Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen
Preambule
De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Verdrag hebben ondertekend,
Overwegende dat de strijd tegen de misdaad, waarvan de gevolgen zich steeds meer over de grenzen van één land uitstrekken, op internationaal vlak het gebruik van moderne doeltreffende middelen vereist;
Overtuigd van de noodzaak om een gemeenschappelijk strafrechtelijk beleid te voeren, gericht op de bescherming van de samenleving;
Zich bewust van de noodzaak de menselijke waardigheid te eerbiedigen en de reclassering van delinquenten te bevorderen;
Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn Leden,
Zijn als volgt overeengekomen:
HOOFDSTUK I. BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
Artikel 1
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- (a). „Europees strafvonnis": de onherroepelijke beslissing van een strafrechter van een Verdragsluitende Staat naar aanleiding van een strafvervolging;
- (b). „strafbaar feit": handelingen die in het strafrecht strafbaar zijn gesteld, alsmede handelingen die onder de in Bijlage II van dit Verdrag genoemde wettelijke bepalingen vallen, mits de betrokkene, indien die bepalingen bevoegdheid verlenen aan een bestuurlijke autoriteit, de mogelijkheid heeft de zaak aan de rechter voor te leggen;
- (c). „veroordeling": het opleggen van een sanctie;
- (d). „sanctie": de straf of maatregel, opgelegd wegens een strafbaar feit en uitdrukkelijk in een Europees strafvonnis of een strafbeschikking uitgesproken;
- (e). „ontzetting": de ontneming of opschorting van een recht, de ontzegging van een bevoegdheid of de ontzetting uit een recht;
- (f). „verstekvonnis": de beslissing, die krachtens het tweede lid van artikel 21 als zodanig wordt aangemerkt;
- (g). „strafbeschikking": een van de in een andere Verdragsluitende Staat genomen beslissingen als vermeld in Bijlage III van dit Verdrag.
HOOFDSTUK II. TENUITVOERLEGGING VAN EUROPESE STRAFVONNISSEN
AFDELING 1. Algemene bepalingen
(a). Algemene voorwaarden voor tenuitvoerlegging
Artikel 2
Dit hoofdstuk is van toepassing op:
- (a). sancties die vrijheidsbeneming meebrengen;
- (b). geldboeten of verbeurdverklaringen;
- (c). ontzettingen.
Artikel 3
In de gevallen en onder de omstandigheden bedoeld in dit Verdrag is een Verdragsluitende Staat bevoegd tot tenuitvoerlegging van een sanctie, die in een van de andere Verdragsluitende Staten is opgelegd en aldaar uitvoerbaar is.
Deze bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend na een verzoek om tenuitvoerlegging, afkomstig van de andere Verdragsluitende Staat.
Artikel 4
Een sanctie kan slechts door een andere Verdragsluitende Staat ten uitvoer worden gelegd indien het feit waarvoor de sanctie is opgelegd, ware het op het grondgebied van die Staat begaan, krachtens de wet van die Staat een strafbaar feit zou hebben opgeleverd en de dader aldaar strafbaar zou zijn geweest.
Indien de veroordeling betrekking heeft op verscheidene strafbare feiten, waarvan enkele niet voldoen aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden, geeft de Staat van veroordeling aan, welk gedeelte van de sanctie is opgelegd wegens de straf bare feiten die wel aan deze voorwaarden voldoen.
Artikel 5
De Staat van veroordeling kan de tenuitvoerlegging van een sanctie door een andere Verdragsluitende Staat slechts verzoeken, indien aan een of meer van de volgende voorwaarden is voldaan:
- (a). de veroordeelde heeft zijn vaste woonplaats in de andere Staat;
- (b). de tenuitvoerlegging van de sanctie in de andere Staat schept naar verwachting betere kansen voor de reclassering van de veroordeelde;
- (c). het betreft een sanctie die vrijheidsbeneming meebrengt, die in de andere Staat kan worden ten uitvoer gelegd in aansluiting op een andere sanctie die vrijheidsbeneming meebrengt en die de veroordeelde in die Staat ondergaat of moet ondergaan;
- (d). de andere Staat de Staat van herkomst van de veroordeelde is en zich reeds bereid heeft verklaard tot tenuitvoerlegging van de sanctie;
- (e). de Staat van veroordeling meent dat hij zelf niet de sanctie ten uitvoer kan leggen, ook niet met behulp van uitlevering, en dat de andere Staat dat wel kan.
Artikel 6
De tenuitvoerlegging, verzocht onder de in de voorafgaande bepalingen gestelde voorwaarden, kan alleen, hetzij geheel hetzij gedeeltelijk, in één van de volgende gevallen worden geweigerd:
- (a). de tenuitvoerlegging zou in strijd zijn met de grondbeginselen van de rechtsorde van de aangezochte Staat;
- (b). de aangezochte Staat is van oordeel dat het strafbare feit waarvoor de veroordeling is uitgesproken van politieke aard is of als een zuiver militair delict moet worden beschouwd;
- (c). de aangezochte Staat meent ernstige redenen te hebben om aan te nemen dat de veroordeling is uitgelokt of ongunstig beïnvloed door overwegingen van ras, godsdienst, nationaliteit of politieke overtuiging;
- (d). de tenuitvoerlegging is in strijd met de internationale verplichtingen van de aangezochte Staat;
- (e). het feit wordt in de aangezochte Staat reeds vervolgd of die Staat besluit tot vervolging over te gaan;
- (f). de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Staat hebben besloten geen vervolging in te stellen of van verdere vervolging wegens hetzelfde feit af te zien;
- (g). het feit is begaan buiten het grondgebied van de verzoekende Staat;
- (h). de aangezochte Staat kan de sanctie niet ten uitvoer leggen;
- (i). het verzoek berust op artikel 5, letter (e) en aan geen van de andere in dat artikel genoemde voorwaarden is voldaan;
- (j). de aangezochte Staat is van mening dat de verzoekende Staat zelf de sanctie ten uitvoer kan leggen;
- (k). de veroordeelde had wegens zijn leeftijd op het tijdstip waarop hij het feit beging in de aangezochte Staat niet kunnen worden vervolgd;
- (l). de sanctie is verjaard volgens de wet van de aangezochte Staat;
- (m). voor zover bij het vonnis een ontzetting is uitgesproken.
Artikel 7
Aan een verzoek om tenuitvoerlegging wordt geen gevolg gegeven, indien de tenuitvoerlegging zou indruisen tegen de beginselen welke zijn erkend in de bepalingen van de Eerste Afdeling van Hoofdstuk III van dit Verdrag.
(b). Gevolgen van de overdracht van de tenuitvoerlegging
Artikel 8
Voor de toepassing van artikel 6, letter (l), en van het voorbehoud vermeld in letter (c) in Bijlage I van dit Verdrag worden de door de autoriteiten van de Staat van veroordeling rechtsgeldig verrichte handelingen die de verjaring stuiten of schorsen geacht dezelfde rechtskracht te hebben in de aangezochte Staat voor de vaststelling van de verjaring, volgens het recht van die Staat.
Artikel 9
De veroordeelde die zich in de verzoekende Staat in hechtenis bevond en die is overgeleverd aan de aangezochte Staat met het oog op tenuitvoerlegging, wordt niet vervolgd, berecht of in hechtenis gehouden met het oog op tenuitvoerlegging van een straf of een maatregel, noch onderworpen aan enige andere beperking van zijn persoonlijke vrijheid, wegens enig vóór de overlevering begaan feit dat niet ten grondslag lag aan de ten uitvoer te leggen veroordeling, behalve in de volgende gevallen:
- (a). wanneer de Staat die hem heeft overgeleverd daarin toestemt. Daartoe dient een verzoek te worden ingediend, vergezeld van alle ter zake dienende stukken en van een rechterlijk proces-verbaal waarin alle verklaringen van de veroordeelde zijn opgenomen. De toestemming wordt gegeven indien het strafbare feit, waarvoor zij is gevraagd, grondslag voor uitlevering had kunnen zijn volgens de wet van de Staat die de tenuitvoerlegging heeft gevraagd, of indien de uitlevering slechts zou zijn uitgesloten vanwege de strafmaat;
- (b). wanneer de veroordeelde, hoewel hij daartoe de mogelijkheidhad, niet binnen de 45 dagen die op zijn definitieve invrijheidstelling volgden het grondgebied van de Staat, waaraan hij was overgeleverd heeft verlaten, of indien hij na dit gebied te hebben verlaten, daarin is teruggekeerd.
De Staat aan welke om tenuitvoerlegging is verzocht kan echter de maatregelen treffen, die nodig zijn met het oog op een eventuele verwijdering van zijn grondgebied, dan wel een stuiting van de verjaring overeenkomstig zijn wetgeving, met inbegrip van de instelling van een verstekprocedure.
Artikel 10
De tenuitvoerlegging wordt beheerst door de wet van de aangezochte Staat, die bij uitsluiting bevoegd is alle ter zake dienende beslissingen te nemen, met name wat de voorwaardelijke invrijheidstelling betreft.
De verzoekende Staat heeft bij uitsluiting het recht te beslissen op een verzoek om herziening van de veroordeling.
Elk van beide Staten kan het recht van amnestie of gratie uitoefenen.
Artikel 11
Zodra de Staat van veroordeling het verzoek om tenuitvoerlegging heeft gedaan, mag hij niet meer overgaan tot tenuitvoerlegging van de sanctie waarop het verzoek betrekking heeft. De Staat van veroordeling mag echter overgaan tot tenuitvoerlegging van een sanctie, die vrijheidsbeneming medebrengt, indien de veroordeelde zich reeds ten tijde van het verzoek in hechtenis bevindt op het grondgebied van die Staat.
De verzoekende Staat herkrijgt zijn recht tot tenuitvoerlegging indien:
- (a). hij zijn verzoek intrekt voordat de aangezochte Staat hem in kennis heeft gesteld van zijn voornemen er gevolg aan te geven;
- (b). de aangezochte Staat hem mededeelt, dat hij weigert gevolg te geven aan het verzoek;
- (c). de aangezochte Staat uitdrukkelijk van zijn recht tot tenuitvoerlegging afstand doet. Deze afstand kan slechts plaatsvinden als de beide belanghebbende Staten hiermee instemmen of als de tenuitvoerlegging in de aangezochte Staat niet langer mogelijk is. In het laatste geval is de afstand verplicht, indien de verzoekende Staat daarom vraagt.
Artikel 12
De bevoegde autoriteiten van de aangezochte Staat beëindigen de tenuitvoerlegging zodra zij kennis dragen van gratie, amnestie, een aanvrage tot herziening of van elke andere beslissing die de sanctie niet langer uitvoerbaar maakt. Hetzelfde geldt voor de tenuitvoerlegging van een geldboete, wanneer de veroordeelde deze aan de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Staat heeft betaald.
De verzoekende Staat stelt onverwijld de aangezochte Staat in kennis van een op zijn grondgebied genomen beslissing of processuele handeling die, overeenkomstig het vorige lid, aan het recht tot tenuitvoerlegging een einde maakt.
(c). Bepalingen van onderscheiden aard
Artikel 13
De doortocht door het grondgebied van een Verdragsluitende Staat van een persoon, die van zijn vrijheid is beroofd en krachtens dit Verdrag naar een derde Verdragsluitende Staat moet worden overgebracht, wordt toegestaan op verzoek van de Staat waarin hij zich in hechtenis bevindt. De Staat waar de doortocht moet plaatsvinden kan, alvorens een beslissing te nemen op het verzoek, overlegging verlangen van alle terzake dienende documenten. De overgebrachte persoon blijft in hechtenis op het grondgebied van de Staat waar de doortocht plaatsvindt, tenzij de Staat van waaruit hij wordt overgebracht om zijn invrijheidstelling verzoekt.
Behalve ingeval de doortocht is verzocht krachtens artikel 34, kan een Verdragsluitende Staat weigeren de doortocht toe te staan:
- (a). om een van de redenen genoemd in artikel 6, letters (b) en (c);
- (b). als de betrokkene onderdaan van die Staat is.
Ingeval het vervoer door de lucht plaatsvindt zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- (a). Wanneer geen landing is voorzien, kan de Staat van waaruit de persoon moet worden overgebracht, de Staat over welks grondgebied zal worden gevlogen ervan in kennis stellen dat de persoon in kwestie wordt overgebracht ingevolge dit Verdrag. In geval van een onvoorziene landing heeft deze kennisgeving de rechtskracht van een verzoek om voorlopige aanhouding als bedoeld in het tweede lid van artikel 32 en dient een gewoon verzoek om doortocht te worden gedaan.
- (b). Wanneer een landing is voorzien, dient een gewoon verzoek om doortocht te worden gedaan.
Artikel 14
De Verdragsluitende Staten zien over en weer af van de terugvordering van kosten die voortvloeien uit de toepassing van dit Verdrag.
AFDELING 2. Verzoeken om tenuitvoerlegging
Artikel 15
De verzoeken bedoeld in dit Verdrag worden schriftelijk gedaan. Zij worden, evenals alle voor de toepassing van dit Verdrag benodigde gegevens, toegezonden hetzij door het Ministerie van Justitie van de verzoekende Staat aan het Ministerie van Justitie van de aangezochte Staat, hetzij, krachtens een overeenkomst tussen de betrokken Verdragsluitende Staten, door de autoriteiten van de verzoekende Staat rechtstreeks gericht aan die van de aangezochte Staat, en op dezelfde wijze teruggezonden.
In spoedeisende gevallen kunnen de verzoeken om mededelingen worden gedaan door tussenkomst van de Internationale Politie Organisatie (INTERPOL).
Een Verdragsluitende Staat kan door middel van een verklaring, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, te kennen geven dat hij wenst af te wijken van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.
Artikel 16
Het verzoek om tenuitvoerlegging gaat vergezeld van het origineel of een authentiek afschrift van de beslissing waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, alsook van alle ter zake doende stukken. Het origineel of een authentiek afschrift van het geheel of een deel van het strafdossier wordt op verzoek van de aangezochte Staat overgelegd. De bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat verklaart dat de sanctie uitvoerbaar is.
Artikel 17
Als naar het oordeel van de aangezochte Staat de door de verzoekende Staat verschafte inlichtingen onvoldoende zijn om hem in staat te stellen dit Verdrag toe te passen, vraagt hij de nodige aanvulling van gegevens. Hij kan een termijn stellen waarbinnen deze gegevens ontvangen moeten zijn.
Artikel 18
De autoriteiten van de aangezochte Staat lichten de autoriteiten van de verzoekende Staat onverwijld in omtrent het gevolg dat aan het verzoek om tenuitvoerlegging is gegeven.
In het voorkomende geval doen de autoriteiten van de aangezochte Staat aan de autoriteiten van de verzoekende Staat een stuk toekomen, waarin wordt verklaard dat de sanctie ten uitvoer is gelegd.
Artikel 19
Behoudens de bepalingen van het tweede lid van dit artikel wordt geen vertaling van verzoeken en bijlagen geëist.
Een Verdragsluitende Staat kan zich bij de ondertekening of bij nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding, door middel van een verklaring, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, het recht voorbehouden, te verlangen dat aan hem gerichte verzoeken en bijlagen vergezeld gaan van een vertaling in zijn eigen taal of in een van de officiële talen van de Raad van Europa, of in een van die talen, zoals door hem aan te wijzen. De andere Staten kunnen het beginsel van wederkerigheid toepassen.
Dit artikel laat onverlet de bepalingen met betrekking tot de vertaling van verzoeken en bijlagen, vervat in thans van kracht zijnde of alsnog te sluiten overeenkomsten of regelingen tussen twee of meer Verdragsluitende Staten.
Artikel 20
De stukken en documenten, die op grond van dit Verdrag worden overgelegd, zijn vrijgesteld van alle formaliteiten van legalisatie.
AFDELING 3. Verstekvonnissen en strafbeschikkingen
Artikel 21
Tenzij in dit Verdrag anders is bepaald zijn voor de tenuitvoerlegging van verstekvonnissen en van strafbeschikkingen dezelfde regels van toepassing als voor de tenuitvoerlegging van andere vonnissen.
Behoudens het bepaalde in het derde lid wordt onder verstekvonnis in de zin van dit Verdrag verstaan een beslissing van een strafrechter van een Verdragsluitende Staat naar aanleiding van een strafvervolging uitgesproken terwijl de veroordeelde niet in persoon ter terechtzitting is verschenen.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid van artikel 25, het tweede lid van artikel 26 en artikel 29 wordt als vonnis op tegenspraak beschouwd:
- a). een verstekvonnis of strafbeschikking die in de Staat van veroordeling na verzet van de veroordeelde is bevestigd of uitgesproken;
- (b). een in hoger beroep gewezen verstekvonnis mits het beroep tegen het vonnis in eerste aanleg was ingesteld door de veroordeelde.
Artikel 22
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.