeuren of de Partij aanbevelen geen opium voor uitvoer te produceren.
- (i). de raming der hoeveelheden die voor uitvoer geproduceerd moeten worden;
- (ii). het bestaande toezicht of het alsnog in te stellen toezicht betreffende de te produceren opium;
- (iii). de naam van het land of van de landen waarnaar zij deze opium denkt uit te voeren;
Ondanks het bepaalde in de alinea's (a ) en (b ) van lid 2 mag een Partij die gedurende tien jaar onmiddellijk voorafgaande aan 1 januari 1961 door haar geproduceerde opium uitvoerde, voortgaan met de uitvoer van door haar geproduceerde opium.
- (a). Een Partij voert geen opium van enigerlei land of gebied in, met uitzondering van opium die wordt geproduceerd op het grondgebied van:
- (i). een in lid 3 bedoelde Partij;
- (ii). een Partij die mededeling heeft gedaan aan het Comité zoals bepaald in alinea (a ) van lid 2; of
- (iii). een Partij die de goedkeuring van de Raad heeft verkregen zoals bepaald in alinea (b) van lid 2.
- (b). Ondanks het bepaalde in alinea (a) van dit lid, mag een Partij opium invoeren, die geproduceerd werd door een land dat opium produceerde en uitvoerde gedurende een periode van tien jaar voorafgaande aan 1 januari 1961, indien zulk een land een nationaal orgaan of bureau van toezicht als bedoeld in artikel 23 heeft opgericht en onderhoudt en over doeltreffende middelen beschikt om ervoor te zorgen, dat de door haar geproduceerde opium niet zijn weg in de sluikhandel vindt.
De bepalingen van dit Verdrag beletten een Partij niet:
- (a). opium in voldoende hoeveelheden te produceren voor haar eigen behoeften, of
- (b). in de sluikhandel in beslag genomen opium naar een andere Partij uit te voeren in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.
Artikel 25. Toezicht op bolkaf
Een Partij die de verbouw van de papaver toelaat voor andere doeleinden dan de produktie van opium, neemt alle maatregelen die nodig zijn om te verzekeren,
- (a). dat uit die papaver geen opium wordt bereid;
- (b). dat op de vervaardiging van verdovende middelen uit bolkaf in voldoende mate toezicht wordt uitgeoefend.
Partijen passen op bolkaf het stelsel van invoercertificaten en uitvoervergunningen toe als bepaald in artikel 31, leden 4 t/m 15.
Partijen verstrekken statistieken over de in- en uitvoer van bolkaf zoals dit voor verdovende middelen krachtens artikel 20, leden 1(d ) en 2(b ), is vereist.
Artikel 26. De cocaplant en de cocabladeren
Indien een Partij de verbouw van de cocaplant toelaat past zij, zowel op de cocaplant als op de cocabladeren, de bepalingen van toezicht van artikel 23 met betrekking tot het toezicht op de papaver toe, maar, wat lid 2(d) van dat artikel betreft, gaan de daarin aan het Bureau opgelegde verplichtingen niet verder dan het daadwerkelijk in bezit nemen van de oogst zodra dit na het binnenhalen daarvan mogelijk is.
Partijen dienen in het wild groeiende cocaplanten zoveel mogelijk te doen ontwortelen. Zij vernietigen illegaal verbouwde cocaplanten.
Artikel 27. Aanvullende bepalingen betreffende cocabladeren
Partijen kunnen het gebruik van cocabladeren voor de bereiding van een aromaticum dat geen alkaloïden bevat, toelaten en kunnen, voor zover dit gebruik dit eist, de produktie, de in- en uitvoer van, de handel in en het bezit van deze bladeren toestaan.
Partijen dienen afzonderlijk ramingen (artikel 19) en statistieken (artikel 20) in met betrekking tot cocabladeren voor de bereiding van zulk een aromaticum, behalve voor zover dezelfde cocabladeren worden gebruikt voor de extractie van zowel alkaloïden als aromatica, en derhalve in de ramingen en statistieken worden verantwoord.
Artikel 28. Het toezicht op de cannabis plant
Indien een Partij de verbouw van de cannabisplant toelaat voor de produktie van cannabis of cannabishars, past zij daarop toe de bepalingen van toezicht van artikel 23 met betrekking tot het toezicht op de papaver.
Dit Verdrag is niet van toepassing op de verbouw van de cannabisplant uitsluitend voor industriële doeleinden (vezel en zaad) of voor tuinbouw-doeleinden.
Partijen nemen de maatregelen die noodzakelijk zijn om het misbruik van en de sluikhandel in de bladeren van de cannabisplant te verhinderen.
Artikel 29. Vervaardiging
Partijen stellen de vervaardiging van verdovende middelen afhankelijk van een verlof, tenzij die vervaardiging plaatsvindt door een staatsonderneming of staatsondernemingen.
Partijen dienen:
- (a). toezicht te houden op alle personen en ondernemingen die zich bezighouden met en deelnemen aan de vervaardiging van verdovende middelen;
- (b). de inrichtingen en gebouwen waarin deze vervaardiging kan plaatsvinden aan een vergunningenstelsel te onderwerpen; en
- (c). ervoor te zorgen, dat de fabrikanten die verlof hebben verdovende middelen te vervaardigen, zich in het bezit stellen van periodieke vergunningen waarin de soorten en de hoeveelheden verdovende middelen die zij rechtens mogen vervaardigen nauwkeurig zijn omschreven. Een periodieke vergunning is echter niet vereist voor preparaten.
Partijen verhinderen, dat zich bij de fabrikanten van verdovende middelen hoeveelheden verdovende middelen en bolkaf ophopen die de voorraden die voor het normale functioneren van het bedrijf noodzakelijk zijn, overschrijden; een en ander met inachtneming van de bestaande afzetmogelijkheden.
Artikel 30. Handel en afgifte
- (a). Partijen stellen de handel in en de afgifte van verdovende middelen afhankelijk van een verlof, tenzij die handel of afgifte plaatsvindt door een staatsonderneming of staatsondernemingen.
- (b). Partijen dienen:
- (i). toezicht te houden op alle personen en ondernemingen die zich bezighouden met of deelnemen aan de handel in of de afgifte van verdovende middelen;
- (ii). de inrichtingen en gebouwen waarin deze handel of afgifte plaatsvindt aan een vergunningenstelsel te onderwerpen. Dit vergunningenstelsel behoeft echter niet te gelden voor preparaten.
- (c). De bepalingen van de alinea's (a ) en (b ) die betrekking hebben op het vergunningenstelsel, behoeven niet te gelden voor personen die gerechtigd zijn therapeutische of wetenschappelijke functies uit te oefenen en deze functies daadwerkelijk uitoefenen.
Partijen dienen eveneens:
- (a). te verhinderen, dat zich bij de handelaren, de personen die zich met de afgifte bezighouden, de staatsondernemingen of de hierboven bedoelde gerechtigde personen hoeveelheden verdovende middelen en bolkaf ophopen die de voorraden die voor het normale functioneren van het bedrijf noodzakelijk zijn, overschrijden; een en ander met inachtneming van de bestaande afzetmogelijkheden en
- (b).
- (i). te eisen, dat verdovende middelen slechts op geneeskundig voorschrift worden verstrekt of afgeleverd aan particuliere personen. Dit behoeft niet te gelden voor verdovende middelen die particuliere personen rechtmatig kunnen verkrijgen, gebruiken, afleveren of toedienen in verband met de geneeskundige handelingen waartoe zij gerechtigd zijn; en
- (ii). indien Partijen zulke maatregelen nodig of gewenst achten, te eisen, dat voor geneeskundige voorschriften voor verdovende middelen van Lijst I officiële formulieren worden gebruikt, die door de bevoegde regeringsinstanties of door daartoe gerechtigde beroepsverenigingen in de vorm van boekjes met souches worden afgegeven.
Het is wenselijk, dat Partijen eisen, dat in geschreven of gedrukte offertes van verdovende middelen, advertenties van welke aard ook, of brochures die betrekking hebben op verdovende middelen en voor handelsdoeleinden worden gebruikt, op de binnenverpakking van pakjes verdovende middelen, alsmede op de etiketten waaronder de verdovende middelen te koop worden aangeboden, de door de Wereldgezondheidsorganisatie medegedeelde niet-beschermde internationale benaming staat aangegeven.
Indien een Partij dit noodzakelijk of wenselijk acht, eist zij, dat de binnenverpakking van het verdovende middel van een duidelijk zichtbare dubbele rode band is voorzien. De buiten verpakking van zulk een verdovend middel mag niet van een dubbele rode band zijn voorzien.
Partijen eisen, dat het etiket waaronder een geneesmiddel te koop wordt aangeboden, het verdovende bestanddeel of de verdovende bestanddelen die dit bevat met name aanduidt evenals het gewicht en het percentage. Deze eis is niet van toepassing op een aan een particulier persoon op geneeskundig voorschrift afgeleverd verdovend middel.
De bepalingen van de leden 2 en 5 zijn niet noodzakelijkerwijze van toepassing op de kleinhandel in of de afgifte in het klein van de verdovende middelen van Lijst II.
Artikel 31. Bijzondere bepalingen met betrekking tot de internationale handel
Partijen laten met hun medeweten de uitvoer van verdovende middelen naar enigerlei land of gebied niet toe dan:
- (a). overeenkomstig de wetten en regelingen van dat land of gebied; en
- (b). binnen de grenzen van het totaal der ramingen voor dat land of gebied zoals omschreven in lid 2 van artikel 19, vermeerderd met de hoeveelheden die voor wederuitvoer bestemd zijn.
Partijen oefenen in vrijhavens en vrije douanezones hetzelfde toezicht en dezelfde controle uit als in andere delen van hun gebieden; met dien verstande echter, dat zij ingrijpender maatregelen mogen nemen.
Partijen dienen:
- (a). de in- en uitvoer van verdovende middelen, behalve waar deze door een staatsonderneming of staatsondernemingen plaatsvindt, aan een vergunningenstelsel te onderwerpen;
- (b). toezicht uit te oefenen op alle personen en ondernemingen die zich met deze in- of uitvoer bezighouden of er aan deelnemen.
- (a). Iedere Partij die de in- of uitvoer van verdovende middelen toelaat eist, dat voor elke in- of uitvoer, onafhankelijk of deze betrekking heeft op een of meer verdovende middelen, een afzonderlijke in- of uitvoervergunning wordt verkregen.
- (b). Deze vergunning geeft aan de naam van het verdovende middel, de eventuele niet-beschermde internationale benaming, de in- of uit te voeren hoeveelheid, de naam en het adres van de importeur en van de exporteur, alsmede een nauwkeurige aanduiding van de termijn waarbinnen de in- of uitvoer dient plaats te vinden.
- (c). De uitvoervergunning geeft eveneens aan het nummer en de dagtekening van het invoercertificaat (lid 5), alsmede de instantie die het heeft afgegeven.
- (d). De invoervergunning kan invoer in meer dan een zending toestaan.
Alvorens een uitvoervergunning af te geven eisen Partijen het overleggen van een invoercertificaat, afgegeven door de bevoegde instanties van het invoerende land of gebied, waarin wordt verklaard, dat de invoer van het daarin bedoelde verdovende middel of de daarin bedoelde verdovende middelen is goedgekeurd; dit certificaat moet worden overgelegd door de persoon of instelling die de uitvoervergunning aanvraagt. Partijen houden zich zoveel mogelijk aan de door de Commissie goedgekeurde vorm der invoer certificaten.
Een afschrift van de uitvoervergunning begeleidt de zending en de regering die de uitvoervergunning afgeeft, zendt hiervan een afschrift aan de regering van het invoerende land of gebied.
- (a). Wanneer de invoer heeft plaatsgevonden of wanneer de voor de invoer vastgestelde termijn is verstreken, zendt de regering van het invoerende land of gebied de uitvoervergunning met een desbetreffende aantekening aan de regering van het uitvoerende land of gebied terug.
- (b). De voornoemde aantekening geeft de daadwerkelijk ingevoerde hoeveelheid nauwkeurig aan.
- (c). Indien de in werkelijkheid uitgevoerde hoeveelheid kleiner is dan die welke is aangegeven in de uitvoervergunning, vermelden de bevoegde instanties de daadwerkelijk uitgevoerde hoeveelheid op de uitvoervergunning, alsmede op elk officieel afschrift daarvan.
Uitvoer van zendingen gericht aan een postbusadres of aan een bank ter rekening van een andere persoon dan die genoemd in de uitvoervergunning is verboden.
Uitvoer van zendingen naar een entrepot is verboden tenzij de regering van het invoerende land op het invoercertificaat dat wordt overgelegd door de persoon of instelling die om de uitvoervergunning heeft verzocht, verklaart, dat zij de invoer van de goederen in entrepot heeft goedgekeurd. In zodanig geval dient in de uitvoervergunning duidelijk te zijn aangegeven, dat de zending voor dit doel wordt uitgevoerd. Voor de uitslag van de goederen uit het entrepot is de toestemming nodig van de autoriteiten waaronder het entrepot ressorteert en, indien de goederen voor het buitenland bestemd zijn, dienen zij te worden behandeld alsof het een nieuwe uitvoer betrof in de zin van dit Verdrag.
Zendingen van verdovende middelen die het gebied van een Partij binnenkomen of dit verlaten zonder begeleidende uitvoervergunning, worden door de bevoegde autoriteiten vastgehouden.
Een Partij laat niet toe, dat aan een ander land gezonden verdovende middelen door haar gebied worden vervoerd, om het even of de zending uit het desbetreffende vervoermiddel wordt verwijderd of niet, tenzij een afschrift van de uitvoervergunning voor een dergelijke zending aan de bevoegde autoriteiten van die Partij wordt overgelegd.
De bevoegde autoriteiten van een land of gebied waardoor een zending verdovende middelen mag worden vervoerd nemen alle noodzakelijke maatregelen om afwijking van de bestemming van deze zending van die welke is aangegeven op het afschrift van de uitvoervergunning dat de zending begeleidt, te beletten, tenzij de regering van dat land of gebied waardoor de zending wordt vervoerd hiertoe machtiging heeft gegeven. De regering van het land of het gebied waardoor doorvoer plaatsvindt behandelt elk verzoek tot wijziging van bestemming alsof deze gewijzigde bestemming een uitvoer betrof van het land of gebied van doorvoer naar het land of gebied van de nieuwe bestemming. Indien voor de wijziging van bestemming machtiging is verleend, zijn de bepalingen van lid 7 (a ) en (b ) eveneens van toepassing tussen het land of gebied waardoor doorvoer plaatsvindt en het land of gebied dat de zending oorspronkelijk heeft uitgevoerd.
Geen zending van verdovende middelen mag, gedurende de doorvoer of de opslag in douane-entrepôt worden onderworpen aan enigerlei bewerking die verandering zou kunnen brengen in de aard van de desbetreffende verdovende middelen. De verpakking mag niet worden gewijzigd zonder vergunning van de bevoegde autoriteiten.
De bepalingen van de leden 11 t/m 13 met betrekking tot het vervoer van verdovende middelen door het gebied van een Partij zijn niet van toepassing indien de desbetreffende zending wordt vervoerd door een luchtvaartuig dat niet landt in het land of het gebied van doorvoer. Indien het luchtvaartuig in dit land of op dit gebied landt, worden deze bepalingen, voorzover de omstandigheden dit noodzakelijk maken, toegepast.
De bepalingen van dit Verdrag laten onaangetast de bepalingen van internationale overeenkomsten die het toezicht beperken dat door enige Partij op verdovende middelen in doorvoer wordt uitgeoefend.
De bepalingen van dit artikel, met uitzondering van de leden 1(a ) en 2, behoeven niet van toepassing te zijn op de preparaten van Lijst III.
Artikel 32. Bijzondere bepalingen betreffende het vervoer van verdovende middelen in verbandkisten voor eerste hulp aan boord van schepen of luchtvaartuigen gebruikt voor het internationale verkeer
Het internationale vervoer door schepen of luchtvaartuigen van beperkte hoeveelheden verdovende middelen die gedurende de reis voor eerste hulp of noodgevallen nodig zijn, wordt niet beschouwd als in-, uit- of doorvoer in de zin van dit Verdrag.
Het land waar de schepen of luchtvaartuigen zijn geregistreerd neemt passende maatregelen om te verhinderen, dat de in lid 1 bedoelde verdovende middelen op ongeoorloofde wijze worden gebruikt of hun weg vinden in de sluikhandel. In overleg met de bevoegde internationale organisaties beveelt de Commissie deze maatregelen aan.
De verdovende middelen, door schepen of luchtvaartuigen overeenkomstig lid 1 vervoerd, zijn onderworpen aan de wetten, regelingen, machtigingen en vergunningen van het land waar zij zijn geregistreerd, en wel zonder aantasting van het eventuele recht van de bevoegde plaatselijke autoriteiten om controles, inspecties en andere maatregelen van toezicht aan boord van de schepen of luchtvaartuigen uit te voeren. De toediening van dergelijke verdovende middelen in geval van nood wordt niet beschouwd als schending van de bepalingen van artikel 30, lid 2(b ).
Artikel 33. Het bezit van verdovende middelen
Partijen laten het bezit van verdovende middelen niet toe zonder wettige toestemming.
Artikel 34. Maatregelen van toezicht en inspectie
Partijen eisen:
- (a). dat alle personen die krachtens de bepalingen van dit Verdrag vergunning hebben verkregen of die leidinggevende of toezichthoudende functies bekleden in een overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag opgerichte staatsonderneming voldoende bekwaamheden bezitten voor de doelmatige en stipte uitvoering van de krachtens dit Verdrag tot stand gekomen wetten en regelingen; en
- (b). dat regeringsinstanties, fabrikanten, handelaren, wetenschapsmensen, wetenschappelijke instellingen en ziekenhuizen registers bijhouden, waarin de hoeveelheden van elk vervaardigd verdovend middel, elke afzonderlijke aanschaffing van verdovende middelen, alsmede elke afzonderlijke bestemming gegeven aan verdovende middelen, worden ingeschreven. De registers worden gedurende een tijdvak van ten minste twee jaar bewaard. Waar boekjes met souches (artikel 30, lid 2(b )) voor officiële geneeskundige voorschriften worden gebruikt, worden deze boekjes en souches eveneens gedurende een tijdvak van ten minste twee jaar bewaard.
Artikel 35. Strijd tegen de sluikhandel
Met inachtneming van hun grondwettelijk stelsel, rechtsstelsel en administratief stelsel, dienen Partijen:
- (a). regelingen te treffen op nationaal niveau voor de coördinatie van preventieve en repressieve maatregelen tegen de sluikhandel; te dien einde kunnen zij een daarvoor in aanmerking komende instantie aanwijzen, die zich met deze coördinatie zal belasten;
- (b). elkaar bij te staan bij de bestrijding van de sluikhandel in verdovende middelen;
- (c). nauw met elkaar en met de bevoegde internationale organisaties waarvan zij lid zijn, samen te werken ten einde een gecoördineerde strijd tegen de sluikhandel te voeren;
- (d). ervoor zorg te dragen, dat de samenwerking tussen de desbetreffende instanties op vlotte wijze verloopt;
- (e). ervoor te zorgen, dat indien rechtsbescheiden naar het buitenland worden gezonden ten behoeve van een strafvervolging, dit op vlotte wijze geschiedt aan de door de Partijen daartoe aangewezen instanties. Deze bepaling tast het recht van een Partij niet aan te eisen, dat de rechtsbescheiden haar langs diplomatieke weg worden toegezonden;
- (f). wanneer zij zulks passend achten, het Comité en via de Secretaris-Generaal de Commissie, behalve de in artikel 18 vereiste gegevens, tevens gegevens te verstrekken inzake clandestiene activiteiten met betrekking tot verdovende middelen binnen hun grenzen, met inbegrip van gegevens inzake clandestiene verbouw, produktie, vervaardiging en gebruik van, en sluikhandel in verdovende middelen; en
- (g). de in de voorgaande letter bedoelde gegevens voor zover mogelijk te verstrekken op de wijze en op de tijdstippen die het Comité verzoekt; op verzoek van een Partij, kan het Comité adviseren bij het verstrekken van de gegevens en bij het streven naar beperking van de clandestiene activiteiten met betrekking tot verdovende middelen binnen de grenzen van die Partij.
Artikel 36. Strafbepalingen
- (a). Met inachtneming van de beperkingen door haar grondwet opgelegd, neemt elke Partij maatregelen ten einde ervoor te zorgen, dat de verbouw, produktie, vervaardiging, extractie, bereiding, het bezit, aanbod, aanbod ten verkoop, de distributie, aankoop, verkoop, levering op welke voorwaarde ook, makelaardij, verzending, verzending in doorvoer, het vervoer en de in- en uitvoer van verdovende middelen in strijd met de bepalingen van dit Verdrag, alsmede elke andere handeling die naar de mening van die Partij in strijd is met de bepalingen van dit Verdrag, als strafbare feiten worden beschouwd indien zij opzettelijk worden begaan en dat het begaan van ernstige strafbare feiten op passende wijze wordt gestraft, in het bijzonder met gevangenisstraf of andere vrijheidsstraffen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)