Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
De Partijen bij dit Verdrag,
Ten zeerste verontrust door de omvang en de groei van de clandestiene produktie van, de vraag naar en de handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, die een ernstige bedreiging vormen voor de gezondheid en het welzijn van mensen en de economische, culturele en politieke fundamenten van de samenleving aantasten,
Eveneens ten zeerste verontrust door het feit dat de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen in toenemende mate in verschillende maatschappelijke groepen weet binnen te dringen, en met name door het feit dat kinderen in vele delen van de wereld worden misbruikt als consumenten op de markt van verboden verdovende middelen, en worden gebruikt voor de clandestiene produktie en distributie van en handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, hetgeen een uiterst ernstig gevaar vormt,
De verbanden erkennende tussen sluikhandel en andere, verwante, georganiseerde misdadige praktijken die de legale economieën ondermijnen en een bedreiging vormen voor de stabiliteit, de veiligheid en de soevereiniteit van Staten,
Tevens erkennende dat sluikhandel een vorm van internationale misdadige activiteit is, de bestrijding waarvan dringende aandacht en de hoogste prioriteit vereist,
Zich bewust van het feit dat sluikhandel grote geldelijke voordelen en rijkdom oplevert, waardoor internationale misdadige organisaties in staat worden gesteld bestuurlijke structuren, de legale commerciële en financiële bedrijvigheid en de samenleving op al haar niveaus binnen te dringen, te besmetten en aan te tasten,
Vastbesloten personen die betrokken zijn bij sluikhandel de opbrengsten van hun misdadige praktijken te ontnemen en daardoor hun belangrijkste drijfveer voor deze praktijken weg te nemen,
Geleid door de wens de grondoorzaken van het probleem van misbruik van verdovende middelen en psychotrope stoffen weg te nemen, waaronder begrepen de illegale vraag naar dergelijke middelen en stoffen en de enorme winsten die uit sluikhandel worden verworven,
Overwegende dat maatregelen nodig zijn om toezicht te houden op bepaalde stoffen, waaronder begrepen precursoren, chemicaliën en oplosmiddelen, die worden gebruikt bij de vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, en die gemakkelijk verkrijgbaar zijn, waardoor de illegale vervaardiging van deze middelen en stoffen in omvang is toegenomen,
Vastbesloten de internationale samenwerking in de bestrijding van sluikhandel over zee te verbeteren,
Erkennende dat de uitroeiing van sluikhandel een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle Staten is, en dat hiertoe gecoördineerde maatregelen in het kader van internationale samenwerking nodig zijn,
Erkennende dat de Verenigde Naties bevoegd zijn op het gebied van toezicht op verdovende middelen en psychotrope stoffen, en geleid door de wens dat de desbetreffende internationale organen zich binnen het kader van die Organisatie met dit toezicht bezighouden.
Opnieuw de leidende beginselen bevestigend van bestaande verdragen op het gebied van verdovende middelen en psychotrope stoffen en van het geheel van maatregelen van toezicht dat zij omvatten,
Erkennende dat het noodzakelijk is de maatregelen voorzien in het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961, in dat Verdrag zoals gewijzigd door het Protocol van 1972 tot wijziging van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961, en in het Verdrag inzake psychotrope stoffen van 1971, te versterken en aan te vullen teneinde de omvang en de reikwijdte van de sluikhandel en de ernstige gevolgen ervan het hoofd te bieden;
Tevens erkennende dat het van groot belang is de doeltreffendheid van wettelijke middelen voor internationale samenwerking in strafzaken te vergroten en te bevorderen ter bestrijding van de internationale misdadige praktijken die samenhangen met de sluikhandel;
Geleid door de wens een allesomvattend en doeltreffend internationaal verdrag te sluiten dat in het bijzonder is gericht tegen de sluikhandel en dat de verschillende aspecten van het probleem als geheel benadert, in het bijzonder die aspecten die niet in overweging zijn genomen in de bestaande verdragen op het gebied van verdovende middelen en psychotrope stoffen,
Komen overeen als volgt:
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Behalve voor zover uitdrukkelijk anders is bepaald of waar het zinsverband een andere uitleg vereist, gelden in dit gehele Verdrag de volgende begripsomschrijvingen:
- a. „Comité” betekent het Internationale Comité van Toezicht op verdovende middelen, ingesteld bij het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961 en dat Verdrag zoals gewijzigd door het Protocol van 1972 tot wijziging van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961;
- b. „Cannabisplant” betekent iedere plant van het geslacht Cannabis;
- c. „Cocaplant” betekent de plant van een der soorten van het geslacht Erythroxylon;
- d. „beroepsvervoerder” betekent elke persoon of elke openbare, particuliere of andere organisatie die zich bezighoudt met het vervoer van personen, goederen of post tegen beloning, betaling, of een andere vorm van vergoeding;
- e. „Commissie” betekent de Commissie voor verdovende middelen van de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties;
- f. „confiscatie”, waaronder, indien van toepassing, ook verbeurdverklaring is begrepen, betekent het blijvend ontnemen van de beschikkingsmacht over voorwerpen1)Het begrip property/biens wordt in het navolgende steeds vertaald met „voorwerpen”, zijnde de term die gebezigd wordt in het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboeken van Strafrecht en Strafvordering, dat op 5 april 1990 ter overweging werd voorgelegd aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (zie Kamerstuk II 1989/1990,21 504 nrs. 1 en 2, alsmede, in het bijzonder, nr. 3 paragraaf 4.2).op bevel van een rechter of van een andere bevoegde autoriteit;
- g. „gecontroleerde aflevering” betekent de methode waarbij wordt toegelaten dat clandestiene of verdachte zendingen van verdovende middelen, psychotrope stoffen, stoffen in Tabel I en Tabel II bij dit Verdrag, of stoffen die deze vervangen, het grondgebied van één of meer landen met medeweten en onder toezicht van de bevoegde autoriteiten van die landen uit-, door- of ingaan, teneinde personen te identificeren die betrokken zijn bij het begaan van in overeenstemming met artikel 3, eerste lid, van het Verdrag strafbaar gestelde feiten;
- h. het „Verdrag van 1961” betekent het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961;
- i. het „Verdrag van 1961 zoals gewijzigd” betekent het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961 zoals gewijzigd door het Protocol van 1972 tot wijziging van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961.
- j. het „Verdrag van 1971” betekent het Verdrag inzake psychotrope stoffen van 1971;
- k. de „Raad” betekent de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties;
- l. „bevriezing” of „inbeslagneming” betekent het tijdelijk verbieden van de overdracht, omzetting, vervreemding of verplaatsing van voorwerpen, of het tijdelijk in bewaring nemen of onder toezicht plaatsen van voorwerpen op grond van een bevel uitgevaardigd door een rechter of een andere bevoegde autoriteit;
- m. „sluikhandel” betekent de strafbare feiten die zijn omschreven in artikel 3, eerste en tweede lid, van dit Verdrag;
- n. „verdovend middel” betekent elk der stoffen, natuurlijk of synthetisch, genoemd in de Lijsten I en II van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961 en in dat Verdrag zoals gewijzigd door het Protocol van 1972 tot wijziging van het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen van 1961;
- o. „Papaver” betekent de plant van de soort PapaversomniferumL.;
- p. „opbrengsten” betekent voorwerpen1)Het begrip property/biens wordt in het navolgende steeds vertaald met „voorwerpen”, zijnde de term die gebezigd wordt in het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboeken van Strafrecht en Strafvordering, dat op 5 april 1990 ter overweging werd voorgelegd aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (zie Kamerstuk II 1989/1990,21 504 nrs. 1 en 2, alsmede, in het bijzonder, nr. 3 paragraaf 4.2).die, al dan niet rechtstreeks, zijn verworven of verkregen door het begaan van een in overeenstemming met artikel 3, eerste lid, strafbaar gesteld feit;
- q. „voorwerpen”1)Het begrip property/biens wordt in het navolgende steeds vertaald met „voorwerpen”, zijnde de term die gebezigd wordt in het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboeken van Strafrecht en Strafvordering, dat op 5 april 1990 ter overweging werd voorgelegd aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (zie Kamerstuk II 1989/1990,21 504 nrs. 1 en 2, alsmede, in het bijzonder, nr. 3 paragraaf 4.2). betekent goederen van elke soort, hetzij lichamelijk hetzij onlichamelijk, hetzij roerend hetzij onroerend, hetzij tastbaar hetzij ontastbaar, en rechtsbescheiden waaruit de eigendom of andere rechten ten aanzien van deze goederen blijken;
- r. „psychotrope stof” betekent elk der stoffen, natuurlijk of synthetisch, of elk natuurlijk materiaal, genoemd in de Lijsten I, II, III en IV van het Verdrag inzake psychotrope stoffen van 1971;
- s. „Secretaris-Generaal” betekent de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties;
- t. „Tabel I” en „Tabel II” betekenen de overeenkomstig genummerde tabellen van stoffen die aan dit Verdrag zijn gehecht, zoals van tijd tot tijd overeenkomstig artikel 12 gewijzigd;
- u. „staat van doorvoer” betekent een Staat over het grondgebied waarvan clandestiene verdovende middelen, psychotrope stoffen en stoffen genoemd in Tabel I en Tabel II worden vervoerd, terwijl deze Staat noch de plaats van herkomst noch de plaats van uiteindelijke bestemming daarvan is.
Artikel 2. Reikwijdte van het Verdrag
Het doel van dit Verdrag is de samenwerking tussen de Partijen te bevorderen opdat zij ten aanzien van de verschillende aspecten van de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen, in het bijzonder de internationale aspecten, doeltreffender kunnen optreden. Bij het nakomen van hun verplichtingen krachtens dit Verdrag nemen de Partijen de benodigde maatregelen, waaronder begrepen wetgevende en bestuurlijke maatregelen, in overeenstemming met de grondbeginselen van hun onderscheiden nationale rechtsstelsels.
De Partijen komen hun verplichtingen krachtens dit Verdrag na op een wijze die verenigbaar is met de beginselen van soevereine gelijkheid en territoriale onschendbaarheid van Staten en van nietinmenging in de binnenlandse aangelegenheden van andere Staten.
Een Partij onthoudt zich ervan op het grondgebied van een andere Partij rechtsmacht uit te oefenen of handelingen te verrichten die ingevolge de nationale wetgeving van die andere Partij uitsluitend zijn voorbehouden aan de autoriteiten van die Partij.
Artikel 3. Strafbare feiten en straffen
Elke Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om de volgende feiten, indien opzettelijk begaan, strafbaar te stellen krachtens haar nationale wetgeving:
- a.
- (i). produktie, vervaardiging, extractie, bereiding, aanbod, aanbod ten verkoop, distributie, verkoop, levering op welke voorwaarde ook, bemiddeling, verzending, verzending in doorvoer, vervoer of in- of uitvoer van verdovende middelen of psychotrope stoffen in strijd met de bepalingen van het Verdrag van 1961, het Verdrag van 1961 zoals gewijzigd, of het Verdrag van 1971;
- (ii). de teelt van papavers, cocaplanten of cannabisplanten ten behoeve van de produktie van verdovende middelen in strijd met de bepalingen van het Verdrag van 1961 en het Verdrag van 1961 zoals gewijzigd;
- (iii). het bezit of de aankoop van verdovende middelen of psychotrope stoffen ten behoeve van één of meer van de in letter (i) hierboven opgesomde activiteiten;
- (iv). de vervaardiging, het vervoer of de distributie van benodigdheden, materialen of van in Tabel I en Tabel II genoemde stoffen, wetende dat zij zijn bestemd om te worden gebruikt bij of voor de illegale teelt, produktie of vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen;
- (v). de organisatie van, het leiding geven aan, of de financiering van één of meer van de in de letters (i), (ii), (iii) en (iv) hierboven opgesomde strafbare feiten;
- b.
- (i). de omzetting of overdracht van voorwerpen, wetende dat deze voorwerpen zijn verworven uit één of meer van de in overeenstemming met letter (a) van dit lid strafbaar gestelde feiten, of uit deelneming aan één of meer van deze strafbare feiten met het oogmerk de illegale herkomst van de voorwerpen te verhelen of te verhullen of een persoon die bij het begaan van één of meer van deze strafbare feiten is betrokken, te helpen te ontkomen aan de wettelijke gevolgen van zijn daden;
- (ii). het verhelen of verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of de eigendom van voorwerpen, wetende dat deze voorwerpen zijn verworven uit één of meer van de in overeenstemming met letter (a) van dit lid strafbaar gestelde feiten, of uit deelneming aan één of meer van deze strafbare feiten;
- c. Met inachtneming van haar grondwettelijke beginselen en de grondbeginselen van haar rechtsstelsel:
- (i). de verwerving, het bezit of het gebruik van voorwerpen, wetende, op het tijdstip van verkrijging, dat deze voorwerpen zijn verworven uit één of meer van de in overeenstemming met letter (a) van dit lid strafbaar gestelde feiten of uit deelneming aan één of meer van deze strafbare feiten.
- (ii). het bezit van benodigdheden of materialen of van in Tabel I en Tabel II genoemde stoffen, wetende dat deze worden of zijn bestemd om te worden gebruikt bij of voor de illegale teelt, produktie of vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen;
- (iii). openbare opruiing of uitlokking van anderen, op welke wijze ook, tot het plegen van één of meer van de in overeenstemming met dit artikel strafbaar gestelde feiten of tot het illegale gebruik van verdovende middelen of psychotrope stoffen;
- (iv). deelneming aan, medeplichtigheid tot, samenspanning tot, poging tot, hulp aan, aanzetten tot, vergemakkelijken van, of het geven van raad met het oog op het begaan van één of meer van dein overeenstemming met dit artikel strafbaar gestelde feiten.
Met inachtneming van haar grondwettelijke beginselen en de grondbeginselen van haar rechtsstelsel dient elke Partij de maatregelen te nemen die nodig zijn om, in overeenstemming met haar nationale wetgeving strafbaar te stellen, indien opzettelijk begaan: het bezit, de aankoop of de teelt van verdovende middelen of psychotrope stoffen voor persoonlijk gebruik in strijd met de bepalingen van het Verdrag van 1961, het Verdrag van 1961 zoals gewijzigd of het Verdrag van 1971.
Medeweten, oogmerk, of opzet, vereist als bestanddeel van een in het eerste lid van dit artikel omschreven strafbaar feit, kunnen worden afgeleid uit objectieve feitelijke omstandigheden.
- a. Elke Partij stelt op het begaan van de in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel strafbaar gestelde feiten, straffen evenredig aan de ernst van deze strafbare feiten, zoals gevangenisstraf of andere tot vrijheidsbeneming strekkende straffen, geldstraffen en confiscatie.
- b. De Partijen kunnen bepalen dat, naast veroordeling of bestraffing wegens een in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel strafbaar gesteld feit, de dader maatregelen moet ondergaan als behandeling, opvoeding, nazorg, wederaanpassing aan of wederopneming in de maatschappij.
- c. Niettegenstaande het bepaalde in de voorgaande letters van dit lid kunnen de Partijen, in geval van overtredingen van minder ernstige aard, in plaats van veroordeling of bestraffing, voorzien in maatregelen als opvoeding, wederaanpassing aan of wederopneming in de maatschappij, alsook, indien de dader verslaafd is aan verdovende middelen, behandeling en nazorg.
- d. De Partijen kunnen, in plaats van veroordeling of bestraffing van een in overeenstemming met het tweede lid van dit artikel strafbaar gesteld feit, voorzien in maatregelen met het oog op de behandeling, opvoeding, nazorg, wederaanpassing aan of wederopneming in de maatschappij van de dader.
De Partijen dragen er zorg voor dat hun gerechtelijke en andere bevoegde rechtsmacht uitoefenende autoriteiten feitelijke omstandigheden in aanmerking kunnen nemen waardoor de in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel strafbaar gestelde feiten als bijzonder ernstig kunnen worden aangemerkt, zoals:
- a. het feit dat bij het strafbare feit een georganiseerde misdadige groep is betrokken waarvan de dader deel uitmaakt;
- b. het feit dat de dader bij andere internationale georganiseerde misdadige activiteiten is betrokken;
- c. het feit dat de dader is betrokken bij andere onwettige activiteiten, die door het begaan van het strafbare feit worden vergemakkelijkt;
- d. het gebruik van geweld of wapens door de dader;
- e. het feit dat de dader een openbaar ambt bekleedt en dat het strafbare feit met dat ambt verband houdt;
- f. het feit dat minderjarigen tot slachtoffer worden gemaakt of worden gebruikt;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.