Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake uitlevering

Type Verdrag
Publication 1991-12-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van Canada,

Elkanders rechtsinstellingen eerbiedigend en geleid door de wens de samenwerking tussen beide landen bij de bestrijding van de misdaad doeltreffender te maken door een regeling te treffen voor de uitlevering van delinquenten,

komen het volgende overeen:

Artikel 1. Verplichting tot uitlevering

De Verdragsluitende Staten komen overeen aan elkander, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, personen uit te leveren die zich op hun grondgebied bevinden en die worden verdacht van een strafbaar feit of worden gezocht met het oog op de oplegging van een straf of de tenuitvoerlegging van een vonnis door de autoriteiten van de andere Staat.

Artikel 2. Uitleveringsdelicten
1.

Uitlevering wordt toegestaan voor gedrag dat krachtens het recht van beide Staten een strafbaar feit oplevert dat met gevangenisstraf van meer dan een jaar is bedreigd. Bovendien dient, ingeval een gevangenisstraf of een andere vorm van vrijheidsbeneming is opgelegd door een rechter in de verzoekende Staat, het gedeelte van de straf of maatregel dat nog moet worden ondergaan ten minste zes maanden te bedragen.

2.

Indien het verzoek om uitlevering betrekking heeft op zowel een gevangenisstraf of een andere vorm van vrijheidsbeneming zoals bedoeld in het eerste lid, als een vermogenssanctie, kan de aangezochte Staat ook uitlevering toestaan voor de tenuitvoerlegging van de vermogenssanctie.

3.

Indien het verzoek om uitlevering betrekking heeft op een aantal feiten die krachtens het recht van beide Staten strafbaar zijn, doch waarvan enkele niet voldoen aan de overige vereisten van het eerste lid, kan de aangezochte Staat ook uitlevering toestaan voor deze feiten.

4.

Een delict kan tot uitlevering leiden, ongeacht of het betrekking heeft op belasting, douane of heffingen, dan wel zuiver fiscaal van aard is.

Artikel 3. Uitlevering van onderdanen
1.

Een verzoek om uitlevering van een persoon die wordt verdacht van een strafbaar feit wordt niet afgewezen uitsluitend op grond van de nationaliteit van de opgeëiste persoon.

2.

De aangezochte Staat is niet verplicht zijn eigen onderdanen uit te leveren met het oog op de tenuitvoerlegging van een vonnis.

3.

Indien uitlevering wordt geweigerd op grond van het tweede lid, legt de aangezochte Staat, op verzoek van de verzoekende Staat en indien het recht van de aangezochte Staat zulks toelaat, de zaak voor aan zijn autoriteiten met het oog op tenuitvoerlegging van het vonnis dat in de verzoekende Staat is uitgesproken.

Artikel 4. Verplichte weigering van de uitlevering

Uitlevering wordt niet toegestaan:

Artikel 5. Facultatieve weigering van de uitlevering

Uitlevering kan worden geweigerd:

Artikel 6. Indiening van verzoeken
1.

Onverminderd het eerste lid van artikel 9, kunnen verzoeken uit hoofde van dit Verdrag, ondersteunende stukken en verdere correspondentie tussen de ministeries van Justitie van de Verdragsluitende Staten worden uitgewisseld.

2.

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, wordt onder het ministerie van Justitie verstaan:

3.

Wat Canada betreft, wordt onder het ministerie van Justitie verstaan het Departement van Justitie voor Canada te Ottawa.

4.

Toezending langs diplomatieke weg wordt door dit artikel niet uitgesloten.

Artikel 7. Over te leggen stukken
1.

De volgende stukken worden ter ondersteuning van een verzoek om uitlevering overgelegd:

2.

In geval van een persoon die bij verstek is veroordeeld, zijn de in het eerste lid onder de letters a en b genoemde vereisten met betrekking tot de te overleggen stukken van toepassing. Indien evenwel vaststaat dat de dagvaarding, waarin de datum en de plaats van de terechtzitting zijn vermeld, of het bij verstek gewezen vonnis aan de opgeëiste persoon in persoon is betekend, en die persoon niet is verschenen of door geen hoger beroep in te stellen geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht op een nieuwe berechting, zijn de in het eerste lid onder letters a en c genoemde vereisten met betrekking tot de te overleggen stukken van toepassing.

3.

Alle stukken die ter ondersteuning van een verzoek om uitlevering zijn overgelegd en die blijken te zijn gewaarmerkt of uitgevaardigd door een rechterlijke autoriteit van de verzoekende Staat, of onder haar gezag te zijn opgemaakt, worden als bewijs erkend in uitleveringsprocedures in de aangezochte Staat, zonder dat zij onder ede of belofte verkregen dienen te zijn en zonder bewijs van de handtekening of van de officiële hoedanigheid van de persoon die ze blijkt te hebben ondertekend.

4.

Legalisering of verdere waarmerking van de stukken die ter ondersteuning van een verzoek om uitlevering worden overgelegd, wordt niet verlangd.

5.

Een vertaling van stukken die worden overgelegd ter ondersteuning van een verzoek om uitlevering die door de verzoekende Staat wordt verstrekt, wordt voor alle doeleinden in een uitleveringsprocedure erkend.

Artikel 8. Aanvullende inlichtingen
1.

Indien de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Staat in enig stadium van de uitleveringsprocedure van oordeel zijn dat de door de verzoekende Staat verstrekte inlichtingen onvoldoende zijn om een beslissing te nemen uit hoofde van dit Verdrag, kan de aangezochte Staat om aanvullende inlichtingen verzoeken. De aangezochte Staat kan een termijn stellen voor de overlegging van bedoelde inlichtingen en kan op verzoek van de verzoekende Staat een redelijke verlenging van de termijn verlenen.

2.

Indien de aanvullende inlichtingen onvoldoende worden geacht of niet binnen de door de aangezochte Staat aangegeven termijn zijn ontvangen, kan de opgeëiste persoon, indien in detentie, in vrijheid worden gesteld en kan de zaak tegen een zodanige persoon worden beëindigd. Invrijheidstelling van de opgeëiste persoon sluit niet uit dat de behandeling van het verzoek wordt voortgezet en beëindiging van de zaak sluit niet uit dat op een later tijdstip een nieuw verzoek ter zake van hetzelfde strafbare feit wordt ingediend.

Artikel 9. Voorlopige aanhouding
1.

In geval van spoed kunnen de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Staat schriftelijk verzoeken om voorlopige aanhouding van de opgeëiste persoon.

2.

Het verzoek om voorlopige aanhouding bevat:

3.

De aangezochte Staat stelt de verzoekende Staat onverwijld in kennis van de getroffen maatregelen naar aanleiding van het verzoek om voorlopige aanhouding.

4.

De voorlopige aanhouding eindigt indien de aangezochte Staat binnen een termijn van zestig (60) dagen na de aanhouding het verzoek om uitlevering en de in artikel 7 genoemde stukken niet heeft ontvangen en de opgeëiste persoon nog steeds is gedetineerd op grond van het bevel tot voorlopige aanhouding. De bevoegde autoriteiten van de aangezochte Staat kunnen een voorlopig aangehouden persoon te allen tijde in vrijheid stellen, met inachtneming van de voorwaarden die noodzakelijk worden geacht om te waarborgen dat zodanige persoon het land niet verlaat.

5.

Invrijheidstelling van de opgeëiste persoon aan het eind van de termijn van zestig (60) dagen vormt geen beletsel voor aanhouding en uitlevering op een later tijdstip indien het verzoek om uitlevering en de in artikel 7 genoemde ondersteunende documenten nadien worden ontvangen.

Artikel 10. Samenloop van verzoeken

Indien de uitlevering van dezelfde persoon door twee of meer Staten wordt verzocht, bepaalt de aangezochte Staat aan welke van deze Staten de persoon zal worden uitgeleverd en stelt hij de verzoekende Staat in kennis van zijn besluit.

Artikel 11. Overlevering
1.

De aangezochte Staat stelt de verzoekende Staat in kennis van zijn besluit ten aanzien van de uitlevering.

2.

Iedere gehele of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek wordt met redenen omkleed.

3.

Ingeval de uitlevering wordt toegestaan, wordt de verzoekende Staat in kennis gesteld van de plaats en het tijdstip van overlevering en van de duur van de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon met het oog op zijn uitlevering.

4.

Indien de opgeëiste persoon niet is overgeleverd op de vastgestelde datum, kan die persoon na verloop van vijftien (15) dagen vanaf die datum in vrijheid worden gesteld en behoeft na verloop van dertig (30) dagen geen gevolg meer aan de beslissing tot zijn uitlevering gegeven te worden.

Artikel 12. Uitstel van de overlevering

De aangezochte Staat kan de overlevering van de opgeëiste persoon uitstellen teneinde de betrokkene te vervolgen of deze een straf te doen ondergaan wegens een ander strafbaar feit dan dat ter zake waarvan uitlevering is toegestaan, en stelt de verzoekende Staat in kennis van zijn besluit.

Artikel 13. Overdracht van voorwerpen
1.

Voor zover zulks krachtens het recht van de aangezochte Staat is toegelaten en onder eerbiediging van de rechten van derden kunnen alle voorwerpen die ten gevolge van het strafbare feit zijn verkregen of die als bewijsmateriaal kunnen worden gebruikt, indien aangetroffen, op verzoek worden overgedragen aan de verzoekende Staat indien de uitlevering is toegestaan of daarmee is ingestemd.

2.

De in het eerste lid bedoelde voorwerpen worden overgedragen, zelfs indien, nadat de uitlevering is toegestaan of daarmede is ingestemd, de overlevering van de opgeëiste persoon niet kan plaatsvinden ten gevolge van diens overlijden of ontvluchting.

Artikel 14. Specialiteitsbeginsel
1.

Een uit hoofde van dit Verdrag uitgeleverde persoon wordt niet vervolgd, in hechtenis genomen, berecht of gestraft op het grondgebied van de verzoekende Staat wegens een ander feit dan dat ter zake waarvan uitlevering is toegestaan, tenzij:

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op na de uitlevering begane feiten.

2.

Indien de tenlastelegging op grond waarvan de persoon is uitgeleverd op een later tijdstip wordt gewijzigd, kan die persoon worden vervolgd of veroordeeld, mits het delict in zijn nieuwe omschrijving:

Artikel 15. Verderlevering aan een derde Staat

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.