Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden

Type Verdrag
Publication 2006-06-01
State In force
Source BWB
artikelen 3
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg,

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Van mening, dat het gezien de nauwe band waardoor Hun landen verenigd zijn en met name ten gevolge van de afschaffing van de personencontrole aan de binnengrenzen, noodzakelijk is om de mogelijkheid tot uitlevering van misdadigers uit te breiden tot een groter aantal strafbare feiten, de daaraan verbonden formaliteiten te vereenvoudigen en rechtshulp in strafzaken op uitgebreidere schaal mogelijk te maken dan de bestaande verdragen toelaten;

Uitgaande van de beginselen vervat in de Europese overeenkomsten aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken;

Hebben besloten een verdrag te sluiten tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden tot regeling van de uitlevering van misdadigers en de rechtshulp in strafzaken en hebben als Gevolmachtigde aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen:

Zijne Excellentie de Heer H. Fayat, Minister Adjunkt voor Buitenlandse Zaken;

Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg:

Zijne Excellentie de Heer N. Hommel, buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur te Brussel;

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden:

Zijne Excellentie Jonkheer E. Teixeira de Mattos, buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur te Brussel;

Die, na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt:

HOOFDSTUK I. De uitlevering

Artikel 1. Verplichting tot uitlevering

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich om, overeenkomstig de regels en onder de voorwaarden in de volgende artikelen bepaald, elkander wederzijds de personen uit te leveren, die door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij vervolgd worden terzake van een strafbaar feit of gezocht worden tot tenuitvoerlegging van een straf of maatregel.

Artikel 2. Feiten, die tot uitlevering kunnen leiden
1.

Tot uitlevering zullen kunnen leiden de feiten, die krachtens de wetten van de verzoekende Partij en van de aangezochte Partij strafbaar zijn gesteld, met een vrijheidsstraf of met een maatregel, welke vrijheidsbeneming medebrengt, met een maximum van ten minste zes maanden, danwel met een zwaardere straf of maatregel. Wanneer er binnen het gebied van de verzoekende Partij een straf of een maatregel is opgelegd, moet die straf of die maatregel ten minste de duur van drie maanden hebben.

2.

Indien het verzoek om uitlevering betrekking heeft op verscheidene afzonderlijke feiten, die alle krachtens de wet van de verzoekende en van de aangezochte Partij strafbaar zijn gesteld met vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt, maar waarvan sommige niet voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de straf, is de aangezochte Partij bevoegd de uitlevering eveneens terzake van de laatste feiten toe te staan.

Artikel 3. Politieke misdrijven
1.

De uitlevering zal niet worden toegestaan indien het strafbare feit, waarvoor zij wordt verzocht, door de aangezochte Partij als een politiek misdrijf of als een met een dergelijk misdrijf samenhangend feit wordt beschouwd.

2.

Voor de toepassing van het onderhavige verdrag zullen niet worden beschouwd als politiek misdrijf:

3.

De toepassing van dit artikel heeft geen invloed op de verplichtingen, die de Hoge Verdragsluitende Partijen op zich hebben genomen of zullen nemen uit hoofde van andere internationale overeenkomsten van multilaterale aard.

Artikel 4. Fiscale delicten

Inzake retributies, belastingen, douane, deviezen, invoer, uitvoer en doorvoer, zal uitlevering onder de in dit verdrag voorziene voorwaarden slechts worden toegestaan, indien ten aanzien van elk delict of elke groep van delicten tussen de Regeringen van de Hoge Verdragsluitende Partijen daartoe is besloten.

Artikel 5. Uitlevering van onderdanen
1.

De Hoge Verdragsluitende Partijen leveren hun onderdanen niet uit.

2.

De hoedanigheid van onderdaan zal worden beoordeeld naar de toestand op het tijdstip van de overlevering.

Artikel 6. Plaats, waar het feit is begaan
1.

De aangezochte Partij zal kunnen weigeren om een persoon uit te leveren terzake van een strafbaar feit dat volgens de wetgeving van die Partij geheel of ten dele op haar grondgebied of op een daarmee gelijk gestelde plaats is gepleegd.

2.

Wanneer het strafbare feit, dat aan het verzoek tot uitlevering ten grondslag ligt, is begaan buiten het grondgebied van de verzoekende Partij, zal de uitlevering slechts geweigerd kunnen worden indien de wet van de aangezochte Partij de vervolging van een dergelijk, buiten haar grondgebied gepleegd, strafbaar feit niet toelaat.

Artikel 7. Vervolging ingesteld terzake van dezelfde feiten

Een aangezochte Partij zal kunnen weigeren een persoon, wiens uitlevering is verzocht, uit te leveren, indien die persoon door haar wordt vervolgd terzake van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht.

Artikel 8. Non bis in idem

De uitlevering zal niet worden toegestaan wanneer de persoon, wiens uitlevering is verzocht, terzake van de feiten, waarop dit verzoek was gegrond, door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij onherroepelijk is berecht. De uitlevering zal kunnen worden geweigerd, indien de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij heeft besloten terzake van dezelfde feiten geen vervolging in te stellen danwel een ingestelde vervolging te staken.

Artikel 9. Verjaring

De uitlevering zal niet worden toegestaan indien het recht tot strafvervolging danwel de straf volgens de wet van de aangezochte Partij is verjaard op het tijdstip, waarop de overlevering plaats moet vinden.

Artikel 10. Doodstraf

Indien op het feit, terzake waarvan de uitlevering wordt verzocht, door de wet van de verzoekende Partij de doodstraf is gesteld en deze straf volgens de wet van de aangezochte Partij tegen dat feit niet wordt bedreigd of met betrekking tot dat feit door die Partij algemeen niet wordt toegepast, kan de aangezochte Partij de uitlevering toestaan op voorwaarde dat de verzoekende Partij zich verbindt het Staatshoofd aan te bevelen, de doodstraf in een andere straf om te zetten.

Artikel 11. Verzoek en stukken ter ondersteuning daarvan
1.

Het verzoek tot uitlevering zal door de Minister van Justitie van de verzoekende Partij schriftelijk worden gericht tot de Minister van Justitie van de aangezochte Partij.

2.

Bij het verzoek zullen worden overgelegd:

Artikel 12. Aanvullende inlichtingen

Indien de door de verzoekende Partij verstrekte inlichtingen onvoldoende blijken te zijn om de aangezochte Partij in staat te stellen een beslissing overeenkomstig dit verdrag te nemen, zal deze laatste Partij de noodzakelijke aanvulling op de gegeven inlichtingen vragen en een termijn kunnen stellen, binnen welke deze verkregen moeten zijn.

Artikel 13. Specialiteitsbeginsel
1.

Onverminderd het bepaalde in artikel 2, lid 2, zal de uitgeleverde persoon niet worden vervolgd, berecht of in hechtenis gesteld met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, noch ook aan enige andere beperking van zijn persoonlijke vrijheid worden blootgesteld, wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat, hetwelk de reden tot uitlevering is geweest, behalve in de volgende gevallen:

2.

De verzoekende Partij kan echter de nodige maatregelen nemen met het oog op een uitzetting uit zijn grondgebied of met het oog op een stuiting van de verjaring overeenkomstig haar wet, daaronder begrepen het instellen van een verstekprocedure.

3.

Wanneer de omschrijving, die aan het te laste gelegde feit is gegeven, in de loop van de procedure wordt gewijzigd, zal de uitgeleverde persoon slechts worden vervolgd of berecht, voor zover de elementen van het op andere wijze omschreven strafbare feit uitlevering zouden gedogen.

Artikel 14. Verderlevering aan een derde Staat
1.

Behoudens in de gevallen, bedoeld in lid 1, onderb en c , van artikel 13, heeft de verzoekende Partij de toestemming van de aangezochte Partij nodig om de persoon, die haar overgedragen is, en die gezocht wordt door een Staat die geen Partij is bij dit verdrag terzake van strafbare feiten gepleegd vóór de overdracht, aan die Staat uit te leveren. De aangezochte Partij zal de overlegging van de stukken, bedoeld in artikel 11, lid 2, kunnen eisen.

2.

Indien het gaat om een andere Hoge Verdragsluitende Partij is die toestemming niet vereist.

Artikel 15. Voorlopige aanhouding
1.

In geval van spoed kunnen de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij met het oog op een uitlevering de voorlopige aanhouding van de gezochte persoon verzoeken.

2.

Het verzoek om voorlopige aanhouding zal melding maken van het strafbare feit dat werd begaan, van de duur van de straf of de maatregel die tegen het feit wordt bedreigd of die terzake van het feit werd opgelegd, van de tijd en plaats waarop het feit werd begaan, alsmede, voor zover mogelijk, van het signalement van de gezochte persoon.

3.

Het verzoek zal aan de rechterlijke autoriteiten van de aangezochte Partij worden overgebracht, hetzij rechtstreeks, hetzij door het centrale nationale bureau van de Internationale Politie Organisatie (Interpol). De rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij zullen onverwijld worden ingelicht over het gevolg dat aan hun verzoek is gegeven.

4.

Indien het verzoek op regelmatige wijze blijkt te zijn gedaan, zal daaraan door de rechterlijke autoriteiten van de aangezochte Partij overeenkomstig de wetgeving van die Partij gevolg worden gegeven.

5.

De voorlopige aanhouding zal een einde nemen indien de aangezochte Partij niet binnen een termijn van achttien dagen na de aanhouding, het uitleveringsverzoek en de in artikel 11 bedoelde stukken ontvangen heeft, tenzij de aanhouding op een andere grond moet worden voortgezet. Op ieder ogenblik is echter voorlopige invrijheidstelling mogelijk, met dien verstande dat de aangezochte Partij daarbij elke maatregel dient te nemen die zij noodzakelijk acht om vlucht van de gevorderde persoon te voorkomen.

6.

De invrijheidstelling verhindert een nieuwe aanhouding en uitlevering niet indien het uitleveringsverzoek alsnog binnenkomt.

Artikel 16. Samenloop van verzoeken

Indien de uitlevering door verschillende Staten tegelijkertijd verzocht wordt, hetzij voor hetzelfde feit, hetzij voor verschillende feiten, zal de aangezochte Partij bij haar beslissing rekening houden met alle omstandigheden, zoals de ernst en de plaats van de strafbare feiten, de dagtekening van de onderscheiden verzoeken, de nationaliteit van de opgeëiste persoon en de mogelijkheid van een latere uitlevering aan een andere Staat.

Artikel 17. Overlevering van de uitgeleverde
1.

De aangezochte Partij zal haar beslissing over de uitlevering langs de in artikel 11, lid 1, bedoelde weg ter kennis van de verzoekende Partij brengen.

2.

Iedere totale of gedeeltelijke weigering zal met redenen, worden omkleed.

3.

In geval van inwilliging van het verzoek zal de verzoekende Partij worden ingelicht omtrent de plaats en de datum van de overlevering, alsmede omtrent de duur van de door de opgeëiste persoon met het oog op de uitlevering ondergane vrijheidsbeneming.

4.

Onverminderd het bepaalde in lid 5 van dit artikel zal de opgeëiste persoon, indien hij niet op de vastgestelde datum is overgenomen, na afloop van een termijn van vijftien dagen te rekenen van die datum in vrijheid kunnen worden gesteld en zal hij in elk geval in vrijheid worden gesteld na ommekomst van een termijn van dertig dagen; de aangezochte Partij zal kunnen weigeren om hem voor hetzelfde feit uit te leveren.

5.

In geval de overdracht of de overneming van de uit te leveren persoon door overmacht verhinderd wordt, zal de belanghebbende Partij de andere Partij daarvan op de hoogte stellen; de twee Partijen zullen een nieuwe datum van overdracht overeenkomen en de bepalingen van het vierde lid van dit artikel zullen van toepassing zijn.

Artikel 18. Uitgestelde of voorwaardelijke overlevering
1.

De aangezochte Partij kan, nadat zij een beslissing over het verzoek tot uitlevering genomen heeft, de overlevering van de opgeëiste persoon uitstellen opdat hij door haar vervolgd kan worden of, indien hij reeds bereids veroordeeld is op haar grondgebied een straf kan ondergaan, wegens een ander feit dan dat waarvoor de uitlevering is verzocht.

2.

Indien het uitleveringsverzoek betrekking heeft op een persoon die op het grondgebied van de aangezochte Partij een straf ondergaat, kan die Partij, indien bijzondere omstandigheden dit vereisen, die persoon tijdelijk aan de verzoekende Partij overleveren op in onderling overleg vast te stellen voorwaarden.

3.

De vrijheidsbeneming, die de betrokkene na deze overlevering op het grondgebied van de verzoekende Partij ondergaat, zal worden afgetrokken van de duur van de straf die hij moet ondergaan op het grondgebied van de aangezochte Partij.

Artikel 19. Verkorte procedure
1.

In het geval bedoeld in artikel 15 kunnen de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij de onmiddellijke overlevering van de uit te leveren persoon verzoeken.

2.

Deze overlevering kan slechts plaats vinden indien de aangehouden persoon daarmede uitdrukkelijk instemt ten overstaan van een ambtenaar van het openbaar ministerie van de aangezochte Partij en indien ook deze ambtenaar daartoe zijn toestemming geeft. De aangehoudene heeft het recht zich door een raadsman te doen bijstaan. Deze overlevering geschiedt zonder andere formaliteiten en zal moeten hebben plaatsgevonden binnen achttien dagen na de voorlopige aanhouding.

3.

In geval de overlevering niet binnen vijf dagen na deze aanhouding heeft plaatsgevonden zullen de rechterlijke autoriteiten van de aangezochte Partij de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij daarvan in kennis stellen en hen, indien daartoe aanleiding bestaat, uitnodigen verder te handelen overeenkomstig de bepalingen van artikel 11.

4.

De overlevering brengt voor de betrokkene de gevolgen mede welke zijn verbonden aan de verklaring bedoeld in artikel 13, lid 1, onder c.

Artikel 20. Overdracht van voorwerpen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.