Overeenkomst betreffende de uitvoering van Deel XI van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982
De Staten die Partij zijn bij deze Overeenkomst,
Erkennend de belangrijke bijdrage van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 (hierna te noemen „het Verdrag”) aan de handhaving van vrede, gerechtigheid en vooruitgang voor alle volken ter wereld,
Opnieuw bevestigend dat de zee- en oceaanbodem en de ondergrond ervan voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht (hierna te noemen „het Gebied”), alsmede de rijkdommen van het Gebied, het gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid zijn,
Indachtig het belang van het Verdrag voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu en indachtig de groeiende bezorgdheid over het mondiale milieu,
Bestudeerd hebbend het rapport van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties over de resultaten van het van 1990 tot 1994 tussen Staten gevoerde informele overleg inzake nog niet geregelde kwesties betreffende Deel XI en de daarmee samenhangende bepalingen van het Verdrag (hierna te noemen „Deel XI”),
Kennisnemend van de politieke en economische veranderingen, waaronder de marktgerichte benaderingen, die van invloed zijn op de uitvoering van Deel XI,
Geleid door de wens de universele deelneming aan het Verdrag te vergemakkelijken,
Overwegend dat een overeenkomst betreffende de uitvoering van Deel XI het beste middel is om dit doel te bereiken,
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Uitvoering van Deel XI
De Staten die Partij zijn bij deze Overeenkomst nemen de verplichting op zich Deel XI uit te voeren in overeenstemming met deze Overeenkomst.
De Bijlage vormt een integrerend deel van deze Overeenkomst.
Artikel 2. Verhouding tussen deze Overeenkomst en Deel XI
De bepalingen van deze Overeenkomst en Deel XI worden te zamen uitgelegd en toegepast als één akte. In geval van verschillen tussen deze Overeenkomst en Deel XI zijn de bepalingen van deze Overeenkomst doorslaggevend.
De artikelen 309 tot en met 319 van het Verdrag zijn op deze Overeenkomst van toepassing op dezelfde wijze als op het Verdrag.
Artikel 3. Ondertekening
Deze Overeenkomst blijft 12 maanden na de datum van aanneming ervan open staan voor ondertekening op de zetel van de Verenigde Naties door de Staten en lichamen bedoeld in artikel 305, eerste lid, letters a, c, d, e en f, van het Verdrag.
Artikel 4. Instemming om te worden gebonden
Na de aanneming van deze Overeenkomst houdt een akte van bekrachtiging of formele bevestiging van of van toetreding tot het Verdrag tevens in instemming om door deze Overeenkomst te worden gebonden.
Een Staat of lichaam kan niet blijk geven van zijn instemming om door deze Overeenkomst te worden gebonden, indien hij c.q. het niet eerder heeft blijk gegeven of tegelijkertijd blijk geeft van zijn instemming om door het Verdrag te worden gebonden.
Een in artikel 3 bedoelde Staat of bedoeld lichaam kan uiting geven aan zijn instemming om door deze Overeenkomst te worden gebonden door:
- a. Ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, formele bevestiging of van de procedure voorzien in artikel 5;
- b. Ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging of formele bevestiging, gevolgd door bekrachtiging of formele bevestiging;
- c. Ondertekening onder voorbehoud van de procedure voorzien in artikel 5; of
- d. Toetreding.
Formele bevestiging door de lichamen bedoeld in artikel 305, eerste lid, letter f, van het Verdrag dient in overeenstemming te zijn met Bijlage IX van het Verdrag.
De akten van bekrachtiging, formele bevestiging of toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Artikel 5. Vereenvoudigde procedure
Een Staat die of een lichaam dat voor de datum van aanneming van deze Overeenkomst een akte van bekrachtiging of formele bevestiging van of van toetreding tot het Verdrag heeft nedergelegd en die c.q. dat deze Overeenkomst heeft ondertekend in overeenstemming met artikel 4, derde lid, letter c, wordt geacht blijk te hebben gegeven van zijn instemming om door deze Overeenkomst te worden gebonden 12 maanden na de datum van aanneming ervan, tenzij die Staat of dat lichaam de depositaris voor die datum schriftelijk mededeelt dat hij c.q. het geen gebruik wenst te maken van de in dit artikel neergelegde vereenvoudigde procedure.
Ingeval een zodanige mededeling wordt gedaan, wordt van instemming om door deze Overeenkomst te worden gebonden blijk gegeven in overeenstemming met artikel 4, derde lid, letter b.
Artikel 6. Inwerkingtreding
Deze Overeenkomst treedt in werking 30 dagen na de datum waarop 40 Staten in overeenstemming met de artikelen 4 en 5 blijk hebben gegeven van hun instemming om te worden gebonden, mits daartoe ten minste zeven Staten behoren van de Staten bedoeld in Resolutie II, paragraaf 1, letter a, van de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (hierna te noemen „resolutie II”) en mits ten minste vijf van die Staten ontwikkelde Staten zijn. Indien voor 16 november 1994 aan deze voorwaarden voor inwerkingtreding is voldaan, treedt deze Overeenkomst in werking op 16 november 1994.
Voor elke Staat die of elk lichaam dat blijk geeft van zijn instemming om door deze Overeenkomst te worden gebonden nadat aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden is voldaan, treedt deze Overeenkomst in werking op de dertigste dag na de datum waarop is blijk gegeven van instemming om te worden gebonden.
Artikel 7. Voorlopige toepassing
Indien deze Overeenkomst op 16 november 1994 niet in werking is getreden, wordt zij in afwachting van haar inwerkingtreding voorlopig toegepast door:
- a. de Staten die hebben ingestemd met de aanneming ervan in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, met uitzondering van de Staten die voor 16 november 1994 de depositaris schriftelijk mededelen dat zij deze Overeenkomst niet voorlopig zullen toepassen of dat zij eerst na ondertekening of schriftelijke mededeling met voorlopige toepassing zullen instemmen;
- b. Staten en lichamen die deze Overeenkomst ondertekenen, met uitzondering van de Staten of lichamen die de depositaris op het tijdstip van ondertekening schriftelijk mededelen dat zij deze Overeenkomst niet voorlopig zullen toepassen;
- c. Staten en lichamen die instemmen met de voorlopige toepassing door de depositaris een daartoe strekkende schriftelijke mededeling te doen;
- d. Staten die tot deze Overeenkomst toetreden.
Al deze Staten en lichamen passen deze Overeenkomst voorlopig toe in overeenstemming met hun nationale of interne wetten en voorschriften met ingang van 16 november 1994 of van de datum van ondertekening, mededeling van instemming of toetreding, indien deze datum later valt.
De voorlopige toepassing eindigt op de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst. In elk geval eindigt de voorlopige toepassing op 16 november 1998 indien op die datum niet is voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, genoemde voorwaarde dat ten minste zeven van de Staten (waarvan ten minste vijf ontwikkelde Staten moeten zijn) bedoeld in paragraaf 1, letter a, van resolutie II, ermede hebben ingestemd door deze Overeenkomst te worden gebonden.
Artikel 8. Staten die Partij zijn
Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder „Staten die Partij zijn” verstaan Staten die ermede hebben ingestemd door deze Overeenkomst te worden gebonden en waarvoor deze Overeenkomst in werking is getreden.
Deze Overeenkomst is van overeenkomstige toepassing op de lichamen bedoeld in artikel 305, eerste lid, letters c, d, e en f, van het Verdrag, die Partij bij deze Overeenkomst worden in overeenstemming met de voor elk van hen geldende voorwaarden en in dier voege worden met „Staten die Partij zijn” die lichamen bedoeld.
Artikel 9. Depositaris
De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties is depositaris van deze Overeenkomst.
Artikel 10. Authentieke teksten
Het origineel van deze Overeenkomst, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Titel 1. Kosten voor de Staten die partij zijn en institutionele regelingen
1
De Internationale Zeebodemautoriteit (hierna te noemen „de Autoriteit”) is de organisatie door middel waarvan de Staten die Partij zijn bij het Verdrag, in overeenstemming met de in Deel XI en in deze Overeenkomst vastgestelde regeling voor het gebied, de werkzaamheden in het Gebied organiseren en er toezicht op uitoefenen, vooral ten einde de rijkdommen van het Gebied te beheren. De bevoegdheden en functies van de Autoriteit zijn die welke uitdrukkelijk aan haar zijn toegekend door het Verdrag. De Autoriteit bezit de nadere bevoegdheden, verenigbaar met het Verdrag, die haar stilzwijgend zijn toegekend en noodzakelijk zijn voor de uitoefening van deze bevoegdheden en functies ten aanzien van werkzaamheden in het Gebied.
2
Ten einde de kosten voor de Staten die Partij zijn tot een minimum te beperken, moeten alle ingevolge het Verdrag en deze Overeenkomst in te stellen organen en ondergeschikte lichamen kostenbesparend te werk gaan. Dit beginsel geldt ook voor de frequentie, de duur en het rooster van vergaderingen.
3
De instelling en de functionering van de organen en ondergeschikte lichamen van de Autoriteit dienen te zijn gebaseerd op een geleidelijke verwezenlijking, waarbij rekening wordt gehouden met de functionele behoeften van de betrokken organen en ondergeschikte lichamen opdat deze zich doeltreffend kunnen kwijten van hun onderscheiden verantwoordelijkheden in de diverse ontwikkelingsfasen van de werkzaamheden in het Gebied.
4
De eerste functies van de Autoriteit bij de inwerkingtreding van het Verdrag worden verricht door de Vergadering, de Raad, het Secretariaat, de Juridische en Technische Commissie en de Financiële Commissie. De functies van de Commissie voor Economische Planning worden verricht door de Juridische en Technische Commissie totdat de Raad anders besluit of tot de goedkeuring van het eerste werkplan voor exploitatie.
5
In de tijd tussen de inwerkingtreding van het Verdrag en de goedkeuring van het eerste werkplan voor exploitatie richt de Autoriteit zich op:
- a. Het behandelen van aanvragen om goedkeuring van werkplannen voor exploratie in overeenstemming met Deel XI en deze Overeenkomst;
- b. Het uitvoeren van besluiten van de Voorbereidende Commissie voor de Internationale Zeebodemautoriteit en voor het Internationale Hof voor het Recht van de Zee (hierna te noemen „de Voorbereidende Commissie”), betreffende geregistreerde pionier-investeerders en de Staten die voor hen borg staan, met inbegrip van hun rechten en verplichtingen, in overeenstemming met artikel 308, vijfde lid, van het Verdrag en resolutie II, paragraaf 13;
- c. Het toezien op de naleving van werkplannen voor exploratie die in de vorm van een contract zijn goedgekeurd;
- d. Het volgen en bestuderen van trends en ontwikkelingen met betrekking tot diepzeemijnbouw, met inbegrip van een regelmatige analyse van de situatie op de wereldmarkt voor metaal en van de metaalprijzen, trends en vooruitzichten;
- e. Het onderzoeken van de potentiële invloed van de winning van delfstoffen uit het Gebied op de economieën van ontwikkelingslanden die deze delfstoffen uit mijnen op het land winnen, en die waarschijnlijk het ernstigst zullen worden getroffen, ten einde hun moeilijkheden tot een minimum te beperken en hen bij te staan in de aanpassing van hun economie, met inachtneming van het in dezen door de Voorbereidende Commissie verrichte werk;
- f. Het aannemen van regels, voorschriften en procedures die nodig zijn voor het verrichten van werkzaamheden in het Gebied, naarmate deze werkzaamheden voortschrijden. Niettegenstaande het bepaalde in Bijlage III, artikel 17, tweede lid, letter b en c, van het Verdrag wordt in deze regels, voorschriften en procedures rekening gehouden met de bepalingen van deze Overeenkomst, het langdurige uitstel van de commerciële diepzeemijnbouw en het vermoedelijke tempo van werkzaamheden in het Gebied;
- g. Het aannemen van regels, voorschriften en procedures die toepasselijke normen behelzen voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu;
- h. Het bevorderen en aanmoedigen van het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied en het vergaren en verspreiden van de resultaten van onderzoek en analyse, wanneer deze beschikbaar zijn, waarbij in het bijzonder de nadruk wordt gelegd op onderzoek naar de milieu-effecten van werkzaamheden in het Gebied;
- i. Het verwerven van wetenschappelijke kennis en volgen van de ontwikkeling van voor werkzaamheden in het Gebied relevante mariene technologie, met name technologie voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu;
- j. Het evalueren van beschikbare gegevens betreffende prospectie en exploratie;
- k. Het tijdig opstellen van regels, voorschriften en procedures voor exploitatie, met inbegrip van regels, voorschriften en procedures betreffende de bescherming en het behoud van het mariene milieu.
6
a). Een aanvraag om goedkeuring van een werkplan voor exploratie wordt door de Raad bestudeerd na ontvangst van een aanbeveling inzake de aanvraag van de Juridische en Technische Commissie. De behandeling van een aanvraag om goedkeuring van een werkplan voor exploratie geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag, met inbegrip van zijn Bijlage III, en deze Overeenkomst en met inachtneming van het onderstaande:
- i. Een werkplan voor exploratie ingediend namens een Staat of lichaam of een onderdeel van een dergelijk lichaam, bedoeld in resolutie II, paragraaf 1, letter a, onder ii of iii, niet zijnde een geregistreerde pionier-investeerder, die c.q. dat reeds omvangrijke werkzaamheden in het Gebied had verricht voor de inwerkingtreding van het Verdrag, of diens rechtsopvolger, wordt geacht te hebben voldaan aan de voor de goedkeuring van een werkplan vereiste financiële en technische voorwaarden indien de Staat of Staten die borg staat/staan, verklaart/verklaren dat de aanvrager een bedrag gelijk aan ten minste US$30 miljoen heeft uitgegeven aan onderzoeks- en exploratiewerkzaamheden en niet minder dan 10 procent van dat bedrag heeft uitgegeven aan de plaatsbepaling, plaatsbeschrijving en evaluatie van het in het werkplan bedoelde gebied. Indien het werkplan anderszins voldoet aan de vereisten van het Verdrag en van ingevolge het Verdrag aangenomen regels, voorschriften en procedures, wordt het door de Raad goedgekeurd in de vorm van een contract. De bepalingen van titel 3, paragraaf 11, van deze Bijlage worden dienovereenkomstig uitgelegd en toegepast;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.