Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, 1961, zoals gewijzigd door het Protocol tot wijziging van het Enkelvoudige Verdrag inzake verdovende middelen, 1961

Type Verdrag
Publication 2025-06-09
Laatst bijgewerkt 1988-04-25
State In force
Source BWB
artikelen 54
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

De Partijen,

Bezorgd om de gezondheid en het welzijn der mensheid,

Erkennende, dat het geneeskundig gebruik van verdovende middelen onmisbaar blijft voor het verzachten van pijn en lijden en dat voldoende maatregelen moeten worden genomen om te verzekeren, dat verdovende middelen voor die doeleinden beschikbaar zijn,

Erkennende, dat verslaving aan verdovende middelen een ernstig kwaad vormt voor de mens persoonlijk en vele sociale en economische gevaren met zich medebrengt voor de mensheid,

Zich bewust van hun plicht om dit kwaad te voorkomen en te bestrijden,

Overwegende, dat doeltreffende maatregelen tegen het misbruik van verdovende middelen een gecoördineerd en wereldomspannend optreden vereisen,

Beseffende, dat een dergelijk wereldomspannend optreden internationale samenwerking nodig maakt, die geleid wordt door dezelfde beginselen en gericht is op gemeenschappelijke doelstellingen,

Erkennende, dat de Verenigde Naties bevoegd zijn op het gebied van het toezicht op verdovende middelen en verlangende te bewerkstelligen, dat de desbetreffende internationale organen binnen het kader van die Organisatie worden geplaatst,

Verlangende een algemeen aanvaardbaar internationaal verdrag te sluiten ter vervanging van de bestaande verdragen inzake verdovende middelen, waarbij het gebruik van die verdovende middelen beperkt wordt tot gebruik voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden en waarbij maatregelen worden genomen ter verzekering van een voortdurende internationale samenwerking en een voortdurend internationaal toezicht voor het bereiken van die doelstellingen,

Komen overeen als volgt:

Artikel 1. Definities

1.

Behalve voorzover uitdrukkelijk anders is bepaald of waar het zinsverband een andere uitleg vereist, gelden in het gehele Verdrag de volgende definities:

2.

In dit Verdrag wordt een verdovend middel als „verbruikt” beschouwd, wanneer het is geleverd aan een persoon of onderneming voor afgifte in het klein, voor geneeskundig gebruik of voor wetenschappelijk onderzoek; de uitdrukking „verbruik” wordt op overeenkomstige wijze uitgelegd.

Artikel 2. Stoffen onder toezicht

1.

Behalve wat betreft maatregelen van toezicht die beperkt zijn tot bepaalde verdovende middelen, zijn de verdovende middelen van Lijst I onderworpen aan alle maatregelen van toezicht die van toepassing zijn op verdovende middelen die onder dit Verdrag vallen en, in het bijzonder, aan die maatregelen die zijn vervat in de artikelen 4 (c ), 19, 20, 21, 29, 30, 31, 32, 33, 34 en 37.

2.

De verdovende middelen van Lijst II zijn onderworpen aan dezelfde maatregelen van toezicht als de verdovende middelen van Lijst I, met uitzondering van de maatregelen voorgeschreven in artikel 30, leden 2 en 5, ten aanzien van de kleinhandel.

3.

Andere preparaten dan die van Lijst III zijn onderworpen aan dezelfde maatregelen van toezicht als de verdovende middelen die zij bevatten, doch ramingen (artikel 19) en statistieken (artikel 20) die geen betrekking hebben op deze verdovende middelen zijn niet vereist, indien het dergelijke preparaten betreft; de bepalingen van artikel 29, lid 2 (c ), en artikel 30, lid 1 (b ) (ii), zijn dan niet van toepassing.

4.

De preparaten van Lijst III zijn onderworpen aan dezelfde maatregelen van toezicht als de preparaten die verdovende middelen van Lijst II bevatten, met dien verstande dat artikel 31, eerste lid, letter (b) en de leden 3 tot en met 15, en, wat betreft de aanschaffing en verkoop in de kleinhandel van deze preparaten, artikel 34, letter (b), niet van toepassing zijn en dat voor ramingen (artikel 19) en statistieken (artikel 20) de vereiste inlichtingen beperkt zijn tot de bij de vervaardiging van dergelijke preparaten gebruikte hoeveelheden verdovende middelen.

5.

De verdovende middelen van Lijst IV zijn tevens opgenomen in Lijst I en onderworpen aan alle maatregelen van toezicht die van toepassing zijn op de verdovende middelen van laatstgenoemde Lijst, terwijl bovendien:

6.

Behalve aan de maatregelen van toezicht die van toepassing zijn op alle verdovende middelen van Lijst I, is opium onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 19, eerste lid, letter (f), 21 bis, 23 en 24, cocablad aan die van de artikelen 26 en 27 en cannabis aan die van artikel 28.

7.

De papaver, de cocaplant, de cannabisplant, bolkaf en cannabisbladeren zijn onderworpen aan de maatregelen van toezicht vervat in onderscheidenlijk de artikelen 19, eerste lid, letter (e), 20, eerste lid, letter (g), 21 bis, en 22 tot en met 24; 22, 26 en 27; 22 en 28; 25; en 28.

8.

Partijen zullen alles in het werk stellen om op stoffen die niet onder dit Verdrag vallen doch die gebruikt kunnen worden bij de klandestiene vervaardiging van verdovende middelen, alle uitvoerbare maatregelen van toezicht toe te passen.

9.

Partijen zijn niet verplicht de bepalingen van dit Verdrag toe te passen op verdovende middelen die gewoonlijk in de industrie worden gebruikt voor niet-geneeskundige of niet-wetenschappelijke doeleinden, op voorwaarde dat:

Artikel 3. Wijzigingen in de omvang van het toezicht

1.

Indien een Partij of de Wereldgezondheidsorganisatie over inlichtingen beschikt,die naar haar mening een wijziging van één der Lijsten noodzakelijk maken, doet zij daarvan mededeling aan de Secretaris-Generaal en verschaft hem alle inlichtingen ter ondersteuning van deze mededeling.

2.

De Secretaris-Generaal geeft een dergelijke mededeling, alsmede alle inlichtingen die naar zijn mening terzake dienende zijn, door aan Partijen, aan de Commissie en, indien de mededeling wordt gedaan door een Partij, aan de Wereldgezondheidsorganisatie.

3.

Indien een mededeling betrekking heeft op een stof die niet reeds is vermeld in Lijst I of Lijst II,

4.

Indien de Wereldgezondheidsorganisatie van oordeel is, dat een preparaat tengevolge van de stoffen die het bevat geen aanleiding kan geven tot misbruik en geen nadelige uitwerking kan hebben (lid 3) en dat het verdovende middel dat het bevat niet gemakkelijk kan worden teruggewonnen, kan de Commissie, in overeenstemming met de aanbeveling van de Wereldgezondheidsorganisatie, dat preparaat toevoegen aan Lijst III.

5.

Indien de Wereldgezondheidsorganisatie van oordeel is, dat een verdovend middel van Lijst I in bijzondere mate aanleiding kan geven tot misbruik en tot een nadelige uitwerking (lid 3) en dat daartegenover geen aanzienlijke therapeutische voordelen staan die niet behoren tot de eigenschappen van niet op Lijst IV voorkomende verdovende middelen, kan de Commissie, in overeenstemming met de aanbeveling van de Wereldgezondheidsorganisatie, dat verdovend middel in Lijst IV opnemen.

6.

Indien een mededeling betrekking heeft op een verdovend middel dat reeds is opgenomen in Lijst I of Lijst II of op een preparaat van Lijst III, kan de Commissie, behalve de in lid 5 bedoelde maatregelen, in overeenstemming met de aanbeveling van de Wereldgezondheidsorganisatie elk der Lijsten wijzigen door:

7.

Elk door de Commissie ingevolge dit artikel genomen besluit wordt door de Secretaris-Generaal medegedeeld aan alle Lid-Staten van de Verenigde Naties, aan alle Staten die geen Partij bij dit Verdrag zijn, aan de Wereldgezondheidsorganisatie en aan het Comité. Een dergelijk besluit wordt ten aanzien van elke Partij van kracht op de datum van ontvangst van een dergelijke mededeling, waarna Partijen alle maatregelen nemen, die krachtens dit Verdrag vereist zijn.

9.

Door de Commissie overeenkomstig dit artikel genomen besluiten zijn niet onderworpen aan de in artikel 7 voorziene herzieningsprocedure.

Artikel 4. Algemene verplichtingen

Partijen nemen de wetgevende en administratieve maatregelen die nodig zijn om

Artikel 5. De internationale organen van toezicht

Partijen, de bevoegdheid van de Verenigde Naties op het gebied van het internationale toezicht op verdovende middelen erkennende, komen overeen aan de Commissie voor verdovende middelen van de Economische en Sociale Raad en aan het Internationale Comité van Toezicht op verdovende middelen de werkzaamheden toe te vertrouwen, die ieder van hen krachtens dit Verdrag onderscheidenlijk zijn opgedragen.

Artikel 6. De kosten van de internationale organen van toezicht

De kosten van de Commissie en het Comité zullen door de Verenigde Naties worden gedragen op een door de Algemene Vergaring vast te stellen wijze. De Partijen die geen Lid zijn van de Verenigde Naties dragen aan deze kosten de sommen bij, die de Algemene Vergadering billijk acht en van tijd tot tijd na overleg met de regeringen van deze Partijen vaststelt.

Artikel 7. Herziening van besluiten en aanbevelingen van de Commissie

Behalve wat de krachtens artikel 3 genomen besluiten betreft, zijn alle door de Commissie overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag genomen besluiten of aangenomen aanbevelingen onderworpen aan goedkeuring of wijziging door de Raad of de Algemene Vergadering op dezelfde wijze als andere besluiten of aanbevelingen van de Commissie.

Artikel 8. Werkzaamheden van de Commissie

De Commissie is bevoegd alle vraagstukken die betrekking hebben op de doelstellingen van dit Verdrag in overweging te nemen; zij is in het bijzonder bevoegd om:

Artikel 9. Samenstelling en werkzaamheden van het Comité

1.

Het Comité bestaat uit dertien leden, die door de Raad als volgt worden gekozen:

2.

De Leden van de Raad dienen personen te zijn die door hun kundigheid, onpartijdigheid en onbaatzuchtigheid algemeen vertrouwen genieten. Gedurende hun ambtstermijn mogen zij geen positie bekleden of werkzaamheden uitoefenen die bij de uitoefening van hun werkzaamheden afbreuk zouden kunnen doen aan hun onpartijdigheid. In overleg met het Comité treft de Raad alle maatregelen die nodig zijn om te verzekeren, dat het Comité in technisch opzicht volledig onafhankelijk zal zijn bij het verrichten van zijn werkzaamheden.

3.

Zich baserend op het beginsel van billijke aardrijkskundige vertegenwoordiging, houdt de Raad rekening met het belang om in het Comité, in billijke verhouding, personen op te nemen die bekend zijn met de situatie op het gebied van verdovende middelen in de producerende landen, de fabrieks- en verbruikslanden, en die met deze landen een binding hebben.

4.

In samenwerking met de Regeringen en onder voorbehoud van de voorwaarden van dit Verdrag, streeft het Comité naar beperking van de verbouw, de produktie, de vervaardiging en het gebruik van verdovende middelen tot een hoeveelheid die voldoende is voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden, naar verzekering van de beschikbaarheid van verdovende middelen voor zodanige doeleinden en naar voorkoming van clandestiene verbouw, produktie en vervaardiging van, sluikhandel in en clandestien gebruik van verdovende middelen.

5.

De uit hoofde van dit Verdrag door het Comité genomen maatregelen dienen volldig in overeenstemming te zijn met het doel, de samenwerking van Regeringen met het Comité te bevorderen en een instrument te bieden voor een voortdurende dialoog tussen de Regeringen en het Comité, dat aan doeltreffend nationaal optreden hulp zal bieden en dit zal vergemakkelijken ten einde de doelstellingen van dit Verdrag te bereiken.

Artikel 10. Ambtstermijn en salariëring van de leden van het Comité

1.

De ambtstermijn van de leden van het Comité is vijf jaar; zij kunnen worden herkozen.

2.

De ambtstermijn van elk lid van het Comité loopt af op de vooravond van de eerste bijeenkomst van het Comité; de opvolger van dit lid kan die bijeenkomst rechtens bijwonen.

3.

Een lid van het Comité dat drie opeenvolgende zittingen niet heeft bijgewoond, wordt geacht zijn ontslag te hebben ingediend.

4.

Op aanbeveling van het Comité kan de Raad een lid van het Comité ontslaan, indien dit lid niet meer voldoet aan de in artikel 9, tweede lid, gestelde voorwaarden voor het lidmaatschap. Negen leden van het Comité moeten voor een dergelijke aanbeveling hebben gestemd.

5.

Indien zich gedurende de ambtstermijn van een lid een vacature in het Comité voordoet, vervult de Raad deze vacature zo spoedig mogelijk en in overeenstemming met de van toepassing zijnde bepalingen van artikel 9, door voor de resterende ambtstermijn een ander lid te kiezen.

6.

De leden van het Comité ontvangen een door de Algemene Vergadering vastgestelde passende vergoeding.

Artikel 11. Reglement van orde van het Comité

1.

Het Comité kiest zijn eigen President en de door het Comité noodzakelijk geachte andere functionarissen en stelt zijn eigen reglement van orde vast.

2.

Het Comité komt bijeen zo vaak als dit naar zijn mening voor de juiste uitoefening van zijn taak noodzakelijk is, doch ten minste twee maal per kalenderjaar.

3.

Het voor de bijeenkomsten van het Comité noodzakelijke quorum is acht leden.

Artikel 12. Toepassing van het stelsel der ramingen

1.

Het Comité stelt de datum of data vast waarop de in artikel 19 voorziene ramingen moeten worden ingediend, alsmede de wijze waarop dit dient te geschieden. Het schrijft de hiervoor te gebruiken formulieren voor.

2.

Het Comité verzoekt, met betrekking tot landen en gebieden waarop dit Verdrag niet van toepassing is, de desbetreffende regeringen ramingen in te dienen overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag.

3.

Indien een Staat met betrekking tot een of meer van zijn gebieden in gebreke blijft op de aangegeven datum de ramingen in te dienen, stelt het Comité deze ramingen zelf vast voor zover zulks mogelijk is. Bij het vaststellen van zulke ramingen werkt het Comité voor zover mogelijk met de betrokken regering samen.

4.

Het Comité bestudeert de ramingen, de aanvullende ramingen daaronder begrepen, en kan, behalve met betrekking tot behoeften voor bijzondere doeleinden, betreffende een bepaald land of gebied ten behoeve waarvan een raming is ingediend om de noodzakelijk geachte gegevens verzoeken teneinde de raming volledig te maken of een daarin vervatte opgave toe te lichten.

5.

Met het oog op de beperking van het gebruik en de verspreiding van verdovende middelen tot een hoeveelheid die voldoende is voor geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden en met het oog op het verzekeren van de beschikbaarheid van verdovende middelen voor zodanige doeleinden bevestigt het Comité de ramingen, de aanvullende ramingen daaronder begrepen, zo spoedig mogelijk of kan het deze ramingen wijzigen met toestemming van de betrokken Regering. Bij verschil van mening tussen de Regering en het Comité heeft dit laatste het recht zijn eigen ramingen, aanvullende ramingen daaronder begrepen, op te stellen, mede te delen en te publiceren.

6.

Behalve de in artikel 15 bedoelde verslagen verstrekt het Comité, op door het Comité te bepalen tijdstippen, doch minstens eenmaal per jaar, die gegevens over de ramingen die naar zijn mening de uitvoering van dit Verdrag zullen vergemakkelijken.

Artikel 13. Toepassing van het stelsel der statistieken

1.

Het Comité bepaalt op welke wijze en in welke vorm statistieken worden ingediend als voorzien in artikel 20 en stelt de formulieren daarvoor vast.

2.

Het Comité bestudeert de statistieken met het doel vast te stellen, of een Partij of enige andere Staat zich aan de bepalingen van dit Verdrag heeft gehouden.

3.

Het Comité kan om de door hem noodzakelijk geachte nadere gegevens verzoeken teneinde de in die statistieken vervatte gegevens volledig te maken of toe te lichten.

4.

Het Comité is niet bevoegd vragen te stellen of een mening kenbaar te maken ten aanzien van statistieken betreffende verdovende middelen die voor bijzondere doeleinden nodig zijn.

Artikel 14. Maatregelen van het Comité ter verzekering van de uitvoering der Verdragsbepalingen

2.

Wanneer het Comité overeenkomstig het eerste lid, letter (d), hierboven de aandacht van Partijen, de Raad en de Commissie vestigt op een zodanige aangelegenheid, kan het, indien het ervan overtuigd is dat zulk een gedragslijn noodzakelijk is, Partijen aanbevelen de invoer van verdovende middelen, de uitvoer van verdovende middelen of beide van of naar het betrokken land of gebied te staken, hetzij voor een bepaald tijdvak, hetzij totdat het Comité gunstig oordeelt over de toestand in dat land of gebied. De betrokken Staat kan de zaak aan de Raad voorleggen.

3.

Het Comité heeft het recht over alle krachtens de bepalingen van dit artikel behandelde aangelegenheden een verslag te publiceren en dit over te leggen aan de Raad, die het aan alle Partijen doet toekomen. Indien het Comité in dit verslag een krachtens dit artikel genomen besluit of enigerlei hierop betrekking hebbende gegevens bekend maakt, maakt het daarin eveneens de inzichten van de betrokken regering bekend, indien deze dit verzoekt.

4.

In alle gevallen waarin een krachtens dit artikel door het Comité genomen besluit dat niet eenstemmig is genomen, wordt gepubliceerd, wordt de mening van de minderheid gepubliceerd.

5.

Iedere Staat wordt uitgenodigd zich te doen vertegenwoordigen op een bijeenkomst van het Comité waarop een aangelegenheid wordt besproken die deze Staat krachtens dit artikel rechtstreeks raakt.

6.

De besluiten van het Comité krachtens dit artikel worden genomen met een meerderheid van twee-derde van het totaal aantal leden van het Comité.

Artikel 14 bis. Technische en financiële hulp

In gevallen waarin het Comité zulks passend acht en als aanvulling op dan wel in plaats van de maatregelen vervat in artikel 14, eerste en tweede lid, kan het, met toestemming van de betrokken Regering, aan de bevoegde organen van de Verenigde Naties en de gespecialiseerde organisaties aanbevelen, dat technische of financiële hulp, of beide, worden verschaft aan de Regering ter ondersteuning van haar pogingen tot nakoming van haar verplichtingen krachtens dit Verdrag, met inbegrip van die vervat of bedoeld in de artikelen 2, 35, 38 en 38 bis.

Artikel 15. Verslagen van het Comité

1.

Het Comité stelt een jaarverslag over zijn werkzaamheden op, alsmede de door hem nodig geachte aanvullende verslagen, die tevens een uiteenzetting bevatten van de hem ter beschikking staande ramingen en statistieken en, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, een uiteenzetting van de eventuele door de regeringen gegeven of van hen gevraagde toelichtingen, alsmede alle door het Comité gemaakte opmerkingen en gedane aanbevelingen. Deze verslagen worden door tussenkomst van de Commissie aan de Raad overgelegd, die over de inhoud daarvan de opmerkingen kan maken die hem nuttig voorkomen.

2.

De verslagen worden aan Partijen toegezonden en vervolgens door de Secretaris-Generaal gepubliceerd. Partijen keuren goed, dat deze verslagen onbeperkt worden verspreid.

Artikel 16. Secretariaat

De Secretaris-Generaal zorgt voor de secretariaatsdiensten van de Commissie en het Comité. Met name wordt de Secretaris van het Comité door de Secretaris-Generaal benoemd in overleg met het Comité.

Artikel 17. Bijzondere administratie

Partijen dienen te beschikken over een bijzondere administratie belast met de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag.

Artikel 18. Door Partijen aan de Secretaris-Generaal te verstrekken gegevens

1.

Partijen verstrekken de Secretaris-Generaal die gegevens waarom de Commissie kan vragen voorzover deze noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar werkzaamheden, en in het bijzonder:

2.

Partijen verstrekken de in het voorgaande lid bedoelde gegevens op de door de Commissie aangegeven wijze en data en met gebruikmaking van de formulieren als door de Commissie verzocht.

Artikel 19. Ramingen van de behoeften aan verdovende middelen

1.

Partijen verstrekken het Comité met betrekking tot elk van hun gebieden jaarlijks op de wijze en in de vorm door het comité voorgeschreven en op door het Comité verstrekte formulieren de volgende ramingen:

3.

Elke Staat kan in de loop van het jaar aanvullende ramingen indienen, vergezeld van een toelichting op de omstandigheden die deze ramingen noodzakelijk maken.

4.

Partijen stellen het Comité in kennis van de werkwijze die is gebruikt voor het vaststellen van de in de ramingen voorkomende hoeveelheden, alsmede van alle wijzigingen die eventueel in deze werkwijze worden aangebracht.

5.

De in artikel 21, derde lid, bedoelde afgetrokken hoeveelheden niet medegerekend, en zo nodig met inachtneming van de bepalingen van artikel 21 bis, mogen de ramingen niet worden overschreden.

Artikel 20. Aan het Comité te verstrekken statistieken

1.

Partijen verstrekken het Comité met betrekking tot elk van hun gebieden op de wijze en in de vorm door het Comité voorgeschreven en op door het Comité verstrekte formulieren de volgende statistieken:

3.

Partijen behoeven geen statistieken te verstrekken met betrekking tot bijzondere voorraden, doch verstrekken afzonderlijke statistieken betreffende in hun land of gebied voor bijzondere doeleinden ingevoerde of verkregen verdovende middelen, alsmede met betrekking tot hoeveelheden verdovende middelen, onttrokken aan bijzondere voorraden ter voldoening aan de behoeften van de burgerbevolking.

4.

Partijen behoeven geen statistieken te verstrekken met betrekking tot bijzondere voorraden, doch verstrekken afzonderlijk statistieken betreffende in hun land of gebied voor bijzondere doeleinden ingevoerde of verkregen verdovende middelen, alsmede met betrekking tot hoeveelheden verdovende middelen, onttrokken aan bijzondere voorraden ter voldoening aan de behoeften van de burgerbevolking.

Artikel 21. Beperking van vervaardiging en invoer

1.

Het totaal van de hoeveelheden van elk verdovend middel dat door welk land of gebied dan ook in enig jaar wordt vervaardigd en ingevoerd, mag het totaal der volgende hoeveelheden niet overtreffen:

2.

Van het totaal der in lid 1 aangegeven hoeveelheden wordt eventueel afgetrokken elke hoeveelheid die in beslag is genomen en voor legaal gebruik is vrijgegeven, alsmede elke hoeveelheid onttrokken aan bijzondere voorraden om aan de behoeften van de burgerbevolking te voldoen.

3.

Indien het Comité constateert, dat de in enig jaar vervaardigde en ingevoerde hoeveelheid het totaal van de in lid 1 aangeduide hoeveelheden overschrijdt, rekening houdende met de hoeveelheden die krachtens lid 2 van dit artikel moeten worden afgetrokken, wordt elk zodanig geconstateerd overschot dat aan het eind van het jaar nog over is, in het daarop volgende jaar afgetrokken van de te vervaardigen of in te voeren hoeveelheden en van het totaal van de ramingen omschreven in lid 2 van artikel 19.

Artikel 21 bis. Beperking van de produktie van opium

1.

De produktie van opium door een land of gebied dient op dusdanige wijze te worden georganiseerd en gecontroleerd, dat voor zover mogelijk de in een jaar geproduceerde hoeveelheid niet de raming van de te produceren opium zoals vastgesteld ingevolge artikel 19, eerste lid, letter (f), overschrijdt.

2.

Indien het Comité op grond van overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag te zijner beschikking staande gegevens constateert dat een Partij die ingevolge artikel 19, eerste lid, letter (f), een raming heeft verstrekt, de binnen haar grenzen geproduceerde opium niet heeft beperkt tot wettige doeleinden overeenkomstig de desbetreffende ramingen en dat een aanzienlijke hoeveelheid van de al dan niet wettig binnen de grenzen van een zodanige Partij geproduceerde opium naar de sluikhandel is afgevloeid, kan het Comité, na bestudering van de verklaringen van de betrokken Partij, die aan het Comité dienen te worden gegeven binnen een maand na kennisgeving van de desbetreffende constatering, besluiten het geheel of een gedeelte van een zodanige hoeveelheid af te trekken van de te produceren hoeveelheid en van het totaal van de ramingen zoals omschreven in artikel 19, tweede lid, letter (b), voor het eerstvolgende jaar waarin een zodanige aftrek technisch kan worden verwezenlijkt, zulks met inachtneming van het jaargetijde en de contractuele verbintenissen tot uitvoer van opium. Dit besluit wordt van kracht negentig dagen nadat de betrokken Partij daarvan in kennis is gesteld.

3.

Het Comité pleegt, na kennisgeving aan de betrokken Partij van het besluit dat het ingevolge het tweede lid hierboven heeft genomen met betrekking tot een aftrek, met die Partij overleg ten einde de situatie bevredigend op te lossen.

4.

Indien de situatie niet bevredigend wordt opgelost, kan het Comité indien nodig het bepaalde in artikel 14 toepassen.

5.

Het Comité houdt, wanneer het ingevolge het tweede lid hierboven een besluit ten aanzien van een aftrek neemt, niet alleen rekening met alle van belang zijnde omstandigheden, met inbegrip van die waaruit het sluikhandelprobleem bedoeld in het tweede lid hierboven voortvloeit, maar ook met alle van belang zijnde nieuwe maatregelen van toezicht die de Partij heeft genomen.

Artikel 22. Bijzondere bepaling van toepassing op de verbouw

1.

In alle gevallen waarin, gezien de in het land of het gebied van een Partij heersende omstandigheden, het verbod van de verbouw van de papaver, de cocaplant of de cannabisplant naar de mening van die Partij de meest geschikte maatregel is om de volksgezondheid en het openbaar welzijn te beschermen en om te verhinderen dat verdovende middelen een weg vinden naar de sluikhandel, verbiedt de betrokken Partij de verbouw.

2.

Een Partij die de verbouw van de papaver of de cannabisplant verbiedt, neemt passende maatregelen tot inbeslagneming en vernietiging van clandestien verbouwde planten, met uitzondering van kleine hoeveelheden die de Partij nodig heeft voor wetenschappelijke doeleinden of voor onderzoek.

Artikel 23. Nationale opiumbureaus

1.

Een Partij die de verbouw van papaver voor de produktie van opium toelaat, richt, indien zij dit niet reeds heeft gedaan, een of meer regeringsbureaus (hierna in dit artikel te noemen Bureau) op en houdt deze in stand om de in dit artikel vereiste werkzaamheden uit te voeren.

2.

Elke zodanige Partij past de volgende bepalingen toe op de verbouw van de papaver voor de produktie van opium en op opium:

3.

De in lid 2 bedoelde overheidstaken worden uitgeoefend door een enkel regeringsbureau, indien de grondwet van de betrokken Partij dit toelaat.

Artikel 24. Beperking van de produktie van opium bestemd voor de internationale handel

3.

Ondanks het bepaalde in de alinea's (a ) en (b ) van lid 2 mag een Partij die gedurende tien jaar onmiddellijk voorafgaande aan 1 januari 1961 door haar geproduceerde opium uitvoerde, voortgaan met de uitvoer van door haar geproduceerde opium.

5.

De bepalingen van dit Verdrag beletten een Partij niet:

Artikel 25. Toezicht op bolkaf

1.

Een Partij die de verbouw van de papaver toelaat voor andere doeleinden dan de produktie van opium, neemt alle maatregelen die nodig zijn om te verzekeren,

2.

Partijen passen op bolkaf het stelsel van invoercertificaten en uitvoervergunningen toe als bepaald in artikel 31, leden 4 t/m 15.

3.

Partijen verstrekken statistieken over de in- en uitvoer van bolkaf zoals dit voor verdovende middelen krachtens artikel 20, leden 1(d ) en 2(b ), is vereist.

Artikel 26. De cocaplant en de cocabladeren

1.

Indien een Partij de verbouw van de cocaplant toelaat past zij, zowel op de cocaplant als op de cocabladeren, de bepalingen van toezicht van artikel 23 met betrekking tot het toezicht op de papaver toe, maar, wat lid 2(d) van dat artikel betreft, gaan de daarin aan het Bureau opgelegde verplichtingen niet verder dan het daadwerkelijk in bezit nemen van de oogst zodra dit na het binnenhalen daarvan mogelijk is.

2.

Partijen dienen in het wild groeiende cocaplanten zoveel mogelijk te doen ontwortelen. Zij vernietigen illegaal verbouwde cocaplanten.

Artikel 27. Aanvullende bepalingen betreffende cocabladeren

1.

Partijen kunnen het gebruik van cocabladeren voor de bereiding van een aromaticum dat geen alkaloïden bevat, toelaten en kunnen, voor zover dit gebruik dit eist, de produktie, de in- en uitvoer van, de handel in en het bezit van deze bladeren toestaan.

2.

Partijen dienen afzonderlijk ramingen (artikel 19) en statistieken (artikel 20) in met betrekking tot cocabladeren voor de bereiding van zulk een aromaticum, behalve voor zover dezelfde cocabladeren worden gebruikt voor de extractie van zowel alkaloïden als aromatica, en derhalve in de ramingen en statistieken worden verantwoord.

Artikel 28. Het toezicht op de cannabis plant

1.

Indien een Partij de verbouw van de cannabisplant toelaat voor de produktie van cannabis of cannabishars, past zij daarop toe de bepalingen van toezicht van artikel 23 met betrekking tot het toezicht op de papaver.

2.

Dit Verdrag is niet van toepassing op de verbouw van de cannabisplant uitsluitend voor industriële doeleinden (vezel en zaad) of voor tuinbouw-doeleinden.

3.

Partijen nemen de maatregelen die noodzakelijk zijn om het misbruik van en de sluikhandel in de bladeren van de cannabisplant te verhinderen.

Artikel 29. Vervaardiging

1.

Partijen stellen de vervaardiging van verdovende middelen afhankelijk van een verlof, tenzij die vervaardiging plaatsvindt door een staatsonderneming of staatsondernemingen.

2.

Partijen dienen:

3.

Partijen verhinderen, dat zich bij de fabrikanten van verdovende middelen hoeveelheden verdovende middelen en bolkaf ophopen die de voorraden die voor het normale functioneren van het bedrijf noodzakelijk zijn, overschrijden; een en ander met inachtneming van de bestaande afzetmogelijkheden.

Artikel 30. Handel en afgifte

2.

Partijen dienen eveneens:

3.

Het is wenselijk, dat Partijen eisen, dat in geschreven of gedrukte offertes van verdovende middelen, advertenties van welke aard ook, of brochures die betrekking hebben op verdovende middelen en voor handelsdoeleinden worden gebruikt, op de binnenverpakking van pakjes verdovende middelen, alsmede op de etiketten waaronder de verdovende middelen te koop worden aangeboden, de door de Wereldgezondheidsorganisatie medegedeelde niet-beschermde internationale benaming staat aangegeven.

4.

Indien een Partij dit noodzakelijk of wenselijk acht, eist zij, dat de binnenverpakking van het verdovende middel van een duidelijk zichtbare dubbele rode band is voorzien. De buiten verpakking van zulk een verdovend middel mag niet van een dubbele rode band zijn voorzien.

5.

Partijen eisen, dat het etiket waaronder een geneesmiddel te koop wordt aangeboden, het verdovende bestanddeel of de verdovende bestanddelen die dit bevat met name aanduidt evenals het gewicht en het percentage. Deze eis is niet van toepassing op een aan een particulier persoon op geneeskundig voorschrift afgeleverd verdovend middel.

6.

De bepalingen van de leden 2 en 5 zijn niet noodzakelijkerwijze van toepassing op de kleinhandel in of de afgifte in het klein van de verdovende middelen van Lijst II.

Artikel 31. Bijzondere bepalingen met betrekking tot de internationale handel

1.

Partijen laten met hun medeweten de uitvoer van verdovende middelen naar enigerlei land of gebied niet toe dan:

2.

Partijen oefenen in vrijhavens en vrije douanezones hetzelfde toezicht en dezelfde controle uit als in andere delen van hun gebieden; met dien verstande echter, dat zij ingrijpender maatregelen mogen nemen.

3.

Partijen dienen:

5.

Alvorens een uitvoervergunning af te geven eisen Partijen het overleggen van een invoercertificaat, afgegeven door de bevoegde instanties van het invoerende land of gebied, waarin wordt verklaard, dat de invoer van het daarin bedoelde verdovende middel of de daarin bedoelde verdovende middelen is goedgekeurd; dit certificaat moet worden overgelegd door de persoon of instelling die de uitvoervergunning aanvraagt. Partijen houden zich zoveel mogelijk aan de door de Commissie goedgekeurde vorm der invoer certificaten.

6.

Een afschrift van de uitvoervergunning begeleidt de zending en de regering die de uitvoervergunning afgeeft, zendt hiervan een afschrift aan de regering van het invoerende land of gebied.

8.

Uitvoer van zendingen gericht aan een postbusadres of aan een bank ter rekening van een andere persoon dan die genoemd in de uitvoervergunning is verboden.

9.

Uitvoer van zendingen naar een entrepot is verboden tenzij de regering van het invoerende land op het invoercertificaat dat wordt overgelegd door de persoon of instelling die om de uitvoervergunning heeft verzocht, verklaart, dat zij de invoer van de goederen in entrepot heeft goedgekeurd. In zodanig geval dient in de uitvoervergunning duidelijk te zijn aangegeven, dat de zending voor dit doel wordt uitgevoerd. Voor de uitslag van de goederen uit het entrepot is de toestemming nodig van de autoriteiten waaronder het entrepot ressorteert en, indien de goederen voor het buitenland bestemd zijn, dienen zij te worden behandeld alsof het een nieuwe uitvoer betrof in de zin van dit Verdrag.

10.

Zendingen van verdovende middelen die het gebied van een Partij binnenkomen of dit verlaten zonder begeleidende uitvoervergunning, worden door de bevoegde autoriteiten vastgehouden.

11.

Een Partij laat niet toe, dat aan een ander land gezonden verdovende middelen door haar gebied worden vervoerd, om het even of de zending uit het desbetreffende vervoermiddel wordt verwijderd of niet, tenzij een afschrift van de uitvoervergunning voor een dergelijke zending aan de bevoegde autoriteiten van die Partij wordt overgelegd.

12.

De bevoegde autoriteiten van een land of gebied waardoor een zending verdovende middelen mag worden vervoerd nemen alle noodzakelijke maatregelen om afwijking van de bestemming van deze zending van die welke is aangegeven op het afschrift van de uitvoervergunning dat de zending begeleidt, te beletten, tenzij de regering van dat land of gebied waardoor de zending wordt vervoerd hiertoe machtiging heeft gegeven. De regering van het land of het gebied waardoor doorvoer plaatsvindt behandelt elk verzoek tot wijziging van bestemming alsof deze gewijzigde bestemming een uitvoer betrof van het land of gebied van doorvoer naar het land of gebied van de nieuwe bestemming. Indien voor de wijziging van bestemming machtiging is verleend, zijn de bepalingen van lid 7 (a ) en (b ) eveneens van toepassing tussen het land of gebied waardoor doorvoer plaatsvindt en het land of gebied dat de zending oorspronkelijk heeft uitgevoerd.

13.

Geen zending van verdovende middelen mag, gedurende de doorvoer of de opslag in douane-entrepôt worden onderworpen aan enigerlei bewerking die verandering zou kunnen brengen in de aard van de desbetreffende verdovende middelen. De verpakking mag niet worden gewijzigd zonder vergunning van de bevoegde autoriteiten.

14.

De bepalingen van de leden 11 t/m 13 met betrekking tot het vervoer van verdovende middelen door het gebied van een Partij zijn niet van toepassing indien de desbetreffende zending wordt vervoerd door een luchtvaartuig dat niet landt in het land of het gebied van doorvoer. Indien het luchtvaartuig in dit land of op dit gebied landt, worden deze bepalingen, voorzover de omstandigheden dit noodzakelijk maken, toegepast.

15.

De bepalingen van dit Verdrag laten onaangetast de bepalingen van internationale overeenkomsten die het toezicht beperken dat door enige Partij op verdovende middelen in doorvoer wordt uitgeoefend.

16.

De bepalingen van dit artikel, met uitzondering van de leden 1(a ) en 2, behoeven niet van toepassing te zijn op de preparaten van Lijst III.

Artikel 32. Bijzondere bepalingen betreffende het vervoer van verdovende middelen in verbandkisten voor eerste hulp aan boord van schepen of luchtvaartuigen gebruikt voor het internationale verkeer

1.

Het internationale vervoer door schepen of luchtvaartuigen van beperkte hoeveelheden verdovende middelen die gedurende de reis voor eerste hulp of noodgevallen nodig zijn, wordt niet beschouwd als in-, uit- of doorvoer in de zin van dit Verdrag.

2.

Het land waar de schepen of luchtvaartuigen zijn geregistreerd neemt passende maatregelen om te verhinderen, dat de in lid 1 bedoelde verdovende middelen op ongeoorloofde wijze worden gebruikt of hun weg vinden in de sluikhandel. In overleg met de bevoegde internationale organisaties beveelt de Commissie deze maatregelen aan.

3.

De verdovende middelen, door schepen of luchtvaartuigen overeenkomstig lid 1 vervoerd, zijn onderworpen aan de wetten, regelingen, machtigingen en vergunningen van het land waar zij zijn geregistreerd, en wel zonder aantasting van het eventuele recht van de bevoegde plaatselijke autoriteiten om controles, inspecties en andere maatregelen van toezicht aan boord van de schepen of luchtvaartuigen uit te voeren. De toediening van dergelijke verdovende middelen in geval van nood wordt niet beschouwd als schending van de bepalingen van artikel 30, lid 2(b ).

Artikel 33. Het bezit van verdovende middelen

Partijen laten het bezit van verdovende middelen niet toe zonder wettige toestemming.

Artikel 34. Maatregelen van toezicht en inspectie

Partijen eisen:

Artikel 35. Strijd tegen de sluikhandel

Met inachtneming van hun grondwettelijk stelsel, rechtsstelsel en administratief stelsel, dienen Partijen:

Artikel 36. Strafbepalingen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)