Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken
Het Koninkrijk der Nederlanden
en Australië
Geleid door de wens in zo ruim mogelijke mate met elkander samen te werken ter bestrijding van misdaad,
Zijn als volgt overeengekomen:
Artikel 1. Werkingssfeer
De Verdragsluitende Partijen verlenen elkander in overeenstemming met dit Verdrag rechtshulp ten behoeve van de opsporing en vervolging in strafzaken.
Deze rechtshulp bestaat uit:
- (a). het afnemen van getuigenverklaringen onder ede of belofte;
- (b). het verstrekken van processtukken en andere bescheiden;
- (c). het opsporen van de verblijfplaats en het identificeren van personen;
- (d). het ten uitvoer leggen van verzoeken om huiszoeking en inbeslagneming;
- (e). het verkrijgen van de beschikking over gedetineerden om een getuigenverklaring af te leggen of medewerking te verlenen aan het onderzoek;
- (f). het verkrijgen van de beschikking over andere personen om een getuigenverklaring af te leggen of medewerking te verlenen aan een onderzoek;
- (g). het betekenen van stukken;
- (h). maatregelen om de baten van strafbare feiten op te sporen, daarop beslag te leggen en deze verbeurd te verklaren; en
- (i). andere rechtshulp die strookt met de doelstellingen van dit Verdrag en welke niet in strijd is met het recht van de aangezochte Staat.
Deze rechtshulp omvat niet:
- (a). de inverzekeringstelling of bewaring van personen met het oog op uitlevering;
- (b). de tenuitvoerlegging in de aangezochte Staat van in de verzoekende Staat uitgesproken strafvonnissen, behalve voor zover zulks is toegestaan krachtens de wet van de aangezochte Staat en dit Verdrag; en
- (c). de overbrenging van gedetineerden voor de tenuitvoerlegging van vonnissen.
Artikel 2. Andere vormen van samenwerking
Dit Verdrag laat bestaande verplichtingen tussen de Verdragsluitende Partijen uit hoofde van andere verdragen of regelingen onverlet en belet de Verdragsluitende Partijen niet elkander rechtshulp te verlenen uit hoofde van andere verdragen of regelingen.
Artikel 3. Centrale Autoriteiten
De Verdragsluitende Partijen wijzen elk een Centrale Autoriteit aan die de in dit Verdrag bedoelde verzoeken verzendt en ontvangt. Zolang de desbetreffende Verdragsluitende Partij niet een andere autoriteit aanwijst, treedt voor Australië het Attorney-General's Department te Canberra op als Centrale Autoriteit, terwijl voor het Koninkrijk der Nederlanden als Centrale Autoriteit optreden:
| - voor het Koninkrijk in Europa: | Het Ministerie van Justitie te 's-Gravenhage; |
|---|---|
| - voor de Nederlandse Antillen: | Het Ministerie van Justitie te Willemstad, Curaçao; en |
| - voor Aruba: | Het Ministerie van Justitie te Oranjestad, Aruba |
Verzoeken om rechtshulp worden gedaan door tussenkomst van de Centrale Autoriteiten, die zorg dragen voor de onverwijlde uitvoering van deze verzoeken.
Artikel 4. Weigering van rechtshulp
Rechtshulp wordt geweigerd indien:
- (a). het verzoek betrekking heeft op een strafbaar feit dat door de aangezochte Staat wordt beschouwd als een delict naar diens militaire strafrecht en dat niet tevens een delict is naar diens gewone strafwet;
- (b). het verzoek betrekking heeft op een strafbaar feit ter zake waarvan de dader onherroepelijk is vrijgesproken of is gegratieerd, de opgelegde straf heeft ondergaan, of ter zake waarvan de aangezochte Staat heeft besloten af te zien van vervolging;
- (c). er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat het verzoek om rechtshulp is gedaan ter bevordering van de vervolging van een persoon op grond van diens ras, geslacht, godsdienst, nationaliteit of politieke overtuiging, of dat de positie van deze persoon om één van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed; of
- (d). de aangezochte Staat van mening is dat het verzoek, indien daaraan gevolg zou worden gegeven, zou kunnen leiden tot een ernstige aantasting van zijn soevereiniteit, veiligheid, nationaal belang of soortgelijke wezenlijke belangen.
Rechtshulp kan worden geweigerd indien:
- (a). het verzoek betrekking heeft op een strafbaar feit dat door de aangezochte Staat wordt beschouwd als een politiek delict;
- (b). het verzoek betrekking heeft op een feit, bestaande uit beweerd handelen of nalaten dat, indien zulks had plaatsgevonden binnen het rechtsgebied van de aangezochte Staat, geen strafbaar feit zou hebben opgeleverd;
- (c). de verlening van de verzochte rechtshulp een onderzoek of een strafrechtelijke of civielrechtelijke vervolging in de aangezochte Staat zou kunnen schaden, de veiligheid van een persoon zou kunnen aantasten of een te zware last zou leggen op de die Staat ten dienste staande middelen.
Alvorens een verzoek om rechtshulp te weigeren overweegt de aangezochte Staat of rechtshulp kan worden verleend onder voorwaarden die hij noodzakelijk acht. Indien de verzoekende Staat aanvaardt dat rechtshulp wordt verleend onder die voorwaarden, dient hij aan de voorwaarden te voldoen.
Artikel 5. Inhoud van de verzoeken
Verzoeken om rechtshulp bevatten:
- (a). de naam van de bevoegde autoriteit die met het onderzoek of de vervolging waarop het verzoek betrekking heeft, is belast;
- (b). een beschrijving van de aard van de strafzaak, met inbegrip van een vermelding van de toepasselijke wet;
- (c). behalve in geval van verzoeken om betekening van processtukken, anders dan dagvaardingen, een beschrijving van het wezen van de beweerde gedragingen, of zaken die moeten worden onderzocht;
- (d). het doel van het verzoek en de aard van de rechtshulp waarom wordt verzocht;
- (e). bijzonderheden van eventuele bijzondere procedures of vereisten die de verzoekende Staat in acht genomen wenst te zien;
- (f). de vereisten, zo deze er zijn, met betrekking tot vertrouwelijkheid en de redenen daartoe; en
- (g). aanduiding van de termijnen waarbinnen de inwilliging van het verzoek wordt gewenst.
Verzoeken om rechtshulp bevatten tevens, voor zover noodzakelijk en in zoverre zulks mogelijk is:
- (a). de identiteit, de nationaliteit en de woon- of verblijfplaats van de persoon of personen op wie het onderzoek of de vervolging betrekking heeft;
- (b). een mededeling of onder ede of belofte afgelegde verklaringen worden verlangd;
- (c). een beschrijving van de inlichtingen, de verklaring of het bewijsmiddel waarom wordt verzocht;
- (d). een beschrijving van de te overleggen bescheiden, verbalen of bewijsstukken, alsmede een beschrijving van de persoon die in aanmerking komt om tot overlegging daarvan te worden verzocht en, voor zover zulks niet anderszins is bepaald, de vorm waarin deze dienen te worden vermenigvuldigd en gewaarmerkt; en
- (e). gegevens betreffende de toelagen en onkostenvergoedingen waarop degene die in de verzoekende Staat verschijnt aanspraak kan maken.
Een verzoek en alle begeleidende bescheiden afkomstig van Australië zijn in het Engels gesteld of in het Nederlands vertaald. Een verzoek en alle begeleidende bescheiden afkomstig van het Koninkrijk der Nederlanden zijn gesteld dan wel vertaald in het Engels.
Indien de aangezochte Staat van oordeel is dat de in het verzoek vervatte inlichtingen niet voldoende zijn overeenkomstig dit Verdrag om aan het verzoek gevolg te kunnen geven, kan die Staat verzoeken om aanvullende inlichtingen.
Artikel 6. Uitvoering van verzoeken
Voor zover zulks is toegestaan door zijn wet, verleent de aangezochte Staat rechtshulp overeenkomstig de in het verzoek genoemde vereisten en geeft hij zo spoedig mogelijk na ontvangst gevolg aan het verzoek.
De aangezochte Staat kan de toezending van de stukken waarom is verzocht uitstellen indien deze stukken nodig zijn voor een procedure in die Staat. De aangezochte Staat verstrekt op verzoek gewaarmerkte afschriften van bescheiden.
De aangezochte Staat stelt de verzoekende Staat onverwijld in kennis van omstandigheden, zodra deze de aangezochte Staat bekend zijn, die de inwilliging van het verzoek aanzienlijk zouden kunnen vertragen.
De aangezochte Staat stelt de verzoekende Staat onverwijld in kennis van een besluit van de aangezochte Staat om geheel of gedeeltelijk niet aan het verzoek om rechtshulp gevolg te geven, alsmede van de redenen voor dat besluit.
Artikel 7. Terugzending van de stukken aan de aangezochte Staat
Wanneer de aangezochte Staat zulks verzoekt, zendt de verzoekende Staat na de voltooiing van de procedure aan de aangezochte Staat de stukken terug die de aangezochte Staat ter uitvoering van het verzoek heeft verstrekt.
Artikel 8. Bescherming van het vertrouwelijk karakter van de gegevens en beperking van het gebruik van het bewijsmateriaal en de inlichtingen
De aangezochte Staat handhaaft, in zoverre daarom wordt verzocht, het vertrouwelijk karakter van een verzoek om rechtshulp, de inhoud van een verzoek en begeleidende bescheiden, en het feit dat dergelijke rechtshulp wordt verleend. Indien het verzoek niet ten uitvoer kan worden gelegd zonder het vertrouwelijk karakter aan te tasten, deelt de aangezochte Staat zulks mede aan de verzoekende Staat, die vervolgens bepaalt in hoeverre hij het verzoek wenst te doen uitvoeren.
De verzoekende Staat handhaaft, indien zulks is gevraagd, het vertrouwelijk karakter van bewijs en inlichtingen door de aangezochte Staat verstrekt, behalve in zoverre het bewijs en de inlichtingen nodig zijn voor het onderzoek en de vervolging die in het verzoek zijn beschreven.
De verzoekende Staat mag het verkregen bewijs of de daaruit afgeleide inlichtingen niet gebruiken voor andere doeleinden dan vermeld in het verzoek zonder de voorafgaande toestemming van de aangezochte Staat.
Artikel 9. Betekening van dagvaardingen
Een verzoek om betekening van een dagvaarding wordt ten minste 45 dagen vóór de datum waarop iemand persoonlijk in de verzoekende Staat moet verschijnen aan de aangezochte Staat gericht. In spoedgevallen kan de aangezochte Staat van dit vereiste afzien.
Artikel 10. Afleggen van getuigenverklaringen
Wanneer een verzoek wordt gedaan ten behoeve van een vervolging in een strafzaak in de verzoekende Staat, laat de aangezochte Staat op verzoek, ter toezending aan de verzoekende Staat, getuigen onder ede of belofte verklaringen afleggen.
Voor de toepassing van dit artikel kan onder het doen afleggen van getuigenverklaringen de last tot uitlevering van stukken, dossiers of ander materiaal geacht te zijn begrepen.
In verzoeken uit hoofde van dit artikel geeft de verzoekende Staat aan welke vragen moeten worden gesteld aan de getuigen of over welke onderwerpen zij moeten worden gehoord.
Wanneer iemand naar aanleiding van een verzoek om rechtshulp een getuigenverklaring moet afleggen ten behoeve van een vervolging in de verzoekende Staat, kunnen de partijen bij de desbetreffende zaak in de verzoekende Staat, hun wettelijke vertegenwoordigers of de vertegenwoordigers van de verzoekende Staat, aanwezig zijn en degene die de getuigenverklaring aflegt, ondervragen, zulks met inachtneming van het recht van de aangezochte Staat.
Degene die naar aanleiding van een verzoek om rechtshulp wordt verzocht te getuigen in de aangezochte Staat kan weigeren een verklaring af te leggen wanneer:
- (a). het recht van de aangezochte Staat voor hem of haar onder vergelijkbare omstandigheden in procedures die zijn ingesteld in de aangezochte Staat een verschoningsrecht of -plicht kent; of
- (b). het recht van de verzoekende Staat voor hem of haar in dergelijke procedures in de verzoekende Staat een verschoningsrecht of -plicht kent.
Indien iemand zich erop beroept dat er ingevolge het recht van de verzoekende Staat een verschoningsrecht of -plicht bestaat om te weigeren te getuigen, neemt de aangezochte Staat wat dit aangaat genoegen met een schriftelijke verklaring van de Centrale Autoriteit van de verzoekende Staat.
Artikel 11. Verkrijging van verklaringen van personen anders dan onder ede of belofte
Wanneer een verzoek om verkrijging van verklaringen van personen is gedaan ten behoeve van een onderzoek of vervolging in een strafzaak in de verzoekende Staat, tracht de aangezochte Staat deze verklaringen te verkrijgen.
Artikel 12. Beschikbaarheid van gedetineerden om getuigenverklaringen af te leggen of medewerking te verlenen aan onderzoeken
Een gedetineerde in de aangezochte Staat kan op verzoek van de verzoekende Staat tijdelijk worden overgebracht naar de verzoekende Staat om getuigenverklaringen af te leggen of om medewerking te verlenen aan onderzoeken.
De aangezochte Staat brengt een gedetineerde niet over naar de verzoekende Staat zonder de instemming van de gedetineerde.
Zolang de oorspronkelijke straftijd van een gedetineerde in de aangezochte Staat niet is verstreken, houdt de verzoekende Staat de gedetineerde in bewaring en doet hij de betrokken gedetineerde zo spoedig mogelijk in detentie terugkeren naar de aangezochte Staat.
Wanneer de opgelegde straftijd van een uit hoofde van dit artikel overgebrachte persoon verstrijkt terwijl deze persoon zich in de verzoekende Staat bevindt, wordt deze persoon daarna in vrijheid gesteld en behandeld als een persoon zoals bedoeld in artikel 13.
Artikel 13. Beschikbaarheid van andere personen om getuigenverklaringen af te leggen of om medewerking te verlenen aan onderzoeken
De verzoekende Staat kan de aangezochte Staat verzoeken om rechtshulp bestaande uit het verkrijgen van de beschikking over een persoon om als getuige op te treden in een strafzaak in de verzoekende Staat, tenzij deze persoon de verdachte is, of om medewerking te verlenen aan onderzoeken met betrekking tot een strafzaak in de verzoekende Staat.
De aangezochte Staat nodigt, wanneer deze de zekerheid heeft verkregen dat de verzoekende Staat bevredigende regelingen voor de veiligheid van deze persoon zal treffen, de betrokkene uit om als getuige te verschijnen of medewerking te verlenen aan onderzoeken en licht de betrokkene in over de voorwaarden en beschermende maatregelen met betrekking tot zijn of haar aanwezigheid in de verzoekende Staat.
Artikel 14. Vrijgeleide
Degene die ermee instemt te getuigen of medewerking te verlenen aan een onderzoek in de verzoekende Staat uit hoofde van artikel 12 of 13 mag tijdens het verblijf in de verzoekende Staat ingevolge een verzoek:
- (a). in die Staat niet in hechtenis worden genomen, worden vervolgd of gestraft wegens een strafbaar feit, of worden blootgesteld aan een burgerrechtelijke rechtsvordering waaraan de betrokkene niet anderszins kon worden blootgesteld, met betrekking tot enig handelen of nalaten welk voorafging aan het vertrek van de betrokkene uit de aangezochte Staat; of
- (b). niet zonder zijn of haar toestemming worden verplicht te getuigen in een andere procedure dan de procedure waarop het verzoek betrekking heeft.
Het eerste lid van dit artikel is niet langer van toepassing wanneer de betrokkene, mits hij of zij niet krachtens artikel 12 als gedetineerde is overgebracht, vrijelijk kan vertrekken, doch de verzoekende Staat niet heeft verlaten binnen dertig dagen nadat hem of haar officieel is medegedeeld dat zijn of haar aanwezigheid niet langer is vereist, ofwel is teruggekeerd na die Staat te hebben verlaten.
Degene die ingevolge een verzoek uit hoofde van artikel 12 of 13 verschijnt voor een autoriteit in een verzoekende Staat mag niet worden blootgesteld aan vervolging wegens de afgelegde getuigenis, behalve in verband met meineed op grond van de wet van die Staat.
Degene die niet instemt met een verzoek uit hoofde van artikel 12 of 13 mag om die reden niet aan enige straf worden blootgesteld of worden onderworpen aan enig dwangmiddel, ongeacht of in het verzoek het tegendeel is gesteld.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.