Europees Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging
De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Verdrag hebben ondertekend,
Overwegende, dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden,
Verlangend de arbeid die zij reeds op het gebied van het strafrecht hebben verricht te voltooien, ten einde te komen tot een rechtvaardiger en doeltreffender strafoplegging,
Van oordeel zijnde, dat het te dien einde nuttig zou zijn in een geest van wederzijds vertrouwen op internationaal niveau regelingen vast te stellen voor vervolging van strafbare feiten en daarbij met name de nadelen van bevoegdheidsconflicten te vermijden,
Zijn als volgt overeengekomen:
TITEL I. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- (a). „strafbaar feit": handelingen die in het strafrecht strafbaar zijn gesteld, alsmede handelingen waarop betrekking hebben de in Bijlage III van dit Verdrag genoemde wettelijke bepalingen, mits de betrokkene, indien terzake van het strafbare feit een bestuurlijke autoriteit bevoegd is, de mogelijkheid heeft de zaak aan de rechter voor te leggen;
- (b). „sanctie": elke straf of maatregel, opgelegd of uitgesproken wegens een strafbaar feit of wegens een overtreding van de in Bijlage III genoemde wettelijke bepalingen.
TITEL II. Bevoegdheid
Artikel 2
Voor de toepassing van dit Verdrag is elke Verdragsluitende Staat bevoegd elk strafbaar feit waarop de strafwet van een andere Verdragsluitende Staat van toepassing is, te vervolgen op grond van zijn eigen strafwet.
De aan een Verdragsluitende Staat uitsluitend op grond van bet eerste lid van dit artikel toegekende bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend na een verzoek om strafvervolging, afkomstig van een andere Verdragsluitende Staat.
Artikel 3
Elke Verdragsluitende Staat die krachtens zijn eigen wet bevoegd is tot het vervolgen van een strafbaar feit kan, voor de toepassing van dit Verdrag, afzien van strafvervolging of een ingestelde strafvervolging staken, ten aanzien van een verdachte die wegens hetzelfde feit wordt of zal worden vervolgd door een andere Verdragsluitende Staat. Gelet op het bepaalde in artikel 21, tweede lid, is de beslissing tot het afzien van of het staken van strafvervolging een voorlopige, zolang geen definitieve beslissing in de andere Verdragsluitende Staat is genomen.
Artikel 4
De aangezochte Staat staakt de uitsluitend op artikel 2 gegronde strafvervolging, indien hij weet dat het recht tot strafvordering volgens de wet van de verzoekende Staat vervalt wegens een andere oorzaak dan de verjaring, waarop met name de artikelen 10, letter c, 11, letters f en g, 22, 23 en 26 van toepassing zijn.
Artikel 5
De bepalingen van Titel III van dit Verdrag vormen geen beperking van de bevoegdheid tot strafvordering die de verzoekende Staat ontleent aan zijn eigen wet.
TITEL III. Overdracht van strafvervolging
AFDELING 1. VERZOEK TOT STRAFVERVOLGING
Artikel 6
Indien een persoon wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit volgens de wet van een Verdragsluitende Staat, kan die Staat aan een andere Verdragsluitende Staat verzoeken over te gaan tot strafvervolging in de gevallen en op de gronden genoemd in dit Verdrag.
Indien volgens de bepalingen van dit Verdrag een Verdragsluitende Staat aan een andere Verdragsluitende Staat kan verzoeken over te gaan tot strafvervolging, dienen de bevoegde autoriteiten van eerstgenoemde Staat de mogelijkheid daartoe te overwegen.
Artikel 7
De strafvervolging kan slechts worden ingesteld in de aangezochte Staat indien het feit waarvoor strafvervolging is verzocht ware het op het grondgebied van die Staat begaan een strafbaar feit zou hebben opgeleverd en in dat geval aan de dader eveneens krachtens de wet van die Staat een sanctie had kunnen worden opgelegd.
Indien het strafbare feit is begaan door of ten aanzien van een persoon, die in de verzoekende Staat met een openbaar ambt is bekleed, dan wel ten aanzien van een tot de openbare dienst van die Staat behorende instelling of zaak, wordt het in de aangezochte Staat beschouwd als zijnde gepleegd door of ten aanzien van een persoon, dan wel een instelling of een zaak die aldaar tot de openbare dienst behoort.
Artikel 8
Een Verdragsluitende Staat kan een andere Verdragsluitende Staat verzoeken over te gaan tot strafvervolging in een of meer van de volgende gevallen:
- (a). indien de verdachte zijn vaste woonplaats heeft in de aangezochte Staat;
- (b). indien de verdachte onderdaan is van de aangezochte Staat of indien hij uit die Staat afkomstig is;
- (c). indien de verdachte in de aangezochte Staat een sanctie ondergaat of moet ondergaan die vrijheidsbeneming met zich brengt;
- (d). indien de verdachte in de aangezochte Staat wordt vervolgd wegens hetzelfde strafbare feit of wegens andere strafbare feiten;
- (e). indien hij van oordeel is dat de overdracht is aangewezen in het belang van de waarheidsvinding, met name indien het belangrijkste bewijsmateriaal zich in de aangezochte Staat bevindt;
- (f). indien hij van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van een eventuele veroordeling in de aangezochte Staat naar verwachting betere mogelijkheden biedt voor de reclassering van de veroordeelde;
- (g). indien hij van oordeel is dat de aanwezigheid van de verdachte ter terechtzitting in de verzoekende Staat niet kan worden verzekerd, terwijl diens aanwezigheid ter terechtzitting in de aangezochte Staat wel kan worden verzekerd;
- (h). indien hij van oordeel is dat hij niet in staat is zelf een eventuele veroordeling ten uitvoer te leggen, zelfs niet met toepassing van uitlevering, en dat de aangezochte Staat daartoe wel in staat is.
Indien de verdachte in een Verdragsluitende Staat onherroepelijk is veroordeeld, kan die Staat geen overdracht van de strafvervolging verzoeken in een of meer van de in het eerste lid van dit artikel vermelde gevallen tenzij hij de sanctie, ook met toepassing van uitlevering, niet zelf ten uitvoer kan leggen en de andere Verdragsluitende Staat het beginsel van de tenuitvoerlegging van een in het buitenland gewezen vonnis niet aanvaardt of weigert een vonnis als het onderhavige ten uitvoer te leggen.
Artikel 9
De bevoegde autoriteiten van de aangezochte Staat onderwerpen het aan hen met toepassing van de voorgaande artikelen gerichte verzoek tot strafvervolging aan een onderzoek. Zij beslissen overeenkomstig hun eigen wetgeving welk gevolg aan het verzoek zal worden gegeven.
Indien de wet van de aangezochte Staat voorziet in de bestraffing van het strafbare feit door een bestuurlijke autoriteit geeft die Staat daarvan zo spoedig mogelijk kennis aan de verzoekende Staat, tenzij de aangezochte Staat een verklaring heeft afgelegd krachtens het derde lid van dit artikel.
Elke Verdragsluitende Staat kan op het ogenblik van ondertekening of van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding of op elk ander tijdstip door middel van een tot de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring de gevallen opgeven waarin zijn nationale wet voorziet in de afdoening van strafbare feiten door een bestuurlijke autoriteit. Een zodanige verklaring vervangt de in het tweede lid van dit artikel bedoelde kennisgeving.
Artikel 10
De aangezochte Staat geeft geen gevolg aan het verzoek:
- (a). indien het verzoek niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, en in artikel 7, eerste lid;
- (b). indien het instellen van de strafvervolging indruist tegen het bepaalde in artikel 35;
- (c). indien op de in het verzoek vermelde datum het recht tot strafvordering in de verzoekende Staat is verjaard volgens de wet van die Staat.
Artikel 11
Onverminderd het bepaalde in artikel 10 kan de aangezochte Staat slechts in een of meer van de volgende gevallen de aanvaarding van het verzoek geheel of gedeeltelijk weigeren:
- (a). indien hij van oordeel is dat de in artikel 8 genoemde gronden waarop het verzoek berust, zich niet voordoen;
- (b). indien de verdachte geen vaste woonplaats heeft in de aangezochte Staat;
- (c). indien de verdachte geen onderdaan is van de aangezochte Staat en geen vaste woonplaats had op het grondgebied van die Staat ten tijde van het begaan van het strafbare feit;
- (d). indien hij van oordeel is dat het strafbare feit waarvoor de strafvervolging is verzocht van politieke aard is of als een zuiver militair of zuiver fiscaal delict moet worden beschouwd;
- (e). indien hij ernstige redenen meent te hebben om aan te nemen dat het verzoek tot strafvervolging is ingegeven door overwegingen van ras, godsdienst, nationaliteit of politieke overtuiging;
- (f). indien zijn eigen wet reeds van toepassing is op het feit en het recht op strafvordering op het tijdstip van ontvangst van het verzoek krachtens die wet reeds is verjaard; in dat geval vindt artikel 26, tweede lid, geen toepassing;
- (g). indien zijn bevoegdheid uitsluitend is gegrond op artikel 2 en het recht op strafvordering op het tijdstip van ontvangst van het verzoek is verjaard krachtens zijn wet, daarbij rekening gehouden met de verlenging van de verjaringstermijn met zes maanden, voorzien in artikel 23;
- (h). indien het feit buiten het grondgebied van de verzoekende Staat is begaan;
- (i). indien de strafvervolging in strijd is met de door de aangezochte Staat aangegane internationale verplichtingen;
- (j). indien de vervolging in strijd is met de grondbeginselen van de rechtsorde van de aangezochte Staat;
- (k). indien de verzoekende Staat een in dit Verdrag neergelegde procedureregel heeft overtreden.
Artikel 12
De aangezochte Staat is verplicht zijn aanvaarding van het verzoek in te trekken, indien na die aanvaarding een in artikel 10 van dit Verdrag genoemde grond blijkt te bestaan om geen gevolg te geven aan het verzoek.
De aangezochte Staat is gerechtigd zijn aanvaarding van het verzoek in te trekken:
- (a). indien blijkt dat de aanwezigheid van de verdachte ter terechtzitting in die Staat niet kan worden verzekerd of indien een eventuele veroordeling in die Staat niet ten uitvoer kan worden gelegd;
- (b). indien een der in artikel 11 genoemde weigeringsgronden zich voordoet alvorens de zaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt; of
- (c). in andere gevallen, indien de verzoekende Staat daarmede instemt.
AFDELING 2. PROCEDURE VAN OVERDRACHT
Artikel 13
De in dit Verdrag bedoelde verzoeken worden schriftelijk gedaan. Zij worden, evenals alle voor de toepassing van dit Verdrag benodigde mededelingen, hetzij door het Ministerie van Justitie van de verzoekende Staat aan het Ministerie van Justitie van de aangezochte Staat, hetzij, krachtens bijzondere overeenkomsten, door de autoriteiten van de verzoekende Staat rechtstreeks aan die van de aangezochte Staat toegezonden en op dezelfde wijze teruggezonden.
In spoedeisende gevallen kunnen de verzoeken en mededelingen worden gedaan door tussenkomst van de Internationale Politie Organisatie (INTERPOL).
Iedere Verdragsluitende Staat kan door middel van een tot de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa te richten verklaring te kennen geven, dat hij wat hemzelf betreft wenst af te wijken van de in het eerste lid van dit artikel neergelegde regels voor de overdracht.
Artikel 14
Indien een Verdragsluitende Staat van oordeel is dat de door een andere Verdragsluitende Staat verstrekte inlichtingen onvoldoende zijn om hem in staat te stellen dit Verdrag toe te passen, vraagt hij de nodige aanvullende gegevens. Hij kan een termijn stellen waarbinnen die gegevens moeten zijn ontvangen.
Artikel 15
Het verzoek tot strafvervolging gaat vergezeld van het origineel of een voor gelijkluidend gewaarmerkt afschrift van het strafdossier en van alle ter zake dienende stukken. Indien evenwel een verdachte krachtens de bepalingen van Afdeling 5 in voorlopige hechtenis is gesteld en de verzoekende Staat niet in staat is de genoemde stukken bij het verzoek tot strafvervolging te voegen, kunnen deze naderhand worden toegezonden.
De verzoekende Staat doet de aangezochte Staat schriftelijk mededeling van alle processuele handelingen en alle maatregelen die in de verzoekende Staat na de overlegging van het verzoek hebben plaatsgevonden en betrekking hebben op de strafvervolging. Deze mededeling dient vergezeld te gaan van alle ter zake dienende documenten.
Artikel 16
De aangezochte Staat deelt de verzoekende Staat onverwijld zijn beslissing op het verzoek tot strafvervolging mede.
De aangezochte Staat stelt de verzoekende Staat op de hoogte van het staken van strafvervolging of de als resultaat van de procedure gegeven beslissing. Een voor gelijkluidend gewaarmerkt afschrift van elke schriftelijke beslissing wordt de verzoekende Staat toegezonden.
Artikel 17
Indien de bevoegdheid van de aangezochte Staat uitsluitend is gegrond op artikel 2 verwittigt die Staat de verdachte van het verzoek tot strafvervolging, opdat deze zijn beschouwing kan geven alvorens die Staat een beslissing neemt aangaande het verzoek.
Artikel 18
Behoudens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel wordt een vertaling van de documenten met betrekking tot de toepassing van dit Verdrag niet vereist.
Iedere Verdragsluitende Staat kan zich op het tijdstip van ondertekening of van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding door middel van een tot de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa te richten verklaring het recht voorbehouden te verlangen, dat genoemde stukken, met uitzondering van het afschrift van de in artikel 16, tweede lid, bedoelde schriftelijke beslissing, hem worden toegezonden, vergezeld van een vertaling. De andere Verdragsluitende Staten moeten die vertalingen toezenden, hetzij in de landstaal van de Staat van bestemming, hetzij in een der door de Staat van bestemming aan te wijzen officiële talen van de Raad van Europa. Laatstbedoelde aanwijzing is evenwel niet verplicht. De andere Verdragsluitende Staten kunnen het beginsel van wederkerigheid toepassen.
Dit artikel laat onverlet de bepalingen betreffende de vertaling van verzoeken en bijlagen, neergelegd in de van kracht zijnde of alsnog te sluiten overeenkomsten of regelingen tussen twee of meer Verdragsluitende Staten.
Artikel 19
Met toepassing van dit Verdrag overgelegde documenten zijn vrijgesteld van alle formaliteiten van legalisatie.
Artikel 20
Elk der Verdragsluitende Staten doet tegenover de andere afstand van de terugvordering van uit de toepassing van dit Verdrag voortvloeiende kosten.
AFDELING 3. GEVOLGEN VAN HET VERZOEK TOT STRAFVERVOLGING IN DE VERZOEKENDE STAAT
Artikel 21
Zodra de verzoekende Staat het verzoek tot strafvervolging heeft aangeboden, mag hij de verdachte niet meer vervolgen voor het feit, dat ten grondslag ligt aan het verzoek, noch overgaan tot tenuitvoerlegging van een door hem voordien wegens dat feit tegen de verdachte gewezen vonnis. Evenwel behoudt de verzoekende Staat tot het tijdstip van de mededeling van de beslissing van de aangezochte Staat op het verzoek tot strafvervolging het recht tot daden van vervolging over te gaan, met uitzondering van die waarbij de zaak ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt of eventueel wordt aangebracht voor de bestuurlijke autoriteit die bevoegd is over het strafbare feit te beslissen.
De verzoekende Staat herkrijgt zijn recht tot strafvervolging of tot tenuitvoerlegging:
- (a). indien de aangezochte Staat hem kennis geeft van zijn op grond van artikel 10 genomen beslissing geen gevolg te geven aan het verzoek;
- (b). indien de aangezochte Staat hem mededeelt dat hij op grond van artikel 11 weigert het verzoek te aanvaarden;
- (c). indien de aangezochte Staat de aanvaarding van het verzoek intrekt in de gevallen bedoeld in artikel 12;
- (d). indien de aangezochte Staat hem mededeling doet van zijn beslissing geen vervolging in te stellen of een ingestelde vervolging te staken;
- (e). indien hij zijn verzoek intrekt voordat de aangezochte Staat hem kennis heeft gegeven van zijn beslissing daaraan gevolg te geven.
Artikel 22
In de verzoekende Staat heeft het verzoek tot het instellen van een vervolging overeenkomstig deze Titel ten gevolge dat de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering wordt verlengd met zes maanden.
AFDELING 4. GEVOLGEN VAN HET VERZOEK TOT STRAFVERVOLGING IN DE AANGEZOCHTE STAAT
Artikel 23
Indien de bevoegdheid van de aangezochte Staat uitsluitend is gegrond op artikel 2 wordt de termijn van verjaring van het recht van strafvordering verlengd met zes maanden.
Artikel 24
Indien het feit in de beide Staten alleen op klachte vervolgbaar is, geldt de in de verzoekende Staat ingediende klacht ook als zodanig in de aangezochte Staat.
Indien een klacht slechts in de aangezochte Staat vereist is, kan die Staat overgaan tot strafvervolging, zelfs bij ontbreken van de klacht, mits de persoon die gerechtigd is de klacht in te dienen zich daartegen niet heeft verzet binnen een termijn van een maand te rekenen van de dag van ontvangst van de kennisgeving, waardoor de bevoegde autoriteit hem van dit recht tot verzet op de hoogte heeft gesteld.
Artikel 25
In de aangezochte Staat is de op het strafbare feit toe te passen sanctie die welke is gesteld in de wet van die Staat, tenzij die wet anders bepaalt. Indien de bevoegdheid van de aangezochte Staat uitsluitend is gegrond op artikel 2 kan de opgelegde sanctie in die Staat niet zwaarder zijn dan de sanctie gesteld in de wet van de verzoekende Staat.
Artikel 26
Elke daad van opsporing en vervolging verricht in de verzoekende Staat overeenkomstig de aldaar van kracht zijnde wetten en voorschriften, heeft dezelfde rechtskracht in de aangezochte Staat alsof hij was verricht door de autoriteiten van die Staat. Deze gelijkstelling heeft echter niet tot gevolg dat aan die daad een grotere bewijskracht wordt toegekend dan hij in de verzoekende Staat heeft.
Elke handeling die de verjaring stuit en die rechtsgeldig is verricht in de verzoekende Staat heeft dezelfde gevolgen in de aangezochte Staat en omgekeerd.
AFDELING 5. VOORLOPIGE MAATREGELEN IN DE AANGEZOCHTE STAAT
Artikel 27
Indien de verzoekende Staat zijn voornemen kenbaar maakt tot het doen van een verzoek tot strafvervolging en de bevoegdheid van de aangezochte Staat uitsluitend is gegrond op artikel 2, kan de aangezochte Staat op verzoek van de verzoekende Staat krachtens dit Verdrag overgaan tot de aanhouding van de verdachte, indien:
- (a). de wet van de aangezochte Staat voorlopige hechtenis voor het strafbare feit toelaat, en
- (b). er redenen bestaan om te vrezen dat de verdachte de vlucht neemt of indien gevaar bestaat voor collusie.
Het verzoek tot aanhouding dient aan te geven dat een bevel tot aanhouding of een andere akte die dezelfde kracht heeft is afgegeven in de door de wet van de verzoekende Staat voorgeschreven vorm; het dient te vermelden: het strafbare feit waarvoor strafvervolging wordt verzocht, het tijdstip waarop en de plaats waar het is begaan, benevens een zo nauwkeurig mogelijk signalement van de verdachte. Het dient tevens een korte omschrijving te bevatten van de feiten.
Het verzoek tot aanhouding wordt door de in artikel 13 bedoelde autoriteiten van de verzoekende Staat rechtstreeks toegezonden aan de overeenkomstige autoriteiten van de aangezochte Staat, hetzij per brief of telegram, hetzij op enige andere wijze, waarbij schriftelijk van het verzoek blijkt of welke door de aangezochte Staat wordt aanvaard. De verzoekende Staat wordt onverwijld in kennis gesteld van het gevolg dat aan zijn verzoek is gegeven.
Artikel 28
Zodra de aangezochte Staat een verzoek tot strafvervolging heeft ontvangen, vergezeld van de in artikel 15, eerste lid, bedoelde documenten, is hij bevoegd alle voorlopige maatregelen te treffen, met inbegrip van het in voorlopige hechtenis stellen van de verdachte en de inbeslagneming, die krachtens zijn wet zouden mogen worden toegepast, indien het strafbare feit waarvoor strafvervolging is verzocht, op zijn grondgebied zou zijn gepleegd.
Artikel 29
De voorlopige maatregelen bedoeld in de artikelen 27 en 28 worden beheerst door de bepalingen van dit Verdrag en door de wet van de aangezochte Staat. De wet van die Staat of het Verdrag bepaalt eveneens de omstandigheden waaronder deze maatregelen worden opgeheven.
Deze maatregelen worden opgeheven in alle gevallen bedoeld in artikel 21, tweede lid.
Een in hechtenis gesteld persoon dient in vrijheid te worden gesteld indien hij is aangehouden krachtens artikel 27 en de aangezochte Staat het verzoek tot het instellen van een vervolging niet heeft ontvangen binnen 18 dagen na de datum van de aanhouding.
Een in hechtenis gesteld persoon dient in vrijheid te worden gesteld indien hij is aangehouden krachtens artikel 27 en de bij het verzoek tot strafvervolging te voegen documenten niet binnen een termijn van 15 dagen na de ontvangst van het verzoek tot strafvervolging zijn ontvangen door de aangezochte Staat.
De termijn van de uitsluitend krachtens artikel 27 bevolen inhechtenisstelling mag in geen geval langer zijn dan 40 dagen.
TITEL IV. Samenloop van strafvervolging
Artikel 30
Iedere Verdragsluitende Staat die, voorafgaande aan of tijdens het overgaan tot strafvervolging wegens een strafbaar feit dat door hem geacht wordt geen politiek of zuiver militair karakter te bezitten, kennis draagt van een in een andere Verdragsluitende Staat ingestelde strafvervolging tegen dezelfde persoon wegens dezelfde feiten, dient te overwegen of hij hetzij de door hem ingestelde strafvervolging zal staken of schorsen, hetzij haar zal overdragen aan de andere Staat.
Indien hij het in deze omstandigheden raadzaam acht de door hem ingestelde strafvervolging niet te staken of te schorsen geeft hij daarvan aan de andere Staat tijdig kennis en in elk geval alvorens uitspraak ten principale is gewezen.
Artikel 31
In het in artikel 30, tweede lid, bedoelde geval trachten de belanghebbende Staten, na beoordeling in elk geval van de in artikel 8 genoemde omstandigheden, zoveel mogelijk vast te stellen aan wie van hen de taak toevalt om een enkele strafvervolging voort te zetten. Tijdens dit overleg stellen de belanghebbende Staten een uitspraak ten principale uit, zonder evenwel verplicht te zijn dit uitstel te verlengen tot een termijn langer dan 30 dagen na de verzending van de in artikel 30, tweede lid, bedoelde kennisgeving.
Het bepaalde in het eerste lid is niet bindend:
- (a). voor de Staat die de in artikel 30, tweede lid, bedoelde kennisgeving heeft verzonden, indien de terechtzitting ten principale in tegenwoordigheid van de verdachte is geopend vóór de verzending van de kennisgeving;
- (b). voor de Staat van bestemming der kennisgeving indien de terechtzitting in tegenwoordigheid van de verdachte is geopend vóór de ontvangst van die kennisgeving.
Artikel 32
In het belang van de waarheidsvinding en de straftoemeting dienen de betrokken Staten na te gaan of het aanbeveling verdient dat een van hen een enkele strafvervolging instelt, indien:
- (a). verscheidene zakelijk verschillende feiten, die alle strafbaar zijn volgens het strafrecht van elk van die Staten, worden toegeschreven hetzij aan een enkele persoon, hetzij aan verschillende personen die gezamenlijk hebben gehandeld.
- (b). een enkel feit, dat een strafbaar feit is volgens het strafrecht van elk van die Staten, wordt toegeschreven aan verschillende personen, die gezamenlijk hebben gehandeld; in het bevestigende geval bepalen zij tevens wie van hen de strafvervolging instelt.
Artikel 33
Elke beslissing genomen overeenkomstig artikel 31, eerste lid, en artikel 32 brengt voor de betrokken Staten alle gevolgen mede van een overdracht van strafvervolging, zoals die is voorzien in dit Verdrag. De Staat die zijn eigen strafvervolging staakt, wordt geacht zijn strafvervolging te hebben overgedragen aan een andere Staat.
Artikel 34
De procedure van overdracht bedoeld in de 2e Afdeling van Titel III wordt toegepast in zoverre haar bepalingen verenigbaar zijn met deze Titel.
TITEL V. Ne bis in idem
Artikel 35
Hij die bij een onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar strafvonnis is veroordeeld, kan niet voor hetzelfde feit worden vervolgd, veroordeeld of onderworpen aan de tenuitvoerlegging van een sanctie in een andere Verdragsluitende Staat:
- (a). indien hij is vrijgesproken;
- (b). indien de opgelegde sanctie:
- (i). geheel is ondergaan of nog steeds ten uitvoer wordt gelegd, of
- (ii). geheel of wat het nog niet ten uitvoer gelegde gedeelte betreft bij wege van gratie of amnestie is kwijtgescholden of
- (iii). niet meer ten uitvoer kan worden gelegd omdat zij is verjaard;
- (c). indien de rechter de dader van het strafbare feit schuldig heeft verklaard zonder oplegging van een sanctie.
Een Verdragsluitende Staat is echter, tenzij hij zelf om vervolging heeft verzocht, niet verplicht de gevolgen van het ne bis in idem te erkennen, indien het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het vonnis begaan is tegen een tot de openbare dienst van die Staat behorende persoon, instelling of zaak, of indien de persoon tegen wie het vonnis is gewezen zelf tot de openbare dienst van die Staat behoorde.
Bovendien is de Verdragsluitende Staat waar het feit is begaan, dan wel volgens de wet van die Staat wordt geacht te zijn begaan, niet verplicht de gevolgen van het ne bis in idem te erkennen, tenzij hij zelf om de vervolging heeft gevraagd.
Artikel 36
Indien een nieuwe vervolging wordt ingesteld tegen een persoon die voor hetzelfde feit reeds in een andere Verdragsluitende Staat is veroordeeld, wordt iedere periode van vrijheidsbeneming, ondergaan bij de tenuitvoerlegging van het vonnis, in mindering gebracht op de eventueel op te leggen sanctie.
Artikel 37
Deze Titel vormt geen beletsel voor de toepassing van ruimere nationale bepalingen waardoor aan buitenlandse rechterlijke beslissingen ne bis in idem -werking wordt toegekend.
TITEL VI. Slotbepalingen
Artikel 38
Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de Lid-Staten van de Raad van Europa. Het dient te worden bekrachtigd of aanvaard. De akten van bekrachtiging of aanvaarding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Het Verdrag treedt in werking drie maanden na de datum van nederlegging van de derde akte van bekrachtiging of aanvaarding.
Voor elke ondertekenende Staat die het daarna bekrachtigt of aanvaardt, treedt het Verdrag in werking drie maanden na de datum van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of aanvaarding.
Artikel 39
Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa iedere Staat die geen Lid is van de Raad uitnodigen toe te treden tot dit Verdrag, mits de resolutie betreffende deze uitnodiging eenstemmig is goedgekeurd door de Leden van de Raad die het Verdrag hebben bekrachtigd.
Toetreding geschiedt door nederlegging bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa van een akte van toetreding die van kracht wordt drie maanden na de datum van nederlegging.
Artikel 40
Een Verdragsluitende Staat kan op het ogenblik van ondertekening of op het ogenblik van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding het grondgebied of de grondgebieden aanwijzen, waarop dit Verdrag van toepassing is.
Een Verdragsluitende Staat kan op het ogenblik van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, of op elk later tijdstip door middel van een verklaring, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot ieder ander in de verklaring aangegeven grondgebied, voor welks internationale betrekkingen hij verantwoordelijk is of voor hetwelk hij bevoegd is verbintenissen aan te gaan.
Verklaringen, afgelegd krachtens het voorgaande lid, kunnen, wat betreft een grondgebied dat is aangewezen in deze verklaring, onder de voorwaarden genoemd in artikel 45 van dit Verdrag, worden ingetrokken.
Artikel 41
Een Verdragsluitende Staat kan op het ogenblik van ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding verklaren gebruik te maken van een of meer voorbehouden vermeld in Bijlage I of een verklaring afleggen overeenkomstig Bijlage II van dit Verdrag.
Een Verdragsluitende Staat kan een voorbehoud of verklaring, door hem gemaakt krachtens het voorgaande lid, geheel of gedeeltelijk intrekken door middel van een verklaring, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, welke verklaring van kracht wordt op de datum van ontvangst.
De Verdragsluitende Staat die een voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot een bepaling van dit Verdrag mag de naleving van deze bepaling door een andere Verdragsluitende Staat niet eisen; hij kan echter, als zijn voorbehoud beperkt of voorwaardelijk is, de naleving van de bepaling eisen voor zover hij zich daaraan gebonden heeft.
Artikel 42
Een Verdragsluitende Staat kan op ieder ogenblik door middel van een verklaring, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, de wettelijke bepalingen aanwijzen die opgenomen moeten worden in Bijlage III van dit Verdrag.
Wijziging van de nationale bepalingen, die zijn opgenomen in Bijlage III, moet worden medegedeeld aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa indien zij de gegevens, verschaft in deze Bijlage, onjuist maakt.
Wijzigingen die met toepassing van de voorgaande leden zijn aangebracht in Bijlage III worden voor iedere Verdragsluitende Staat een maand na de datum van kennisgeving door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa van kracht.
Artikel 43
Dit Verdrag laat onverlet de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit uitleveringsverdragen en multilaterale internationale overeenkomsten betreffende bijzondere onderwerpen, of bepalingen betreffende aangelegenheden die het onderwerp vormen van dit Verdrag en zijn vervat in andere bestaande overeenkomsten tussen de Verdragsluitende Staten.
De Verdragsluitende Staten mogen onderling slechts bilaterale of multilaterale overeenkomsten inzake door dit Verdrag geregelde onderwerpen sluiten, indien deze ertoe strekken de bepalingen van dit Verdrag aan te vullen of de toepassing van de daarin vervatte beginselen te vergemakkelijken.
Indien evenwel twee of meer Verdragsluitende Staten hun betrekkingen reeds hebben geregeld op basis van een eenvormige wetgeving of van een bijzonder stelsel of daartoe in de toekomst overgaan, hebben zij de bevoegdheid hun onderlinge betrekkingen te dezen uitsluitend op basis van die stelsels te regelen, niettegenstaande de bepalingen van dit Verdrag.
De Verdragsluitende Staten, die ertoe zouden overgaan in hun onderlinge betrekkingen de toepassing van dit Verdrag uit te sluiten overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid richten te dien einde een mededeling aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Artikel 44
De Europese Commissie voor Strafrechtelijke Vraagstukken van de Raad van Europa houdt zich op de hoogte van de tenuitvoerlegging van dit Verdrag en bevordert zo nodig een oplossing in der minne van elke moeilijkheid waartoe de tenuitvoerlegging van het Verdrag aanleiding zou kunnen geven.
Artikel 45
Dit Verdrag blijft voor onbepaalde tijd van kracht.
Een Verdragsluitende Staat kan dit Verdrag wat hem betreft opzeggen door een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa te zenden.
De opzegging wordt van kracht zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 46
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft aan de Lid-Staten van de Raad en aan iedere Staat die is toegetreden tot dit Verdrag kennis van:
- (a). ondertekeningen;
- (b). nederlegging van akten van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding;
- (c). data van inwerkingtreding van dit Verdrag overeenkomstig artikel 38;
- (d). verklaringen ontvangen krachtens het bepaalde in artikel 9, derde lid;
- (e). verklaringen ontvangen krachtens het bepaalde in artikel 13, derde lid;
- (f). verklaringen ontvangen krachtens het bepaalde in artikel 18, tweede lid;
- (g). verklaringen ontvangen krachtens het bepaalde in artikel 40, tweede en derde lid;
- (h). voorbehouden en verklaringen gemaakt krachtens toepassing van het bepaalde in artikel 41, eerste lid;
- (i). intrekkingen van voorbehouden of verklaringen verricht krachtens het bepaalde in artikel 41, tweede lid;
- (j). verklaringen ontvangen krachtens toepassing van het bepaalde in artikel 42, eerste lid, en elke latere kennisgeving ontvangen krachtens het bepaalde in het tweede lid van dat artikel;
- (k). kennisgevingen ontvangen krachtens het bepaalde in artikel 43, vierde lid;
- (l). kennisgevingen ontvangen ingevolge het bepaalde in artikel 45 en de datum waarop de opzegging van kracht wordt.
Artikel 47
Dit Verdrag en de kennisgevingen en verklaringen waartoe het machtigt, zijn slechts van toepassing op strafbare feiten gepleegd na de inwerkingtreding van dit Verdrag tussen de Verdragsluitende Staten.
IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Convention.
DONE at Strasbourg, this 15th day of May 1972, in English and in French, both texts being equally authoritative, in a single copy, which shall remain deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General shall transmit certified copies to each of the signatory and acceding Governments.