Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika;
Verlangend een regeling te treffen met het oog op een doeltreffender samenwerking tussen de beide Staten bij de bestrijding van de misdaad; en
Verlangend een nieuw verdrag te sluiten inzake de wederzijdse uitlevering van delinquenten;
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1. Verplichting tot uitlevering
De Verdragsluitende Partijen komen overeen, met inachtneming van de in dit Verdrag opgenomen bepalingen personen aan elkaar uit te leveren die worden aangetroffen op het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen en tegen wie een strafvervolging is ingesteld, die schuldig zijn bevonden aan het plegen van een strafbaar feit of die worden gezocht met het oog op de tenuitvoerlegging van een door de rechter opgelegde straf of maatregel, welke vrijheidsbeneming met zich mede brengt.
Artikel 2. Feiten die tot uitlevering kunnen leiden en rechtsmacht
Feiten die tot uitlevering kunnen leiden krachtens dit verdrag zijn:
- a. feiten, vermeld in de Bijlage bij dit Verdrag, die strafbaar zijn krachtens de wetten van beide Verdragsluitende Partijen;
- b. feiten, al dan niet in de Bijlage bij dit Verdrag opgenomen, mits zij strafbaar zijn krachtens de federale wetten van de Verenigde Staten van Amerika en de wetgeving van het Koninkrijk der Nederlanden.
In dit verband is het niet van belang of de wetten van de Verdragsluitende Partijen het feit onder dezelfde categorie strafbare feiten rangschikken dan wel een feit met dezelfde termen aanduiden.
Uitlevering wordt toegestaan voor feiten die tot uitlevering kunnen leiden:
- a. met het oog op vervolging, indien het feit krachtens het recht van beide Verdragsluitende Partijen strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan een jaar;
- b. met het oog op de oplegging van een straf of maatregel, indien het feit krachtens het recht van beide Verdragsluitende Partijen strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan een jaar; of
- c. met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel wegens een zodanig feit, indien het gedeelte van de straf of maatregel, dat nog niet is ondergaan, de duur van ten minste vier maanden heeft.
Uitlevering wordt toegestaan voor feiten die tot uitlevering kunnen leiden en die zijn gepleegd buiten het grondgebied van de verzoekende Staat indien:
- a. de rechters van de aangezochte Staat in gelijksoortige omstandigheden bevoegd zouden zijn daarover rechtsmacht uit te oefenen, of
- b. de opgeëiste persoon onderdaan is van de verzoekende Staat.
Met inachtneming van de in het eerste tot en met het derde lid vermelde voorwaarden wordt uitlevering eveneens toegestaan:
- a. voor poging tot of deelneming aan strafbare feiten die tot uitlevering kunnen leiden, daarbij inbegrepen deelneming aan een vereniging van personen wier oogmerk het is het strafbare feit te plegen;
- b. voor ieder feit dat tot uitlevering kan leiden wanneer, met het oog op verlening van rechtsmacht aan de Regering van de Verenigde Staten, het vervoer van personen of goederen, of het gebruik van de posterijen of andere middelen voor de handel tussen de Staten of met het buitenland mede een element van het desbetreffende strafbare feit vormt.
Wanneer uitlevering is toegestaan voor een feit dat tot uitlevering kan leiden, kan zij tevens worden toegestaan voor andere feiten die anders, uitsluitend ten gevolge van de werking van het tweede lid, niet tot uitlevering zouden kunnen leiden.
Artikel 3. Territoriale toepasselijkheid
Voor de toepassing van dit Verdrag omvat het grondgebied van een Verdragsluitende Partij het gehele grondgebied onder de rechtsmacht van die Verdragsluitende Partij, met inbegrip van het luchtruim en de territoriale wateren.
Artikel 4. Politieke en militaire delicten
Uitlevering wordt niet toegestaan wanneer het strafbare feit waarvoor zij wordt verzocht volgens de aangezochte Staat van politieke aard is of samenhangt met een strafbaar feit van politieke aard, dan wel wanneer wordt aangetoond dat het verzoek tot uitlevering met een politiek oogmerk is gedaan.
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt moord of een opzettelijk gepleegd misdrijf gericht tegen het leven of de lichamelijke integriteit van een Staatshoofd of Regeringsleider van een van de Verdragsluitende Partijen of van een lid van het gezin van een zodanige persoon, daaronder begrepen pogingen om een dergelijk feit te plegen, niet geacht een strafbaar feit in de zin van het eerste lid te zijn.
Uitlevering wordt niet toegestaan wanneer het strafbare feit waarvoor zij wordt verzocht een zuiver militair delict is.
Het is de verantwoordelijkheid van de uitvoerende autoriteit van de aangezochte Staat een beslissing te nemen over kwesties die uit hoofde van dit artikel worden opgeworpen, behalve voor zover de nationale wetten van die Staat die bevoegdheid uitdrukkelijk aan diens rechters toekennen.
Artikel 5. Voorafgaande strafvervolging terzake van hetzelfde feit
Uitlevering wordt niet toegestaan wanneer:
- a. de opgeëiste persoon door de aangezochte Staat ter zake van het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht wordt vervolgd, vervolgd is geweest, of is berecht en veroordeeld of vrijgesproken; of
- b. uit anderen hoofde tegen de opgeëiste persoon geen vervolging kan worden ingesteld ter zake van het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht, krachtens het recht in de aangezochte Staat met betrekking tot het effect van een voorafgaande strafvervolging.
Artikel 6. Verjaring
Uitlevering wordt niet toegestaan wanneer volgens het recht van de aangezochte Staat het recht tot vervolging of tenuitvoerlegging van straf ter zake van het feit waarvoor uitlevering werd verlangd, is vervallen door verjaring.
Artikel 7. Doodstraf en bijzondere omstandigheden
Wanneer op het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht krachtens het recht van de verzoekende Staat doch niet krachtens het recht van de aangezochte Staat de doodstraf is gesteld, kan de aangezochte Staat aan de uitlevering de voorwaarde verbinden dat de doodstraf niet aan de opgeëiste persoon wordt opgelegd of, indien de verzoekende Staat om procedurele redenen niet aan deze voorwaarde kan voldoen, de voorwaarde dat de doodstraf, indien deze wordt opgelegd, niet ten uitvoer zal worden gelegd. Indien de verzoekende Staat instemt met de uitlevering op de in dit artikel genoemde voorwaarden, moet hij die voorwaarden naleven. Indien de verzoekende Staat de voorwaarden niet aanvaardt, kan het uitleveringsverzoek worden geweigerd.
De uitvoerende autoriteit van de aangezochte Staat kan in bijzondere situaties, met name gezien de leeftijd of gezondheid van de opgeëiste persoon, of andere persoonlijke omstandigheden, uitlevering weigeren, indien zij redenen heeft om van oordeel te zijn dat uitlevering onverenigbaar is met humanitaire overwegingen.
Artikel 8. Uitlevering van onderdanen
Ingeval er tussen de Verdragsluitende Partijen een verdrag van kracht is betreffende de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafrechtelijke sancties, kan geen van beide Verdragsluitende Partijen weigeren haar eigen onderdanen uit te leveren uitsluitend op grond van hun nationaliteit.
Zo lang er tussen de Verdragsluitende Partijen geen verdrag van kracht is betreffende de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafrechtelijke sancties, is geen van beide Verdragsluitende Partijen verplicht haar eigen onderdanen uit te leveren, maar de uitvoerende autoriteit van de aangezochte Staat heeft, indien de wet van die Staat zich daartegen niet verzet, de bevoegdheid hen uit te leveren indien dat, naar het oordeel van de genoemde autoriteit, aangewezen wordt geacht.
Indien uitlevering niet wordt toegestaan uitsluitend op grond van de nationaliteit van de opgeëiste persoon, draagt de aangezochte Staat, op verzoek van de verzoekende Staat, de zaak voor vervolging aan zijn bevoegde autoriteiten over, mits het feit een strafbaar feit oplevert naar het recht van die Staat en die Staat rechtsmacht over het feit heeft.
Artikel 9. Procedure met betrekking tot uitlevering en vereiste stukken
Het verzoek tot uitlevering en stukken ter ondersteuning daarvan worden langs diplomatieke weg toegezonden, daaronder begrepen toezending voorzien in het zevende lid van dit artikel.
Bij het verzoek tot uitlevering dienen te worden gevoegd:
- a. alle beschikbare gegevens betreffende de identiteit, de nationaliteit, en de vermoedelijke verblijfplaats van de opgeëiste persoon;
- b. een uiteenzetting van de desbetreffende feiten, met inbegrip, indien mogelijk, van het tijdstip waarop en de plaats waar het misdrijf werd gepleegd;
- c. de wetsbepalingen houdende de wezenlijke elementen en de benaming van het strafbare feit waarvoor uitlevering wordt verzocht;
- d. de wetsbepalingen houdende de straf die op het delict is gesteld;
- e. de wetsbepalingen houdende toekenning van rechtsmacht ingeval het strafbare feit buiten het grondgebied van de verzoekende Staat werd gepleegd.
Bij een verzoek tot uitlevering met betrekking tot een persoon die wordt gezocht met het oog op vervolging dienen te worden gevoegd:
- a. het origineel of een gewaarmerkt afschrift van het bevel tot aanhouding, opgemaakt door een rechter of andere bevoegde rechterlijke autoriteit van de verzoekende Staat; en
- b. het bewijsmateriaal dat, volgens het recht van de aangezochte Staat, de aanhouding en dagvaarding van die persoon zou rechtvaardigen indien het feit in die Staat zou zijn gepleegd, met inbegrip van bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de persoon wiens uitlevering wordt verzocht degene is op wie het bevel tot aanhouding betrekking heeft.
Bij een verzoek tot uitlevering met betrekking tot een veroordeelde persoon dienen te worden gevoegd:
- a. het origineel of een gewaarmerkt afschrift van het veroordelend vonnis, uitgesproken door een rechter van de verzoekende Staat;
- b. bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon degene is op wie de veroordeling betrekking heeft.
Indien de desbetreffende persoon schuldig werd verklaard maar hem geen straf werd opgelegd, dienen bij het verzoek tot uitlevering te worden gevoegd een verklaring dienaangaande van de desbevoegde rechter en het origineel of een gewaarmerkt afschrift van het bevel tot aanhouding.
Indien de desbetreffende persoon werd veroordeeld, dienen bij het verzoek tot uitlevering te worden gevoegd het origineel of een gewaarmerkt afschrift van het uitgesproken vonnis, een verklaring dat het vonnis kracht van gewijsde heeft en vatbaar voor tenuitvoerlegging is, en een verklaring waaruit blijkt in hoeverre het vonnis niet ten uitvoer is gelegd.
De stukken die overeenkomstig dit artikel en artikel 10 ter ondersteuning van het verzoek tot uitlevering moeten worden overgelegd, dienen in de taal van de aangezochte Staat te worden vertaald.
Stukken die voorzien zijn van het waarmerk of het zegel van het ministerie van Justitie of het ministerie van Buitenlandse Zaken van de verzoekende Staat zijn zonder nadere certificering, waarmerking of andere vorm van legalisering toelaatbaar in uitleveringsprocedures in de aangezochte Staat. Onder ministerie van Justitie wordt voor de Verenigde Staten van Amerika verstaan het Department of Justice van de Verenigde Staten en voor het Koninkrijk der Nederlanden het ministerie van Justitie van Nederland, of, indien de territoriale toepassing van dit Verdrag overeenkomstig artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van de VS-EU-Uitleveringsovereenkomst wordt uitgebreid, als omschreven in de ingevolge daarvan uitgewisselde diplomatieke nota's.
Indien de persoon om wiens uitlevering wordt verzocht, door de aangezochte Staat voorlopig is aangehouden, kan de verzoekende Staat voldoen aan de verplichting om zijn uitleveringsverzoek en de stukken ter ondersteuning langs diplomatieke weg overeenkomstig het eerste lid van dit artikel toe te zenden door in de verzoekende Staat het verzoek en de stukken over te leggen aan de ambassade van de aangezochte Staat in de verzoekende Staat. In dat geval wordt met het oog op de termijn die uit hoofde van artikel 11, van dit Verdrag in acht moet worden genomen om de persoon in hechtenis te kunnen houden, de datum van ontvangst van het verzoek door de ambassade beschouwd als de datum van ontvangst ervan door de aangezochte Staat.
Artikel 10. Aanvullend bewijsmateriaal
Indien de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat van oordeel is dat het bewijsmateriaal, verschaft ter ondersteuning van het verzoek tot uitlevering van een opgeëiste persoon, niet toereikend is om te voldoen aan de vereisten van dit Verdrag, verzoekt die Staat om overlegging van het nodige aanvullende bewijsmateriaal. De aangezochte Staat kan een termijn stellen voor de overlegging van zodanig bewijsmateriaal en, op verzoek van de verzoekende Staat, een redelijke verlenging van die termijn toestaan.
Indien de opgeëiste persoon zich in detentie bevindt en het aanvullend bewijsmateriaal of de aanvullende gegevens, die zijn overgelegd, niet toereikend zijn of indien zodanig bewijsmateriaal of zodanige gegevens niet binnen de door de aangezochte Staat aangegeven termijn zijn ontvangen, kan hij uit het voorarrest worden ontslagen. Een dergelijk ontslag verhindert evenwel noch de verdere behandeling van het verzoek op basis van alsnog overgelegde stukken, noch, indien reeds een onherroepelijke beslissing is genomen, de indiening van een nieuw verzoek voor hetzelfde feit. In dat geval is het voldoende indien in het nieuwe verzoek wordt verwezen naar de overgelegde stukken ter ondersteuning van het eerdere verzoek, mits die stukken voor de uitleveringsprocedure voorhanden zijn.
Dergelijk aanvullend bewijs of aanvullende informatie kan rechtstreeks worden gevraagd en uitgewisseld tussen het ministerie van Justitie van Nederland en het Department of Justice van de Verenigde Staten.
Artikel 11. Voorlopige aanhouding
In geval van spoed kan elke Verdragsluitende Partij de voorlopige aanhouding verzoeken van ieder die wordt vervolgd of is veroordeeld. Het verzoek tot voorlopige aanhouding kan worden gedaan hetzij langs diplomatieke weg, hetzij in rechtstreeks contact tussen het Department of Justice van de Verenigde Staten en het Ministerie van Justitie in Nederland of, indien de territoriale toepassing van dit Verdrag overeenkomstig artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van de VS-EU-Uitleveringsovereenkomst wordt uitgebreid, als omschreven in de ingevolge daarvan uitgewisselde diplomatieke nota's.
Het verzoek dient te bevatten: een beschrijving van de gezochte persoon, met inbegrip, indien beschikbaar, van zijn nationaliteit; een kort overzicht van de desbetreffende feiten, met inbegrip, indien mogelijk, van het tijdstip waarop en de plaats waar het feit werd gepleegd; een verklaring betreffende het bestaan van een bevel tot aanhouding van of een veroordelend vonnis tegen die persoon, en een verklaring dat een verzoek tot uitlevering van de gezochte persoon zal volgen.
Na ontvangst van een zodanig verzoek neemt de aangezochte Staat de nodige maatregelen met het oog op de aanhouding van de gezochte persoon. Aan de verzoekende Staat wordt onverwijld kennis gegeven van het gevolg dat aan zijn verzoek is gegeven.
De voorlopige aanhouding wordt beëindigd indien de aangezochte Staat niet binnen 60 dagen na de inhechtenisneming van de gezochte persoon het officiële verzoek tot uitlevering en de in artikel 9 vermelde stukken ter ondersteuning daarvan heeft ontvangen.
De beëindiging van de voorlopige aanhouding volgens het vierde lid vormt geen beletsel voor de uitlevering van de opgeëiste persoon indien het verzoek tot uitlevering en de in artikel 9 vermelde documenten ter ondersteuning daarvan op een latere datum worden overgelegd.
Artikel 12. Beslissing en overlevering
De aangezochte Staat deelt de verzoekende Staat onverwijld langs diplomatieke weg zijn beslissing omtrent het verzoek tot uitlevering mede.
De aangezochte Staat geeft de redenen voor een gehele of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek tot uitlevering op.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.