Verdrag tot oprichting van het Europees Bureau voor Communicatie (EBC) 's-Gravenhage op 23 juni 1993, zoals gewijzigd te Kopenhagen op 9 april 2002

Type Verdrag
Publication 2013-03-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, hierna te noemen de „Verdragsluitende Partijen";

Vastbesloten een permanente instelling zonder winstoogmerk op te richten die de Europese Conferentie van PTT-administraties, hierna te noemen de „CEPT", moet bijstaan in de verrichting van haar taken met betrekking tot het intensiveren van de betrekkingen tussen haar Leden, het bevorderen van hun samenwerking en het bijdragen aan het creëren van een dynamische markt op het gebied van postale en elektronische communicatie in Europa,

Vaststellend dat dit Verdrag de gewijzigde tekst vormt van het Verdrag tot oprichting van het Europees Bureau voor Radiocommunicatie en dat het Bureau dat bij dit Verdrag wordt opgericht de voormalige verantwoordelijkheden en taken van het Europees Bureau voor Radiocommunicatie (EBR) en het Europees Bureau voor Telecommunicatie (ETO) op zich neemt,

Zijn het volgende overeengekomen:

Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1997/286.

Artikel 1. Oprichting van het EBR
1.

Hierbij wordt een Europees Bureau voor Radiocommunicatie op gericht, hierna te noemen het „EBR".

2.

De zetel van het EBR wordt gevestigd te Kopenhagen, Denemarken.

Artikel 2. Doel van het EBR

Het EBR is een vaktechnisch centrum op het gebied van de radiocommunicatie, dat het ECR bijstaat en adviseert.

Artikel 3. Taken van het EBR
1.

Het EBR heeft tot taak:

2.

In de uitvoering van de bovengenoemde taken met betrekking tot overlegbijeenkomsten ontwikkelt en actualiseert het EBR procedures om Europese organisaties die zijn betrokken bij het gebruik van radiocommunicatie - waaronder ministeries, exploitanten van openbare radionetwerken, producenten, gebruikers, exploitanten van particuliere netten, dienstverleners, onderzoeksinstellingen, normalisatie-instituten of organisaties die groepen van deze partijen vertegenwoordigen - in staat te stellen regelmatig relevante informatie te ontvangen en billijkerwijs aan deze overlegbijeenkomsten deel te nemen, gelet op hun specifieke belangen.

3.

Naast de in het eerste lid genoemde taken belegt het EBR, gewoonlijk eenmaal per jaar, een vergadering die openstaat voor de in het tweede lid genoemde organisaties, ten einde hun de gelegenheid te bieden de activiteiten en de toekomstige werkprogramma's van het ECR en het EBR te bespreken.

Artikel 4. Rechtspositie en voorrechten
1.

Het EBR bezit rechtspersoonlijkheid. Het EBR bezit volledige handelingsbekwaamheid, noodzakelijk om zijn taken te verrichten en zijn doelstellingen te verwezenlijken, en kan in het bijzonder:

2.

De Directeur en het personeel van het EBR genieten in Denemarken voorrechten en immuniteiten als omschreven in een Verdrag tussen het EBR en de Deense regering inzake de zetel van het EBR.

3.

Andere landen kunnen soortgelijke voorrechten en immuniteiten verlenen ten behoeve van activiteiten van het EBR in die landen, in het bijzonder immuniteit van rechtsvervolging met betrekking tot het gesproken en geschreven woord en alle handelingen verricht door de Directeur of het personeel van het EBR in de uitoefening van hun officiële functies.

Artikel 5. Organen van het EBR

Het EBR bestaat uit een Raad en een Directeur, bijgestaan door personeel.

Artikel 6. De Raad
1.

De Raad bestaat uit vertegenwoordigers van de onderscheiden instanties belast met de regelgeving inzake het radioverkeer van alle Verdragsluitende Partijen.

2.

De Voorzitter van het ECR is Voorzitter van de Raad. Indien de Voorzitter van het ECR afkomstig is uit een land dat geen Partij bij dit Verdrag is, kiest de Raad een Voorzitter uit zijn leden. De Voorzitter is bevoegd namens de Raad te handelen.

3.

Vertegenwoordigers van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en van het Secretariaat van de Europese Vrijhandelsassociatie kunnen in de Raad zitting nemen als waarnemer.

Artikel 7. Taken van de Raad
1.

De Raad is het hoogste bestuursorgaan van het EBR en heeft in het bijzonder tot taak:

2.

De Raad stelt de nodige reglementen op om het EBR en zijn organen goed te doen functioneren.

Artikel 8. Stemregels
1.

Besluiten van de Raad worden voor zover mogelijk bij consensus genomen. Indien geen consensus kan worden bereikt, wordt een besluit genomen met een meerderheid van tweederde van de uitgebrachte gewogen stemmen.

2.

Het wegen van de afzonderlijke stemmen in de Raad geschiedt overeenkomstig Bijlage A.

3.

Voorstellen tot wijziging van dit Verdrag, met inbegrip van de Bijlagen, worden slechts in overweging genomen indien zij worden gesteund door ten minste 25% van de totale gewogen stemmen van alle Verdragsluitende Partijen.

4.

Voor elk besluit van de Raad moet op het tijdstip waarop het wordt genomen een quorum aanwezig zijn, dat:

5.

Waarnemers kunnen aan de besprekingen van de Raad deelnemen, maar zij hebben geen stemrecht.

Artikel 9. Directeur en personeel
1.

De Directeur treedt op als wettelijk vertegenwoordiger van het EBR en is, binnen de door de Raad overeengekomen grenzen, bevoegd namens het EBR overeenkomsten te sluiten. De Directeur kan deze bevoegdheid geheel of gedeeltelijk delegeren aan de Adjunct-Directeur.

2.

De Directeur is verantwoordelijk voor de goede uitvoering van alle interne en externe activiteiten van het EBR in overeenstemming met dit Verdrag, het zetelverdrag, het werkprogramma, de begroting en de door de Raad gegeven richtlijnen en aanwijzingen.

3.

De Raad stelt een personeelsreglement op.

Artikel 10. Werkprogramma

Jaarlijks wordt door de Raad, op basis van een voorstel van het ECR, een werkprogramma voor het EBR vastgesteld voor een periode van drie jaar. Het eerste jaar van dit programma moet voldoende gegevens bevatten om de jaarbegroting van het EBR te kunnen vaststellen.

Artikel 11. Vaststelling van de begroting en boekhouding
1.

Het boekjaar van het EBR loopt van 1 januari tot en met 31 december.

2.

De Directeur is belast met het opstellen van de jaarbegroting en de jaarrekeningen van het EBR en dient deze ter bestudering en/of goedkeuring voor te leggen aan de Raad.

3.

Bij het opstellen van begroting wordt rekening gehouden met de vereisten van het overeenkomstig artikel 10 vastgestelde werkprogramma. De termijnen voor indiening en goedkeuring van de begroting, voorafgaande aan het boekjaar waarop zij betrekking heeft, worden bepaald door de Raad.

4.

De Raad stelt een gedetailleerd financieel reglement vast. Dit dient onder andere bepalingen te bevatten betreffende de termijnen voor indiening en goedkeuring van de jaarrekeningen van het EBR alsmede bepalingen betreffende de accountantscontrole daarvan.

Artikel 12. Financiële bijdragen
1.

De kapitaaluitgaven en de lopende bedrijfsuitgaven van het EBR, met uitzondering van de kosten verbonden aan de vergaderingen van de Raad, worden over de Verdragsluitende Partijen omgeslagen overeenkomstig de bijdragen-eenheden genoemd in de tabel in Bijlage A, die een integrerend deel van dit Verdrag uitmaakt.

2.

Dit belet het EBR niet, na een besluit van de Raad, werk voor derden te verrichten tegen vergoeding van de kosten.

3.

Kosten verbonden aan de vergaderingen van de Raad worden gedragen door de instantie belast met de regelgeving inzake het radioverkeer van het land waarin de vergadering plaatsvindt. Reis- en verblijfkosten worden gedragen door de vertegenwoordigde instanties.

Artikel 13. Verdragsluitende Partijen
1.

Een Staat wordt Partij bij dit Verdrag via de procedure van artikel 14, dan wel via de procedure van artikel 15.

2.

Zodra een Staat Partij bij dit Verdrag wordt, is de bijdrage-eenheid genoemd in Bijlage A, zoals gewijzigd overeenkomstig artikel 15, van toepassing.

Artikel 14. Ondertekening
1.

Een Staat waarvan de telecommunicatie-administratie lid is van de CEPT kan Verdragsluitende Partij worden door middel van:

2.

Dit Verdrag staat open voor ondertekening vanaf 23 juni 1993 tot de datum van inwerkingtreding en blijft daarna openstaan voor toetreding.

Artikel 15. Toetreding
1.

Dit Verdrag staat open voor toetreding door een Staat waarvan de telecommunicatie-administratie lid is van de CEPT.

2.

Na overleg met de toetredende Staat neemt de Raad de noodzakelijke wijzigingen op Bijlage A aan. In afwijking van artikel 20, tweede lid, wordt een dergelijke wijziging van kracht op de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum waarop de Deense regering de akte van toetreding van die Staat heeft ontvangen.

3.

Uit de akte van toetreding dient te blijken dat de toetredende Staat instemt met de aangenomen wijzigingen op Bijlage A.

Artikel 16. Inwerkingtreding
1.

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum waarop de Deense regering voldoende ondertekeningen en, indien vereist, akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van Verdragsluitende Partijen heeft ontvangen, zodat is verzekerd dat tenminste 80% van het maximumaantal bijdrage-eenheden genoemd in Bijlage A is bereikt.

2.

Na de inwerkingtreding van dit Verdrag is iedere nieuwe Verdragsluitende Partij gebonden door de bepalingen ervan, met inbegrip van de van kracht zijnde wijzigingen, vanaf de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum waarop de Deense regering de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding van die Partij heeft ontvangen.

Artikel 17. Opzegging
1.

Na het verstrijken van twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan elke Verdragsluitende Partij dit opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Deense regering, die kennisgeving van deze opzegging doet aan de Raad, de Verdragsluitende Partijen en de Directeur.

2.

De opzegging wordt van kracht na het verstrijken van het volgende volledige boekjaar, zoals omschreven in artikel 11, eerste lid, na de datum van ontvangst van de kennisgeving van opzegging door de Deense regering.

Artikel 18. Rechten en verplichtingen van de Verdragsluitende Partijen
1.

Dit Verdrag laat het soevereine recht van elke Verdragsluitende Partij om haar eigen telecommunicatie te regelen onverlet.

2.

Elke Verdragsluitende Partij die Lidstaat is van de Europese Economische Gemeenschap past dit Verdrag toe overeenkomstig haar verplichtingen ingevolge het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap.

3.

Ten aanzien van dit Verdrag kan geen enkel voorbehoud worden gemaakt.

Artikel 19. Geschillenregeling

Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag en de Bijlagen daarbij die niet kunnen worden geregeld via bemiddeling door de Raad, worden door de betrokken partijen onderworpen aan arbitrage overeenkomstig Bijlage B, die een integrerend deel van dit Verdrag vormt.

Artikel 20. Wijzigingen
1.

De Raad kan wijzigingen op dit Verdrag aannemen, onder voorbehoud van schriftelijke bevestiging door alle Verdragsluitende Partijen.

2.

De wijzigingen treden voor alle Verdragsluitende Partijen in werking op de eerste dag van de derde maand nadat de Deense regering de Verdragsluitende Partijen in kennis heeft gesteld van de ontvangst van kennisgevingen van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van alle Verdragsluitende Partijen.

Artikel 21. Depositaris
1.

Het origineel van dit Verdrag, alsmede latere wijzigingen daarop, en de akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding worden nedergelegd in het archief van de Deense regering.

2.

De Deense regering doet een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het Verdrag en van de tekst van eventuele door de Raad aangenomen wijzigingen toekomen aan alle Staten die het Verdrag hebben ondertekend of hiertoe zijn toegetreden en aan de fungerend voorzitter van de CEPT. Voorts worden ter kennisgeving afschriften toegezonden aan de Secretaris-Generaal van de Internationale Telecommunicatie-Unie, het contactbureau van de CEPT, de voorzitter van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de Secretaris-Generaal van de Europese Vrijhandelsassociatie.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.