Verdrag houdende het Statuut van de Europese Scholen

Type Verdrag
Publication 2002-10-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

De Hoge Verdragsluitende Partijen, Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, alsmede de Europese Gemeenschappen, hierna genoemd „de Verdragsluitende Partijen",

overwegende dat voor het gezamenlijk onderwijs aan kinderen van het personeel van de Europese Gemeenschappen, met het oog op de goede werking van de Europese Instellingen, reeds in 1957 instellingen, „Europese School" genaamd, zijn opgericht;

overwegende dat de Europese Gemeenschappen het gezamenlijk onderwijs aan deze kinderen willen waarborgen en dat zij daartoe bijdragen aan de begroting van de Europese scholen;

overwegende dat het stelsel van de Europese Scholen een stelsel „sui generis" is; dat met dit stelsel een vorm van samenwerking tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en de Europese Gemeenschappen tot stand komt met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de Lid-Staten voor de inhoud van het onderwijs en voor de organisatie van hun onderwijsstelsel, en van hun verscheidenheid qua taal en cultuur;

overwegende dat het noodzakelijk is:

het in 1957 aangenomen Statuut van de Europese School te consolideren, ten einde rekening te houden met alle desbetreffende teksten die door de Verdragsluitende Partijen zijn aangenomen;

het statuut aan te passen aan de ontwikkeling van de Europese Gemeenschappen;

de besluitvormingsprocedure in de organen van de Scholen te wijzigen;

rekening te houden met de ervaring die tijdens het functioneren van de Scholen is opgedaan;

een adequate rechtsbescherming tegen handelingen van de Raad van Bestuur of het Dagelijks Bestuur te waarborgen voor het onderwijzend personeel alsmede voor andere in dit Verdrag bedoelde personen; dat daartoe een Kamer van Beroep moet worden ingesteld die dient te beschikken over nauwkeurig omschreven bevoegdheden;

dat de bevoegdheden van de Kamer van Beroep de bevoegdheden van nationale rechtbanken met betrekking tot civielrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid onverlet laten;

overwegende dat krachtens het aanvullend protocol van 15 december 1975, in München een School is geopend voor gemeenschappelijk onderwijs aan de kinderen van het personeel van de Europese Octrooiorganisatie,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:

TITEL I. DE EUROPESE SCHOLEN

Artikel 1

Bij dit Verdrag wordt het Statuut van de Europese Scholen (hierna „Scholen" genoemd) vastgesteld.

Taak van de Scholen is het gezamenlijk onderwijs aan de kinderen van het personeel van de Europese Gemeenschappen. Naast de kinderen die onder de in de artikelen 28 en 29 genoemde overeenkomsten vallen, kunnen binnen de door de Raad van Bestuur gestelde grenzen ook andere kinderen tot de Scholen worden toegelaten.

De Scholen staan vermeld in Bijlage I, die door de Raad van Bestuur overeenkomstig de artikelen 2, 28 en 31 te nemen besluiten kan worden aangepast.

Artikel 2
1.

De Raad van Bestuur kan met eenparigheid van stemmen een besluit over de oprichting van nieuwe Scholen nemen.

2.

Hij stelt de vestigingsplaats vast in overleg met de ontvangende Lid-Staat.

3.

Voordat een nieuwe School op het grondgebied van een Lid-Staat wordt geopend, moet een overeenkomst worden gesloten tussen de Raad van Bestuur en de ontvangende Lid-Staat over de gratis terbeschikkingstelling en het onderhoud van aan de behoeften van de nieuwe School aangepaste lokalen.

Artikel 3
1.

Het in elk van de Scholen verstrekte onderwijs omvat de schoolopleiding tot het einde van het secundair onderwijs.

Het onderwijs kan bestaan uit:

2.

Het onderwijs wordt gegeven door leerkrachten die door de Lid-Staten zijn gedetacheerd of aangesteld, overeenkomstig door de Raad van Bestuur volgens de procedure van artikel 12, punt 4, genomen besluiten.

Artikel 4

De pedagogische organisatie van de Scholen berust op de volgende beginselen:

Artikel 5
1.

De jaren dat de leerlingen het onderwijs aan de School met vrucht hebben gevolgd en de ten bewijze daarvan afgegeven diploma's en getuigschriften, worden op het grondgebied van de Lid-Staten erkend volgens een gelijkwaardigheidstabel en onder de voorwaarden die door de Raad van Bestuur overeenkomstig artikel 11 en behoudens instemming van de bevoegde nationale instanties worden vastgesteld.

2.

Wanneer het secundair onderwijs volledig is doorlopen, wordt het Europees baccalaureaatsexamen afgelegd, zoals vastgesteld in de Overeenkomst van 11 april 1984 tot wijziging van de toegevoegde overeenkomst bij het Statuut van de Europese School houdende vaststelling van een regeling voor het Europese baccalaureaat. De Raad van Bestuur kan met eenparigheid van stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten in de Overeenkomst de aanpassingen opnemen die noodzakelijk zouden blijken.

De houders van het aan de School behaalde Europees baccalaureaatsdiploma:

Artikel 6

Elke School bezit de rechtspersoonlijkheid die vereist is voor de verwezenlijking van haar in artikel 1 omschreven taak. Te dien einde geniet zij bestuursautonomie voor de kredieten die zijn opgenomen in het desbetreffende begrotingsonderdeel, onder de voorwaarden die zijn vastgelegd in het in artikel 13, lid 1, bedoelde financieel reglement. Zij kan in rechte optreden. Zij kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen en vervreemden.

Wat haar rechten en plichten betreft, wordt de School in elk van de Lid-Staten, en onder voorbehoud van de specifieke bepalingen van dit Verdrag, behandeld als een onderwijsinstelling die onder het publiek recht valt.

TITEL II. ORGANEN VAN DE SCHOLEN

Artikel 7

De gemeenschappelijke organen van de Scholen zijn:

Elk van de Scholen wordt bestuurd door het Dagelijks Bestuur en beheerd door de Directeur.

HOOFDSTUK 1. RAAD VAN BESTUUR

Artikel 8
1.

Behoudens artikel 28, bestaat de Raad van Bestuur uit de volgende leden:

2.

De vertegenwoordigers op ministerieel niveau van elk van de Lid-Staten, alsook het lid van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, kunnen zich in de Raad van Bestuur laten vertegenwoordigen. De overige leden worden, ingeval zij verhinderd zijn, door hun plaatsvervanger vertegenwoordigd.

3.

Een vertegenwoordiger van de leerlingen kan worden uitgenodigd om, voor de punten die voor de leerlingen van belang zijn, de vergaderingen van de Raad van Bestuur als waarnemer bij te wonen.

4.

De Raad van Bestuur wordt door de Voorzitter bijeengeroepen op diens initiatief of op een met redenen omkleed verzoek van drie leden van de Raad van Bestuur of van de Secretaris-Generaal. Hij komt ten minste eenmaal per jaar bijeen.

5.

Het Voorzitterschap wordt telkens gedurende één jaar bij toerbeurt door een vertegenwoordiger van elk van de Lid-Staten bekleed in deze volgorde: België, Denemarken, Duitsland, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal, Verenigd Koningrijk.

Artikel 9
1.

Behalve in de gevallen waarin uit hoofde van dit Verdrag eenstemmigheid vereist is, worden de besluiten van de Raad van Bestuur genomen met een meerderheid van tweederde van de samenstellende leden, onder voorbehoud van de volgende bepalingen:

2.

In de gevallen waarin krachtens dit Verdrag eenparigheid van stemmen vereist is, wordt de goedkeuring van de besluiten van de Raad van Bestuur niet belet door onthoudingen van aanwezige of vertegenwoordigde leden.

3.

Bij elke stemming beschikt elk van de aanwezige of vertegenwoordigde leden over één stem, onverminderd artikel 8, lid 1, onder a.

Artikel 10

De Raad van Bestuur ziet toe op de uitvoering van dit Verdrag; te dien einde beschikt hij over de nodige beslissingsbevoegdheden op pedagogisch, budgettair en administratief gebied, alsmede voor de onderhandelingen over overeenkomsten als bedoeld in de artikelen 28 tot en met 30. Hij kan comités instellen om zijn besluiten voor te bereiden.

De Raad van Bestuur stelt het Algemeen Reglement van de Scholen vast.

Jaarlijks stelt de Raad van Bestuur, op basis van het door de Secretaris-Generaal opgestelde ontwerp, over het functioneren van de Scholen een verslag op dat hij doet toekomen aan het Europees Parlement en aan de Raad.

Artikel 11

De Raad van Bestuur, handelend in pedagogische aangelegenheden, bepaalt de richting en de organisatie van het onderwijs. Dit houdt meer bepaald in dat hij op advies van de bevoegde Commissie van Inspecteurs:

Artikel 12

De Raad van Bestuur, handelend in administratieve aangelegenheden:

Artikel 13
1.

De Raad van Bestuur, handelende in begrotingsaangelegenheden:

2.

De Raad van Bestuur stelt, uiterlijk op 30 april van elk begrotingsjaar, een raming van de ontvangsten en uitgaven van de Scholen voor het volgende begrotingsjaar op en doet deze onverwijld toekomen aan de Commissie, die op basis hiervan de noodzakelijke ramingen opstelt in het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

De begrotingsautoriteit van de Europese Gemeenschappen stelt, in het kader van haar begrotingsprocedure, de hoogte van de bijdrage van de Europese Gemeenschappen vast.

3.

De Raad van Bestuur doet de raming van de ontvangsten en uitgaven eveneens toekomen aan de in artikel 28 bedoelde publiekrechtelijke organisaties en aan de in artikel 29 bedoelde organisaties of instellingen die financiële bijdragen storten waarmee de begroting van een School grotendeels kan worden gefinancierd, zulks opdat deze organisaties het bedrag van hun bijdrage vaststellen.

4.

De Raad van Bestuur stelt vóór het begin van het begrotingsjaar de begroting van de Scholen definitief vast, waarbij hij deze zo nodig aanpast aan de bijdrage van de Europese Gemeenschappen en van de in lid 3 bedoelde organisaties en instellingen.

Artikel 14

De Secretaris-Generaal vertegenwoordigt de Raad van Bestuur en leidt het sectretariaat in het kader van de bepalingen betreffende de rechtspositie van de Secretaris-Generaal, zoals geregeld volgens artikel 12, punt 1. Hij vertegenwoordigt de Scholen in rechte. Hij is verantwoording schuldig aan de Raad van Bestuur.

HOOFDSTUK 2. COMMISSIES VAN INSPECTEURS

Artikel 15

Ten behoeve van de Scholen worden twee Commissies van Inspecteurs ingesteld: één voor het kleuter- en basisonderwijs en één voor het secundair onderwijs.

Artikel 16

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.