Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken

Type Verdrag
Publication 2011-04-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regeringen die dit Verdrag hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa,

Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn Leden;

Overtuigd dat het aanvaarden van gemeenschappelijke regels op het gebied van wederzijdse rechtshulp in strafzaken tot het bereiken van dit doel zal bijdragen;

Overwegende dat de wederzijdse rechtshulp een onderwerp is dat verwant is aan uitlevering, waarop reeds betrekking heeft een verdrag onder dagtekening van 13 december 1957;

Zijn als volgt overeengekomen:

TITEL I. Algemene bepalingen

Artikel 1
1.

De Partijen verbinden zich er onmiddellijk toe om, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, elkander wederzijds in zo ruim mogelijke mate rechtshulp te verlenen in procedures die betrekking hebben op strafbare feiten waarvan de bestraffing op het tijdstip van het verzoek om rechtshulp, tot de bevoegdheid behoort van rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij.

2.

Dit Verdrag is niet van toepassing op de tenuitvoerlegging van beslissingen tot vrijheidsbeneming of van veroordelingen of delicten krachtens militair recht die geen strafbare feiten naar het gewone strafrecht zijn.

3.

Wederzijdse rechtshulp kan eveneens worden verleend in procedures wegens feiten die volgens het nationale recht van de verzoekende Partij of de aangezochte Partij als vergrijpen tegen voorschriften betreffende de orde door bestuurlijke autoriteiten worden bestraft, mits van hun beslissingen beroep openstaat op een ook in strafzaken bevoegde rechter.

4.

Wederzijdse rechtshulp wordt niet geweigerd op grond van het enkele feit dat deze betrekking heeft op handelingen waarvoor een rechtspersoon in de verzoekende Partij aansprakelijk kan worden gesteld.

Artikel 2

Rechtshulp kan worden geweigerd:

TITEL II. Rogatoire commissies

Artikel 3
1.

De aangezochte Partij geeft volgens de procedure voorzien in haar eigen wetgeving gevolg aan de rogatoire commissies aangaande een strafzaak die tot haar worden gericht door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij en die tot doel hebben het verrichten van handelingen van onderzoek of de toezending van stukken van overtuiging, van dossiers of van documenten.

2.

Indien de verzoekende Partij het wenselijk acht dat getuigen of deskundigen hun verklaring onder ede afleggen, verzoekt zij hierom uitdrukkelijk en de aangezochte Partij geeft aan een dergelijk verzoek gevolg indien de wet van haar land zich daartegen niet verzet.

3.

De aangezochte Partij zal kunnen volstaan met de toezending van voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of fotocopieën van de dossiers of documenten waarom wordt verzocht. Indien de verzoekende Partij uitdrukkelijk vraagt om toezending van het origineel, dient zoveel mogelijk aan een dergelijk verzoek gevolg te worden gegeven.

Artikel 4
1.

De aangezochte Partij licht de verzoekende Partij, indien zij daarom uitdrukkelijk vraagt, in aangaande de datum waarop en de plaats waar de rogatoire commissie zal worden uitgevoerd. De autoriteiten van de verzoekende Partij en de betrokkenen kunnen bij die uitvoering aanwezig zijn indien de aangezochte Partij daarin toestemt.

2.

Verzoeken om de aanwezigheid van dergelijke autoriteiten of betrokkenen mag niet worden geweigerd wanneer de uitvoering van het verzoek om rechtshulp door hun aanwezigheid naar verwachting beter aansluit bij de behoeften van de verzoekende Partij en aanvullende verzoeken om rechtshulp derhalve naar verwachting vermeden kunnen worden.

Artikel 5
1.

Iedere Verdragsluitende Partij kan zich bij de ondertekening van dit Verdrag of bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging of van toetreding door een verklaring gericht tot de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa het recht voorbehouden de uitvoering van rogatoire commissies strekkende tot huiszoeking of inbeslagneming afhankelijk te stellen van een of meer van de volgende voorwaarden:

2.

Wanneer een Verdragsluitende Partij een verklaring overeenkomstig het eerste lid van dit artikel heeft afgelegd, kan elke andere Partij het beginsel van wederkerigheid toepassen.

Artikel 6
1.

De aangezochte Partij kan de overgave van voorwerpen, dossiers en documenten waarvan de overdracht is gevraagd, uitstellen wanneer zij deze nodig heeft voor een strafrechtelijke procedure.

2.

De voorwerpen, alsmede de originele dossiers en documenten, die ter uitvoering van een rogatoire commissie zijn overgegeven worden zo spoedig mogelijk door de verzoekende Partij aan de aangezochte Partij teruggegeven, tenzij laatstgenoemde er afstand van doet.

TITEL III. Mededeling van processtukken en rechterlijke beslissingen - Verschijning van getuigen, deskundigen en verdachten

Artikel 7
1.

De aangezochte Partij doet de processtukken en rechterlijke beslissingen die haar met dat doel door de verzoekende Partij worden toegezonden, aan de betrokkenen toekomen.

Dit kan geschieden door toezending van het processtuk of van de beslissing aan de geadresseerde. Indien de verzoekende Partij hierom uitdrukkelijk vraagt, worden de stukken door de aangezochte Partij medegedeeld volgens een van de procedures waarin haar wetgeving voor dergelijke betekeningen voorziet of volgens een bijzondere procedure die met haar wetgeving verenigbaar is.

2.

Als bewijs dat het stuk werd uitgereikt dient ofwel een gedateerd ontvangstbewijs dat door de geadresseerde ondertekend is, ofwel een verklaring van de aangezochte Partij waarin het feit van de uitreiking, benevens de wijze en de datum waarop deze is geschied, zijn vermeld. Het bewijsstuk van de uitreiking wordt zo spoedig mogelijk aan de verzoekende Partij toegezonden. Indien de verzoekende Partij daarom vraagt, geeft de aangezochte Partij aan of de uitreiking overeenkomstig haar wetgeving heeft plaatsgevonden. Indien de uitreiking niet heeft kunnen plaatsvinden, deelt de aangezochte Partij de reden daarvan terstond aan de verzoekende Partij mede.

3.

Iedere Verdragsluitende Partij kan bij de ondertekening van dit Verdrag of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging of van toetreding door een verklaring gericht tot de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa verzoeken dat een dagvaarding bestemd voor een verdachte die zich op haar grondgebied bevindt, een bepaalde tijd vóór de datum welke voor de verschijning is vastgesteld, aan haar autoriteiten wordt toegezonden. Deze termijn wordt in de bedoelde verklaring aangegeven en mag de 50 dagen niet overschrijden.

Bij het vaststellen van de datum van verschijning en bij de toezending van de dagvaarding dient met deze termijn rekening te worden gehouden.

Artikel 8

De getuige of deskundige die geen gevolg heeft gegeven aan een dagvaarding waarvan toezending is gevraagd, kan aan geen enkele sanctie of dwangmaatregel worden onderworpen, zelfs niet indien in de dagvaarding een verplichting om te verschijnen is vermeld, tenzij de betrokkene zich daarna uit vrije wil op het grondgebied van de verzoekende Partij begeeft en hij daar op wettige wijze opnieuw gedagvaard wordt.

Artikel 9

De schadeloosstelling en de vergoeding voor reis- en verblijfkosten die aan de getuige of deskundige door de verzoekende Partij moeten worden betaald, worden berekend vanaf de verblijfplaats van de betrokkene, en dienen te worden toegekend volgens tarieven die ten minste gelijk zijn aan die welke van kracht zijn in het land waar het verhoor plaats moet vinden.

Artikel 10
1.

Indien de verzoekende Partij het van bijzonder belang acht dat een getuige of een deskundige in persoon voor haar rechterlijke autoriteiten verschijnt, vermeldt zij dit uitdrukkelijk bij haar verzoek tot uitreiking van de dagvaarding.

De aangezochte Partij nodigt een dergelijke getuige of deskundige uit om inderdaad te verschijnen. De aangezochte Partij geeft van het antwoord van de getuige of deskundige aan de verzoekende Partij kennis.

2.

In het geval voorzien in het eerste lid van dit artikel moet het verzoek of de dagvaarding bij benadering aangeven het bedrag van de te betalen schadeloosstelling en van de te vergoeden reis- en verblijfkosten.

3.

De aangezochte Partij kan, indien dit aan haar wordt verzocht, aan de getuige of de deskundige een voorschot toekennen. Het bedrag van dit voorschot wordt op de dagvaarding vermeld en terugbetaald door de verzoekende Partij.

Artikel 11
1.

Indien de verzoekende Partij, ten behoeve van de bewijsvoering en niet voor het terechtstaan van de betrokkene, de verschijning in persoon verzoekt van een gedetineerde, wordt deze tijdelijk overgebracht naar haar grondgebied, op voorwaarde dat hij of zij binnen de door de aangezochte Partij vastgestelde termijn wordt teruggebracht en onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 12 van dit Verdrag, voor zover dit toepassing kan vinden.

De overbrenging kan worden geweigerd indien:

2.

Onverminderd artikel 2 van dit Verdrag, wordt, in het geval bedoeld in het eerste lid, de doortocht van de gedetineerde door het grondgebied van een derde Partij toegestaan Het daartoe strekkende verzoek van het Ministerie van Justitie van de verzoekende Partij aan het Ministerie van Justitie van de Partij voor wiens grondgebied om doortocht wordt verzocht dient te zijn vergezeld van de daarvoor van belang zijnde stukken. Een Partij kan weigeren doortocht van zijn onderdanen toe te staan.

3.

De overgebrachte persoon blijft op het grondgebied van de verzoekende Partij en, in voorkomende gevallen op het grondgebied van de Partij aan wie toestemming tot doortocht is verzocht, in detentie, tenzij de Partij die om toestemming tot doortocht wordt verzocht, zijn of haar invrijheidstelling verzoekt.

Artikel 12
1.

Een getuige of deskundige, van welke nationaliteit ook, die na gedagvaard te zijn voor de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij verschijnt, kan op het grondgebied van die Partij noch worden vervolgd, noch in hechtenis genomen, noch aan enige andere vrijheidsbeperking worden onderworpen voor feiten of veroordelingen die voorafgingen aan zijn vertrek van het grondgebied van de aangezochte Partij.

2.

Een persoon, van welke nationaliteit ook, die gedagvaard is om voor de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij te verschijnen teneinde zich te verantwoorden voor feiten ten aanzien waarvan tegen hem een strafvervolging is ingesteld, kan noch worden vervolgd noch in hechtenis genomen, noch aan enige andere vrijheidsbeperking worden onderworpen voor feiten of veroordelingen welke vooraf gingen aan zijn vertrek van het grondgebied van de aangezochte Partij, voor zover die niet in de dagvaarding zijn vermeld.

3.

De in dit artikel bedoelde immuniteit houdt op wanneer de getuige, de deskundige of de verdachte, hoewel hij gedurende vijftien achtereenvolgende dagen na het tijdstip waarop zijn aanwezigheid niet meer door de rechterlijke autoriteiten werd vereist, de mogelijkheid had het grondgebied van de verzoekende Partij te verlaten, daar desalniettemin is gebleven of op dat grondgebied is teruggekeerd na het te hebben verlaten.

TITEL IV. Strafregister

Artikel 13
1.

De uittreksels uit het strafregister en alle inlichtingen welke op het strafregister betrekking hebben, die door de rechterlijke autoriteiten van een Partij in verband met een strafzaak worden gevraagd, worden door de aangezochte Partij aan die autoriteiten verstrekt, voor zover haar eigen rechterlijke autoriteiten deze in overeenkomstige gevallen kunnen verkrijgen.

2.

In andere gevallen dan die bedoeld in het eerste lid van dit artikel wordt aan een dergelijk verzoek gevolg gegeven overeenkomstig hetgeen is voorzien in de wetgeving, de regelingen of de algemeen gevolgde gedragslijn van de aangezochte Partij.

TITEL V. Procedure

Artikel 14
1.

Verzoeken om rechtshulp dienen de volgende gegevens te bevatten:

2.

De rogatoire commissies bedoeld in de artikelen 3, 4 en 5 dienen bovendien de telastelegging te vermelden en een kort overzicht van de feiten te bevatten.

Artikel 15
1.

Verzoeken om wederzijdse rechtshulp, alsmede informatie op eigen initiatief, worden door het Ministerie van Justitie van de verzoekende Partij gericht aan het Ministerie van Justitie van de aangezochte Partij en op dezelfde wijze teruggezonden. Zij mogen evenwel rechtstreeks door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij worden gericht aan de rechterlijke autoriteiten van de aangezochte Partij en op dezelfde wijze worden teruggezonden.

2.

De verzoeken bedoeld in artikel 11 van dit Verdrag en artikel 13 van het Tweede Aanvullend Protocol bij dit Verdrag worden in alle gevallen door het Ministerie van Justitie van de verzoekende Partij gericht aan het Ministerie van Justitie van de aangezochte Partij en op dezelfde wijze teruggezonden.

3.

Verzoeken om wederzijdse rechtshulp betreffende procedures als bedoeld in artikel 1, derde lid, van dit Verdrag kunnen eveneens rechtstreeks door de bestuurlijke of rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij worden gericht aan de bestuurlijke of rechterlijke autoriteiten van de aangezochte Partij, naar gelang van het geval, en op dezelfde wijze worden teruggezonden.

4.

Verzoeken om wederzijdse rechtshulp gedaan ingevolge de artikelen 18 en 19 van het Tweede Aanvullend Protocol bij dit Verdrag kunnen eveneens rechtstreeks door de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Partij worden gericht aan de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij.

5.

De verzoeken bedoeld in artikel 13, eerste lid, van dit Verdrag kunnen rechtstreeks door de betrokken rechterlijke autoriteiten worden gericht aan de desbetreffende autoriteiten van de aangezochte Partij, en de antwoorden kunnen door deze autoriteiten rechtstreeks worden teruggezonden. De verzoeken bedoeld in artikel 13, tweede lid, van dit Verdrag worden door het Ministerie van Justitie van de verzoekende Partij gericht aan het Ministerie van Justitie van de aangezochte Partij.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.