Verdrag inzake uitlevering tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië

Type Verdrag
Publication 1988-02-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden en Australië, geleid door de wens de samenwerking tussen de beide landen bij de bestrijding van de misdaad doeltreffender te doen zijn door een verdrag te sluiten inzake de uitlevering van personen die worden verdacht van of zijn veroordeeld wegens strafbare feiten,

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1. Verplichting tot uitlevering

Elke Verdragsluitende Partij komt overeen aan de andere uit te leveren, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, personen die worden gezocht met het oog op een strafvervolging, of de oplegging of tenuitvoerlegging van een sanctie in de verzoekende Staat voor een strafbaar feit dat tot uitlevering kan leiden.

Artikel 2. Feiten die tot de uitlevering kunnen leiden
1.

Voor de toepassing van dit Verdrag zijn feiten die tot uitlevering kunnen leiden feiten, hoe ook omschreven, die strafbaar zijn gesteld krachtens de wetten van beide Verdragsluitende Partijen met gevangenisstraf of een andere vorm van vrijheidsbeneming voor een maximumtijdvak van tenminste één jaar of met een zwaardere straf. Wanneer het verzoek om uitlevering een persoon betreft die is veroordeeld wegens zulk een feit en die wordt gezocht voor de tenuitvoerlegging van een sanctie, wordt de uitlevering alleen toegestaan, indien een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel is opgelegd en er nog een tijdvak van tenminste zes maanden van zodanige vrijheidsbeneming moet worden ondergaan.

2.

Voor de toepassing van dit artikel is het niet van belang of de wetten van de Verdragsluitende Partijen het handelen of nalaten dat het strafbare feit vormt, onder dezelfde categorie strafbare feiten rangschikken, dan wel het strafbare feit met dezelfde of soortgelijke termen aanduiden.

3.

Voor de toepassing van dit artikel wordt, bij de bepaling of een feit een strafbaar feit is ingevolge het recht van beide Verdragsluitende Partijen, het geheel van het handelen of nalaten toegeschreven aan degene wiens overlevering wordt verzocht, in aanmerking genomen, zonder af te gaan op de in de wetgeving van de verzoekende Staat in de delictsomschrijving opgenomen elementen.

4.

De omstandigheid dat een feit wordt geacht een strafbaar feit van fiscale aard te zijn, is niet op zichzelf een reden uitlevering te weigeren.

5.

Wanneer uitlevering wordt verzocht wegens een feit ingevolge een wet betreffende belastingen, douane, retributies of andere fiscale zaken, mag uitlevering niet worden geweigerd omdat naar de wetgeving van de aangezochte Staat niet dezelfde soort belasting of retributies worden geheven of die wetgeving niet dezelfde soort regeling op het gebied van belastingen, douane of retributies bevat als de wetgeving van de verzoekende Staat.

6.

Dit Verdrag is van toepassing op de onder dit artikel vallende feiten, begaan zowel voor als na de datum waarop dit Verdrag in werking treedt.

Artikel 3. Uitzonderingen op uitlevering
1.

Uitlevering wordt niet toegestaan wanneer zich een van de volgende omstandigheden voordoet:

2.

Uitlevering kan worden geweigerd wanneer zich een van de volgende omstandigheden voordoet:

Artikel 4. Uitstel van uitlevering

De aangezochte Staat kan de behandeling van een verzoek tot uitlevering van een persoon of diens feitelijke overlevering uitstellen ten einde een vervolging tegen hem aan te spannen of opdat deze een straf kan ondergaan, voor een ander strafbaar feit dan een feit bestaande uit een handelen of nalaten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht. De aangezochte Staat stelt de verzoekende Staat hiervan in kennis.

Artikel 5. Procedure met betrekking tot uitlevering en vereiste stukken
1.

Een verzoek tot uitlevering dient schriftelijk en langs diplomatieke weg te worden gedaan. Alle stukken die worden overgelegd ter ondersteuning van een verzoek tot uitlevering dienen naar behoren te zijn gewaarmerkt.

2.

Bij het verzoek tot uitlevering dienen te worden gevoegd:

3.

Uitlevering van een ingevolge de bepalingen van dit Verdrag opgeëiste persoon kan worden toegestaan, ook wanneer niet is voldaan aan de voorwaarden van het eerste en tweede lid van dit artikel, mits de opgeëiste persoon ermede instemt dat zijn uitlevering zal worden gelast. Onverminderd de wetten van de aangezochte Staat is de verzoekende Staat, indien de aangezochte Staat zulks verklaart, in zulke gevallen niet gebonden door het bepaalde in het eerste en tweede lid van artikel 12.

4.

Een Verdragsluitende Partij die de andere Verdragsluitende Partij overeenkomstig dit Verdrag een stuk toezendt, dat niet in de taal van de andere Verdragsluitende Partij is gesteld, verstrekt op verzoek een vertaling van dit stuk in de taal van de andere Verdragsluitende Partij.

Artikel 6. Waarmerking van stukken ter ondersteuning van het verzoek
1.

Een stuk dat overeenkomstig artikel 5 bij het verzoek tot uitlevering is gevoegd, wordt, indien het naar behoren is gewaarmerkt, toegelaten als bewijs in een uitleveringsprocedure in de aangezochte Staat.

2.

Voor de toepassing van dit Verdrag is een stuk naar behoren gewaarmerkt indien:

Artikel 7. Aanvullende gegevens
1.

Indien de aangezochte Staat van oordeel is dat de ter ondersteuning van het verzoek tot uitlevering van een persoon verstrekte gegevens niet toereikend zijn om te voldoen aan de vereisten van zijn wet met betrekking tot uitlevering, kan die Staat verzoeken dat binnen een door hem gestelde termijn aanvullende gegevens worden verstrekt.

2.

Indien de persoon wiens uitlevering wordt verzocht is aangehouden en de verstrekte aanvullende gegevens niet toereikend zijn of niet binnen de gestelde termijn worden ontvangen, kan de persoon uit detentie worden ontslagen, maar dit ontslag belet de verzoekende Staat niet, een nieuw verzoek tot uitlevering van die persoon te doen.

3.

Wanneer de persoon uit detentie is ontslagen overeenkomstig het tweede lid, stelt de aangezochte Staat de verzoekende Staat zo spoedig mogelijk daarvan in kennis.

Artikel 8. Voorlopige aanhouding
1.

In geval van spoed kan een Verdragsluitende Partij door tussenkomst van haar bevoegde autoriteit met medewerking van de Internationale Politie-Organisatie (INTERPOL) of op andere wijze verzoeken om voorlopige aanhouding van de gezochte persoon in afwachting van de indiening van het verzoek tot uitlevering langs diplomatieke weg.

2.

Het verzoek dient te bevatten een signalement van de gezochte persoon, een aanduiding van het voornemen de uitlevering van de gezochte persoon te verzoeken, een verklaring betreffende het bestaan en de inhoud van een bevel tot aanhouding of van een veroordelend vonnis betreffende die persoon, een verklaring omtrent de maximumstraf die kan worden opgelegd of de straf die is opgelegd voor het strafbare feit en een uiteenzetting omtrent het handelen of nalaten (met inbegrip van plaats en tijdstip) waarvan wordt beweerd dat dit het strafbare feit vormt.

3.

De aangezochte Staat stelt de verzoekende Staat onverwijld in kennis van het aan het verzoek gegeven gevolg.

4.

Een op grond van zulk een verzoek aangehouden persoon wordt in vrijheid gesteld na het verstrijken van vijfenveertig dagen van de datum van zijn aanhouding indien geen verzoek tot zijn uitlevering, ondersteund door de in artikel 5 genoemde stukken, is ontvangen.

5.

De invrijheidstelling van een persoon ingevolge het vierde lid van dit artikel sluit niet de aanhangigmaking uit van een procedure met het oog op uitlevering van de opgeëiste persoon, indien het verzoek daarna alsnog wordt ontvangen.

Artikel 9. Samenloop van verzoeken
1.

Wanneer van twee of meer Staten verzoeken worden ontvangen tot uitlevering van dezelfde persoon, bepaalt de aangezochte Staat aan welke van die Staten die persoon wordt uitgeleverd en stelt hij de verzoekende Staat in kennis van zijn beslissing.

2.

Bij het bepalen aan welke Staat een persoon wordt uitgeleverd houdt de aangezochte Staat rekening met alle van belang zijnde omstandigheden en in het bijzonder met:

Artikel 10. Overlevering van uit te leveren persoon
1.

Australië behoeft geen beslissing op een verzoek tot uitlevering te nemen vóór het verstrijken van vijftien dagen vanaf de datum waarop de persoon door de rechter als voor uitlevering in aanmerking komend is verklaard of, indien beroep is aangetekend, vóór het verstrijken van vijftien dagen vanaf de uitspraak van de rechter die het beroep behandelt of, wanneer er tegen die uitspraak wederom beroep is aangetekend bij een andere rechter, de datum van de uitspraak van die andere rechter.

2.

De aangezochte Staat deelt, zodra er een beslissing op het verzoek tot uitlevering is genomen, die beslissing langs diplomatieke weg mede aan de verzoekende Staat. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek tot uitlevering wordt met redenen omkleed.

3.

Wanneer de uitlevering van een persoon voor een strafbaar feit wordt toegestaan, wordt die persoon uit het grondgebied van de aangezochte Staat verwijderd van een plaats van vertrek in het grondgebied van die Staat die de verzoekende Staat schikt.

4.

De verzoekende Staat verwijdert de persoon uit het grondgebied van de aangezochte Staat binnen een door de laatstgenoemde Staat vastgestelde, redelijke termijn en indien de persoon niet binnen die termijn is verwijderd kan de aangezochte Staat weigeren hem uit te leveren voor hetzelfde strafbare feit.

5.

Indien overmacht een Partij belet de uit te leveren persoon over te leveren of te verwijderen, stelt zij de andere Partij daarvan in kennis. De twee Verdragsluitende Partijen komen een nieuwe datum van overlevering overeen en het bepaalde in het vierde lid van dit artikel is van toepassing.

Artikel 11. Overdracht van voorwerpen
1.

Op verzoek van de verzoekende Staat worden, voor zover dat naar het recht van de aangezochte Staat is toegestaan en behoudens de rechten van derden, die naar behoren dienen te worden geëerbiedigd, alle in de aangezochte Staat aangetroffen voorwerpen, die zijn verworven als gevolg van het strafbare feit of die vereist zijn als bewijs, overgedragen indien de uitlevering wordt toegestaan.

2.

Behoudens de beperkingen in het eerste lid van dit artikel worden de bovengenoemde voorwerpen, indien de verzoekende Staat zulks verzoekt, aan de verzoekende Staat overgedragen, zelfs indien de uitlevering niet kan worden uitgevoerd wegens het overlijden of de ontvluchting van de opgeëiste persoon.

3.

Waar het recht van de aangezochte Staat of de rechten van derden zulks vereisen, worden aldus overgedragen voorwerpen kosteloos aan de aangezochte Staat teruggegeven, indien die Staat zulks verzoekt.

Artikel 12. Specialiteitsbeginsel
1.

Onder voorbehoud van het derde lid wordt een ingevolge dit Verdrag uitgeleverde persoon niet in hechtenis gesteld of berecht of aan enige andere beperking van zijn bewegingsvrijheid onderworpen binnen het grondgebied van de verzoekende Staat ter zake van een ander vóór zijn uitlevering gepleegd feit dan:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.