Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, geleid door de wens het op 29 april 1948 te Washington ondertekende Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika met betrekking tot belastingen van inkomsten en bepaalde andere belastingen, zoals deze is gewijzigd en aangevuld bij het op 30 december 1965 te Washington ondertekende Aanvullende Verdrag, te vervangen door een nieuwe Overeenkomst;
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I. REIKWIJDTE VAN DE OVEREENKOMST
Artikel 1. Algemene reikwijdte
Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten tenzij anders bepaald in de Overeenkomst.
De Overeenkomst zal op geen enkele wijze enige uitsluiting, vrijstelling, aftrek, verrekening of andere tegemoetkoming beperken, nu dan wel later toegestaan:
- a. onder de wetgeving van beide Staten, met uitzondering van, wat Nederland betreft, met betrekking tot artikel 25 (Vermijding van Dubbele Belasting); of
- b. door enige andere overeenkomst tussen de Staten.
- a. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, onderdeel b:
- i. wordt elke kwestie aangaande de uitlegging of toepassing van deze Overeenkomst en in het bijzonder de vraag of een belastingmaatregel valt onder de reikwijdte van deze Overeenkomst uitsluitend beslist in overeenstemming met de bepalingen van artikel 29 (Regeling voor onderling overleg) van deze Overeenkomst; en
- ii). zijn de bepalingen van artikel XVII van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten niet van toepassing op een belastingmaatregel tenzij de bevoegde autoriteiten overeenkomen dat de maatregel niet valt onder de reikwijdte van artikel 28 (Non-discriminatie) van deze Overeenkomst.
- b). Voor de toepassing van dit lid wordt onder „maatregel” verstaan een wet, voorschrift, regel, procedure, beslissing, bestuursrechtelijke maatregel of een daarmee vergelijkbare bepaling of maatregel.
Artikel 2. Belastingen waarop de overeenkomst van toepassing is
De bestaande belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is, zijn met name:
- a. in Nederland:
- -. de inkomstenbelasting,
- -. de loonbelasting ,
- -. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de Regering in de netto-winsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet, hierna te noemen: „winstaandeel”,
- -. de dividendbelasting, (hierna te noemen: „Nederlandse belasting");
- b. in de Verenigde Staten: de Federal Income Taxes opgelegd door de Internal Revenue Code (maar met uitzondering van de sociale zekerheidsbelasting) en de accijnzen op verzekeringspremies betaald aan buitenlandse verzekeraars en met betrekking tot particuliere stichtingen (hierna te noemen: „belasting van de Verenigde Staten"). De Overeenkomst zal echter slechts van toepassing zijn op accijnzen op verzekeringspremies betaald aan buitenlandse verzekeraars voor zover de risico's die door de premies worden gedekt niet zijn herverzekerd bij een persoon die niet gerechtigd is tot de voordelen van deze Overeenkomst of enige andere overeenkomst die voorziet in een vrijstelling van deze belastingen.
De Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van ondertekening van de Overeenkomst naast of in plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de Staten delen elkaar alle wezenlijke wijzigingen mede die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht.
HOOFDSTUK II. BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 3. Algemene begripsbepalingen
Voor de toepassing van deze Overeenkomst, tenzij de context anders vereist:
- a. betekent de uitdrukking „Staat” Nederland of de Verenigde Staten, al naar de context vereist; betekent de uitdrukking „Staten” Nederland en de Verenigde Staten;
- b. omvat de uitdrukking „Nederland” het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gelegen, en het onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan waarop het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming met het internationale recht soevereine rechten heeft met het doel om natuurlijke rijkdommen in dergelijke gebieden te exploreren en te exploiteren, maar slechts voor zover de persoon, het eigendom of de activiteit waarop de Overeenkomst wordt toegepast verband houdt met die exploratie of exploitatie;
- c.
- i. betekent de uitdrukking „Verenigde Staten” de Verenigde Staten van Amerika, maar met uitzondering van Puerto Rico, de Maagdeneilanden, Guam, of enig ander bezit of gebied van de Verenigde Staten;
- ii. betekent de uitdrukking „Verenigde Staten”, wanneer deze in aardrijkskundige zin wordt gebezigd, de staten daarvan en het District van Columbia. Die uitdrukking omvat mede (A) de daartoe behorende territoriale zee daarvan en (B) de zeebodem en de ondergrond van de onderzeese gebieden die grenzen aan de territoriale zee, waarop de Verenigde Staten soevereine rechten uitoefenen in overeenstemming met het internationale recht met het doel om de natuurlijke rijkdommen van die gebieden te exploreren en te exploiteren, maar slechts voor zover de persoon, het eigendom of de activiteit waarop de Overeenkomst wordt toegepast verband houdt met die exploratie of exploitatie;
- d. omvat de uitdrukking „persoon” een natuurlijk persoon, een nalatenschap, een trust, een lichaam en elke andere vereniging van personen;
- e. betekent de uitdrukking „lichaam” elke rechtspersoon of elke entiteit die voor de belastingheffing als rechtspersoon wordt behandeld;
- f. betekenen de uitdrukkingen „onderneming van een van de Staten” en „onderneming van de andere Staat” onderscheidenlijk een onderneming gedreven door een inwoner van een van de Staten en een onderneming gedreven door een inwoner van de andere Staat;
- g. betekent de uitdrukking „onderdanen”:
- i. alle natuurlijke persoon die de nationaliteit of het staatsburgerschap van een van de Staten bezitten;
- ii. alle rechtspersonen, vennootschappen en verenigingen die hun rechtspositie als zodanig ontlenen aan de wetgeving die in een van de Staten van kracht is;
- h. betekent de uitdrukking „internationaal verkeer” alle vervoer met een schip of een luchtvaartuig, gexploiteerd door een onderneming van een van de Staten, behalve wanneer het schip of het luchtvaartuig uitsluitend wordt geëxploiteerd tussen plaatsen die in de andere Staat zijn gelegen; .
- i. betekent de uitdrukking „bevoegde autoriteit”:
- i. in Nederland de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;
- ii. in de Verenigde Staten de „Secretary of the Treasury” of zijn gemachtigde.
Voor de toepassing van de Overeenkomst door een van de Staten heeft, tenzij de context anders vereist of de bevoegde autoriteiten ingevolge de bepalingen van artikel 29 (Regeling voor Onderling Overleg) overeenstemming bereiken over een gemeenschappelijke betekenis, elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens het recht van die Staat met betrekking tot belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is.
Artikel 4. Inwoner
Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „inwoner van een van de Staten” iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding, plaats van oprichting of enige andere soortgelijke omstandigheid, of een vrijgesteld pensioenfonds zoals bedoeld in artikel 35 (Vrijgestelde Pensioenfondsen) dat inwoner is van een van de Staten ingevolge de wetgeving van die Staat of een vrijgestelde organisatie als behandeld in artikel 36 (Vrijgestelde Organisaties) die inwoner is van een van de Staten ingevolge de wetgeving van die Staat. Wanneer ingevolge de wetgeving van de beide Staten een natuurlijk persoon inwoner van beide Staten is, zal zijn woonplaats voor de toepassing van de Overeenkomst worden bepaald aan de hand van de regels van het tweede lid. Een natuurlijke persoon die inwoner is van een van de Staten ingevolge het recht van die Staat of die staatsburger is van de Verenigde Staten en die geen inwoner is van de andere Staat ingevolge het recht van die andere Staat, zal voor de toepassing van dit lid alleen worden behandeld als inwoner van de Staat waarvan hij inwoner of staatsburger is indien (i) hij inwoner van die Staat zou zijn en niet van een derde Staat op grond van de beginselen van de letters (a) en (b) van het tweede lid van dit artikel, wanneer het een derde Staat betreft waarmee de eerstgenoemde Staat geen algemene Overeenkomst betreffende inkomstenbelasting heeft, of (ii) hij inwoner van die Staat is en niet van een derde Staat, wanneer het een derde Staat betreft waarmee de eerstgenoemde Staat een algemene Overeenkomst betreffende inkomstenbelasting heeft, op grond van de bepalingen van die Overeenkomst. De uitdrukking „inwoner van een van de Staten” omvat echter geen personen die in die Staat slechts aan belasting zijn onderworpen ter zake van inkomsten uit bronnen in die Staat.
Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, wordt zijn positie als volgt bepaald:
- a. hij wordt geacht inwoner te zijn van de Staat waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van levensbelangen);
- b. indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waar hij gewoonlijk verblijft;
- c. indien hij in beide Staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarvan hij onderdaan is;
- d. indien hij onderdaan is van beide Staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.
Indien een andere persoon dan een natuurlijke persoon of een lichaam ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, regelen de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderling overleg en stellen zij de wijze van toepassing van de Overeenkomst met betrekking tot die persoon vast.
Indien een lichaam ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide Staten is, trachten de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderling overleg te regelen, met inachtneming van de plaats van de werkelijke leiding van het lichaam, de plaats waar het is opgericht of anderszins tot stand gekomen en alle andere ter zake doende factoren. Bij afwezigheid van zulk een overeenstemming is het lichaam niet gerechtigd tot aanspraken op enig voordeel dat uit deze Overeenkomst voortvloeit, uitgezonderd de aanspraken op de voordelen die voortvloeien uit het vierde lid van artikel 25, (Vermijding van Dubbele Belasting) en uit de artikelen 28 (Non-discriminatie), 29 (Regeling voor Onderling Overleg) en 37 (Inwerkingtreding).
Artikel 5. Vaste inrichting
Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking „vaste inrichting" een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.
De uitdrukking „vaste inrichting" omvat in het bijzonder:
- a. een plaats waar leiding wordt gegeven;
- b. een filiaal;
- c. een kantoor;
- d. een fabriek;
- e. een werkplaats; en
- f. een mijn, een olie- of gasbron, een steengroeve of een andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen.
De plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructieof montagewerkzaamheden vormt alleen een vaste inrichting indien de duur ervan twaalf maanden overschrijdt.
Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt een vaste inrichting niet aanwezig geacht, indien:
- a. gebruik wordt gemaakt van inrichtingen, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar;
- b. een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar wordt aangehouden, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering;
- c. een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar wordt aangehouden, uitsluitend voor de bewerking of verwerking door een andere onderneming;
- d. een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of inlichtingen in te winnen;
- e. een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend om voor de onderneming enige andere werkzaamheid uit te oefenen die van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft;
- f. een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend voor een combinatie van de in de letters (a) tot en met (e) genoemde werkzaamheden, mits het totaal van de werkzaamheden van de vaste bedrijfsinrichting dat uit deze combinatie voortvloeit van voorbereidende aard is of het karakter van hulpwerkzaamheid heeft.
Indien een persoon - niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger in de zin van het zesde lid - voor een onderneming werkzaam is, en een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht in een van de Staten gewoonlijk uitoefent, wordt die onderneming, niettegenstaande de bepalingen van het eerste en het tweede lid, geacht in die Staat een vaste inrichting te hebben met betrekking tot de werkzaamheden die die persoon voor de onderneming verricht, tenzij de werkzaamheden van die persoon beperkt blijven tot de werkzaamheden genoemd in het vierde lid, die, indien zij worden uitgeoefend door middel van een vaste bedrijfsinrichting, deze vaste bedrijfsinrichting op grond van de bepalingen van dat lid niet tot een vaste inrichting zouden maken.
Een onderneming wordt niet geacht een vaste inrichting in een van de Staten te bezitten alleen op grond van de omstandigheid dat zij in die Staat zaken doet door bemiddeling van een makelaar, commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, mits deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen.
De enkele omstandigheid dat een lichaam dat inwoner is van een van de Staten, een lichaam beheerst of door een lichaam wordt beheerst, dat inwoner is van de andere Staat of dat in die andere Staat zaken doet (hetzij met behulp van een vaste inrichting, hetzij op andere wijze), stempelt een van de beide lichamen niet tot een vaste inrichting van het andere.
HOOFDSTUK III. BELASTINGHEFFING NAAR HET INKOMEN
Artikel 6. Inkomsten uit onroerende zaken
Inkomsten verkregen door een inwoner van een van de Staten uit onroerende zaken (daaronder begrepen voordelen uit landbouw- of bosbedrijven) die in de andere Staat zijn gelegen mogen in die andere Staat worden belast.
De uitdrukking „onroerende zaken" heeft de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens het recht van de Staat waar de desbetreffende zaken zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder geval de zaken die bij de onroerende zaken behoren, levende en dode have van landbouw- en bosbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende zaken en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of concessie tot exploitatie, van minerale aardlagen, bronnen en andere natuurlijke rijkdommen; schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende zaken beschouwd.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.