Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland inzake wederzijdse bijstand en de uitwisseling van informatie op het gebied van effecten, termijncontracten en opties
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;
Geleid door de wens de bescherming van beleggers uit te breiden en de integriteit van de effecten-, termijncontracten- en optiemarkten te bevorderen door een kader voor samenwerking te bieden, waaronder communicatiekanalen, groter wederzijds begrip en de uitwisseling van informatie, voor zover de wetgeving en de praktijk in Nederland en het Verenigd Koninkrijk zulks toelaten;
Erkennende de toenemende internationale activiteiten op de effecten, termijncontracten en optiemarkten en de daarmee samenhangende behoefte aan onderlinge samenwerking tussen de desbetreffende nationale autoriteiten op niet-strafrechtelijk gebied;
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Bijstand
De Verdragsluitende Partijen verlenen elkaar, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, zo veel mogelijk bijstand in aangelegenheden ter zake van regulering en toezicht binnen de werkingssfeer van dit Verdrag.
Dit Verdrag schept niet een door derden afdwingbaar recht om over te gaan tot verzoeken of om namens hen verzoeken te doen uitgaan.
Dit Verdrag wordt uitgevoerd in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de Verdragsluitende Partijen.
Dit Verdrag laat de verplichtingen van de Verdragsluitende Partijen die voortvloeien uit hun lidmaatschap van internationale organisaties of uit internationale overeenkomsten waarbij zij partij zijn, onverlet.
Artikeł 2. Bevoegde Autoriteiten
Elke Verdragsluitende Partij wijst één of meer Bevoegde Autoriteiten aan om verzoeken ingevolge dit Verdrag te doen of in ontvangst te nemen.
Artikel 3. Overleg vóór aanwijzing
Alvorens één of meer andere bevoegde Autoriteiten aan te wijzen dan die welke zijn aangewezen op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag, pleegt de Verdragsluitende Partij overleg met de andere Verdragsluitende Partij.
Artikel 4. Contacten tussen de Bevoegde Autoriteiten
Alle verzoeken ingevolge dit Verdrag worden gedaan en uitgevoerd via een Bevoegde Autoriteit voor elke Verdragsluitende Partij. De Bevoegde Autoriteiten stellen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding ter uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag.
Artikel 5. Spontane melding van verdenkingen
Voor zover de wet zulks toelaat en in overeenstemming met de praktijk in haar Staat doet elke Bevoegde Autoriteit datgene wat redelijk is om ervoor te zorgen dat aan de desbetreffende Bevoegde Autoriteit(en) van de andere Verdragsluitende Partij alle informatie wordt verstrekt die aanleiding geeft tot verdenking van overtreding, of verwachte overtreding, van wetten, regels of voorschriften die van kracht zijn op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.
Artikel 6. Strafzaken
De onderlinge samenwerking in strafzaken tussen de Verdragsluitende Partijen blijft vallen onder het Europese Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gesloten te Straatsburg op 20 april 1959, en het Aanvullend Protocol, gesloten te Straatsburg op 17 maart 1978.
Artikel 7. Vrijwilłige samenwerking en samenwerking buiten dit Verdrag om
Geen enkele bepaling van dit Verdrag bełet of verbiedt dat bijstand wordt gevraagd en verleend via andere kanalen dan de in dit Verdrag bedoelde.
Niettegenstaande artikel 4 kan een Bevoegde Autoriteit:
- a. zich vanaf het grondgebied van haar Staat in verbinding stellen met een persoon op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij die er vrijwillig mee instemt de gewenste informatie te verstrekken;
- b. langs informele weg verzoeken doen om informatie uit openbare bronnen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij zonder inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag.
Indien het verzoek om informatie ingevolge het tweede lid, letter a, verband houdt met een onderzoek, vervolging of ander optreden met betrekking tot een ernstige overtreding van wetten, regels of voorschriften die van kracht zijn op het grondgebied van één van beide Verdragsluitende Partijen, dan stelt de verzoekende Bevoegde Autoriteit de desbetreffende Bevoegde Autoriteit in de andere Staat van tevoren in kennis van het in het tweede lid, letter a, bedoelde contact.
De bepalingen van dit artikel laten die van artikel 6 onverlet.
Artikel 8. Reikwijdte van de bijstand
De Bevoegde Autoriteiten streven ernaar elkaar zo veel mogelijk bijstand te verlenen bij de verrichting van hun onderscheiden taken op de volgende gebieden van financiële regulering:
- a. handel met voorkennis, koersmanipulatie en andere onregelmatigheden met betrekking tot effecten, termijntransacties en opties;
- b. regulering van het beleggingswezen;
- c. de openbaarmaking van de belangen in de effecten van ondernemingen;
- d. de verplichtingen van uitgevende instellingen van en bieders op effecten om over te gaan tot volledige en eerlijke openbaarmaking van informatie die van belang is voor beleggers;
- e. andere gebieden van financiële regulering die in onderlinge overeenstemming tussen de Verdragsluitende Partijen zijn aangewezen.
Artikel 9. Overleg over verzoeken
De verzoekende en de aangezochte Bevoegde Autoriteit kunnen overleg plegen over een verzoek of een voorgesteld verzoek.
Artikel 10. Inhoud van de verzoeken
De verzoekende Bevoegde Autoriteit dient te vermelden:
- a. de gewenste informatie (documenten, identiteit van personen, specifieke vragen die moeten worden gesteld, enz.);
- b. het doel waarvoor de informatie wordt ingewonnen (met inbegrip van bijzonderheden betreffende de wetten, regels of voorschriften ten aanzien waarvan de verdenking van overtreding bestaat);
- c. een beschrijving van de omstandigheden die aanleiding geven tot het verzoek;
- d. het verband tussen het verzoek en de regulerende taak van de verzoekende Bevoegde Autoriteit;
- e. of zij het wenselijk acht, voor zover de op de aangezochte Bevoegde Autoriteit van toepassing zijnde wetten, regels en voorschriften zulks toelaten, dat personen van de verzoekende Bevoegde Autoriteit bij een onderzoek aanwezig zijn, en of zij het wenselijk acht dat deze personen aan het onderzoek kunnen deelnemen.
Artikel 11. Terugzending van documenten en ander materiaal
Elk document of ander materiaal dat door een aangezochte Bevoegde Autoriteit beschikbaar is gesteld in reactie op een verzoek ingevolge dit Verdrag, alsmede alle afschriften daarvan, worden op haar verzoek naar die Bevoegde Autoriteit teruggezonden, voor zover de in de Staat van de verzoekende Bevoegde Autoriteit van toepassing zijnde wet zulks toelaat.
Artikel 12. Behandeling van verzoeken door de aangezochte Bevoegde Autoriteit
Bij de beslissing of een verzoek wordt ingewilligd of afgewezen, kunnen in het bijzonder de volgende overwegingen in acht worden genomen door de aangezochte Bevoegde Autoriteit:
- a. of het verzoek de bevestiging van een rechtsmacht inhoudt die door de Staat van de aangezochte Bevoegde Autoriteit niet wordt erkend ;
- b. of de uitvoering van het verzoek een lopend onderzoek van de aangezochte Bevoegde Autoriteit of van een ander met handhaving of regulering belast orgaan van de Staat van de aangezochte Bevoegde Autoriteit zou doorkruisen;
- c. of het in strijd met het algemeen belang zou zijn om de gewenste bijstand te verlenen.
Artikel 13. Andere vormen van bijstand
In alle gevallen waarin het verzoek niet volledig kan worden ingewilligd, gaat de aangezochte Bevoegde Autoriteit na of er andere vormen van bijstand zijn die zij kan verlenen.
Artikel 14. Kosten
Indien blijkt dat gevolg geven aan een verzoek ingevolge dit Verdrag aanzienlijke kosten voor een aangezochte Bevoegde Autoriteit met zich zal meebrengen, treffen de aangezochte en de verzoekende Bevoegde Autoriteit een regeling inzake kostenverdeling alvorens verdere uitvoering te geven aan het verzoek om bijstand.
Indien, in het algemeen, de uitvoering van dit Verdrag hoofdzakelijk voor één van de Bevoegde Autoriteiten aanzienlijke kosten met zich meebrengt, treffen de betrokken Bevoegde Autoriteiten een algemene regeling inzake kostenverdeling.
Artikel 15. Beperkingen op het gebruik van informatie
De verstrekte informatie mag uitsluitend worden gebruikt om:
- a. de verzoekende Bevoegde Autoriteit bij te staan in de uitoefening van haar regulerende taken met betrekking tot de vermelde zaak;
- b. in het Verenigd Koninkrijk een civielrechtelijke procedure of in Nederland een administratiefrechtelijke procedure te voeren, of daarvoor bijstand te verlenen, in verband met een overtreding van de wetten, regels of voorschriften als vermeld in het verzoek, welke procedure door een Bevoegde Autoriteit in haar eigen Staat aanhangig is gemaakt;
- c. om regulerende maatregelen te treffen of regulerende voorwaarden op te leggen op de in artikel 8 genoemde gebieden.
Artikel 16. Uitzondering op de beperkingen op het gebruik van informatie
In afwijking van artikel 15 kan ingevolge de bepalingen van dit Verdrag verstrekte informatie met voorafgaande schriftelijke toestemming van de aangezochte Bevoegde Autoriteit door de verzoekende Bevoegde Autoriteit voor andere doeleinden worden gebruikt dan de in artikel 15 bedoelde.
Indien het gebruikmaking in strafrechtelijke procedures betreft, geeft de aangezochte Bevoegde Autoriteit haar toestemming slechts na raadpleging van de desbetreffende strafrechtelijke autoriteit(en) in haar Staat.
Artikel 17. Vertrouwelijkheid
Elke Bevoegde Autoriteit handhaaft het vertrouwelijk karakter, voor zover de wet van haar eigen Staat zulks toelaat:
- a. van elk verzoek om informatie ingevolge dit Verdrag, tenzij openbaarmaking noodzakelijk is om het verzoek uit te voeren of de verzoekende Bevoegde Autoriteit van deze vertrouwelijkheidseis afziet;
- b. van alle ingevolge dit Verdrag verstrekte informatie, tenzij de aangezochte Bevoegde Autoriteit van deze vertrouwelijkheidseis afziet.
Artikel 18. Voorafgaande kennisgeving van openbaarmaking
Indien een Bevoegde Autoriteit merkt dat informatie die zij ingevolge dit Verdrag heeft ontvangen, openbaar gemaakt zou kunnen worden, streeft zij ernaar de Bevoegde Autoriteit(en) die de informatie verstrekte(n) daarvan in kennis te stellen voordat de openbaarmaking plaatsvindt.
Artikel 19. Bekendmaking aan organen die zijn belast met regulering en rechtshandhaving
Tenzij in het verzoek anders is bepaald, beletten de artikelen 15, 16 en 17 niet dat de verzoekende Bevoegde Autoriteit andere organen binnen de rechtsmacht van het Verenigd Koninkrijk of Nederland van het verzoek in kennis stelt of dat zij op grond van een verzoek ontvangen informatie aan deze organen doorgeeft, mits:
- a. de aangezochte Bevoegde Autoriteit van tevoren van deze bekendmaking van informatie in kennis wordt gesteld;
- b. deze organen zijn belast met regulering of met handhaving van wetten, regels of voorschriften op de in artikel 8 genoemde gebieden;
- c. de doorgifte van deze informatie aan een dergelijk orgaan is bedoeld om dit te helpen in de verrichting van zijn taken op de in artikel 8 genoemde gebieden; en
- d. in gevallen waarin op een dergelijk orgaan geen wettelijke of andere beperkingen ingevolge het recht van toepassing zijn die gełijkwaardig zijn aan de bepalingen van de artikelen 15, 16 en 17 van dit Verdrag, de verzoekende Bevoegde Autoriteit van dat orgaan de toezegging verkrijgt dat het de bepalingen betreffende vertrouwelijkheid in dit Verdrag in acht zal nemen.
Artikel 20. Beëindiging
Dit Verdrag kan door elk van beide Verdragsluitende Partijen worden beëindigd door middel van een schriftelijke kennisgeving langs diplomatieke weg aan de andere Verdragsluitende Partij. Het Verdrag treedt dertig dagen na ontvangst van deze kennisgeving buiten werking.
Artikel 21. Toepassing van het Verdrag
Dit Verdrag is van toepassing:
- a. op het Koninkrijk der Nederlanden in Europa,
- b. op het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
Artikel 22. Inwerkingtreding
Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na de datum waarop de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden de Regering van het Verenigd Koninkrijk schriftelijk heeft medegedeeld dat de constitutionele procedures in Nederland zijn voltooid.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorised thereto by their respective Governments, have signed this Agreement.
DONE in duplicate at London this 20th day of July 1994 in the English language.
For the Government of the Kingdom of the Netherlands :(
(sd.) A. J. QUANJER
For the Government of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland :
(sd.) R. A. NELSON
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.