Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, geleid door de wens een verdrag te sluiten aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Verplichting tot hulpverlening
De Verdragsluitende Partijen verbinden zich om, op verzoek en in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, elkaar wederzijds hulp te verlenen bij strafrechtelijk onderzoek en strafrechtelijke procedures.
- a. Rechtshulp wordt ook verleend aan een nationale administratieve autoriteit die, krachtens een specifieke administratieve of regelgevende bevoegdheid om dergelijke onderzoeken te doen, gedragingen onderzoekt met het oog op strafrechtelijke vervolging van de gedraging of verwijzing van dergelijke gedragingen naar autoriteiten die bevoegd zijn deze strafrechtelijk te onderzoeken of te vervolgen. Rechtshulp kan onder vergelijkbare omstandigheden ook worden verleend aan andere administratieve autoriteiten. Rechtshulp kan niet worden gevraagd in aangelegenheden waarin de administratieve autoriteit verwacht dat geen vervolging of, voor zover van toepassing, verwijzing zal plaatsvinden.
- b. Verzoeken om rechtshulp uit hoofde van dit artikel worden verzonden tussen de bevoegde autoriteiten, genoemd in artikel 14 van dit Verdrag, of tussen andere autoriteiten die door de bevoegde autoriteiten zijn overeengekomen.
Deze rechtshulp omvat onder meer:
- a. opsporing van personen;
- b. betekening van stukken;
- c. het verstrekken van documenten;
- d. het horen van personen als getuige of anderszins;
- e. overlegging van stukken;
- f. uitvoering van verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming; en
- g. overdracht van personen die zich in detentie bevinden met het oog op het afleggen van een getuigenverklaring.
Artikel 2. Opsporing van personen
De aangezochte Staat doet al het mogelijke om de verblijfplaats vast te stellen van personen, die in het verzoek zijn opgegeven en van wie wordt vermoed dat zij zich in de aangezochte Staat bevinden.
Artikel 3. Betekening van stukken
De aangezochte Staat zorgt voor de betekening van alle gerechtelijke stukken die hem met dat doel door de verzoekende Staat worden toegezonden.
Ieder verzoek tot betekening van een stuk waarin de verschijning van een persoon wordt gelast voor een autoriteit in de verzoekende Staat dient een redelijke tijd vóór het vastgestelde tijdstip van de verschijning te worden toegezonden.
De aangezochte Staat zendt als bewijs van de betekening een gedagtekende, door degene aan wie de betekening is verricht, ondertekende ontvangstbevestiging terug, dan wel een door de ambtenaar die de betekening heeft verricht, ondertekende verklaring waarin de vorm en de datum van de betekening nauwkeurig worden vermeld.
Artikel 4. Het verstrekken van documenten van overheidsinstanties of -instellingen
De aangezochte Staat verstrekt afschriften van voor eenieder toegankelijke gegevens uit de administratie van overheidsinstanties of -instellingen, die naar behoren dienen te worden gewaarmerkt door een bevoegde functionaris.
De aangezochte Staat kan in de administratie voorkomende of andere gegevens, in het bezit van overheidsinstanties of -instellingen, die niet voor eenieder toegankelijk zijn, verstrekken in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden als deze ter beschikking zouden kunnen worden gesteld van zijn eigen opsporings- of gerechtelijke autoriteiten. De aangezochte Staat mag het verzoek naar eigen inzicht geheel of gedeeltelijk afwijzen.
Artikel 5. Het horen van getuigen en de overlegging van stukken in de aangezochte Staat
Een persoon van wie bewijsmateriaal wordt verlangd kan, indien nodig, worden gedagvaard teneinde te getuigen of worden gedwongen stukken, documenten en zaken over te leggen in dezelfde mate als in geval van een vooronderzoek of onderzoek ter terechtzitting in de aangezochte Staat. Rechten tot verschoning van het afleggen van getuigenverklaringen krachtens de wetten van de verzoekende Staat zijn niet van toepassing bij de uitvoering van verzoeken krachtens dit artikel.
De aangezochte Staat vermeldt op verzoek de datum en plaats van het getuigenverhoor.
De aangezochte Staat stemt, bij de uitvoering van een verzoek, toe in de aanwezigheid van de verdachte, de raadsman van de verdachte en van iedere andere, in het verzoek opgegeven belanghebbende.
De autoriteit die het verzoek uitvoert verschaft eenieder wiens aanwezigheid is toegestaan gelegenheid tot het stellen van vragen te richten tot degene van wie verklaringen worden verlangd.
Artikel 6. Uitvoering van verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming
De aangezochte Staat geeft gevolg aan verzoeken tot huiszoeking en inbeslagneming overeenkomstig zijn wetten en gebruiken, indien op het desbetreffende feit krachtens de wetten van beide Verdragsluitende Partijen een vrijheidsstraf is gesteld van meer dan een jaar, of, indien daarop een kortere vrijheidsstraf is gesteld dat feit is vermeld in de aanhangsel bij dit Verdrag. De bevoegde autoriteiten bedoeld in artikel 14 kunnen schriftelijk wijzigingen van het Aanhangsel overeenkomen. Dergelijke wijzigingen treden in werking op een in een diplomatieke notawisseling vast te stellen datum.
Een feit wordt geacht krachtens de wetten van de aangezochte Staat strafbaar te zijn gesteld indien het beweerde handelen of nalaten, wanneer het onder gelijksoortige omstandigheden in de aangezochte Staat zou hebben plaatsgevonden, een strafbaar feit zou hebben opgeleverd krachtens de wetten van die Staat. Voor de toepassing van dit lid worden rechtsmachtbepalende elementen van strafbare feiten, opgenomen in federale wetten van de Verenigde Staten, zoals het gebruik van de posterijen of van de handel tussen de staten, niet beschouwd als wezenlijke elementen van die strafbare feiten.
Een verzoek aan het Koninkrijk der Nederlanden tot overlegging van stukken, afkomstig van particulieren, dient aan het bepaalde in dit artikel te voldoen.
Een verzoek tot huiszoeking en inbeslagneming gericht tot de Verenigde Staten dient vergezeld te gaan van een voor of door een rechter in het Koninkrijk der Nederlanden onder ede afgelegde verklaring, waaruit blijkt dat er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat een strafbaar feit is gepleegd of zal worden gepleegd en dat bewijsmateriaal ter zake bij de te onderzoeken personen of percelen zal worden gevonden, en waarin een nauwkeurige aanduiding van de te onderzoeken personen of percelen wordt gegeven. Een dergelijke verklaring geldt in de Verenigde Staten als een voor een Amerikaanse rechterlijke autoriteit onder ede afgelegde verklaring (affidavit).
Krachtens dit artikel overgelegde stukken worden naar behoren gewaarmerkt, als aangegeven in het verzoek, en van iedere overdracht van andere in beslag genomen zaken of van ander in beslag genomen bewijsmateriaal wordt een proces-verbaal opgesteld. Dergelijke verbalen betreffende overdracht worden erkend als bewijs van de daarin vermelde feiten.
Artikel 7. Overdracht van personen die zich in detentie bevinden naar de verzoekende Staat
Een persoon die zich in detentie bevindt en wiens verschijning als getuige of tot confrontatie voor een autoriteit in de verzoekende Staat noodzakelijk is, wordt naar de verzoekende Staat overgebracht indien:
- a. degene die zich in detentie bevindt daarmee instemt;
- b. geen belangrijke verlenging van zijn detentie wordt verwacht; en
- c. de aangezochte Staat geen redenen heeft de overbrenging te weigeren.
De aangezochte Staat kan de uitvoering van het verzoek uitstellen zolang de aanwezigheid van de persoon noodzakelijk is in verband met een vooronderzoek of onderzoek ter terechtzitting in de aangezochte Staat.
De verzoekende Staat heeft de bevoegdheid en is verplicht de persoon in detentie te houden, tenzij de aangezochte Staat de vrijlating heeft bevolen.
De verzoekende Staat draagt een persoon die niet krachtens het derde lid is vrijgelaten wederom in detentie over aan de aangezochte Staat, zodra de omstandigheden dat toelaten of zoals anderszins wordt overeengekomen. De verzoekende Staat weigert niet een overgebrachte persoon wederom over te dragen omdat deze onderdaan van die Staat is.
Artikel 8. Overdracht van personen die zich in detentie bevinden naar de aangezochte Staat
Wanneer de verzoekende Staat de overdracht van een zich in detentie bevindende persoon naar de andere Staat tot confrontatie verlangt, maakt het verzoek daarvan melding.
De aangezochte Staat houdt de persoon in detentie, tenzij de verzoekende Staat de vrijlating heeft bevolen.
De aangezochte Staat draagt een persoon die niet krachtens het tweede lid is vrijgelaten wederom in detentie over aan de verzoekende Staat, zodra de omstandigheden dat toelaten of zoals anderszins wordt overeengekomen. De aangezochte Staat weigert niet de overgebrachte persoon wederom over te dragen omdat deze onderdaan van die Staat is.
Artikel 9. Vrijgeleide
Een persoon die ingevolge dit Verdrag voor een autoriteit in de andere Staat verschijnt, kan niet voor de rechter worden gebracht, noch in hechtenis worden genomen of onderworpen aan enige andere beperking van zijn persoonlijke vrijheid, met betrekking tot een feit of veroordeling vóór zijn vertrek, behalve als voorzien in de artikelen 7 en 8 en in het volgende lid.
Een persoon, ongeacht van welke nationaliteit, die is gedagvaard om als verdachte te verschijnen voor de gerechtelijke autoriteiten van de verzoekende Staat wordt niet vervolgd of onderworpen aan enige beperking van zijn persoonlijke vrijheid, wegens feiten of veroordelingen vóór zijn vertrek uit de aangezochte Staat die niet in dagvaarding zijn omschreven.
Het in dit artikel verschafte vrijgeleide eindigt, indien de verschijnende persoon tien dagen nadat hij ervan in kennis is gesteld dat zijn aanwezigheid niet langer is vereist, de verzoekende Staat niet heeft verlaten of, na die Staat te hebben verlaten, daar is teruggekeerd.
Een persoon die als getuige verschijnt in de verzoekende Staat kan weigeren een getuigenverklaring af te leggen wanneer hij daartoe krachtens de wetten van de aangezochte Staat uit hoofde van zijn beroep een verplichting of een recht heeft, en de verlangde getuigenverklaring betrekking heeft op beschermde gegevens.
De verzoekende Staat eerbiedigt de verplichting of het recht wanneer de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat bevestigt dat een zodanige verplichting of een zodanig recht bestaat.
Artikel 10. Beperkingen op de inwilliging
De aangezochte Staat kan een verzoek afwijzen in zoverre:
- a. de uitvoering van het verzoek zou kunnen leiden tot een aantasting van de veiligheid of van andere, wezenlijke algemene belangen van die Staat;
- b. het verzoek betrekking heeft op een zaak die door de aangezochte Staat als een politiek delict wordt beschouwd;
- c. het verzoek betrekking heeft op de vervolging van een persoon die uit hoofde van de wetten van de aangezochte Staat betreffende een voorafgaande vervolging niet kan worden vervolgd ter zake van het strafbare feit waarvoor de rechtshulp wordt gevraagd;
- d. het verzoek niet voldoet aan de bepalingen van dit Verdrag.
De aangezochte Staat kan de uitvoering van een verzoek uitstellen of dit inwilligen onder bepaalde voorwaarden, indien de uitvoering een vooronderzoek of een onderzoek ter terechtzitting in de aangezochte Staat zou doorkruisen.
De aangezochte Staat stelt de verzoekende Staat onmiddellijk in kennis van de reden van een weigering of uitstel van de uitvoering van een verzoek.
Artikel 11. Bescherming van vertrouwelijke gegevens
De aangezochte Staat kan, indien nodig, verlangen dat bewijsmateriaal en gegevens, bij de toepassing van dit Verdrag verstrekt en gegevens daaraan ontleend, vertrouwelijk blijven overeenkomstig vastgestelde voorwaarden, behalve voorzover openbaarmaking noodzakelijk is als bewijs in een openbaar proces.
De aangezochte Staat stelt alles in het werk teneinde een verzoek en de inhoud ervan geheim te houden indien de verzoekende Staat zulks verzoekt. Indien het verzoek niet kan worden ingewilligd zonder inbreuk te maken op de verlangde vertrouwelijkheid, stelt de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat de verzoekende Staat daarvan in kennis, die vervolgens bepaalt of het verzoek desondanks dient te worden uitgevoerd.
Artikel 12. Uitvoering van verzoeken
De bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat voldoet terstond aan het verzoek of zendt dit, in het voorkomende geval, ter uitvoering door aan de daartoe bevoegde autoriteit.
Verzoeken worden uitgevoerd overeenkomstig de interne wet en de interne procedures van de aangezochte Staat, behalve voor zover dit Verdrag anders bepaalt. De in het verzoek aangegeven procedures dienen te worden gevolgd, zelfs indien zij in de aangezochte Staat ongebruikelijk zijn, behalve voor zover zulks uitdrukkelijk is verboden in de wetten van de aangezochte Staat.
Artikel 13. Inhoud van de verzoeken
Een verzoek om rechtshulp houdt in:
- a. de naam van de autoriteit die het onderzoek of de procedure waarop het verzoek betrekking heeft, leidt;
- b. het onderwerp en de aard van het onderzoek of de procedure;
- c. een beschrijving van het verlangde bewijsmateriaal, de verlangde gegevens of de te verrichten handelingen; en
- d. het doel waartoe het bewijsmateriaal, de gegevens of de handeling worden verlangd.
Voor zover noodzakelijk en mogelijk houdt een verzoek tevens in:
- a. de beschikbare gegevens betreffende de identiteit en verblijfplaats van een op te sporen persoon;
- b. de identiteit en verblijfplaats van een persoon aan wie een stuk moet worden betekend, de relatie van die persoon tot de procedure en de wijze waarop de betekening moet worden verricht;
- c. de identiteit en verblijfplaats van personen van wie bewijsmateriaal wordt verlangd;
- d. een beschrijving van de wijze waarop een getuigenverklaring dient te worden afgenomen en op schrift gesteld;
- e. een lijst van de te beantwoorden vragen;
- f. een nauwkeurige opgave van de plaats waar huiszoeking moet worden verricht en van de voorwerpen die in beslag moeten worden genomen;
- g. een beschrijving van een eventuele bijzondere procedure die moet worden gevolgd bij de uitvoering van het verzoek; en
- h. gegevens betreffende de toelagen en onkostenvergoedingen waarop iemand die in de verzoekende Staat verschijnt aanspraak kan maken.
Artikel 14. Bevoegde autoriteiten
Tenzij anders voorzien in dit Verdrag, worden verzoeken om rechtshulp ingediend en uitgevoerd door tussenkomst van een bevoegde autoriteit voor elk der Verdragsluitende Partijen. De bevoegde autoriteiten van de beide Staten verstaan zich rechtstreeks tot elkaar met het oog op de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag. De bevoegde autoriteit voor de Verenigde Staten van Amerika is de “Attorney General” of zijn gemachtigde. De bevoegde autoriteit voor het Koninkrijk der Nederlanden is de minister van Justitie in Nederland of indien de territoriale toepassing van dit Verdrag wordt uitgebreid overeenkomstig artikel 16, eerste lid, onderdeel b, van de VS-EU-Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp, als omschreven in de ingevolge daarvan uitgewisselde diplomatieke nota's.
Verzoeken om wederzijdse rechtshulp en daarmee verband houdende mededelingen kunnen worden bespoedigd door middel van snelle communicatiemiddelen, waaronder fax of e-mail, en, indien zulks verlangd wordt door de aangezochte Staat, gevolgd door een formele bevestiging.
De aangezochte Staat kan het verzoek beantwoorden door middel van een snel communicatiemiddel.
Artikel 15. Terugzending van ingewilligde verzoeken
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.