Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie

Type Verdrag
Publication 2017-01-23
State In force
Source BWB
artikelen 311
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

15.5. Aangetoond moet worden dat de gesubsidieerde invoer, ten gevolge van de subsidiesZoals omschreven in de leden 2 en 4., schade in de zin van deze Overeenkomst veroorzaakt. Het oorzakelijke verband tussen de gesubsidieerde invoer en de schade die de binnenlandse bedrijfstak lijdt, wordt aangetoond door middel van een onderzoek van alle relevante bewijsstukken waarover de autoriteiten beschikken. De autoriteiten onderzoeken ook alle andere gekende factoren dan de gesubsidieerde invoer die de binnenlandse bedrijfstak tegelijkertijd schade toebrengen en de schade die door deze andere factoren wordt veroorzaakt mag niet aan de gesubsidieerde invoer worden toegeschreven. Factoren die in dit verband relevant zijn, zijn onder andere de hoeveelheden en de prijzen van de niet-gesubsidieerde invoer van het betrokken produkt, een inkrimping van de vraag of wijzigingen in het consumentengedrag, handelsbeperkende maatregelen van en concurrentie tussen buitenlandse en binnenlandse producenten, technologische ontwikkelingen en de exportprestaties en produktiviteit van de binnenlandse bedrijfstak.

15.6. De gevolgen van de gesubsidieerde invoer worden beoordeeld in verhouding tot de binnenlandse produktie van het soortgelijke produkt wanneer het aan de hand van de beschikbare gegevens mogelijk is die produktie aan de hand van criteria zoals produktieproces, omzet en winst van de producenten duidelijk te onderscheiden. Indien het niet mogelijk is deze produktie te onderscheiden, worden de gevolgen van de gesubsidieerde invoer beoordeeld door de produktie te onderzoeken van de kleinste groep of serie produkten waartoe het soortgelijke produkt behoort en waarover de nodige gegevens kunnen worden verkregen.

15.7. De vaststelling dat er sprake is van dreigende aanmerkelijke schade is op feiten gebaseerd en niet op veronderstellingen, ramingen of vage mogelijkheden. De verandering van omstandigheden waardoor een situatie zou ontstaan waarin de subsidie schade veroorzaakt moet voor een nabije toekomst duidelijk zijn te voorzien. Om vast te stellen of er sprake is van dreigende aanmerkelijke schade, nemen de met onderzoek belaste autoriteiten onder meer de volgende factoren in aanmerking:

  • i. de aard van de betrokken subsidie of subsidies en de waarschijnlijke gevolgen daarvan voor de handel;
  • ii. de snelle groei van het aandeel van de gesubsidieerde importprodukten op de binnenlandse markt, wat erop wijst dat de invoer waarschijnlijk nog aanzienlijk zal toenemen;
  • iii. voldoende vrij beschikbare capaciteit van de exporteur, of een aanmerkelijke toename daarvan in de nabije toekomst waardoor het waarschijnlijk is dat de gesubsidieerde uitvoer naar de markt van het importerende Lid nog aanzienlijk zal toenemen, waarbij rekening moet worden gehouden met de beschikbaarheid van andere exportmarkten die de bijkomende voor export beschikbare hoeveelheden kunnen absorberen;
  • iv. of de produkten worden ingevoerd tegen prijzen die een aanmerkelijk druk op de binnenlandse prijzen zullen uitoefenen of die een stijging van deze prijzen duidelijk zullen verhinderen, en waardoor de vraag naar importprodukten nog zal toenemen;
  • v. de bestaande voorraden van het onderzochte produkt.

Geen enkele van deze factoren is noodzakelijkerwijs doorslaggevend, maar de in overweging genomen factoren tezamen moeten tot de conclusie leiden dat de gesubsidieerde invoer op korte termijn nog zal toenemen en dat deze invoer, tenzij beschermingsmaatregelen worden genomen, aanmerkelijke schade zal veroorzaken.

15.8. In de gevallen waarin de gesubsidieerde invoer schade dreigt te veroorzaken, wordt het besluit om compenserende maatregelen te nemen zorgvuldig overwogen.

Artikel 16. Omschrijving van het begrip „binnenlandse bedrijfstak”

16.1. In de zin van deze overeenkomst wordt onder „binnenlandse bedrijfstak”, behoudens het bepaalde in lid 2, de gezamenlijke binnenlandse producenten van de soortgelijke produkten verstaan of dat deel van de binnenlandse producenten wier gezamenlijke produktie van de produkten een groot deel van de totale binnenlandse produktie van die produkten uitmaakt. Indien het echter om producenten gaat die met exporteurs of importeurs gelieerd1)Voor de toepassing van dit lid worden producenten uitsluitend geacht met exporteurs of importeurs gelieerd te zijn indien a. een van hen rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap heeft over de andere of indien b. een derde rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap heeft over hen beiden, of indien c. zij samen rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap hebben over een derde, voor zover er redenen zijn om aan te nemen of te vermoeden dat de gelieerde producent zich door deze banden anders gedraagt dan een niet-gelieerde producent. Voor de toepassing van dit lid wordt een bedrijf geacht zeggenschap te hebben over een ander bedrijf wanneer het ene bedrijf rechtens of feitelijk in een positie is het handelen van het andere bedrijf te beperken of te leiden. zijn of die zelf importeur zijn van het produkt dat met subsidie zou worden ingevoerd of van een soortgelijk produkt uit een ander land, kan onder „binnenlandse bedrijfstak” de overige producenten worden verstaan.

16.2. In buitengewone omstandigheden kan het grondgebied van een Lid, wat de betrokken produktie betreft, in twee of meer concurrerende markten worden verdeeld en kunnen de producenten binnen elke markt als een afzonderlijke bedrijfstak worden beschouwd indien a. de producenten binnen die markt hun gehele of vrijwel gehele produktie van het betrokken produkt op die markt verkopen, en b. aan de vraag op die markt niet in belangrijke mate wordt voldaan door elders op dat grondgebied gevestigde producenten van het betrokken produkt. In deze omstandigheden kan tot het bestaan van schade worden geconcludeerd zelfs indien een groot deel van de totale binnenlandse bedrijfstak geen schade lijdt, mits de gesubsidieerde invoer op deze afzonderlijke markt geconcentreerd is en de producenten van alle of vrijwel alle produkten op die markt door de gesubsidieerde invoer schade lijden.

16.3. Wanneer onder „binnenlandse bedrijfstak” de producenten in een bepaald gebied, namelijk de in lid 2 omschreven markt, wordt verstaan, worden de compenserende rechten slechts geheven op produkten die voor eindverbruik in dat gebied zijn bestemd. Staat de grondwet van het importerende Lid niet toe dat compenserende rechten op die basis worden geheven, dan mag het importerende Lid de compenserende rechten uitsluitend zonder beperking heffen indien a. de exporteurs de gelegenheid hebben gehad de export tegen gesubsidieerde prijzen naar het betrokken gebied stop te zetten of op grond van artikel 18 verbintenissen aan te bieden, maar dat zij deze bevredigende verbintenissen niet terstond hebben aangeboden, en b. deze rechten niet uitsluitend kunnen worden geheven op produkten van specifieke producenten die aan het betrokken gebied leveren.

16.4. Wanneer twee of meer landen overeenkomstig het bepaalde in artikel XXIV, lid 8, onder a. van de GATT 1994 zulk een niveau van integratie hebben bereikt dat zij de kenmerken van een enkele, eengemaakte markt hebben, wordt de bedrijfstak in het gehele geïntegreerde gebied beschouwd als de in de leden 1 en 2 bedoelde binnenlandse bedrijfstak.

16.5. Het bepaalde in artikel 15, lid 6, is van toepassing op dit artikel.

Artikel 17. Voorlopige maatregelen

17.1. Voorlopige maatregelen mogen uitsluitend worden toegepast indien:

  • a. een onderzoek is geopend overeenkomstig het bepaalde in artikel 11, hierover een bericht is gepubliceerd en belanghebbende Leden en partijen voldoende gelegenheid hebben gehad inlichtingen te verstrekken en opmerkingen te maken;
  • b. een voorlopige vaststelling is gedaan dat subsidie is toegekend en dat een binnenlandse bedrijfstak door de gesubsidieerde invoer schade lijdt of dreigt te lijden; en
  • c. de betrokken autoriteiten deze maatregelen noodzakelijk achten om te verhinderen dat tijdens de duur van het onderzoek schade wordt geleden.

17.2. Voorlopige maatregelen kunnen de vorm aannemen van voorlopige compenserende rechten waarvan de betaling gegarandeerd wordt door het storten van een geldsom of het stellen van een zekerheid ten belope van de voorlopig berekende subsidie.

17.3. Voorlopige maatregelen worden niet eerder genomen dan 60 dagen na de opening van het onderzoek.

17.4. De toepassing van voorlopige maatregelen worden tot een zo kort mogelijke periode beperkt, die ten hoogste vier maanden bedraagt.

17.5. Het bepaalde in artikel 15, lid 6, is van toepassing op dit artikel.

Artikel 18. Verbintenissen

18.1. Een procedure kan1)Het woord „kan” betekent niet dat de procedure kan worden voortgezet terwijl terzelfdertijd een verbintenis wordt uitgevoerd, behoudens lid 4. worden geschorst of beëindigd zonder dat voorlopige maatregelen worden genomen of compenserende rechten ingesteld, indien op vrijwillige basis bevredigende verbintenissen worden aangeboden op grond waarvan:

  • a. de overheid van het exporterende Lid ermee instemt de subsidie op te heffen of te beperken of andere maatregelen te nemen ten aanzien van de gevolgen van de subsidie; of
  • b. de exporteur ermee instemt zijn prijzen zo te herzien dat de met onderzoek belaste autoriteiten ervan overtuigd zijn dat de subsidie geen schadelijke gevolgen meer heeft. Bij deze verbintenissen worden de prijzen niet meer verhoogd dan nodig is om de subsidie te compenseren. Het is wenselijk dat de prijsverhogingen minder zijn dan de hoogte van de subsidie indien dit voldoende is om een einde te maken aan de schade die de binnenlandse bedrijfstak lijdt.

18.2. Verbintenissen worden niet gevraagd noch aanvaard tenzij de autoriteiten van het importerende Lid een voorlopige positieve vaststelling hebben gedaan over het bestaan van subsidie en de daardoor veroorzaakte schade en, in geval van verbintenissen van exporteurs, het exporterende Lid hiervoor toestemming heeft gegeven.

18.3. Aangeboden verbintenissen behoeven niet te worden aanvaard indien de autoriteiten van het importerende Lid van oordeel zijn dat aanvaarding daarvan niet praktisch mogelijk is, bijvoorbeeld indien het aantal bestaande en potentiële exporteurs te groot is of om andere redenen, met inbegrip van redenen van algemeen beleid. Indien dit het geval is en voor zover dit praktisch mogelijk is, delen de autoriteiten de exporteur mede waarom zij de de verbintenis niet hebben aanvaard en geven zij de exporteur, voor zover mogelijk, gelegenheid hierover opmerkingen te maken.

18.4. Indien een verbintenis wordt aanvaard, wordt het onderzoek naar subsidiëring en schade toch voltooid indien het exporterende Lid dit wenst of het importerende Lid hiertoe besluit. Wordt in dit geval vastgesteld dat er geen sprake is van subsidiëring of schade, dan vervalt de verbintenis automatisch, tenzij een dergelijke vaststelling grotendeels het gevolg is van het bestaan van een verbintenis. In dergelijke gevallen kunnen de betrokken autoriteiten eisen dat de verbintenis gedurende een redelijke termijn wordt gehandhaafd overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst. Wordt vastgesteld dat er wel sprake is van subsidiëring en schade, dan blijft de verbintenis van kracht overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen van deze Overeenkomst.

18.5. Voorstellen voor prijsverbintenissen mogen uitgaan van de autoriteiten van het importerende Lid, maar geen exporteur kan gedwongen worden hierop in te gaan. Het feit dat overheden of exporteurs geen verbintenissen aanbieden of niet op een voorstel daartoe ingaan, doet op generlei wijze afbreuk aan het onderzoek van de zaak. De autoriteiten zijn echter vrij te bepalen dat het bij voortzetting van de gesubsidieerde invoer waarschijnlijker is dat schade zal ontstaan.

18.6. De autoriteiten van een importerend Lid kunnen eisen dat een overheid of exporteur van wie een verbintenis is aanvaard regelmatig inlichtingen verstrekt in verband met de naleving van deze verbintenis en dat de betreffende gegevens gecontroleerd mogen worden. Bij niet-naleving van een verbintenis kunnen de autoriteiten van het importerende Lid, overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst, op korte termijn maatregelen nemen die kunnen bestaan uit de onmiddellijke toepassing van voorlopige maatregelen op grond van de meest betrouwbare gegevens die beschikbaar zijn. In dergelijke gevallen kunnen, overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst, definitieve rechten worden geheven op produkten die ten verbruike zijn aangegeven tot ten hoogste 90 dagen vóór de toepassing van deze voorlopige maatregelen, met dien verstande dat een dergelijke heffing achteraf niet mag worden toegepast op produkten die zijn aangegeven voordat de verbintenis werd verbroken.

Artikel 19. Instelling en heffing van compenserende rechten

19.1. Doet een Lid, nadat redelijke pogingen zijn gedaan om het overleg tot een goed einde te brengen, een definitieve vaststelling over het bestaan en de hoogte van de subsidie en dat de gesubsidieerde invoer, ten gevolge van de subsidie, schade veroorzaakt, dan kan het een compenserend recht instellen overeenkomstig het bepaalde in dit artikel, tenzij de subsidie wordt ingetrokken.

19.2. Het is aan de autoriteiten van het importerende Lid te besluiten of een compenserend recht al dan niet wordt ingesteld wanneer aan alle eisen voor het instellen van dit recht is voldaan, en of dit recht gelijk is aan de hoogte van de subsidie of lager. Het is wenselijk dat de instelling van het recht facultatief is op het grondgebied van alle Leden en dat het recht lager is dan de hoogte van de subsidie indien dit lagere recht voldoende is om een einde te maken aan de schade die de binnenlandse bedrijfstak lijdt, en dat procedures worden vastgesteld door middel waarvan de betrokken autoriteiten rekening kunnen houden met de opmerkingen van belanghebbenden in het binnenland1)Voor de toepassing van dit lid, worden onder „belanghebbenden in het binnenland” ook consumenten en industriële gebruikers van het onderzochte importprodukt verstaan. wier belangen door het instellen van een compenserend recht geschaad zouden kunnen worden.

19.3. Wordt op een produkt een compenserend recht ingesteld, dan wordt dit recht zonder discriminatie geheven op de invoer van dit produkt uit alle gesubsidieerde en schadeveroorzakende bronnen, behalve de invoer uit die bronnen die de betrokken subsidie hebben ingetrokken of waarvan verbintenissen in de zin van deze Overeenkomst zijn aanvaard. Elke exporteur op wiens exportprodukten een definitief compenserend recht is ingesteld, maar wiens produkten niet werkelijk werden onderzocht om andere redenen dan diens weigering mede te werken, heeft recht op een versneld onderzoek zodat de met onderzoek belaste autoriteiten zo snel mogelijk een afzonderlijk compenserend recht voor die exporteur kunnen instellen.

19.4. De compenserende rechten die op een importprodukt worden geheven2)Onder „heffen” wordt in deze Overeenkomst de definitieve instelling of inning van een recht of belasting verstaan. mogen niet hoger zijn dan de subsidie waarvan het bestaan is vastgesteld en die per eenheid van het gesubsidieerde en geëxporteerde produkt is berekend.

Artikel 20. Terugwerkende kracht

20.1. Voorlopige maatregelen en compenserende rechten worden slechts toegepast op produkten die voor verbruik worden aangegeven, nadat het besluit op grond van artikel 17, lid 1, respectievelijk artikel 19, lid 1, in werking is getreden, behalve in de in onderhavig artikel vermelde uitzonderingsgevallen.

20.2. Wanneer een definitieve vaststelling van schade (maar niet van dreigende schade of de aanzienlijke vertraging van de vestiging van een bedrijfstak) is gedaan of, in het geval van een definitieve vaststelling van dreigende schade, wanneer de gesubsidieerde invoer, in afwezigheid van voorlopige maatregelen, tot een vaststelling van schade zouden hebben geleid, kunnen met terugwerkende kracht compenserende rechten worden geheven voor de periode waarin eventueel voorlopige maatregelen van toepassing waren.

20.3. Is het definitieve compenserende recht hoger dan het bedrag dat door de storting van een geldsom of door het stellen van een zekerheid is gegarandeerd, dan wordt het verschil niet geïnd. Is het definitieve recht lager dan het door de gestorte geldsom of gestelde zekerheid gegarandeerde bedrag, dan wordt het teveel zo spoedig mogelijk terugbetaald of vrijgegeven.

20.4. Behoudens het bepaalde in lid 2 kan, wanneer dreigende schade of de aanmerkelijke vertraging van de vestiging van een bedrijfstak is vastgesteld (maar wanneer zich nog geen schade heeft voorgedaan), een definitief compenserend recht slechts worden ingesteld vanaf de datum waarop de dreigende schade of aanzienlijke vertraging zijn vastgesteld. Geldsommen die tijdens de toepassing van de voorlopige maatregelen zijn gestort worden zo spoedig mogelijk terugbetaald en gestelde zekerheden zo spoedig mogelijk vrijgegeven.

20.5. Wanneer een definitieve vaststelling negatief is, worden geldsommen die tijdens de toepassing van de voorlopige maatregelen zijn gestort zo spoedig mogelijk terugbetaald en gestelde zekerheden zo spoedig mogelijk vrijgegeven.

20.6. Wanneer de autoriteiten, in kritieke omstandigheden, vaststellen dat moeilijk te herstellen schade is veroorzaakt door de massale import, in een betrekkelijk korte periode, van een produkt waarvoor in strijd met de bepalingen van de GATT 1994 en deze Overeenkomst subsidies zijn uitgekeerd of toegekend en zij het nodig achten, ten einde een herhaling van dergelijke schade te voorkomen, op deze invoer met terugwerkende kracht compenserende rechten in te stellen, mogen definitieve compenserende rechten worden geheven op importprodukten die, niet meer dan 90 dagen voor de datum waarop voorlopige maatregelen zijn toegepast, ten verbruike zijn aangegeven.

Artikel 21. Duur en herziening van de compenserende rechten en verbintenissen

21.1. Een compenserend recht blijft van toepassing zolang en voor zover dit nodig is om de schadeveroorzakende subsidie te neutraliseren.

21.2. De autoriteiten onderzoeken, zo nodig, of een ingesteld recht moet worden gehandhaafd, hetzij op eigen initiatief, hetzij, mits sinds het instellen van het definitieve compenserende recht een redelijke periode is verstreken, op verzoek van een belanghebbende die positieve gegevens verstrekt waaruit de noodzaak van een herziening blijkt. Belanghebbenden hebben het recht de autoriteiten te verzoeken na te gaan of het nodig is de rechten ter compensatie van subsidiëring te handhaven, of het waarschijnlijk is dat de schade zou voortduren of weer zou ontstaan indien het recht werd opgeheven of gewijzigd, of beide. Indien de autoriteiten bij het in dit lid bedoelde onderzoek vaststellen dat er geen redenen zijn het compenserende recht te handhaven, wordt het onmiddellijk opgeheven.

21.3. In afwijking van de leden 1 en 2 vervalt een definitief compenserend recht uiterlijk vijf jaar nadat het werd ingesteld (of uiterlijk vijf jaar na de datum van het meest recente onderzoek op grond van lid 2, indien dit onderzoek zowel op subsidiëring als op schade betrekking had, of op grond van onderhavig lid), tenzij de autoriteiten, tijdens een onderzoek dat vóór die datum op hun eigen initiatief werd geopend of op een met redenen omkleed verzoek van of namens de binnenlandse bedrijfstak binnen een redelijke termijn vóór die datum, dat het vervallen van het recht waarschijnlijk tot een voortzetting of een herhaling van subsidiëring en schade zou leiden1)Wordt de hoogte van het compenserend recht op retrospectieve basis vastgesteld, dan is de conclusie van de meest recente procedure dat geen recht behoeft te worden geheven voor de autoriteiten op zich geen reden het definitieve recht in te trekken.. Het recht kan in afwachting van de resultaten van dit onderzoek gehandhaafd blijven.

21.4. Het bepaalde in artikel 12 ten aanzien van bewijsmateriaal en procedures is van toepassing op een herzieningsonderzoek dat op grond van dit artikel wordt uitgevoerd. Een dergelijk onderzoek wordt onverwijld uitgevoerd en binnen 12 maanden na de opening afgesloten.

21.5. Het bepaalde in dit artikel is van overeenkomstige toepassing op verbintenissen die overeenkomstig artikel 18 zijn aanvaard.

Artikel 22. Openbaarmaking en motivering van de vaststellingen

22.1. Indien de autoriteiten ervan overtuigd zijn dat er voldoende bewijsmateriaal is om, overeenkomstig artikel 11, een onderzoek te openen, wordt dit medegedeeld aan het Lid of de Leden waarvan de produkten onderzocht zullen worden en aan andere partijen waarvan het de met onderzoek belaste autoriteiten bekend is dat zij belang hebben bij het onderzoek. Tevens wordt een bericht gepubliceerd.

22.2. Het bericht over de opening van een onderzoek bevat de volgende gegevens of vermeldt dat deze beschikbaar zijn in een afzonderlijk verslag2)Indien de autoriteiten gegevens en uitleg ingevolge dit artikel in een afzonderlijk verslag verstrekken, zien ze erop toe dat het publiek dit verslag gemakkelijk kan verkrijgen.:

  • i. de naam van het land of de landen van uitvoer en het betrokken produkt;
  • ii. de datum van opening van het onderzoek;
  • iii. een beschrijving van de te onderzoeken subsidiepraktijk of -praktijken;
  • iv. een samenvatting van de factoren waarop de schadeklacht is gebaseerd;
  • v. het adres waaraan belanghebbende Leden en partijen opmerkingen kunnen toezenden; en
  • vi. de termijnen waarbinnen belanghebbende Leden en partijen hun standpunt bekend moeten maken.

22.3. Er wordt een bericht gepubliceerd over de voorlopige of definitieve vaststellingen, ongeacht of deze positief of negatief zijn, over besluiten tot aanvaarding van een verbintenis op grond van artikel 18, over de beëindiging van een verbintenis en de beëindiging van een definitief compenserend recht. Elk bericht bevat voldoende gedetailleerde gegevens, of vermeldt dat deze in een afzonderlijk verslag beschikbaar zijn, over de bevindingen en conclusies inzake alle feitelijke en juridische gegevens die door de met onderzoek belaste autoriteiten van belang werden geacht. Deze berichten en verslagen worden toegezonden aan het Lid of de Leden op de produkten waarvan deze vaststellingen of verbintenissen betrekking hebben en aan andere partijen waarvan bekend is dat zij daarbij belang hebben.

22.4. Het bericht dat voorlopige maatregelen worden genomen bevat een voldoende gedetailleerde uitleg, of vermeldt dat deze in een afzonderlijk verslag beschikbaar zijn, over de voorlopige vaststellingen inzake het bestaan van subsidie en schade en vermeldt de feitelijke en juridische punten op grond waarvan argumenten zijn aanvaard of afgewezen. Dit bericht of verslag bevat, met inachtneming van plicht tot bescherming van vertrouwelijke gegevens, met name het volgende:

  • i. de namen van de betrokken leveranciers of, wanneer dit niet praktisch mogelijk is, van de betrokken leverancierslanden;
  • ii. een voor douanedoeleinden voldoende nauwkeurige omschrijving van het produkt;
  • iii. de hoogte van de vastgestelde subsidie en de basis waarop het bestaan van een subsidie werd vastgesteld;
  • iv. de in artikel 15 genoemde overwegingen betreffende de vaststelling van schade;
  • v. de voornaamste redenen die tot de vaststelling hebben geleid.

22.5. Wanneer een positieve vaststelling wordt gedaan die tot de instelling van een definitief recht of de aanvaarding van een verbintenis leidt, bevat het bericht dat een onderzoek wordt afgesloten of geschorst, alle ter zake dienende feitelijke en juridische gegevens en een opgave van de redenen die tot de instelling van definitieve maatregelen of de aanvaarding van een verbintenis hebben geleid, of vermeldt het dat deze gegevens in een afzonderlijk verslag beschikbaar zijn, waarbij rekening dient te worden gehouden met de plicht tot bescherming van vertrouwelijke gegevens. Het bericht of verslag bevat met name de in lid 4 genoemde gegevens alsmede een opgave van de redenen voor de aanvaarding of afwijzing van ter zake dienende argumenten of eisen van belanghebbende Leden, exporteurs en importeurs.

22.6. Een bericht over de beëindiging of schorsing van een onderzoek na de aanvaarding, ingevolge artikel 18, van een verbintenis, bevat het niet-vertrouwelijke deel van deze verbintenis of vermeldt dat dit in een afzonderlijk verslag is opgenomen.

22.7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de opening en voltooiing van herzieningsonderzoeken op grond van artikel 21 en op besluiten tot toepassing van rechten met terugwerkende kracht op grond van artikel 20.

Artikel 23. Rechterlijk toezicht

Een Lid waarvan de nationale wetgeving bepalingen over compenserende rechten bevat, handhaaft de rechtbanken, scheidsgerechten of administratieve rechtbanken of procedures die onder andere ten doel hebben de administratieve maatregelen ten aanzien van definitieve vaststellingen en herzieningsonderzoeken in de zin van artikel 21 terstond te onderzoeken. Deze rechtbanken, gerechten en procedures zijn onafhankelijk van de autoriteiten die voor de betrokken vaststelling of het betrokken herzieningsonderzoek verantwoordelijk zijn en bieden alle belanghebbenden die aan de administratieve procedure hebben deelgenomen en die een rechtstreeks en individueel belang hebben bij de administratieve maatregelen de mogelijkheid in beroep te gaan.

DEEL VI. : INSTELLINGEN

Artikel 24. Commissie Subsidies en Compenserende Maatregelen en suborganen

24.1. Er wordt een Commissie Subsidies en Compenserende Maatregelen ingesteld waarin vertegenwoordigers van elk Lid zitting hebben. De Commissie kiest zijn voorzitter en komt ten minste twee maal per jaar bijeen en, overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst, op verzoek van een Lid. De Commissie voert de taken uit waarmee het krachtens deze Overeenkomst of door de Leden is belast en stelt de Leden in de gelegenheid overleg te plegen over alle vraagstukken betreffende de toepassing of de bevordering van de doelstellingen van de overeenkomst. Het WTO-Secretariaat treedt op als secretariaat van de Commissie.

24.2. De Commissie kan zo nodig suborganen instellen.

24.3. De Commissie stelt een Permanente Groep Deskundigen (PGE Permanent Group of Experts) in, samengesteld uit vijf onafhankelijke personen met grote deskundigheid op het gebied van subsidies en handelsbetrekkingen. De deskundigen worden door de Commissie gekozen en een van hen wordt elk jaar vervangen. De PGE kan worden verzocht een panel bijstand te verlenen, zoals in artikel 4, lid 5, voorzien. De Commissie kan de PGE ook om advies vragen over het bestaan en de aard van een subsidie.

24.4. De PGE kan door elk lid worden geraadpleegd en advies geven over de aard van een subsidie die een Lid wil invoeren of handhaven. Dit advies is vertrouwelijk. Bij procedures op grond van artikel 7 mag hiernaar niet worden verwezen.

24.5. Bij de uitoefening van hun taken kunnen de Commissie en de eventuele suborganen overleg plegen met of inlichtingen inwinnen bij alle instanties die daarvoor naar hun oordeel in aanmerking komen. Alvorens echter inlichtingen in te winnen bij een instantie binnen het rechtsgebied van een Lid, dient de Commissie of het suborgaan dit Lid hiervan in kennis te stellen.

DEEL VII. : KENNISGEVING EN TOEZICHT

Artikel 25. Kennisgevingen

25.1. Onverminderd artikel XVI, lid 1, van de GATT 1994, komen de Leden overeen uiterlijk op 30 juni van elk jaar kennisgeving van subsidies te doen overeenkomstig het bepaalde in de leden 2 tot en met 6.

25.2. De Leden geven kennis van alle in artikel 1, lid 1, omschreven subsidies die specifiek zijn in de zin van artikel 2 en die binnen hun gebied worden verleend of in stand gehouden.

25.3. De kennisgevingen zijn voldoende nauwkeurig geformuleerd om de andere Leden in staat te stellen de werking van de medegedeelde subsidieregeling te begrijpen en de gevolgen daarvan voor de handel te beoordelen. Zonder op de vorm en inhoud van de vragenlijst inzake subsidies1)Het Comité stelt een werkgroep in om de vorm en inhoud van de vragenlijst die in BISD 9S/193-194 is opgenomen, opnieuw te onderzoeken. vooruit te lopen, zien de Leden erop toe dat hun kennisgevingen de volgende gegevens bevatten:

  • i. vorm van de subsidie (schenking, lening, belastingvoordeel enz.);
  • ii. subsidie per eenheid of, indien dit niet mogelijk is, het totale bedrag of het bedrag per jaar dat voor die subsidie in de begroting is opgenomen (zo mogelijk onder opgave van de gemiddelde subsidie per eenheid in het vorige jaar);
  • iii. beleidsdoelstellingen en/of doel van de subsidie;
  • iv. duur van de subsidie en/of alle andere daarvoor geldende termijnen;
  • v. statistische gegevens aan de hand waarvan het mogelijk is de gevolgen van de subsidie voor de handel te beoordelen.

25.4. Indien bepaalde onder lid 3 vermelde punten niet in een kennisgeving wordt behandeld, wordt daarvoor in de kennisgeving zelf een uitleg gegeven.

25.5. Indien subsidies voor specifieke produkten of sectoren worden toegekend, worden de kennisgevingen per produkt of sector ingedeeld.

25.6. Leden die van oordeel zijn dat binnen hun gebieden geen maatregelen bestaan die op grond van artikel XVI, lid 1, van de GATT 1994 en deze Overeenkomst moeten worden medegedeeld, stellen het Secretariaat daarvan schriftelijk in kennis.

25.7. De Leden erkennen dat de kennisgeving van een maatregel geen oordeel inhoudt over de juridische status op grond van de GATT 1994 en deze Overeenkomst, over de gevolgen daarvan in de zin van deze Overeenkomst, of over de aard van de maatregel zelf.

25.8. Een Lid kan steeds schriftelijk om inlichtingen verzoeken over de aard en de hoogte van een subsidie die een ander Lid verleent of in stand houdt (met inbegrip van een in Deel IV bedoelde subsidie) of vragen om welke redenen van een bepaalde maatregel geen kennisgeving behoefde te worden gedaan.

25.9. De Leden waaraan dit verzoek is gericht verstrekken deze inlichtingen zo vlug en zo volledig mogelijk en zijn op verzoek bereid het Lid dat om inlichtingen heeft gevraagd aanvullende inlichtingen te verstrekken. Deze inlichtingen zijn met name voldoende nauwkeurig om het andere Lid in staat te stellen te beoordelen of aan de voorwaarden van deze Overeenkomst is voldaan. Een Lid dat van oordeel is dat zulke inlichtingen niet zijn verstrekt kan de kwestie onder de aandacht van de Commissie brengen.

25.10. Een Lid dat van oordeel is dat een maatregel van een ander Lid dat de gevolgen van een subsidie heeft, niet is medegedeeld overeenkomstig het bepaalde in artikel XVI, lid 1, van de GATT 1994 en onderhavig artikel kan de kwestie onder de aandacht van dit andere Lid brengen. Wordt deze vermoedelijke subsidie daarna niet onverwijld medegedeeld, dan kan dit Lid deze vermoedelijke subsidie zelf onder de aandacht van de Commissie vestigen.

25.11. De Leden brengen bij de Commissie onverwijld verslag uit over alle voorlopige en definitieve maatregelen die in verband met compenserende maatregelen zijn genomen. Deze verslagen liggen bij het Secretariaat voor andere Leden ter inzage. De Leden brengen ook elk half jaar verslag uit over maatregelen die zij in het afgelopen half jaar in verband met compenserende rechten hebben genomen. De halfjaarlijkse verslagen worden volgens een overeengekomen model ingediend.

25.12. Elk Lid deelt de Commissie mede a. welke van zijn autoriteiten bevoegd zijn het in artikel 11 bedoelde onderzoek te openen en voort te zetten, en b. welke procedures bij de opening van en tijdens het onderzoek worden gevolgd.

Artikel 26. Toezicht

26.1. De Commissie onderzoekt de nieuwe en volledige kennisgevingen die op grond van artikel XVI, lid 1, van de GATT 1994 en artikel 25, lid 1, van deze Overeenkomst zijn gedaan op vergaderingen die te dien einde om de drie jaar worden gehouden. Kennisgevingen die in de tussenliggende jaren worden gedaan (bijwerkingen) worden op de gewone vergaderingen van de Commissie onderzocht.

26.2. De Commissie onderzoekt de verslagen die op grond van artikel 25, lid 11, zijn ingediend op elke gewone vergadering van de Commissie.

DEEL VIII. : ONTWIKKELINGSLANDEN

Artikel 27. Bijzondere en gedifferentieerde behandeling van Leden die ontwikkelingslanden zijn

27.1. De Leden erkennen dat subsidies een belangrijke rol kunnen spelen in de programma's voor de economische ontwikkeling van Leden die ontwikkelingslanden zijn.

27.2. Het verbod in artikel 3, lid 1, onder a. is niet van toepassing op:

  • a. de in bijlage VII genoemde Leden die ontwikkelingslanden zijn;
  • b. andere Leden die ontwikkelingslanden zijn voor een periode van acht jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst en op de in lid 4 gestelde voorwaarden.

27.3. Het verbod in artikel 3, lid 1, onder b. is, vanaf de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst, voor een periode van vijf jaar niet van toepassing op Leden die ontwikkelingslanden zijn en is voor een periode van acht jaar niet van toepassing op Leden die minstontwikkelde landen zijn.

27.4. Een in lid 2, onder b. bedoeld Lid dat ontwikkelingsland is schaft zijn exportsubsidies over een periode van acht jaar, bij voorkeur geleidelijk, af. Een Lid dat een ontwikkelingsland is verhoogt het niveau van zijn exportsubsidies niet1)Voor een Lid dat een ontwikkelingsland is dat op de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst geen subsidies toekent, is dit lid van toepassing uitgaande van het niveau van de in 1986 verleende exportsubsidies. en schaft ze op een kortere dan de in dit lid genoemde periode af wanneer het gebruik van deze exportsubsidies niet meer aan zijn ontwikkelingsbehoeften beantwoordt. Is een Lid dat een ontwikkelingsland is van oordeel dat het nodig is deze subsidies ook na de periode van acht jaar toe te passen, dan pleegt het uiterlijk een jaar vóór de afloop van deze periode overleg met de Commissie dat beslist of een verlenging van de periode kan worden toegestaan, na onderzoek van de relevante economische, financiële en ontwikkelingsbehoeften van het betrokken Lid dat een ontwikkelingsland is. Indien de Commissie vaststelt dat de verlenging kan worden toegestaan, pleegt het betrokken Lid dat ontwikkelingsland is jaarlijks overleg met de Commissie om vast te stellen of het nog nodig is de subsidies te handhaven. Doet de Commissie een dergelijke vaststelling niet, dan schaft het Lid dat ontwikkelingsland is de nog resterende exportsubsidies af over een periode van twee jaar na het einde van de laatst toegestane termijn.

27.5. Een Lid dat een ontwikkelingsland is waarvan een bepaald exportprodukt concurrerend is geworden, schaft de exportsubsidies voor dit produkt over een periode van twee jaar af. Een in Bijlage VII bedoeld Lid dat ontwikkelingsland is waarvan een of meer exportprodukten concurrerend zijn geworden, schaft de exportsubsidies op deze produkten over een periode van acht jaar af.

27.6. Een exportprodukt is concurrerend geworden indien de export van dat produkt uit een Lid dat ontwikkelingsland is gedurende twee opeenvolgende kalenderjaren ten minste een aandeel van 3,25% van de wereldhandel in dat produkt heeft bereikt. Er is sprake van concurrerende export a. indien het Lid dat een ontwikkelingsland is mededeelt dat een exportprodukt concurrerend is geworden, of b. indien het Secretariaat tot deze conclusie komt na, op verzoek van een Lid, een berekening te hebben gemaakt. Voor de toepassing van dit lid wordt onder een produkt een post van de nomenclatuur van het geharmoniseerd systeem verstaan. De Commissie stelt vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst een onderzoek in naar de werking van deze bepaling.

27.7. Het bepaalde in artikel 4 is niet van toepassing op exportsubsidies van een Lid dat een ontwikkelingsland is die in overeenstemming zijn met het bepaalde in de leden 2 tot en met 5. Artikel 7 is in dat geval van toepassing.

27.8. Er bestaat geen vermoeden in de zin van artikel 6, lid 1, dat een subsidie die door een Lid dat een ontwikkelingsland wordt toegekend tot ernstige schade leidt in de zin van deze Overeenkomst. Is ernstige schade in de zin van lid 9 van toepassing, dan wordt deze aan de hand van positief bewijsmateriaal aangetoond, overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, leden 3 tot en met 8.

27.9. Maatregelen overeenkomstig artikel 7 kunnen niet worden toegestaan of genomen ten aanzien van subsidies waartegen een actie kan worden ingesteld die een Lid dat een ontwikkelingsland is verleent of in stand houdt, met uitzondering van de in artikel 6, lid 1, bedoelde subsidies, tenzij blijkt dat tariefconcessies of andere verplichtingen op grond van de GATT 1994 tengevolge van deze subsidies worden tenietgedaan of uitgehold, daar de invoer van een soortgelijk produkt van een ander Lid naar het subsidieverlenende Lid dat een ontwikkelingsland is wordt verdrongen of verhinderd, of een binnenlandse bedrijfstak van een importerend Lid wordt geschaad.

27.10. Een onderzoek in verband met een compenserend recht op een produkt van oorsprong uit een Lid dat een ontwikkelingsland is wordt beëindigd zodra de betrokken autoriteiten vaststellen dat:

  • a. het totale niveau van de subsidies die voor het betrokken produkt zijn verleend niet meer bedraagt dan 2% van zijn waarde berekend aan de hand van de waarde per eenheid; of
  • b. het volume van de gesubsidieerde invoer minder dan 4% bedraagt van de totale invoer van het soortgelijke produkt in het importerende Lid, tenzij de invoer uit Leden die ontwikkelingslanden zijn elk afzonderlijk minder dan 4% uitmaken, maar tezamen meer dan 9% uitmaken van de totale invoer van het soortgelijke produkt in het importerende Lid.

27.11. Voor de in lid 2, onder b. bedoelde Leden die ontwikkelingslanden zijn die hun exportsubsidies al voor de afloop van de termijn van acht jaar na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst hebben afgeschaft en voor de in Bijlage VII genoemde Leden die ontwikkelingslanden zijn is het in lid 10, onder a. genoemde cijfer niet 2%, maar 3%. Deze bepaling is van toepassing vanaf de datum dat de afschaffing van de exportsubsidies aan de Commissie wordt medegedeeld en zolang het kennisgevende Lid dat een ontwikkelingland is geen exportsubsidies verleent. Deze bepaling vervalt acht jaar na de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst.

27.12. Het bepaalde in de leden 10 en 11 is van toepassing op elke vaststelling van de in artikel 15, lid 3, bedoelde minimale subsidiëring.

27.13. De bepalingen van Deel III zijn niet van toepassing op een rechtstreekse kwijtschelding van schulden en subsidies om sociale kosten te dekken, in welke vorm dan ook, met inbegrip van het afstand doen van overheidsinkomsten en andere overdrachten van passiva indien deze subsidies verleend zijn in het kader van en rechtstreeks verband houden met een privatiseringsprogramma van een Lid dat een ontwikkelingsland is, mits dit programma en de betrokken subsidies voor een beperkte periode van toepassing zijn en aan de Commissie worden medegedeeld en het programma uiteindelijk tot de privatisering van de betrokken onderneming leidt.

27.14. Op verzoek van een belanghebbend Lid onderzoekt de Commissie een bepaalde exportsubsidiepraktijk van een Lid dat een ontwikkelingsland is om na te gaan of deze praktijk aan de ontwikkelingsbehoeften van dat Lid beantwoordt.

27.15. Op verzoek van een Lid dat een ontwikkelingsland is onderzoekt de Commissie een bepaalde compenserende maatregel om na te gaan of het aan de voorwaarden van de leden 10 en 11 voldoet zoals die op het betrokken Lid dat een ontwikkelingsland is van toepassing zijn.

DEEL IX. : OVERGANGSREGELINGEN

Artikel 28. Bestaande subsidieregelingen

28.1. Subsidieregelingen die binnen het gebied van een Lid zijn vastgesteld voordat dit Lid de WTO-Overeenkomst ondertekende en die met de bepalingen van deze Overeenkomst in strijd zijn:

  • a. worden de Commissie medegedeeld binnen 90 dagen nadat de WTO-Overeenkomst voor dit Lid in werking is getreden; en
  • b. worden binnen drie jaar nadat de WTO-Overeenkomst voor dit Lid in werking is getreden met de bepalingen van deze Overeenkomst in overeenstemming gebracht; Deel II is tot dat tijdstip niet op deze regelingen van toepassing.

28.2. De Leden breiden het toepassingsgebied van deze regelingen niet uit en verlengen deze na afloop niet.

Artikel 29. Overschakeling op een markteconomie

29.1. Leden die bezig zijn hun economie van een centraal geleide economie op een markteconomie over te schakelen kunnen de regelingen en maatregelen treffen die voor deze overschakeling noodzakelijk zijn.

29.2. Deze Leden schaffen de in artikel 3 bedoelde subsidieregelingen die overeenkomstig lid 3 zijn medegedeeld geleidelijk af of brengen deze binnen zeven jaar na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst met artikel 3 in overeenstemming. In dit geval is artikel 4 niet van toepassing. Bovendien geldt in dezelfde periode dat:

  • a. tegen subsidieregelingen waarop artikel 6, lid 1, onder d. van toepassing is geen maatregelen op grond van artikel 7 kunnen worden genomen;
  • b. artikel 27, lid 9, van toepassing is op andere subsidies waartegen acties kunnen worden ingesteld.

29.3. De in artikel 3 bedoelde subsidieregelingen worden de Commissie zo spoedig als praktisch mogelijk is na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst medegedeeld. Verdere kennisgevingen van deze subsidies kunnen tot twee jaar na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst worden gedaan.

29.4. In uitzonderlijke omstandigheden kan de Commissie de in lid 1 bedoelde Leden toestaan van hun medegedeelde regelingen en maatregelen en van het tijdschema voor deze regelingen en maatregelen af te wijken indien dit voor het overschakelingsproces noodzakelijk wordt geacht.

DEEL X. : BESLECHTING VAN GESCHILLEN

Artikel 30

Het bepaalde in de artikelen XXII en XXIII van de GATT 1994 zoals uitgewerkt en toegepast bij het Memorandum van Overeenstemming inzake de Beslechting van Geschillen (DSU – Dispute Settlement Understanding) is van toepassing op het overleg en de beslechting van geschillen in het kader van deze Overeenkomst, tenzij daarin uitdrukkelijk anders is bepaald.

DEEL XI. : SLOTBEPALINGEN

Artikel 31. Voorlopige toepassing

Het bepaalde in artikel 6, lid 1 en in de artikelen 8 en 9 zijn voor een periode van vijf jaar van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst. Uiterlijk 180 dagen voor het einde van deze periode zal de Commissie de werking van deze bepalingen onderzoeken ten einde vast te stellen of de toepassing ervan, in de huidige dan wel in een gewijzigde vorm, moet worden verlengd.

Artikel 32. Andere slotbepalingen

32.1. Bijzondere maatregelen tegen een subsidie van een ander Lid kunnen alleen worden genomen voor zover zij in overeenstemming zijn met de bepalingen van de GATT 1994, zoals bij deze Overeenkomst geïnterpreteerd1)Dit lid heeft niet ten doel te verhinderen dat in voorkomend geval maatregelen worden genomen op grond van andere bepalingen van de GATT 1994..

32.2. Een Lid mag zonder de toestemming van de andere Leden geen voorbehoud maken ten aanzien van een bepaling van deze Overeenkomst.

32.3. Onder voorbehoud van lid 4 zijn de bepalingen van deze Overeenkomst van toepassing op onderzoeken en herzieningsonderzoeken van bestaande maatregelen die worden geopend op een verzoek dat op of na de datum waarop de WTO-Overeenkomst voor een Lid in werking is getreden is ingediend.

32.4. Voor de toepassing van artikel 21, lid 3, worden bestaande compenserende maatregelen uiterlijk op de datum waarop de WTO-Overeenkomst voor een Lid in werking is getreden geacht te zijn ingesteld, tenzij de binnenlandse wetgeving van een Lid die op die datum van kracht was reeds een bepaling van de soort bevatte als in dat lid bedoeld.

32.5. Ieder Lid neemt alle nodige maatregelen, van algemene of bijzondere aard, om ervoor te zorgen dat zijn wetten, voorschriften en administratieve procedures, uiterlijk op de datum waarop de WTO-Overeenkomst voor hem in werking treedt, in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst die op hem van toepassing kunnen zijn.

32.6. Ieder Lid stelt de Commissie in kennis van wijzigingen in de wetten en voorschriften die met deze Overeenkomst verband houden en van wijzigingen in de toepassing van deze wetten en voorschriften.

32.7. De Commissie onderzoekt elk jaar de tenuitvoerlegging en werking van deze Overeenkomst, gelet op de doelstellingen ervan. De Commissie stelt de Raad voor de Handel in Goederen elk jaar van de ontwikkelingen tijdens de onderzochte periode in kennis.

32.8. De Bijlagen maken deel uit van deze Overeenkomst.

De Leden,

Rekening houdend met de algemene doelstelling van de Leden die erin bestaat het op de GATT 1994 gebaseerde wereldhandelssysteem te verbeteren en te versterken;

Erkennend dat de disciplines van de GATT 1994 moeten worden verduidelijkt en versterkt, inzonderheid die van artikel XIX daarvan (Noodmaatregelen inzake de invoer van bepaalde produkten), dat het multilateraal toezicht op vrijwaringsmaatregelen moet worden hersteld en dat maatregelen die aan dit toezicht ontsnappen moeten worden opgeheven;

Erkennend dat structurele aanpassingen belangrijk zijn en dat de concurrentie op de internationale markten eerder moet worden vergroot dan beperkt; en

Erkennend bovendien dat daartoe een op alle Leden van toepassing zijnde en op de grondbeginselen van de GATT 1994 gebaseerde omvattende overeenkomst nodig is;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Algemeen

Deze Overeenkomst stelt regels vast voor de toepassing van vrijwaringsmaatregelen, waaronder dient te worden verstaan de maatregelen bedoeld in artikel XIX van de GATT 1994.

Artikel 2. Voorwaarden

1.

Een Lid 1)Een douane-unie kan een vrijwaringsmaatregel toepassen als instantie of namens een Lid-Staat. Wanneer een douane-unie een vrijwaringsmaatregel toepast als instantie moeten alle voorschriften voor het vaststellen van ernstige schade of de dreiging daarvan in de zin van deze Overeenkomst zijn gebaseerd op de voorwaarden die in de douane-unie als een geheel bestaan. Wanneer een vrijwaringsmaatregel wordt toegepast namens een Lid-Staat, moeten alle voorschriften voor de vaststelling van ernstige schade of de dreiging daarvan zijn gebaseerd op de voorwaarden die in die Lid-Staat bestaan en wordt de maatregel tot die Lid-Staat beperkt. Geen enkele bepaling van deze Overeenkomst doet af aan de interpretatie van het verband tussen artikel XIX en artikel XXIV, lid 8, van de GATT 1994. mag een vrijwaringsmaatregel slechts op een produkt toepassen indien dat Lid in overeenstemming met onderstaande bepalingen heeft vastgesteld dat dat produkt op zijn grondgebied wordt ingevoerd in dermate toegenomen hoeveelheden, absoluut of in verhouding tot de binnenlandse produktie, en onder zodanige voorwaarden dat ernstig nadeel wordt of dreigt te worden berokkend aan de binnenlandse industrie die soortgelijke of rechtstreeks concurrerende produkten vervaardigt.

2.

Vrijwaringsmaatregelen worden toegepast op een produkt dat wordt uitgevoerd, ongeacht de herkomst daarvan.

Artikel 3. Onderzoek

1.

Een Lid mag een vrijwaringsmaatregel slechts toepassen nadat de bevoegde autoriteiten van dat Lid een onderzoek hebben verricht in overeenstemming met procedures die van tevoren zijn vastgesteld en in overeenstemming met artikel X van de GATT 1994 openbaar zijn gemaakt. Dit onderzoek moet ook de publikatie omvatten van een bericht om alle betrokken partijen naar behoren op de hoogte te brengen, alsmede hoorzittingen of andere passende middelen om de invoerders, uitvoerders en andere belanghebbende partijen in staat te stellen bewijsmateriaal in te dienen, hun standpunt kenbaar te maken, en te antwoorden op de uiteenzettingen van andere partijen en hun zienswijze kenbaar maken omtrent ondermeer het feit of de toepassing van een vrijwaringsmaatregel al dan niet in het algemeen belang zou zijn. De bevoegde autoriteiten publiceren een verslag met hun bevindingen en gemotiveerde conclusies over alle relevante feitelijke en juridische kwesties.

2.

Inlichtingen die vanwege hun aard vertrouwelijk zijn of die vertrouwelijk worden verstrekt, worden, na opgave van redenen, vertrouwelijk behandeld door de bevoegde autoriteiten. Deze inlichtingen worden niet bekengemaakt dan na machtiging van de partij die ze heeft verstrekt. Partijen die vertrouwelijke inlichtingen verstrekken, kunnen worden verzocht niet-vertrouwelijke samenvattingen daarvan te verschaffen of, indien deze partijen verklaren dat de betrokken inlichtingen niet kunnen worden samengevat, de redenen waarom geen samenvatting kan worden verstrekt. Indien de bevoegde autoriteiten echter van mening zijn dat een verzoek om vertrouwelijke behandeling niet gegrond is en indien de betrokken partij de inlichtingen niet openbaar wil maken noch machtiging wil geven tot bekendmaking ervan in algemene bewoordingen of in de vorm van een samenvatting hebben zij het recht met de betrokken inlichtingen geen rekening te houden, tenzij hun op overtuigende wijze, uit passende bron, kan worden aangetoond dat de inlichtingen juist zijn.

Artikel 4. Vaststelling van ernstige schade of de dreiging daarvan

1.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst dient te worden verstaan onder:

  • a. ernstige schade: een belangrijke algemene verslechtering van de positie van een binnenlandse industrie;
  • b. dreiging van ernstige schade: ernstige schade die duidelijk nakend is, in overeenstemming met de bepalingen van lid 2 hieronder. De vaststelling dat er een dreiging van ernstige schade bestaat moet zijn gebaseerd op feiten en niet louter op beweringen, vermoedens of vage mogelijkheden; en
  • c. binnenlandse industrie: voor het vaststellen van de schade of de dreiging daarvan wordt onder binnenlandse industrie verstaan alle binnenlandse producenten van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende produkten die bedrijvig zijn op het grondgebied van een Lid, of die waarvan de gezamenlijke produktie van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende produkten een groot deel van de totale binnenlandse produktie van deze produkten vormt.
  • a. Bij dit onderzoek dat dient om vast te stellen of de toegenomen invoer ernstige schade heeft berokkend of dreigt te berokkenen aan een binnenlandse industrie in de zin van deze Overeenkomst, moeten de bevoegde autoriteiten alle ter zake dienende factoren van objectieve en kwantificeerbare aard evalueren die van invloed zijn op de situatie van die industrie, met name het tempo en de omvang van de stijging van de invoer van het betrokken produkt in absolute en relatieve cijfers, het door de toegenomen invoer ingepalmde deel van de binnenlandse markt, wijzigingen in het peil van de verkoop, produktie, produktiviteit, capaciteitsbenutting, winst en verlies en werkgelegenheid.
  • b. De vaststelling als bedoeld in sub a. wordt niet gedaan tenzij dit onderzoek, op basis van objectief bewijsmateriaal, aantoont dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de toegenomen invoer van het betrokken produkt en de ernstige schade of dreiging daarvan. Wanneer andere factoren dan de toegenomen invoer op hetzelfde ogenblik schade berokkenen aan de binnenlandse industrie, mag dergelijke schade niet worden toegeschreven aan de toegenomen invoer.
  • c. De bevoegde autoriteiten publiceren onverwijld, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3, een uitvoerige analyse van de onderzochte zaak alsook een bewijs van het relevante karakter van de onderzochte factoren.

Artikel 5. Toepassing van vrijwaringsmaatregelen

1.

Vrijwaringsmaatregelen worden slechts toegepast voor zover zij noodzakelijk zijn om ernstige schade te voorkomen of te herstellen en om aanpassing te vergemakkelijken. Indien een kwantitatieve beperking wordt toegepast mag de omvang van de invoer door een dergelijke maatregel niet beneden het niveau van een recente periode worden gebracht dat overeenkomt met de gemiddelde invoer van de voorbije drie representatieve jaren waarvoor statistieken beschikbaar zijn, tenzij duidelijk wordt aangetoond dat een ander niveau noodzakelijk is om ernstige schade te voorkomen of te herstellen. De Leden dienen de maatregelen te kiezen die het meest geschikt zijn om deze doelstellingen te verwezenlijken.

  • a. In gevallen waarin een contingent onder de landen van levering is verdeeld, kan het Lid dat de beperkingen toepast ten aanzien van de toewijzing van aandelen in het contingent tot overeenstemming trachten te komen met alle andere Leden die een aanmerkelijk belang hebben bij de levering van het betrokken produkt. In gevallen waarin deze methode redelijkerwijze niet uitvoerbaar is, kent het betrokken Lid aan de Leden die een aanmerkelijk belang hebben bij de levering van het produkt aandelen toe evenredig aan de totale hoeveelheid of waarde van de invoer van het produkt hetwelk deze Leden gedurende een vorige representatieve periode leverden, daarbij terdege rekening houdende met de eventuele bijzondere factoren die van invloed waren of zijn op de handel in dit produkt.
  • b. Een Lid kan afwijken van de bepalingen sub a. op voorwaarde dat het in artikel 12, lid 3, bedoelde overleg plaatvindt onder de auspiciën van de bij artikel 13, lid 1 ingestelde Commissie Vrijwaringsmaatregelen en dat aan deze Commissie duidelijk is aangetoond dat i. de invoer uit bepaalde Leden is toegenomen met een percentage dat niet in verhouding staat tot de totale toename van de invoer van het betrokken produkt in de representatieve periode, ii. de redenen waarom van de bepalingen sub a. wordt afgeweken gegrond zijn, en iii. de voorwaarden van die afwijking billijk zijn voor alle leveranciers van het betrokken produkt. De duur van dergelijke maatregelen wordt beperkt tot de initiële periode bedoeld in artikel 7, lid 1. Bovengenoemde afwijking wordt niet toegestaan indien er dreiging van ernstige schade bestaat.

Artikel 6. Voorlopige vrijwaringsmaatregelen

Wanneer, onder kritieke omstandigheden, uitstel moeilijk te herstellen schade zou veroorzaken, mag een Lid een voorlopige vrijwaringsmaatregel nemen nadat vooraf is vastgesteld dat er duidelijke bewijzen zijn dat de toegenomen invoer ernstige schade heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken. De duur van de voorlopige maatregel mag niet meer bedragen dan 200 dagen, gedurende welke periode moet worden voldaan aan de ter zake geldende voorschriften van artikelen 2 tot en met 7 en artikel 12. Dergelijke maatregelen dienen de vorm aan te nemen van tariefverhogingen die terstond worden terugbetaald indien het daaropvolgend onderzoek, bedoeld in artikel 4, lid 2, niet aantoont dat de toegenomen invoer ernstige schade heeft berokkend of dreigde te berokkenen aan een binnenlandse industrie. De duur van een dergelijke voorlopige maatregel wordt gerekend als een deel van de initiële periode en van de verlengingen als bedoeld in leden 1, 2 en 3 van artikel 7.

Artikel 7. Duur en herziening van vrijwaringsmaatregelen

1.

Een Lid mag vrijwaringsmaatregelen slechts zolang toepassen als noodzakelijk is om ernstige schade te voorkomen of herstellen en om aanpassing te vergemakkelijken. De periode mag niet langer zijn dan vier jaar, tenzij zij overeenkomstig lid 2 wordt verlengd.

2.

De in punt 10 bedoelde periode kan worden verlengd op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten van het importerend Lid, in overeenstemming met de in artikelen 2, 3, 4 en 5 vermelde procedures hebben vastgesteld dat de vrijwaringsmaatregel noodzakelijk blijft om ernstige schade te voorkomen of te verhelpen, dat er bewijzen zijn dat de industrie aanpassingen doorvoert en op voorwaarde dat de relevante bepalingen van artikelen 8 en 12 in acht worden genomen.

3.

De totale toepassingsperiode van een vrijwaringsmaatregel, met inbegrip van de toepassingsperiode van een voorlopige maatregel, de initiële toepassingsperiode en elke verlenging daarvan mag niet langer zijn dan acht jaar.

4.

Om de aanpassing te vergemakkelijken wanneer de verwachte duur van een vrijwaringsmaatregel, waarvan overeenkomstig de bepalingen van artikel 12, lid 1, kennisgeving is gedaan, meer dan een jaar bedraagt, moet het Lid dat de maatregel toepast die op gezette tijden tijdens de uitvoeringsperiode geleidelijk liberaliseren. Indien de duur van de maatregel langer is dan drie jaar moet het Lid dat een dergelijke maatregel toepast de situatie niet later dan halverwege de uitvoeringsperiode van de maatregel opnieuw bezien, en indien aangewezen, de maatregel intrekken of het liberaliseringstempo opvoeren. Een maatregel die krachtens lid 2 wordt verlengd mag niet restrictiever zijn dan hij aan het eind van de initiële periode was en moet verder worden geliberaliseerd.

5.

De invoer van een produkt die onderworpen is geweest aan een na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst genomen vrijwaringsmaatregel mag niet opnieuw aan een vrijwaringsmaatregel worden onderworpen gedurende een periode gelijk aan vorige toepassingsperiode van dergelijke maatregel met dien verstande dat de periode van niet-toepassing ten minste twee jaar moet bedragen.

6.

In afwijking van de bepalingen van lid 5 mag een vrijwaringsmaatregel met een duur van 180 dagen of minder opnieuw op de invoer van een produkt worden toegepast als:

  • a. tenminste één jaar is verlopen sedert de datum van instelling van een vrijwaringsmaatregel op de invoer van dat produkt; en
  • b. dergelijke vrijwaringsmaatregel in de onmiddellijk aan de datum van instelling van de maatregel voorafgaande periode van vijf jaar niet meer dan twee keer op hetzelfde produkt is toegepast.

Artikel 8. Concessies en andere verplichtingen

1.

Een Lid dat voornemens is een vrijwaringsmaatregel toe te passen of een vrijwaringsmaatregel wil verlengen streeft ernaar een niveau van concessies en andere verplichtingen in stand te houden dat in wezen gelijk is aan het niveau dat krachtens de GATT 1994 bestaat tussen hem en de exporterende Leden die door een dergelijke maatregel zouden worden getroffen, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 12, lid 3. Om dit doel te bereiken kunnen de betrokken Leden overeenstemming bereiken over alle afdoende middelen om de nadelige gevolgen van de maatregel op hun handelsverkeer te compenseren.

2.

Indien tijdens het in artikel 12, lid 3, bedoelde overleg geen overeenstemming wordt bereikt binnen de 30 dagen, staat het de getroffen exporterende Leden vrij binnen de 90 dagen na toepassing van de maatregel en bij het verstrijken van een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de dag waarop de Raad voor de handel in goederen de schriftelijke kennisgeving van die opschorting heeft ontvangen, de toepassing op te schorten van in wezen gelijkwaardige concessies of andere verplichtingen uit hoofde van de GATT 1994 op het handelsverkeer van het Lid dat de vrijwaringsmaatregel toepast en waarvan de opschorting niet wordt afgekeurd door de Raad voor de handel in goederen.

3.

Het in lid 2 bedoelde recht tot opschorting mag niet worden uitgeoefend tijdens de eerste drie jaar dat een vrijwaringsmaatregel wordt toegepast, op voorwaarde dat de vrijwaringsmaatregel is genomen als gevolg van een absolute toename van de invoer en in overeenstemming is met de bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 9. Leden die ontwikkelingslanden zijn

1.

Er mogen geen vrijwaringsmaatregelen worden toegepast op een produkt van oorsprong uit een Lid dat een ontwikkelingsland is zolang het aandeel van dit Lid in de invoer van het betrokken produkt in het importerend Lid niet groter is dan 3 percent, op voorwaarde dat Leden die ontwikkelingslanden zijn en wier aandeel in de invoer kleiner is dan 3 percent tezamen niet meer dan 9 percent van de totale invoer van het betrokken produkt vertegenwoordigen1)Een Lid moet de Commissie Vrijwaringsmaatregelen onmiddellijk in kennis stellen van een op grond van artikel 9, lid 1, genomen maatregel..

2.

Een Lid dat een ontwikkelingsland is heeft het recht de in artikel 7, lid 3, vermelde maximumperiode voor de toepassing van een vrijwaringsmaatregel met ten hoogste twee jaar te verlengen. In afwijking van de bepalingen van artikel 7, lid 5, heeft een Lid dat een ontwikkelingsland is het recht een vrijwaringsmaatregel opnieuw toe te passen op de invoer van een produkt die het voorwerp heeft uitgemaakt van een dergelijke maatregel, genomen na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst, na een periode die gelijk is aan de helft van de periode gedurende welke een dergelijke maatregel vroeger is toegepast, met dien verstande dat de periode van niet-toepassing ten minste twee jaar moet bedragen.

Artikel 10. Reeds bestaande maatregelen van artikel XIX

De Leden moeten alle krachtens artikel XIX van de GATT 1947 genomen vrijwaringsmaatregelen die op de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst bestonden binnen de acht jaar na de datum waarop zij voor het eerst zijn toegepast of vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst, indien deze datum later valt, beëindigen.

Artikel 11. Verbod en opheffing van bepaalde maatregelen

  • a. Een Lid mag met betrekking tot de invoer van bepaalde produkten geen noodmaatregelen, als bedoeld in artikel XIX van de GATT 1994, nemen noch nastreven tenzij die maatregelen in overeenstemming zijn met de overeenkomstig deze Overeenkomst toegepaste bepalingen van dat artikel.
  • b. Een Lid mag bovendien geen vrijwillige exportbeperkingen, marktordeningsregelingen, of alle andere soortgelijke maatregelen met betrekking tot de export of import nastreven, nemen noch handhaven1)Een invoercontingent dat in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van de GATT 1994 en deze Overeenkomst als vrijwaringsmaatregel wordt gebruikt, mag, met wederzijdse instemming, door het exporterend Lid worden toegepast.,2)Voorbeelden van soortgelijke maatregelen zijn uitvoerbeperkingen, systemen voor toezicht op de export- of importprijzen, toezicht op de export of import, verplichte importkartels en vrije regelingen voor export- of importvergunningen die bescherming bieden.. Hiertoe behoren door een afzonderlijk Lid genomen maatregelen alsook maatregelen op grond van overeenkomsten, regelingen en memoranda van overeenstemming tussen twee of meer Leden. Dergelijke maatregelen die van toepassing zijn op de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst moeten in overeenstemming worden gebracht met deze Overeenkomst of in overeenstemming met lid 2 geleidelijk worden opgeheven.
  • c. Deze Overeenkomst is niet van toepassing op maatregelen die een Lid nastreeft, neemt of handhaaft op grond van andere bepalingen van de GATT 1994 dan die van artikel XIX en andere multilaterale handelsovereenkomsten in bijlage 1A dan deze Overeenkomst of krachtens in het kader van de GATT 1994 gesloten protocollen, overeenkomsten of regelingen.
2.

De in lid 1 b. bedoelde maatregelen worden geleidelijk opgeheven overeenkomstig tijdschema's die de betrokken Leden uiterlijk 180 dagen na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst aan het Commissie voor vrijwaringsmaatregelen voorleggen. Overeenkomstig deze tijdschema's moeten alle in lid 1 bedoelde maatregelen binnen een periode van ten hoogste vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst geleidelijk worden opgeheven of in overeenstemming worden gebracht met deze Overeenkomst, met uitzondering van één specifieke maatregel per importerend LidDe enige dergelijke uitzondering waarop de Europese Gemeenschappen recht hebben is in de bijlage van deze Overeenkomst vermeld. die tot uiterlijk 31 december 1999 mag worden gehandhaafd. Dergelijke uitzonderingen moeten onderling worden overeengekomen tussen de rechtstreeks betrokken Leden en binnen de 90 dagen na de inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst voor onderzoek en goedkeuring aan de Commissie Vrijwaringsmaatregelen worden voorgelegd. In de bijlage bij deze Overeenkomst is een maatregel opgenomen waarvoor is overeengekomen dat hij onder deze uitzondering valt.

3.

De Leden mogen de goedkeuring of handhaving door openbare en particuliere ondernemingen van niet-gouvernementele maatregelen gelijkwaardig aan die bedoeld in lid 1 niet stimuleren noch steunen.

Artikel 12. Kennisgeving en Overleg

1.

Een Lid stelt de Commissie Vrijwaringsmaatregelen onverwijld in kennis van:

  • a. het openen van een onderzoek met betrekking tot ernstige schade of de dreiging daarvan en de redenen daarvoor;
  • b. het vaststellen van ernstige schade of de dreiging daarvan veroorzaakt door een toegenomen import; en
  • c. het nemen van een besluit tot toepassing of verlenging van een vrijwaringsmaatregel.
2.

Bij het doen van de in lid 1 sub b. en c. bedoelde kennisgeving moet het Lid dat van plan is een vrijwaringsmaatregel toe te passen of te verlengen de Commissie Vrijwaringsmaatregelen alle ter zake dienende informatie verstrekken, waaronder het bewijs dat de toegenomen invoer ernstige schade heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, een precieze omschrijving van het betrokken produkt en de voorgenomen maatregel, de voor de invoering van de maatregel voorziene datum, de verwachte geldigheidstermijn en het tijdschema voor de geleidelijke liberalisering. Indien het om de verlenging van een maatregel gaat, moet ook het bewijs worden geleverd dat de betrokken industrie aanpassingen doorvoert. De Raad voor de handel in goederen of de Commissie Vrijwaringsmaatregelen mogen van het Lid dat de maatregel overweegt toe te passen of te verlengen de aanvullende informatie vragen die zij nodig achten.

3.

Een Lid dat overweegt een vrijwaringsmaatregel toe te passen of te verlengen dient voldoende gelegenheid te bieden tot voorafgaand overleg met de Leden die een aanmerkelijk belang hebben als exporteur van het betrokken produkt, met het oog op inter alia het onderzoek van de uit hoofde van lid 2 verstrekte informatie, de uitwisseling van meningen over de maatregel en het bereiken van overeenstemming over de wijze waarop de in artikel 8, lid 1, vermelde doelstelling kan worden verwezenlijkt.

4.

Een Lid moet kennisgeving doen aan de Commissie Vrijwaringsmaatregelen voordat een voorlopige vrijwaringsmaatregel als bedoeld in artikel 6 wordt genomen. Het overleg wordt aangevat onmiddellijk nadat de maatregel is genomen.

5.

De resultaten van het in dit artikel bedoelde overleg alsook die van de in artikel 7, lid 4, bedoelde onderzoeken halverwege, alle vormen van compensatie bedoeld in artikel 8, lid 1 en de voorgenomen opschortingen of concessies en andere verplichtingen als bedoeld in artikel 8, lid 2, dienen door de betrokken Leden onverwijld ter kennis te worden gebracht van de Raad voor de handel in goederen.

6.

De Leden brengen hun wetten, regelingen en administratieve procedures met betrekking tot vrijwaringsmaatregelen alsook alle wijzigingen daaraan onverwijld ter kennis van de Commissie Vrijwaringsmaatregelen.

7.

Leden die de in artikel 10 en artikel 11, lid 1, beschreven maatregelen handhaven die bestaan op de datum waarop de WTO-Overeenkomst in werking treedt, dienen uiterlijk 60 dagen na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst aan het Commissie Vrijwaringsmaatregelen kennis te geven van dergelijke maatregelen.

8.

Elk Lid mag de Commissie Vrijwaringsmaatregelen kennis geven van alle wetten, regelingen, administratieve procedures en alle maatregelen of acties die onder deze Overeenkomst vallen en waarvan geen kennisgeving is gedaan door andere Leden die daar krachtens deze Overeenkomst toe zijn gehouden.

9.

Elk Lid mag het Commissie Vrijwaringsmaatregelen kennis geven van alle niet-gouvernementele maatregelen als bedoeld in artikel 11.

10.

Alle kennisgevingen aan de Raad voor de handel in goederen als bedoeld in deze Overeenkomst worden normaal via het Commissie Vrijwaringsmaatregelen gedaan.

11.

De bepalingen van deze Overeenkomst met betrekking tot kennisgeving verplichten een Lid niet tot bekendmaking van vertrouwelijke gegevens waardoor de handhaving der wetten zou worden belemmerd, dan wel het openbare belang of de wettige handelsbelangen van bepaalde openbare of particuliere ondernemingen zouden worden geschaad.

Artikel 13. Toezicht

1.

Er wordt een Commissie Vrijwaringsmaatregelen ingesteld die onder de bevoegdheid staat van de Raad voor de handel in goederen en waaraan alle Leden kunnen deelnemen die daartoe de wens te kennen geven. De Commissie wordt belast met:

  • a. het toezicht op en het jaarlijks uitbrengen van verslag aan de Raad voor de handel in goederen over de algemene tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst en het formuleren van aanbevelingen ter verbetering daarvan;
  • b. het nagaan, op verzoek van een getroffen Lid, of de procedurevoorschriften van deze Overeenkomst al dan niet zijn nageleefd in verband met een vrijwaringsmaatregel en het rapporteren van zijn bevindingen aan de Raad voor de handel in goederen;
  • c. het verlenen van bijstand aan Leden, indien zij daarom verzoeken, in het overleg dat zij overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst voeren;
  • d. het onderzoek van maatregelen die onder artikel 10 en artikel 11, lid 1, vallen, het toezicht op de geleidelijke afschaffing van dergelijke maatregelen en, indien nodig, het uitbrengen van verslag aan de Raad voor de handel in goederen;
  • e. het nagaan, op verzoek van het Lid dat een vrijwaringsmaatregel neemt, of voorstellen tot opschorting van concessies of andere verplichtingen „in wezen gelijkwaardig” zijn en, indien nodig, het uitbrengen van verslag aan de Raad voor de handel in goederen;
  • f. de ontvangst en het onderzoek van alle kennisgevingen waarin deze Overeenkomst voorziet en, indien nodig, het uitbrengen van verslag aan de Raad voor de handel in goederen; en
  • g. het uitvoeren van alle andere taken in verband met deze Overeenkomst die de Raad voor de handel in goederen zou vaststellen.
2.

Om de Commissie bij de uitoefening van haar toezichthoudende functie te helpen, stelt het Secretariaat jaarlijks een feitenverslag op over de werking van deze Overeenkomst, gebaseerd op kennisgevingen en andere betrouwbare informatie waarover het beschikt.

Artikel 14. Beslechting van geschillen

De bepalingen van artikelen XXII en XXIII van de GATT 1994 als uitgewerkt en toegepast door het Memorandum van Overeenstemming inzake de beslechting van geschillen zijn van toepassing op het overleg en de beslechting van geschillen die in het kader van deze Overeenkomst rijzen.

De Leden,

Erkennende dat de handel in diensten steeds belangrijker wordt voor de groei en ontwikkeling van de wereldeconomie;

Geleid door de wens een multilateraal kader van beginselen en regels voor de handel in diensten in te stellen, met het oog op de uitbreiding van deze handel onder voorwaarden van doorzichtigheid en geleidelijke liberalisering en als middel om de economische groei van alle handelspartners, alsmede de ontwikkeling van de ontwikkelingslanden te bevorderen;

Geleid door de wens de handel in diensten op korte termijn geleidelijk te liberaliseren door middel van achtereenvolgende multilaterale onderhandelingsronden die gericht zijn op de bevordering van de belangen van alle partijen op basis van wederzijds voordeel en op het bereiken van een globaal evenwicht tussen rechten en plichten, met inachtneming van de nationale beleidsdoelstellingen;

Erkennende dat de Leden het recht hebben de verlening van diensten op hun grondgebied, nu en in de toekomst, aan regelingen te onderwerpen met het oog op nationale beleidsdoelstellingen en dat het, gezien de ongelijke mate van ontwikkeling van de voorschriften inzake dienstverlening in de onderscheiden landen, vooral de ontwikkelingslanden zijn die aan de uitoefening van dit recht behoefte hebben;

Geleid door de wens de ontwikkelingslanden steeds meer bij de handel in diensten te betrekken en de uitbreiding van hun dienstenexport te bevorderen, onder andere door een versterking van de capaciteit van hun binnenlandse dienstensector en een verbetering van de doelmatigheid en het concurrentievermogen van deze sector;

Met name rekening houdend met de ernstige moeilijkheden van de minstontwikkelde landen vanwege hun bijzondere economische situatie en hun behoeften op het gebied van ontwikkeling, handel en financiën;

DEEL I. TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel I. Toepassingsgebied en definities

1.

Deze Overeenkomst is van toepassing op maatregelen van Leden die de handel in diensten raken.

2.

De handel in diensten wordt voor de toepassing van deze Overeenkomst gedefinieerd als de verlening van een dienst:

  • a. vanaf het grondgebied van een Lid naar het grondgebied van een ander Lid;
  • b. binnen het grondgebied van een Lid ten behoeve van de gebruiker van een dienst van een ander Lid;
  • c. door een dienstverlener van een Lid, via een commerciële aanwezigheid op het grondgebied van een ander Lid;
  • d. door een dienstverlener van een Lid, via de aanwezigheid van natuurlijke personen van een Lid op het grondgebied van een ander Lid.
3.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst:

  • a. betekent „maatregelen van Leden” maatregelen genomen door: Ieder Lid neemt voor de uitvoering van zijn verplichtingen en verbintenissen ingevolge deze Overeenkomst alle redelijke maatregelen waartoe hij bevoegd is om ervoor te zorgen dat deze op zijn grondgebied door regionale en lokale overheden en autoriteiten, alsmede niet-gouvernementele organisaties in acht worden genomen.
  • i. centrale, regionale of lokale overheden en autoriteiten; en
  • ii. niet-gouvernementele organisaties bij de uitoefening van door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten gedelegeerde bevoegdheden;
  • b. omvatten „diensten” alle diensten in iedere sector behalve de bij de uitoefening van overheidsgezag verleende diensten;
  • c. betekent „een bij de uitoefening van overheidsgezag verleende dienst” iedere dienst die noch op commerciële basis, noch in concurrentie met een of meer dienstverleners wordt verleend.

DEEL II. ALGEMENE VERPLICHTINGEN EN DISCIPLINES

Artikel II. Meestbegunstiging

1.

Ten aanzien van alle maatregelen die onder deze Overeenkomst vallen, behandelt ieder Lid diensten en dienstverleners van een ander Lid terstond en onvoorwaardelijk niet ongunstiger dan soortgelijke diensten en dienstverleners uit enig ander land.

2.

Een Lid mag een met lid 1 strijdige maatregel handhaven, mits een dergelijke maatregel is vermeld in de Bijlage betreffende vrijstellingen van de toepassing van artikel II en aan de voorwaarden daarvan voldoet.

3.

De bepalingen van deze overeenkomst worden niet zodanig uitgelegd dat een Lid hierdoor wordt verhinderd aangrenzende landen voordelen toe te staan of te verlenen om het handelsverkeer dat beperkt is tot plaatselijk voortgebrachte en verbruikte diensten in naast elkaar liggende grenszones te vergemakkelijken.

Artikel III. Doorzichtigheid

1.

Ieder Lid maakt alle relevante maatregelen van algemene gelding die met de werking van deze Overeenkomst verband houden of deze raken onmiddellijk bekend en uiterlijk op het moment van hun inwerkingtreding, behalve in noodsituaties. Ondertekent een Lid een internationale overeenkomst die verband houdt met de handel in diensten of deze raakt, dan wordt deze eveneens bekendgemaakt.

2.

Wanneer de in lid 1 bedoelde bekendmaking niet praktisch uitvoerbaar is, wordt de informatie op een andere wijze ter beschikking van het publiek gesteld.

3.

Ieder Lid stelt de Raad voor de Handel in Diensten onmiddellijk en ten minste één maal per jaar in kennis van de invoering van nieuwe, of de wijziging van bestaande wetten, regelingen of administratieve richtlijnen die met name van betekenis zijn voor de handel in diensten die onder een van zijn specifieke verbintenissen ingevolge deze Overeenkomst valt.

4.

Ieder Lid beantwoordt terstond verzoeken van een ander Lid om specifieke informatie over iedere door hem genomen maatregel van algemene gelding of door hem gesloten internationale overeenkomst in de zin van lid 1. Tevens richt ieder Lid een of meer informatiepunten op ten einde, op verzoek, over al deze aangelegenheden, alsmede de aangelegenheden waarvoor de kennisgevingsplicht van lid 3 geldt, informatie aan andere Leden te verstrekken. Deze informatiepunten worden binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst tot oprichting van de WTO (in deze Overeenkomst de „WTO-Overeenkomst” genoemd) opgericht. Voor een individueel Lid dat ontwikkelingsland is kan een zekere flexibiliteit worden overeengekomen wat de termijn voor de oprichting van informatiepunten betreft. Wetten en regelingen behoeven niet bij de informatiepunten te worden neergelegd.

5.

Is een Lid van oordeel dat een door een ander Lid genomen maatregel de werking van deze Overeenkomst raakt, dan kan hij deze maatregel bij de Raad voor de Handel in Diensten aanmelden.

Artikel IIIbis. Bekendmaking van vertrouwelijke informatie

Geen enkele bepaling van deze Overeenkomst verplicht een Lid tot verstrekking van vertrouwelijke informatie waarvan bekendmaking de rechtshandhaving belemmert, die anderszins met het openbaar belang in strijd is of die schadelijk is voor de rechtmatige handelsbelangen van openbare of particuliere ondernemingen.

Artikel IV. Grotere deelname van de ontwikkelingslanden

1.

De grotere deelname aan de wereldhandel van de Leden die ontwikkelingsland zijn wordt bevorderd door specifieke, uit onderhandelingen voortvloeiende verbintenissen van de verschillende Leden overeenkomstig de Delen III en IV van deze overeenkomst en die betrekking hebben op:

  • a. de versterking van de binnenlandse capaciteit van de dienstensector van de Leden die ontwikkelingsland zijn en de verbetering van de doelmatigheid en het concurrentievermogen van deze sector, onder andere door toegang tot technologie op commerciële basis;
  • b. de verbetering van hun toegang tot distributiekanalen en informatienetwerken; en
  • c. de liberalisering van de markttoegang in sectoren en vormen van dienstverlening waarvan de export voor hen van belang is.
2.

Leden die ontwikkelde landen zijn, en voor zover mogelijk ook andere Leden, richten binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van de WTO-Overeenkomst contactpunten op ter verbetering van de toegang van dienstverleners van de Leden die ontwikkelingslanden zijn tot informatie over hun respectieve markten betreffende:

  • a. de commerciële en technische aspecten van dienstverlening;
  • b. de registratie, erkenning en verkrijging van beroepskwalificaties; en
  • c. de beschikbaarheid van dienstentechnologie.
3.

Bij de toepassing van de leden 1 en 2 zal bijzondere prioriteit worden verleend aan de Leden die minstontwikkelde landen zijn. Met name zal rekening worden gehouden met de ernstige moeilijkheden van de minstontwikkelde landen bij het aanvaarden van uit de onderhandelingen voortvloeiende specifieke verbintenissen vanwege hun bijzondere economische situatie en hun behoeften op het gebied van ontwikkeling, handel en financiën.

Artikel V. Economische integratie

1.

Deze Overeenkomst vormt voor geen enkel Lid een beletsel partij te zijn of te worden bij een overeenkomst tot liberalisering van de handel in diensten tussen de bij de overeenkomst aangesloten partijen, op voorwaarde dat een dergelijke overeenkomst:

  • a. een brede sectorale toepassing heeft1)Deze voorwaarde moet worden uitgelegd in termen van aantal sectoren, betrokken handelsvolume en dienstverleningsvormen. Om aan deze voorwaarde te voldoen, mag de overeenkomst niet bepalen dat een vorm van dienstverlening bij voorbaat is uitgesloten., en
  • b. voorziet in de afwezigheid of opheffing tussen partijen van nagenoeg alle vormen van discriminatie in de zin van artikel XVII in de onder a. bedoelde sectoren door middel van: hetzij bij de inwerkingtreding van de overeenkomst, hetzij op basis van een redelijk tijdschema, en met uitzondering van maatregelen die op grond van de artikelen XI, XII, XIV en XIVbis zijn toegestaan.
  • i. opheffing van bestaande discriminerende maatregelen, en/of
  • ii. verbod nieuwe discriminerende maatregelen te nemen of maatregelen die een verdergaande discriminatie inhouden,
2.

Om te beoordelen of aan de voorwaarden van lid 1, onder b., is voldaan, kan de verhouding tussen de overeenkomst en een breder proces van economische integratie of handelsliberalisering tussen de betrokken landen in aanmerking worden genomen.

  • a. Wanneer ontwikkelingslanden partij zijn bij een overeenkomst van de in lid 1 genoemde soort, wordt bij het onderzoek of aan de voorwaarden van lid 1, en met name die onder b., de nodige flexibiliteit in acht genomen, in overeenstemming met hun ontwikkelingsniveau, zowel in het algemeen als per afzonderlijke sector en subsector.
  • b. In afwijking van lid 6 kan, wanneer uitsluitend ontwikkelingslanden partij zijn bij een in lid 1 bedoelde overeenkomst, een gunstiger behandeling worden toegekend aan rechtspersonen die eigendom zijn van of die bestuurd worden door natuurlijke personen van een van de partijen bij die overeenkomst.
4.

Elke in lid 1 genoemde overeenkomst wordt opgesteld om de handel tussen de partijen bij die overeenkomst te vereenvoudigen en mag het algemene niveau van belemmeringen in de handel in diensten in de desbetreffende sectoren en subsectoren voor Leden die geen partij bij de overeenkomst zijn niet verhogen in vergelijking met de situatie vóór het bestaan van die overeenkomst.

5.

Wanneer een Lid bij de sluiting, de uitbreiding of een belangrijke wijziging van een in lid 1 bedoelde overeenkomst voornemens is een specifieke verbintenis in strijd met de voorwaarden in de betrokken lijst in te trekken of te wijzigen, meldt het een dergelijke wijziging of intrekking minstens 90 dagen van tevoren aan, en is de procedure van artikel XXI, leden 2, 3 en 4 van toepassing.

6.

Een dienstverlener van een ander Lid die een rechtspersoon is naar het recht van een partij bij een in lid 1 genoemde overeenkomst, heeft recht op de krachtens die overeenkomst toegekende behandeling, mits hij betrokken is bij omvangrijke zakelijke transacties op het grondgebied van de partijen bij die overeenkomst.

  • a. Leden die partij zijn bij een in lid 1 genoemde overeenkomst melden die overeenkomst en iedere uitbreiding of belangrijke wijziging daarvan onmiddellijk bij de Raad voor de Handel in Diensten aan. Ook verstrekken zij de Raad alle eventueel door hem gevraagde relevante informatie. De Raad kan een werkgroep instellen ten einde die overeenkomst, of de uitbreiding of wijziging van die overeenkomst te onderzoeken en de Raad verslag te doen over de verenigbaarheid ervan met dit artikel.
  • b. Leden die partij zijn bij een in lid 1 bedoelde overeenkomst die op basis van een tijdschema wordt uitgevoerd, brengen de Raad voor de Handel in Diensten regelmatig verslag uit over de uitvoering van die overeenkomst. De Raad kan, indien hij dit noodzakelijk acht, een werkgroep instellen ten einde die verslagen te onderzoeken.
  • c. Op basis van de verslagen van de onder a. en b. bedoelde werkgroepen kan de Raad de door hem dienstig geachte aanbevelingen aan de partijen doen.
8.

Een Lid dat partij bij een in lid 1 bedoelde overeenkomst is, mag geen compensatie vragen voor handelsvoordelen die een ander Lid op grond van die overeenkomst kan verkrijgen.

Artikel Vbis. Overeenkomsten inzake de integratie van arbeidsmarkten

Deze Overeenkomst vormt voor geen enkel Lid een beletsel partij te zijn bij een overeenkomst tot volledige integratie1)Het kenmerk van een dergelijke integratie-overeenkomst is dat de burgers van betrokken partijen vrije toegang hebben tot de arbeidsmarkten van de partijen, en dat daarin ook bepalingen zijn opgenomen inzake lonen, andere arbeidsvoorwaarden en sociale zekerheid. van de arbeidsmarkten tussen partijen, mits die overeenkomst:

  • a. burgers van partijen bij de overeenkomst vrijstelt van eisen inzake verblijfs- en werkvergunningen;
  • b. bij de Raad voor de Handel in Diensten wordt aangemeld.

Artikel VI. Binnenlandse regelingen

1.

Ieder Lid ziet erop toe dat in de sectoren waarvoor specifieke verbintenissen worden aangegaan, alle maatregelen van algemene gelding die de handel in diensten raken op redelijke, objectieve en onpartijdige wijze worden toegepast.

  • a. Ieder Lid houdt de rechtbanken, scheidsgerechten, administratieve rechtenbanken of procedures in stand of stelt deze zo snel in, als praktisch mogelijk is, om die administratieve besluiten die de handel in diensten raken op verzoek van een betrokken dienstverlener terstond te onderzoeken, en zo nodig, herzien. Wanneer deze procedures niet onafhankelijk zijn van de instantie die bevoegd is het betrokken administratieve besluit te nemen, zien de Leden erop toe dat de procedures feitelijk in een objectieve en onpartijdige onderzoek voorzien.
  • b. Alinea a. wordt niet zodanig uitgelegd dat van een Lid wordt geëist dat deze rechtbanken of procedures instelt indien dit onverenigbaar is met zijn constitutionele structuur of de aard van zijn rechtsstelsel.
3.

Indien de verlening van een dienst waarvoor een specifieke verbintenis is aangegaan van een vergunning afhankelijk is, delen de bevoegde autoriteiten van een Lid de aanvrager binnen een redelijke termijn na de indiening van de volgens nationale wetten en regels volledige aanvraag mede welk gevolg zij hieraan hebben gegeven. De bevoegde autoriteiten geven de aanvrager, op verzoek, zonder ongerechtvaardigde vertraging, informatie over de stand van zaken betreffende de aanvraag.

4.

De Raad voor de Handel in Diensten stelt, eventueel via door hem in te stellen geëigende organen, alle disciplines op die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat maatregelen in verband met kwalificaties en procedures, technische normen en vergunningen geen onnodige belemmeringen voor de handel in diensten vormen. Deze disciplines zijn erop gericht ervoor te zorgen dat deze eisen, onder andere,

  • a. gebaseerd zijn op objectieve en doorzichtige criteria, zoals bekwaamheid en het vermogen de dienst te verlenen;
  • b. niet strenger zijn dan noodzakelijk is om de kwaliteit van de dienstverlening te waarborgen;
  • c. in geval van vergunningsprocedures, op zich geen beperking voor de verlening van de dienst vormen.
  • a. In sectoren waarvoor een Lid specifieke verbintenissen is aangegaan, in afwachting van de inwerkingtreding van de overeenkomstig lid 4 voor deze sectoren opgestelde disciplines, past het Lid geen voorschriften op het gebied van vergunningen, kwalificaties en technische normen toe die de specifieke verbintenissen te niet doen of uithollen:
  • i. waardoor niet aan de in lid 4, onder a., b. of c. omschreven criteria wordt voldaan, en
  • ii. op een wijze die redelijkerwijs niet van dat Lid kon worden verwacht op het moment dat de specifieke verbintenissen voor die sectoren werden aangegaan.
  • b. Bij de beoordeling of een Lid overeenkomstig de verplichting van lid 5, onder a. handelt, wordt rekening gehouden met de door dat Lid toegepaste internationale normen van de bevoegde internationale organisaties1)Onder „bevoegde internationale organisaties” worden de internationale organen bedoeld waarvan de bevoegde organen van ten minste alle Leden van de WTO lid kunnen worden..
6.

In sectoren waarvoor specifieke verbintenissen ten aanzien van de diensten van deskundigen zijn aangegaan, ziet ieder Lid erop toe dat passende procedures bestaan om de bekwaamheid van deskundigen van een ander Lid te toetsen.

Artikel VII. Erkenning

1.

Een Lid kan erkennen dat in een bepaald land genoten onderwijs, opgedane ervaring, vervulde voorwaarden of afgegeven vergunningen of certificaten geheel of gedeeltelijk voldoen aan door hem gehanteerde normen of criteria voor het verlenen van goedkeuring of voor het afgeven van vergunningen of certificaten aan dienstverleners, met inachtneming van het bepaalde in lid 3. Deze erkenning, die via harmonisatie of op andere wijze kan geschieden, kan op een overeenkomst of regeling met het betrokken land worden gebaseerd of autonoom worden verleend.

2.

Een Lid dat partij bij een bestaande of toekomstige overeenkomst of regeling van de in lid 1 bedoelde soort is, biedt andere geïnteresseerde Leden passende mogelijkheden met hem over toetreding tot die overeenkomst of regeling of over vergelijkbare overeenkomsten of regelingen te onderhandelen. Indien een Lid autonoom tot erkenning overgaat, geeft het elk ander Lid voldoende gelegenheid aan te tonen dat op het grondgebied van dat andere Lid genoten onderwijs, opgedane ervaring, verkregen vergunningen of certificaten dan wel vervulde voorwaarden erkend zouden moeten worden.

3.

Een Lid gaat niet tot erkenning over op een wijze die een middel tot discriminatie tussen landen zou zijn bij de toepassing van zijn normen of criteria voor het verlenen van goedkeuring, of het afgeven van vergunningen of certificaten aan dienstverleners, dan wel een verkapte beperking van de handel.

4.

Ieder Lid:

  • a. deelt de Raad voor de Handel in Diensten binnen 12 maanden na de datum waarop de WTO-Overeenkomst voor hem van kracht is geworden zijn bestaande erkenningsmaatregelen mede en geeft daarbij aan of die maatregelen op overeenkomsten of regelingen van de in lid 1 bedoelde soort gebaseerd zijn;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)