← Geldende tekst · Geschiedenis

Tweede Facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gericht op de afschaffing van de doodstraf

Geldende tekst a fecha 1991-07-11

De Staten die Partij zijn bij dit Protocol,

De mening toegedaan dat de afschaffing van de doodstraf bijdraagt tot de versterking van de menselijke waardigheid en de voortschrijdende ontwikkeling van de rechten van de mens,

In herinnering brengend artikel 3 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, aangenomen op 10 december 1948, en artikel 6 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, aangenomen op 16 december 1966,

Vaststellende dat artikel 6 van het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten verwijst naar afschaffing van de doodstraf in bewoordingen die er sterk op duiden dat afschaffing wenselijk is,

Ervan overtuigd dat alle maatregelen tot afschaffing van de doodstraf moeten worden beschouwd als een vooruitgang wat betreft het recht op leven,

Geleid door de wens hierbij een internationale verplichting op zich te nemen om de doodstraf af te schaffen,

Zijn als volgt overeengekomen:

Artikel 1
1.

Niemand die ressorteert onder de rechtsmacht van een Staat die Partij is bij dit Facultatieve Protocol mag worden terechtgesteld.

2.

Elke Staat die Partij is neemt alle nodige maatregelen om de doodstraf onder zijn rechtsmacht af te schaffen.

Artikel 2
1.

Geen enkel voorbehoud ten aanzien van dit Protocol is toegestaan, behalve een voorbehoud, gemaakt bij de bekrachtiging of toetreding, dat voorziet in de toepassing van de doodstraf in tijd van oorlog op grond van een veroordeling wegens een zeer ernstig misdrijf van militaire aard dat in oorlogstijd is begaan.

2.

De Staat die Partij is die een zodanig voorbehoud maakt, doet de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties bij de bekrachtiging of toetreding mededeling van de desbetreffende bepalingen van zijn nationale wetgeving die in oorlogstijd van toepassing zijn.

3.

De Staat die Partij is die een zodanig voorbehoud heeft gemaakt, stelt de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties in kennis van het begin en het einde van de staat van oorlog die voor zijn grondgebied geldt.

Artikel 3

De Staten die Partij zijn bij dit Protocol nemen in de rapporten die zij in overeenstemming met artikel 40 van het Verdrag voorleggen aan het Comité voor de rechten van de mens, gegevens op over de maatregelen die zij hebben genomen om uitvoering aan dit Protocol te geven.

Artikel 4

Ten aanzien van de Staten die Partij zijn bij hetVerdrag die een verklaring hebben afgelegd krachtens artikel 41, wordt de bevoegdheid van het Comité voor de rechten van de mens om kennisgevingen waarin een Staat die Partij is beweert dat een andere Staat die Partij is diens verplichtingen niet nakomt, in ontvangst te nemen en te behandelen, uitgebreid tot de bepalingen van dit Protocol, tenzij de betrokken Staat die Partij is het tegendeel heeft kenbaar gemaakt op het tijdstip van bekrachtiging of toetreding.

Artikel 5

Ten aanzien van de Staten die Partij zijn bij het Eerste Facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, aangenomen op 16 december 1966, wordt de bevoegdheid van het Comité voor de rechten van de mens om kennisgevingen van individuele personen die onder zijn rechtsmacht vallen, in ontvangst te nemen en te behandelen, uitgebreid tot de bepalingen van dit Protocol, tenzij de betrokken Staat die Partij is het tegendeel heeft kenbaar gemaakt op het tijdstip van bekrachtiging of toetreding.

Artikel 6
1.

De bepalingen van dit Protocol gelden als aanvullende bepalingen op het Verdrag.

2.

Zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid een voorbehoud te maken krachtens artikel 2 van dit Protocol, mag het in artikel 1, eerste lid, van dit Protocol gewaarborgde recht niet worden onderworpen aan een afwijking krachtens artikel 4 van het Verdrag.

Artikel 7
1.

Dit Protocol staat open voor ondertekening door elke Staat die het Verdrag heeft ondertekend.

2.

Dit Protocol dient te worden bekrachtigd door elke Staat die het Verdrag heeft bekrachtigd of daartoe is toegetreden. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

3.

Dit Protocol staat open voor toetreding door elke Staat die het Verdrag heeft bekrachtigd of daartoe is toegetreden.

4.

Toetreding geschiedt door nederlegging van een akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

5.

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties stelt alle Staten die dit Protocol hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden in kennis van de nederlegging van elke akte van bekrachtiging of toetreding.

Artikel 8
1.

Dit Protocol treedt in werking drie maanden na de datum van nederlegging bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties van de tiende akte van bekrachtiging of toetreding.

2.

Voor elke Staat die na de nederlegging van de tiende akte van bekrachtiging of toetreding dit Protocol bekrachtigt of daartoe toetreedt, treedt dit Protocol in werking drie maanden na de datum van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding.

Artikel 9

De bepalingen van dit Protocol strekken zich uit tot alle delen van federale Staten, zonder enige beperking of uitzondering.

Artikel 10

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties stelt alle in artikel 48, eerste lid, van het Verdrag bedoelde Staten in kennis van de volgende bijzonderheden:

Artikel 11
1.

Dit Protocol, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd in het archief van de Verenigde Naties.

2.

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties doet aan alle in artikel 48 van het Verdrag bedoelde Staten gewaarmerkte afschriften van dit Protocol toekomen.