Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen
De Verdragsluitende Partijen bij dit Verdrag,
Erkennende dat het mariene milieu en de daarvan levende organismen van uitzonderlijk gewicht zijn voor de mensheid en dat de gehele mensheid er belang bij heeft dat dit milieu zodanig wordt beheerd dat zijn eigenschappen en zijn bronnen niet worden aangetast;
Erkennende dat het vermogen van de zee afval op te nemen en onschadelijk te maken en haar mogelijkheden om het leven van de natuurlijke bronnen te hernieuwen niet onbegrensd zijn;
Erkennende dat de Staten, krachtens het Handvest der Verenigde Naties en de beginselen van het volkenrecht, het soevereine recht hebben hun eigen bronnen te exploiteren volgens hun eigen milieubeleid en dat het hun plicht is er op toe te zien dat de binnen hun rechtsmacht of onder hun controle uitgeoefende werkzaamheden geen schade berokkenen aan het milieu van andere Staten of van buiten hun nationale rechtsgebied gelegen gebieden;
Herinnerend aan Resolutie 2749 (XXV) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties inzake de beginselen die van toepassing zijn op de buiten de nationale rechtsmacht gelegen zee- en oceaanbodem en de ondergrond daarvan;
Vaststellende dat de verontreiniging van de zee talrijke oorzaken heeft, zoals het storten en het lozen via dampkring, rivieren, estuaria, open afvoeren en pijpleidingen, en dat het van belang is dat de Staten de daarvoor het meest in aanmerking komende middelen aanwenden ter voorkoming van zodanige verontreiniging en produkten en methoden ontwikkelen die de hoeveelheid te vernietigen schadelijk afval beperken;
Ervan overtuigd dat internationale maatregelen onverwijld kunnen en moeten worden genomen ten einde de verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten te bestrijden, maar dat dit een onderzoek van maatregelen ter bestrijding van andere bronnen van verontreiniging zodra dit mogelijk is niet moet verhinderen; en
Vervuld van de wens de bescherming van het mariene milieu te verbeteren, door de Staten die in bepaalde geografische gebieden een gemeenschappelijk belang hebben, aan te moedigen daartoe geëigende overeenkomsten te sluiten ter aanvulling van dit Verdrag;
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel I
De Verdragsluitende Partijen dienen afzonderlijk en gezamenlijk te bevorderen dat alle bronnen van verontreiniging van het mariene milieu onder controle blijven en zij verbinden zich in het bijzonder te streven naar het nemen van alle mogelijke maatregelen ter voorkoming van verontreiniging van de zee door het storten van afval en andere stoffen die de gezondheid van de mens in gevaar kunnen brengen, schade kunnen berokkenen aan de in de zee voorkomende fauna en flora, een aantasting kunnen vormen van de mogelijkheden tot recreatie of een ander rechtmatig gebruik van de zee kunnen verhinderen.
Artikel II
De Verdragsluitende Partijen nemen, overeenkomstig de hierna volgende artikelen, zowel afzonderlijk, al naar gelang van hun wetenschappelijke, technische en economische mogelijkheden, als gezamenlijk alle passende maatregelen ter voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten en zij harmoniseren hun beleid in dit opzicht.
Artikel III
In dit Verdrag:
- 1.
- (a). betekent „storten”:
- (i). het zich op zee opzettelijk ontdoen van afval en andere stoffen vanuit schepen of luchtvaartuigen, of vanaf platforms of andere bouwwerken in zee;
- (ii). het in zee tot zinken brengen van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee;
- (b). wordt onder „storten” niet begrepen:
- (i). het zich op zee ontdoen van afval of andere stoffen behorende bij of afkomstig van de normale exploitatie van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee en van hun uitrusting, waaronder niet begrepen zijn afval en andere stoffen die worden vervoerd door of overgeladen op schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee, gebruikt om zich van deze stoffen te ontdoen, of stoffen die afkomstig zijn van de verwerking van dergelijk afval of andere stoffen aan boord van deze schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken;
- (ii). het deponeren van stoffen met een ander oogmerk dan er zich enkel en alleen van te ontdoen mits zulks niet strijdig is met het doel van dit Verdrag;
- (c). valt het zich ontdoen van afval of andere stoffen, onmiddellijk of middellijk afkomstig van de exploratie, de ontginning en de verwerking op zee van mineralen die zich in de zeebodem bevinden, niet onder de bepalingen van dit Verdrag;
-
- betekent „schepen en luchtvaartuigen” vaartuigen die zich op het water, in het water of in de lucht voortbewegen, onverschillig van welk type zij zijn. Hieronder zijn mede begrepen luchtkussenvaartuigen, drijvende voorwerpen, al dan niet met eigen voortstuwingsvermogen;
-
- betekent „zee” alle mariene wateren met uitzondering van de binnenwateren van de Staten;
-
- betekent „afval en andere stoffen” materialen en substanties, onverschillig hun aard, vorm of beschrijving;
-
- betekent „bijzondere vergunning” de toestemming die voor ieder afzonderlijk geval wordt verleend op een van tevoren ingediend verzoek, zulks overeenkomstig het bepaalde in de Bijlagen II en III;
-
- betekent „algemene vergunning” de toestemming die van tevoren wordt verleend overeenkomstig het bepaalde in Bijlage III;
-
- betekent „Organisatie” de instelling die door de Verdragsluitende Partijen wordt aangewezen overeenkomstig het bepaalde in Artikel XIV, tweede lid.
Artikel IV
Overeenkomstig het bepaalde in dit Verdrag verbiedt elke Verdragsluitende Partij het storten van alle afval of andere stoffen in welke vorm en onder welke omstandigheden dan ook, met inachtneming van de hierna volgende bepalingen:
- (a). het storten van alle afval of stoffen genoemd in Bijlage I is verboden;
- (b). voor het storten van afval of andere stoffen genoemd in Bijlage II is een van tevoren verleende bijzondere vergunning vereist;
- (c). voor het storten van alle andere afval en stoffen is een van tevoren verleende algemene vergunning vereist.
Een vergunning wordt slechts verleend, nadat een nauwkerig onderzoek is ingesteld naar alle factoren genoemd in Bijlage III, met inbegrip van een voorafgaand onderzoek van de kenmerken van de stortplaats overeenkomstig het bepaalde in de paragrafen B en C van die Bijlage.
Geen enkele bepaling van dit Verdrag mag worden uitgelegd als beletsel voor een Verdragsluitende Partij om, wat haar betreft, het storten van afval en stoffen welke niet in Bijlage I zijn genoemd te verbieden. Die Partij geeft de Organisatie kennis van de te dien aanzien genomen maatregelen.
Artikel V
Het bepaalde in Artikel IV is niet van toepassing wanneer het noodzakelijk is voor de bescherming van mensenlevens of voor de veiligheid van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee in geval van overmacht ten gevolge van noodweer of in alle andere gevallen waarin mensenlevens in gevaar zijn of een ernstige bedreiging bestaat voor schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere bouwwerken in zee, mits het ernaar uitziet dat het storten de enige oplossing is om de dreiging af te wenden en hierdoor naar alle waarschijnlijkheid de minste schade wordt veroorzaakt. Het storten moet dan dusdanig geschieden dat de gevaren voor het menselijk leven en voor de in zee voorkomende flora en fauna tot een minimum beperkt blijven. De Organisatie dient onverwijld van het storten in kennis te worden gesteld.
Een Verdragsluitende Partij mag, in afwijking van Artikel IV, eerste lid, letter a, een bijzondere vergunning verlenen in noodgevallen die voor de menselijke gezondheid onaanvaardbare risico's met zich brengen en waarvoor geen andere oplossing mogelijk is. Alvorens hiertoe over te gaan, raadpleegt de Partij ieder ander land of landen die erbij betrokken zouden kunnen zijn, alsmede de Organisatie die, na de andere Partijen en de daarvoor in aanmerking komende internationale organisaties te hebben geraadpleegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel XIV, de Partij zo spoedig mogelijk aanbevelingen doet omtrent de te volgen werkwijzen die het meest geschikt zijn. De Partij volgt deze aanbevelingen zoveel mogelijk op, binnen de tijd waarin de nodige maatregelen moeten worden genomen, en rekening houdend met de algemene verplichting het veroorzaken van schade aan het mariene milieu te vermijden; zij geeft de Organisatie kennis van de door haar genomen maatregelen. De Partijen verbinden zich elkaar in zodanige situatie onderling bijstand te verlenen.
Iedere Verdragsluitende Partij kan bij de bekrachtiging van of bij de toetreding tot dit Verdrag van haar in het tweede lid bedoelde rechten afzien.
Artikel VI
Iedere Verdragsluitende Partij wijst één of meer autoriteiten aan die bevoegd zijn tot:
- (a). het verlenen van bijzondere vergunningen die voorafgaande aan de storting vereist zijn voor het storten van de in Bijlage II genoemde stoffen en in de in Artikel V, tweede lid, omschreven omstandigheden;
- (b). het verlenen van algemene vergunningen die voorafgaande aan de storting vereist zijn voor het storten van alle andere stoffen;
- (c). het bijhouden van lijsten, waarop de aard en de hoeveelheden van alle stoffen die gestort mogen worden, alsmede de plaats, de datum en de wijze van storten worden vermeld;
- (d). het afzonderlijk of in samenwerking met andere Partijen en de bevoegde international organisaties verrichten van controlemetingen betreffende de toestand van de zeeën ten behoeve van de uitvoering van dit Verdrag.
De bevoegde autoriteit of autoriteiten van een Verdragsluitende Partij zullen voorafgaand aan de storting de algemene of bijzondere vergunningen verlenen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid hierboven voor de te storten stoffen:
- (a). die geladen worden op haar grondgebied;
- (b). die geladen worden door een schip of een luchtvaartuig dat op haar grondgebied staat ingeschreven of dat haar vlag voert, wanneer het laden plaatsvindt op het grondgebied van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag.
Bij het verlenen van de hierboven onder het eerste lid, letters (a) en (b), bedoelde vergunningen handelt de bevoegde autoriteit of handelen de bevoegde autoriteiten overeenkomstig het bepaalde in Bijlage III en overeenkomstig de aanvullende criteria, maatregelen en voorwaarden die zij ter zake dienende acht, respectievelijk achten.
Iedere Verdragsluitende Partij brengt, rechtstreeks of door tussenkomstvan een bij regionale overeenkomst ingesteld secretariaat, aan de Organisatie en zo nodig aan andere Partijen verslag uit over de in de letters (c) en (d) van het eerste lid van dit artikel bedoelde inlichtingen alsmede over de overeenkomstig het bepaalde in het derde lid van dit artikel door haar aanvaarde criteria, maatregelen en voorwaarden. De te volgen procedure en de aard van deze mededelingen worden in onderling overleg door de Partijen geregeld.
Artikel VII
Iedere Verdragsluitende Partij past de voor de uitvoering van dit Verdrag vereiste maatregelen toe op alle:
- (a). schepen en luchtvaartuigen die op haar grondgebied staan ingeschreven of die haar vlag voeren;
- (b). schepen en luchtvaartuigen die op haar grondgebied of in haar territoriale wateren stoffen laden die gestort moeten worden;
- (c). schepen, luchtvaartuigen en vaste of drijvende platforms die onder haar rechtsmacht vallen en waarvan mag worden aangenomen dat zij stortingswerkzaamheden verrichten.
Iedere Verdragsluitende Partij neemt binnen haar grondgebied de geëigende maatregelen ter voorkoming en bestraffing van handelingen die in strijd zijn met de bepalingen van dit Verdrag.
De Verdragsluitende Partijen komen overeen samen te werken bij de ontwikkeling van de procedures voor de daadwerkelijke toepassing van dit Verdrag, met name in volle zee, met inbegrip van de procedures voor het melden van schepen en luchtvaartuigen die waargenomen worden terwijl ze bezig zijn met storten in strijd met de bepalingen van dit Verdrag.
Dit Verdrag is niet van toepassing op schepen en luchtvaartuigen die ingevolge het volkenrecht de immuniteit van Staten genieten. Door het nemen van geëigende maatregelen ziet iedere Partij er evenwel op toe dat dergelijke schepen en luchtvaartuigen die zij in bezit of in gebruik heeft, gebruikt worden overeenkomstig de doeleinden van dit Verdrag; zij doet de Organisatie dienovereenkomstig mededeling.
Het recht van iedere Partij andere maatregelen te nemen overeenkomstig de beginselen van het volkenrecht ter voorkoming van storten op zee wordt door geen enkele bepaling van dit Verdrag aangetast.
Artikel VIII
Ten einde de doelstellingen van dit Verdrag te bevorderen, stellen de Verdragsluitende Partijen die een gemeenschappelijk belang hebben bij de bescherming van het mariene milieu in een bepaald geografisch gebied, alles in het werk om, rekening houdend met regionale bijzonderheden, regionale overeenkomsten te sluiten die verenigbaar zijn met dit Verdrag, ter voorkoming van verontreiniging in het bijzonder ten gevolge van storten. De Partijen bij dit Verdrag streven er naar om te handelen in overeenstemming met de doelstellingen en de bepalingen van deze regionale overeenkomsten waarvan hun mededeling wordt gedaan door de Organisatie. De Verdragsluitende Partijen streven naar samenwerking met de Partijen bij de regionale overeenkomsten ter harmonisering van de door de Partijen bij de verschillende verdragen te volgen procedures. Speciale aandacht zal worden besteed aan de samenwerking op het gebied van het verrichten van controlemetingen en wetenschappelijk onderzoek.
Artikel IX
De Verdragsluitende Partijen bevorderen, door de samenwerking binnen de Organisatie en de andere internationiale organisaties, dat Partijen die daarom verzoeken, worden bijgestaan bij:
- (a). het scholen van wetenschappelijk en technisch personeel;
- (b). het verkrijgen van de nodige uitrusting en voorzieningen voor onderzoek en het verrichten van controlemetingen;
- (c). de opruiming en de verwerking van afval en alle andere maatregelen ter voorkoming of vermindering van verontreiniging door storting;
bij voorkeur binnen de betrokken landen, een en ander ter bevordering van de doelstellingen van dit Verdrag.
Artikel X
In overeenstemming met de beginselen van het volkenrecht betreffende de aansprakelijkheid van Staten ter zake van schade toegebracht aan het milieu van andere Staten of aan iedere andere sector van het milieu ten gevolge van het storten van afval of andere stoffen, verbinden de Verdragsluitende Partijen zich tot het ontwikkelen van procedures voor het vaststellen van de aansprakelijkheid en het regelen van geschillen met betrekking tot het storten.
Artikel XI
De Verdragsluitende Partijen zullen zich tijdens hun eerste consultatieve vergadering beraden over procedures voor het regelen van de geschillen betrekking hebbend op de uitleg en de toepassing van dit Verdrag.
Artikel XII
De Verdragsluitende Partijen verbinden zich tot het bevorderen, binnen het kader van de bevoegde gespecialiseerde organisaties en andere internationale organen, van maatregelen inzake de bescherming van het mariene milieu tegen verontreiniging veroorzaakt door:
- (a). koolwaterstofverbindingen met inbegrip van olie en daarvan de afvalprodukten;
- (b). andere schadelijke of gevaarlijke stoffen welke vervoerd worden door schepen voor andere doeleinden dan het storten;
- (c). afval afkomstig van de exploitatie van schepen, luchtvaartuigen, platforms en andere bouwwerken in zee;
- (d). verontreinigende radioactieve stoffen van iedere herkomst, met inbegrip van schepen;
- (e). middelen voor chemische en biologische oorlogvoering;
- (f). afval of andere stoffen onmiddellijk of middellijk afkomstig van de exploratie, de exploitatie en de bewerking op zee van mineralen die zich in de zeebodem bevinden.
De Partijen zullen tevens binnen het kader van de bevoegde internationale organisatie bevorderen dat de seinen die worden gebezigd door de voor storting gebruikte schepen in een code worden vastgelegd.
Artikel XIII
De bepalingen van dit Verdrag laten onverlet de codificatie en de ontwikkeling van het zeerecht door de Zeerechtconferentie van de Verenigde Naties, bijeengeroepen krachtens Resolutie 2750C (XXV) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, en de huidige of toekomstige claims en rechtsopvattingen van enige Staat met betrekking tot het zeerecht en de aard en omvang van de rechtsmacht van de kuststaat en van de vlaggestaat. De Verdragsluitende Partijen komen overeen elkaar te raadplegen tijdens een vergadering die zal worden bijeengeroepen door de Organisatie na de Zeerechtconferentie en uiterlijk in 1976 ter bepaling van de aard en de omvang van de rechten en de plichten van een kuststaat om het Verdrag in een gebied grenzend aan zijn kusten toe te passen.
Artikel XIV
De Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland roept, als Depotregering, een vergadering van de Verdragsluitende Partijen bijeen uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag, ten einde organisatorische vraagstukken te regelen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.