← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van woestijnvorming in de landen die te kampen hebben met ernstige droogte en/of woestijnvorming, in het bijzonder in Afrika

Geldende tekst a fecha 2001-09-06

De Partijen bij dit Verdrag,

Bevestigend dat mensen in getroffen of bedreigde gebieden in het middelpunt staan van het streven om woestijnvorming te bestrijden en de gevolgen van droogte in te perken,

Uiting gevend aan de ernstige bezorgdheid van de internationale gemeenschap, waaronder Staten en internationale organisaties, over de nadelige gevolgen van woestijnvorming en droogte,

Zich ervan bewust dat aride, semi-aride en droge subhumide gebieden gezamenlijk een aanmerkelijk deel van het landoppervlak van de Aarde vormen en dat zij het woongebied en de bron van bestaan zijn van een groot gedeelte van haar bevolking,

Erkennend dat woestijnvorming en droogte problemen van mondiale omvang zijn, doordat zij alle regio's van de wereld raken, en dat gezamenlijk optreden van de internationale gemeenschap noodzakelijk is om woestijnvorming te bestrijden en/of de gevolgen van droogte in te perken,

Nota nemend van het grote aantal ontwikkelingslanden, met name minstontwikkelde landen, onder de landen die te kampen hebben met ernstige droogte en/of woestijnvorming, en de bijzonder tragische gevolgen van deze verschijnselen in Afrika,

Tevens nota nemend van het feit dat woestijnvorming wordt veroorzaakt door de complexe wisselwerking tussen fysische, biologische, politieke, sociale, culturele en economische factoren,

Gelet op de invloed van de handel en de hiermee verband houdende aspecten van de internationale economische betrekkingen op het vermogen van de getroffen landen om de woestijnvorming adequaat te bestrijden,

Beseffend dat duurzame economische groei, sociale ontwikkeling en armoedebestrijding prioriteit hebben in de getroffen ontwikkelingslanden, in het bijzonder in Afrika, en van wezenlijk belang zijn om de doelstellingen van duurzaamheid te verwezenlijken,

Indachtig het feit dat woestijnvorming en droogte van invloed zijn op duurzame ontwikkeling, vanwege het verband met belangrijke sociale problemen zoals armoede, zwakke gezondheid en slechte voeding, gebrek aan veiligstelling van voedselvoorziening, en problemen voortvloeiend uit migratie, ontheemding en bevolkingsdynamiek,

Waarderend de omvang van de in het verleden verrichte inspanningen en opgedane ervaring van Staten en internationale organisaties bij de bestrijding van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte, in het bijzonder bij de uitvoering van het Actieplan tot bestrijding van woestijnvorming dat werd aangenomen op de VN-Conferentie inzake woestijnvorming in 1977,

Beseffend dat, ondanks de inspanningen in het verleden, de vorderingen bij het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte niet aan de verwachtingen hebben voldaan en dat er een nieuwe meer doeltreffende aanpak nodig is op alle niveaus in het kader van duurzame ontwikkeling,

Erkennend de geldigheid en relevantie van de besluiten die zijn genomen op de VN-Conferentie inzake milieu en ontwikkeling, in het bijzonder van Agenda 21 en hoofdstuk 12 daarvan, die een uitgangspunt bieden voor de bestrijding van woestijnvorming,

Opnieuw bevestigend, in dit verband, de verplichtingen van de ontwikkelde landen als vervat in paragraaf 13 van hoofdstuk 33 van Agenda 21,

Herinnerend aan resolutie 47/188 van de Algemene Vergadering, in het bijzonder de daarin voorgeschreven prioriteit voor Afrika, en alle andere relevante resoluties, besluiten en programma's van de Verenigde Naties inzake woestijnvorming en droogte, alsmede de desbetreffende verklaringen van landen in Afrika en die uit andere regio's,

Opnieuw bevestigend de Verklaring van Rio de Janeiro inzake milieu en ontwikkeling, waarin wordt gesteld, in Beginsel 2, dat de Staten, in overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties en de beginselen van internationaal recht, het soevereine recht hebben hun eigen hulpbronnen te exploiteren overeenkomstig hun eigen milieu- en ontwikkelingsbeleid, alsook de verantwoordelijkheid te verzekeren dat activiteiten die binnen hun rechtsmacht of toezicht vallen geen schade veroorzaken aan het milieu van andere Staten of van gebieden die onder geen enkele nationale rechtsmacht vallen,

Erkennend dat de nationale Regeringen een beslissende rol vervullen bij de bestrijding van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte en dat vooruitgang op dit gebied afhangt van de plaatselijke uitvoering van actieprogramma's in de getroffen gebieden,

Tevens erkennend het belang en de noodzaak van internationale samenwerking en partnerschap bij de bestrijding van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte,

Erkennend het belang van de verstrekking aan de getroffen ontwikkelingslanden, in het bijzonder in Afrika, van doeltreffende middelen, onder andere aanzienlijke financiële middelen, waaronder nieuwe en aanvullende financiering, en toegang tot technologie, zonder welke het voor hen moeilijk zal zijn hun verplichtingen ingevolge dit Verdrag volledig na te komen,

Uiting gevend aan de bezorgdheid over de effecten van woestijnvorming en droogte op de getroffen landen in Centraal-Azië en het Transkaukasisch gebied,

Onderstrepend de belangrijke rol die vrouwen vervullen in de regio's die worden getroffen door woestijnvorming en/of droogte, in het bijzonder in plattelandsgebieden van ontwikkelingslanden, en het belang van het zorgen voor volledige participatie van zowel mannen als vrouwen op alle niveaus bij programma's gericht op het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte,

De nadruk leggend op de bijzondere rol van niet-gouvernementele en andere belangrijke samenwerkingsverbanden in programma's gericht op het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte,

Indachtig het verband tussen woestijnvorming en andere milieuproblemen van mondiale omvang waarmee de internationale en nationale gemeenschappen worden geconfronteerd,

Tevens indachtig de bijdrage die de bestrijding van woestijnvorming kan leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, het Verdrag inzake biologische diversiteit en andere hiermee verband houdende milieuverdragen,

Van oordeel zijnde dat strategieën voor het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte het meest doeltreffend zijn indien deze zijn gebaseerd op degelijke systematische waarneming en grondige wetenschappelijke kennis en indien deze voortdurend opnieuw worden geëvalueerd,

Erkennend de dringende noodzaak van verbetering van de doelmatigheid en de coördinatie van de internationale samenwerking teneinde de uitvoering van nationale plannen en prioriteiten te vergemakkelijken,

Vastbesloten bij het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte passende maatregelen te treffen ten behoeve van huidige en toekomstige generaties,

Zijn het volgende overeengekomen:

DEEL I. INLEIDING

Artikel 1. Gebruikte termen

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder:

Artikel 2. Doelstelling
1.

De doelstelling van dit Verdrag is het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte in landen die te kampen hebben met ernstige droogte en/of woestijnvorming, in het bijzonder in Afrika, door middel van doeltreffend optreden op alle niveaus, ondersteund door regelingen inzake internationale samenwerking en partnerschap, in het kader van een geïntegreerde aanpak die verenigbaar is met Agenda 21, met het oog op het leveren van een bijdrage aan de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling in getroffen gebieden.

2.

De verwezenlijking van deze doelstelling impliceert geïntegreerde strategieën voor de lange termijn die tegelijkertijd zijn gericht, in de getroffen gebieden, op verbeterde produktiviteit van het land en het herstel, behoud en duurzaam beheer van bodemrijkdommen en watervoorraden, hetgeen zal leiden tot betere levensomstandigheden, met name op gemeenschapsniveau.

Artikel 3. Beginselen

Teneinde de doelstelling van dit Verdrag te verwezenlijken en de bepalingen hiervan uit te voeren, laten de Partijen zich, onder andere, leiden door de volgende beginselen:

DEEL II. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 4. Algemene verplichtingen
1.

De Partijen komen, afzonderlijk of gezamenlijk, hun verplichtingen ingevolge dit Verdrag na hetzij via bestaande of toekomstige bilaterale en multilaterale regelingen dan wel een combinatie daarvan, indien van toepassing, daarbij de nadruk leggend op de noodzaak van onderlinge afstemming van de inspanningen en het ontwikkelen van een coherente strategie voor de lange termijn op alle niveaus.

2.

Bij het nastreven van de doelstelling van dit Verdrag zullen de Partijen:

3.

De Partijen die getroffen ontwikkelingslanden zijn, komen in aanmerking voor hulp bij de toepassing van het Verdrag.

Artikel 5. Verplichtingen van de Partijen die getroffen landen zijn

Naast hun verplichtingen ingevolge artikel 4, verplichten de Partijen die getroffen landen zijn zich ertoe:

Artikel 6. Verplichtingen van de Partijen die ontwikkelde landen zijn

Naast hun algemene verplichtingen ingevolge artikel 4, verplichten de Partijen die ontwikkelde landen zijn zich ertoe:

Artikel 7. Prioriteit voor Afrika

Bij de toepassing van dit Verdrag geven de Partijen prioriteit aan de Partijen die getroffen landen in Afrika zijn, gelet op de bijzondere omstandigheden die in die regio heersen, zulks zonder de Partijen die getroffen ontwikkelingslanden zijn in andere regio's te verwaarlozen.

Artikel 8. Verhouding tot andere verdragen
1.

De Partijen stimuleren de coördinatie van activiteiten die worden verricht uit hoofde van dit Verdrag en, indien zij daarbij Partij zijn, uit hoofde van andere relevante internationale overeenkomsten, met name het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en het Verdrag inzake biologische diversiteit, teneinde zoveel mogelijk profijt te trekken van de activiteiten uit hoofde van elke overeenkomst en het verrichten van dubbel werk te vermijden. De Partijen stimuleren de uitvoering van gezamenlijke programma's, met name op het gebied van onderzoek, opleiding, systematische waarneming en het vergaren en uitwisselen van informatie, voor zover deze activiteiten bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de desbetreffende overeenkomsten.

2.

De bepalingen van dit Verdrag laten onverlet de rechten en verplichtingen van een Partij op grond van een bilaterale, regionale of internationale overeenkomst die zij is aangegaan voordat dit Verdrag voor haar in werking treedt.

DEEL III. ACTIEPROGRAMMA'S, WETENSCHAPPELIJKE EN TECHNISCHE SAMENWERKING EN ONDERSTEUNENDE MAATREGELEN

TITEL 1. ACTIEPROGRAMMA’S

Artikel 9. Uitgangspunt
1.

Ter nakoming van hun verplichtingen ingevolge artikel 5 dienen de Partijen die getroffen ontwikkelingslanden zijn en elke andere Partij die getroffen land is, al dan niet in het kader van haar bijlage inzake regionale uitvoering, die het permanente secretariaat schriftelijk in kennis heeft gesteld van haar voornemen een nationaal actieprogramma op te stellen, waar mogelijk, nationale actieprogramma's op te stellen, openbaar te maken en uit te voeren, daarbij voor zover mogelijk gebruik makend van en voortbouwend op bestaande daarvoor in aanmerking komende geslaagde plannen en programma's en subregionale en regionale actieprogramma's, als hoofdpijler van de strategie voor het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte. Deze programma's dienen te worden bijgewerkt door middel van een constant participatieproces op basis van lering getrokken uit optreden in het veld, alsmede de resultaten van onderzoek. Het opstellen van nationale actieprogramma's dient nauw te zijn verbonden met andere inspanningen ter formulering van het nationale beleid inzake duurzame ontwikkeling.

2.

Bij het verlenen van verschillende vormen van hulp, ingevolge artikel 6, door de Partijen die ontwikkelde landen zijn, dient prioriteit te worden gegeven aan het bieden van steun, zoals overeengekomen, aan nationale, subregionale en regionale actieprogramma's van de Partijen die getroffen ontwikkelingslanden zijn, in het bijzonder die in Afrika, hetzij rechtstreeks, hetzij via daarvoor in aanmerking komende multilaterale organisaties dan wel op beide wijzen.

3.

De Partijen dienen de organen, fondsen en programma's van het stelsel van de Verenigde Naties en andere daarvoor in aanmerking komende intergouvernementele organisaties, academische instellingen, wetenschappelijke kringen en niet-gouvernementele organisaties die in staat zijn mee te werken, in overeenstemming met hun mandaten en mogelijkheden, te stimuleren de totstandkoming, uitvoering en follow-up van actieprogramma's te steunen.

Artikel 10. Nationale actieprogramma's
1.

Nationale actieprogramma's hebben tot doel na te gaan welke factoren bijdragen tot woestijnvorming en welke praktische maatregelen noodzakelijk zijn om woestijnvorming te bestrijden en de gevolgen van droogte in te perken.

2.

In nationale actieprogramma's dienen de onderscheiden taken van de overheid, plaatselijke gemeenschappen en landgebruikers alsmede de beschikbare en benodigde middelen te worden vermeld. Zij dienen onder andere:

3.

Nationale actieprogramma's kunnen, onder andere, alle onderstaande maatregelen, of enkele daarvan, omvatten om voorbereid te zijn op droogte en de gevolgen daarvan in te perken:

4.

Rekening houdend met de omstandigheden en behoeften die eigen zijn aan elke Partij die getroffen land is, dienen nationale actieprogramma's waar mogelijk, onder andere, maatregelen te omvatten op alle hierna te noemen prioriteitsterreinen, of enkele daarvan, voor zover deze verband houden met het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte in getroffen gebieden en voor hun bevolking: het stimuleren van alternatieve middelen van bestaan en het verbeteren van het nationale economische klimaat met het oog op consolidering van programma's gericht op armoedebestrijding en het zorgen voor veiligstelling van de voedselvoorziening, bevolkingsdynamiek, duurzaam beheer van natuurlijke rijkdommen, duurzame landbouwmethoden, ontwikkelen en efficiënt gebruik van diverse bronnen van energie, institutionele en wettelijke kaders, verbetering van de mogelijkheden voor oordeelsvorming en systematische waarneming, waaronder hydrologische en meteorologische diensten, en capaciteitsvergroting, educatie en bewustmaking.

Artikel 11. Subregionale en regionale actieprogramma's

De Partijen die getroffen landen zijn, plegen overleg en werken samen om, waar mogelijk, in overeenstemming met de desbetreffende bijlagen inzake regionale uitvoering, subregionale en/of regionale actieprogramma's op te stellen ter harmonisering, aanvulling en vergroting van de doelmatigheid van nationale programma's. De bepalingen van artikel 10 zijn van overeenkomstige toepassing op subregionale en regionale programma's. Deze samenwerking kan mede betrekking hebben op overeengekomen gezamenlijke programma's voor duurzaam beheer van grensoverschrijdende natuurlijke rijkdommen, wetenschappelijke en technische samenwerking en de versterking van de desbetreffende instellingen.

Artikel 12. Internationale samenwerking

De Partijen die getroffen landen zijn, dienen met medewerking van andere Partijen en de internationale gemeenschap samen te werken om te zorgen voor het bevorderen van een gunstig internationaal klimaat bij de toepassing van het Verdrag. Deze samenwerking dient tevens betrekking te hebben op overdracht van technologie, alsmede wetenschappelijk onderzoek & ontwikkeling, het vergaren en verspreiden van informatie en financiële middelen.

Artikel 13. Ondersteuning van de totstandbrenging en uitvoering van actieprogramma's
1.

Maatregelen ter ondersteuning van actieprogramma's ingevolge artikel 9 dienen onder andere te omvatten:

2.

Bij het bieden van deze ondersteuning aan de Partijen die getroffen ontwikkelingslanden zijn, dient prioriteit te worden gegeven aan de Partijen die landen in Afrika zijn en de Partijen die minstontwikkelde landen zijn.

Artikel 14. Coördinatie bij de totstandbrenging en uitvoering van actieprogramma's
1.

De Partijen werken nauw samen, rechtstreeks en via de daarvoor in aanmerking komende intergouvernementele organisaties, bij de totstandbrenging en uitvoering van actieprogramma's.

2.

De Partijen ontwikkelen operationele mechanismen, in het bijzonder op nationaal en veldniveau, om te zorgen voor zo volledig mogelijke coördinatie tussen de Partijen die ontwikkelde landen zijn, de Partijen die ontwikkelingslanden zijn en daarvoor in aanmerking komende intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties, teneinde het verrichten van dubbel werk te vermijden, de wijzen van ingrijpen en aanpak te harmoniseren en het effect van de hulp te optimaliseren. In de Partijen die getroffen ontwikkelingslanden zijn, zal prioriteit worden gegeven aan coördinerende activiteiten met betrekking tot internationale samenwerking, teneinde te komen tot een zo efficiënt mogelijk gebruik van de middelen, te zorgen voor op behoeften inspelende hulp en de uitvoering van nationale actieprogramma's en prioriteiten ingevolge dit Verdrag te vergemakkelijken.

Artikel 15. Bijlagen inzake regionale uitvoering

Elementen die in actieprogramma's moeten worden opgenomen, dienen te worden gekozen op grond van en aangepast aan de sociaal-economische, geografische en klimatologische factoren die gelden voor de Partijen die getroffen landen zijn of regio's, alsmede aan hun ontwikkelingsniveau. Richtlijnen voor het opstellen van actieprogramma's en de exacte richtpunten en inhoud daarvan voor afzonderlijke subregio's en regio's zijn uiteengezet in de bijlagen inzake regionale uitvoering.

TITEL 2. WETENSCHAPPELIJKE EN TECHNISCHE SAMENWERKING

Artikel 16. Vergaren, analyseren en uitwisselen van informatie

De Partijen komen overeen, overeenkomstig hun onderscheiden mogelijkheden, het vergaren, analyseren en uitwisselen van relevante gegevens en informatie voor de korte en lange termijn te integreren en coördineren, teneinde te zorgen voor systematische waarneming van de aantasting van het land in getroffen gebieden en om de verdrogings- en woestijnvormingsprocessen en de gevolgen daarvan beter te kunnen begrijpen en beoordelen. Hiermee zou men kunnen komen tot, onder andere, vroegtijdige waarschuwing en voorafgaande planning voor perioden van ongunstige klimaatschommelingen in een vorm die geschikt is voor praktische toepassing door gebruikers op alle niveaus, onder wie met name plaatselijke bevolkingsgroepen. Hiertoe dienen zij, waar mogelijk:

Artikel 17. Onderzoek & ontwikkeling
1.

De Partijen verplichten zich ertoe, overeenkomstig hun onderscheiden mogelijkheden, de technische en wetenschappelijke samenwerking op het gebied van het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte te bevorderen door middel van daarvoor in aanmerking komende nationale, subregionale, regionale en internationale instellingen. Hiertoe steunen zij onderzoeksactiviteiten die:

2.

Er dienen onderzoeksprioriteiten voor afzonderlijke regio's en subregio's, waarin de uiteenlopende plaatselijke omstandigheden tot uitdrukking komen, in actieprogramma's te worden opgenomen. De Conferentie van de Partijen toetst de onderzoeksprioriteiten periodiek op basis van het advies van de Commissie voor Wetenschap en Techniek.

Artikel 18. Overdracht, verwerving, aanpassing en ontwikkeling van technologie
1.

De Partijen verplichten zich, zoals onderling overeengekomen en in overeenstemming met hun onderscheiden nationale wetgeving en/of beleid, tot het bevorderen, financieren en/of vergemakkelijken van de financiering van de overdracht, verwerving, aanpassing en ontwikkeling van milieuverantwoorde, economisch haalbare en maatschappelijk aanvaardbare technologieën die van belang zijn voor het bestrijden van woestijnvorming en/of het inperken van de gevolgen van droogte, teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling in getroffen gebieden. Deze samenwerking dient bilateraal of, waar mogelijk, multilateraal te geschieden, daarbij ten volle gebruik makend van de deskundigheid van intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties. De Partijen dienen in het bijzonder:

2.

De Partijen dienen, overeenkomstig hun onderscheiden mogelijkheden en met inachtneming van hun onderscheiden nationale wetgeving en/of beleid, in het bijzonder daarvoor in aanmerking komende traditionele en plaatselijke technologie, kennis, know-how en werkwijzen te beschermen, te bevorderen en toe te passen, en met het oog hierop verplichten zij zich ertoe:

TITEL 3. ONDERSTEUNENDE MAATREGELEN

Artikel 19. Capaciteitsvergroting, educatie en bewustmaking
1.

De Partijen erkennen het belang van capaciteitsvergroting - d.w.z. institutionele ontwikkeling, opleiding en uitbreiding van de daarvoor in aanmerking komende plaatselijke en nationale capaciteiten - bij inspanningen gericht op het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte. Zij dienen, waar mogelijk, capaciteitsvergroting te bevorderen:

2.

De Partijen die getroffen ontwikkelingslanden zijn voeren, in samenwerking met andere Partijen en bevoegde intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties, waar mogelijk, een interdisciplinaire toetsing uit van de beschikbare capaciteiten en faciliteiten op plaatselijk en nationaal niveau, alsmede van de mogelijkheid om deze te verbeteren.

3.

De Partijen werken met elkaar en via bevoegde intergouvernementele alsmede niet-gouvernementele organisaties samen bij het opzetten en ondersteunen van bewustmakings- en educatieprogramma's in zowel de Partijen die getroffen landen zijn als, waar relevant, in de Partijen die niet-getroffen landen zijn, ter bevordering van het inzicht in de oorzaken en gevolgen van woestijnvorming en droogte en het belang van het nastreven van de doelstelling van dit Verdrag. Hiertoe dienen zij:

4.

De Conferentie van de Partijen zet netwerken van regionale educatie- en opleidingscentra op voor het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte, en/of verbetert die netwerken. Deze netwerken dienen te worden gecoördineerd door een daartoe opgerichte of aangewezen instelling teneinde wetenschappelijk, technisch en leidinggevend personeel op te leiden en de bestaande instellingen die zijn belast met educatie en opleiding in de Partijen die getroffen landen zijn, waar mogelijk, te verbeteren, met het oog op harmonisering van programma's en het organiseren van onderlinge uitwisselingen van ervaringen. Deze netwerken dienen nauw samen te werken met daarvoor in aanmerking komende intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties teneinde het verrichten van dubbel werk te vermijden.

Artikel 20. Financiële middelen
1.

Gezien het doorslaggevende belang van financiering voor de verwezenlijking van de doelstelling van het Verdrag, stellen de Partijen, rekening houdend met hun mogelijkheden, alles in het werk om ervoor te zorgen dat er voldoende financiële middelen beschikbaar zijn voor programma's gericht op het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte.

2.

In dit verband verplichten de Partijen die ontwikkelde landen zijn, daarbij prioriteit gevend aan de Partijen die getroffen landen in Afrika zijn, zonder de Partijen die getroffen ontwikkelingslanden zijn in andere regio's te verwaarlozen, in overeenstemming met artikel 7, zich ertoe:

3.

De Partijen die getroffen ontwikkelingslanden zijn, rekening houdend met hun mogelijkheden, verplichten zich ertoe voldoende financiële middelen beschikbaar te (doen) stellen voor de uitvoering van hun nationale actieprogramma's.

4.

Bij het beschikbaar (doen) stellen van financiële middelen streven de Partijen naar volledige gebruikmaking en constante kwalitatieve verbetering van alle nationale, bilaterale en multilaterale financieringsbronnen en -mechanismen, via consortia, gezamenlijke programma's en parallelle financiering, en streven zij ernaar financieringsbronnen en -mechanismen in de particuliere sector, waaronder die van niet-gouvernementele organisaties, daarbij te betrekken. Hiertoe maken de Partijen ten volle gebruik van de op grond van artikel 14 ontwikkelde operationele mechanismen.

5.

Teneinde de financiële middelen beschikbaar te (doen) stellen die de Partijen die getroffen ontwikkelingslanden zijn nodig hebben voor het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte, dienen de Partijen:

6.

Andere landen die Partij zijn, worden aangemoedigd, op basis van vrijwilligheid, kennis, know-how en technieken met betrekking tot woestijnvorming en/of financiële middelen te verschaffen aan de Partijen die getroffen ontwikkelingslanden zijn.

7.

De volledige nakoming door de Partijen die getroffen ontwikkelingslanden zijn, in het bijzonder die in Afrika, van hun verplichtingen ingevolge het Verdrag is er in hoge mate bij gebaat dat de Partijen die ontwikkelde landen zijn, voldoen aan hun verplichtingen ingevolge het Verdrag, waaronder in het bijzonder de verplichtingen betreffende financiële middelen en overdracht van technologie. Bij het voldoen aan hun verplichtingen behoren de Partijen die ontwikkelde landen zijn ten volle rekening te houden met het feit dat economische en sociale ontwikkeling en armoedebestrijding de hoogste prioriteiten zijn van de Partijen die getroffen ontwikkelingslanden zijn, in het bijzonder die in Afrika.

Artikel 21. Financiële mechanismen
1.

De Conferentie van de Partijen bevordert de beschikbaarheid van financiële mechanismen en moedigt die mechanismen aan te streven naar maximale beschikbaarheid van financieringsmogelijkheden voor de Partijen die getroffen ontwikkelingslanden zijn, in het bijzonder die in Afrika, om uitvoering te geven aan het Verdrag. Hiertoe bestudeert de Conferentie van de Partijen, met het oog op aanneming, onder andere wijzen van aanpak en beleidslijnen die:

2.

De Conferentie van de Partijen stimuleert tevens, via diverse mechanismen binnen het stelsel van de Verenigde Naties en via multilaterale financiële instellingen, het bieden van ondersteuning op nationaal, subregionaal en regionaal niveau aan activiteiten die de Partijen die ontwikkelingslanden zijn in staat stellen om aan hun verplichtingen ingevolge het Verdrag te voldoen.

3.

De Partijen die getroffen ontwikkelingslanden zijn, dienen gebruik te maken van nationale coördinerende mechanismen en, indien nodig, deze op te zetten en/of te verbeteren, geïntegreerd in nationale ontwikkelingsprogramma's, die zouden kunnen zorgen voor een efficiënt gebruik van alle beschikbare financiële middelen. Zij dienen tevens gebruik te maken van op participatie gebaseerde processen waarbij niet-gouvernementele organisaties, plaatselijke groepen en de particuliere sector zijn betrokken, bij het werven van fondsen, bij het tot stand brengen en uitvoeren van programma's en bij het garanderen van toegang tot financieringsmogelijkheden voor groepen op plaatselijk niveau. Deze maatregelen kan kracht worden bijgezet door middel van betere coördinatie en flexibele planning van de kant van hen die hulp bieden.

4.

Teneinde de doeltreffendheid en efficiency van bestaande financiële mechanismen te verbeteren, wordt hierbij een Mondiaal Mechanisme ingesteld ter bevordering van maatregelen die zijn gericht op het beschikbaar (doen) stellen en doorsluizen van financiële middelen, mede voor de overdracht van technologie, bij wijze van giften en/of op concessionele of andere voorwaarden, naar de Partijen die getroffen ontwikkelingslanden zijn. Dit Mondiale Mechanisme werkt in opdracht onder leiding van de Conferentie van de Partijen en is daaraan verantwoording verschuldigd.

5.

De Conferentie van de Partijen zoekt op haar eerste gewone zitting een organisatie waarbij het Mondiale Mechanisme wordt ondergebracht. De Conferentie van de Partijen en de door haar bereid gevonden organisatie komen de modaliteiten voor dit Mondiale Mechanisme overeen om ervoor te zorgen dat dit Mechanisme, onder andere:

6.

De Conferentie van de Partijen treft op haar eerste zitting passende regelingen met de door haar bereid gevonden organisatie, waarbij het Mondiale Mechanisme wordt ondergebracht, betreffende de administratieve werkzaamheden van dit Mechanisme, daarbij zo veel mogelijk gebruik makend van bestaande budgettaire en personele middelen.

7.

De Conferentie van de Partijen toetst op haar derde gewone zitting het beleid, de operationele modaliteiten en activiteiten van het Mondiale Mechanisme dat aan haar verantwoording verschuldigd is op grond van het vierde lid, daarbij de bepalingen van artikel 7 in aanmerking nemend. Zij overweegt en onderneemt passende stappen op grond van deze toetsing.

DEEL IV. INSTELLINGEN

Artikel 22. Conferentie van de Partijen
1.

Hierbij wordt een Conferentie van de Partijen ingesteld.

2.

De Conferentie van de Partijen is het hoogste orgaan van het Verdrag. Zij neemt, binnen haar mandaat, de besluiten die nodig zijn om de doeltreffende uitvoering daarvan te bevorderen. In het bijzonder:

3.

De Conferentie van de Partijen neemt op haar eerste zitting bij consensus haar reglement van orde aan, dat mede de procedures voor de besluitvorming omvat voor aangelegenheden die niet reeds onder de door het Verdrag geregelde procedures voor besluitvorming vallen. Deze procedures kunnen mede bijzondere meerderheden omvatten die vereist zijn voor het nemen van bepaalde besluiten.

4.

De eerste zitting van de Conferentie van de Partijen wordt belegd door het in artikel 35 bedoelde tijdelijke secretariaat en vindt uiterlijk een jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag plaats. Tenzij de Conferentie van de Partijen anders beslist, vinden de tweede, de derde en de vierde gewone zitting jaarlijks plaats en worden de gewone zittingen daarna om de twee jaar gehouden.

5.

Buitengewone zittingen van de Conferentie van de Partijen worden gehouden op elk ander door de Conferentie van de Partijen op een gewone zitting te beslissen tijdstip, dan wel op schriftelijk verzoek van een Partij, op voorwaarde dat dit verzoek binnen drie maanden nadat het door het permanente secretariaat aan de Partijen is medegedeeld, door ten minste een derde van de Partijen wordt gesteund.

6.

Op elke gewone zitting kiest de Conferentie van de Partijen een bureau. De structuur en de taken van het bureau worden in het reglement van orde bepaald. Bij de aanstelling van het bureau dient rekening te worden gehouden met de noodzaak van een eerlijke geografische spreiding en voldoende vertegenwoordiging van de Partijen die getroffen landen zijn, in het bijzonder die in Afrika.

7.

De Verenigde Naties, haar gespecialiseerde organisaties en alle lidstaten daarvan en waarnemers daarbij die geen Partij bij het Verdrag zijn, kunnen op zittingen van de Conferentie van de Partijen worden vertegenwoordigd als waarnemer. Elke instelling of organisatie, hetzij nationaal of internationaal, hetzij gouvernementeel of niet-gouvernementeel, die bevoegd is ter zake van aangelegenheden waarop dit Verdrag betrekking heeft, en die aan het permanente secretariaat haar wens te kennen heeft gegeven op een zitting van de Conferentie van de Partijen te worden vertegenwoordigd als waarnemer, kan als zodanig worden toegelaten, tenzij ten minste een derde van de Partijen hiertegen bezwaar maakt. De toelating en de participatie van waarnemers wordt geregeld in het door de Conferentie van de Partijen aangenomen reglement van orde.

8.

De Conferentie van de Partijen kan bevoegde nationale en internationale organisaties die over relevante deskundigheid beschikken, verzoeken informatie te verstrekken die van belang is voor artikel 16, letter g, artikel 17, eerste lid, letter c, en artikel 18, tweede lid, letter b.

Artikel 23. Permanent secretariaat
1.

Hierbij wordt een permanent secretariaat ingesteld.

2.

Het permanente secretariaat heeft tot taak:

3.

De Conferentie van de Partijen stelt op haar eerste zitting een permanent secretariaat aan en treft regelingen voor het functioneren daarvan.

Artikel 24. Commissie voor Wetenschap en Technologie
1.

Hierbij wordt een Commissie voor Wetenschap en Technologie ingesteld als hulporgaan van de Conferentie van de Partijen, dat haar informatie en advies dient te geven over wetenschappelijke en technologische aangelegenheden die verband houden met het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte. De Commissie komt bijeen ten tijde van de gewone zittingen van de Conferentie van de Partijen, is multidisciplinair en staat open voor participatie van alle Partijen. Zij wordt samengesteld uit regeringsvertegenwoordigers die bekwaam zijn op de desbetreffende vakgebieden. De Conferentie van de Partijen besluit op haar eerste zitting over de taken en bevoegdheden van de Commissie.

2.

De Conferentie van de Partijen stelt een lijst van onafhankelijke deskundigen met kennis en ervaring op de desbetreffende vakgebieden op en houdt deze bij. De lijst dient te zijn gebaseerd op schriftelijke voordrachten van de Partijen, rekening houdend met de noodzaak van een multidisciplinaire benadering en een brede geografische vertegenwoordiging.

3.

De Conferentie van de Partijen kan, indien noodzakelijk, ad hoc werkgroepen instellen, die haar, via de Commissie, informatie en advies geven over specifieke kwesties betreffende de stand van zaken op het gebied van wetenschap en technologie die van belang zijn voor het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte. Deze werkgroepen worden samengesteld uit deskundigen wier namen afkomstig zijn uit de lijst van voordrachten, rekening houdend met de noodzaak van een multidisciplinaire benadering en een brede geografische vertegenwoordiging. Deze deskundigen dienen een wetenschappelijke achtergrond en veldervaring te hebben en worden door de Conferentie van de Partijen benoemd op grond van een aanbeveling van de Commissie. De Conferentie van de Partijen beslist over de taken en bevoegdheden en de wijze van werken van deze werkgroepen.

Artikel 25. Vorming van netwerken van instellingen, organisaties en organen
1.

De Commissie voor Wetenschap en Technologie gaat, onder toezicht van de Conferentie van de Partijen, over tot het verrichten van een onderzoek naar en een evaluatie van de daarvoor in aanmerking komende bestaande netwerken, instellingen, organisaties en organen die zich bij een netwerk willen aansluiten. Dat netwerk dient de uitvoering van het Verdrag te ondersteunen.

2.

Op basis van de resultaten van het onderzoek en de evaluatie, bedoeld in het eerste lid, doet de Commissie voor Wetenschap en Technologie aanbevelingen aan de Conferentie van de Partijen over manieren en mogelijkheden om de vorming van netwerken op plaatselijk, nationaal en ander niveau te vergemakkelijken en te verbeteren, teneinde ervoor te zorgen dat in de in de artikelen 16 tot en met 19 genoemde thematische behoeften wordt voorzien.

3.

Rekening houdend met deze aanbevelingen gaat de Conferentie van de Partijen na:

DEEL V. PROCEDURES

Artikel 26. Verstrekking van informatie
1.

Elke Partij verstrekt de Conferentie van de Partijen, via het permanente secretariaat, ter bestudering op haar gewone zittingen, rapporten betreffende de maatregelen die zij heeft genomen ter uitvoering van het Verdrag. De Conferentie van de Partijen stelt het tijdschema voor de indiening van de rapporten vast en bepaalt in welke vorm zulks dient te geschieden.

2.

De Partijen die getroffen landen zijn, verstrekken een beschrijving van de op grond van artikel 5 bepaalde strategieën en alle relevante informatie over de uitvoering daarvan.

3.

De Partijen die getroffen landen zijn die actieprogramma's ingevolge de artikelen 9 tot en met 15 uitvoeren, verstrekken een gedetailleerde beschrijving van de programma's en van de uitvoering daarvan.

4.

Een groep Partijen die getroffen landen zijn, kan een gezamenlijke kennisgeving doen van de op subregionaal en/of regionaal niveau genomen maatregelen in het kader van actieprogramma's.

5.

De Partijen die ontwikkelde landen zijn, brengen verslag uit over genomen maatregelen gericht op hulp bij het opstellen en uitvoeren van actieprogramma's, met inbegrip van informatie over de financiële middelen die zij ingevolge het Verdrag hebben verstrekt of verstrekken.

6.

Ingevolge het eerste tot en met vierde lid verstrekte informatie wordt door het permanente secretariaat zo spoedig mogelijk doorgezonden naar de Conferentie van de Partijen en elk daarvoor in aanmerking komend hulporgaan.

7.

De Conferentie van de Partijen vergemakkelijkt het bieden van technische en financiële steun aan getroffen ontwikkelingslanden, in het bijzonder die in Afrika, op hun verzoek, bij het verzamelen en verstrekken van informatie in overeenstemming met dit artikel, alsmede bij het inventariseren van de met actieprogramma's verband houdende technische en financiële behoeften.

Artikel 27. Maatregelen om vraagstukken betreffende de uitvoering op te lossen

De Conferentie van de Partijen bestudeert en hecht haar goedkeuring aan procedures en institutionele mechanismen voor het oplossen van vraagstukken die zich eventueel voordoen met betrekking tot de uitvoering van het Verdrag.

Artikel 28. Regeling van geschillen
1.

De Partijen regelen een onderling geschil met betrekking tot de uitlegging of toepassing van het Verdrag door middel van onderhandelingen of op een andere vreedzame wijze van hun keuze.

2.

Bij de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van het Verdrag, of de toetreding hiertoe, dan wel op enig tijdstip daarna, kan een Partij die niet een regionale organisatie voor economische integratie is, in een schriftelijke akte, ingediend bij de Depositaris, verklaren dat zij ten aanzien van een geschil betreffende de uitlegging of toepassing van het Verdrag, één van beide of beide onderstaande wijzen van geschillenregeling als dwingend aanvaardt ten aanzien van elke Partij die dezelfde verplichting aanvaardt:

3.

Een Partij die een regionale organisatie voor economische integratie is, kan een verklaring van soortgelijke strekking afleggen ten aanzien van arbitrage in overeenstemming met de in het tweede lid, letter a, bedoelde procedure.

4.

Een verklaring ingevolge het tweede lid blijft van kracht totdat zij vervalt overeenkomstig haar eigen bepalingen of tot drie maanden nadat een schriftelijke kennisgeving bij de Depositaris is nedergelegd, waarin zij wordt herroepen.

5.

Het vervallen van een verklaring, een kennisgeving van herroeping of een nieuwe verklaring heeft geen enkel gevolg voor een procedure die aanhangig is voor het scheidsgerecht of het Internationale Gerechtshof, tenzij de Partijen bij het geschil anders overeenkomen.

6.

Indien de Partijen bij het geschil niet dezelfde of geen enkele procedure ingevolge het tweede lid hebben aanvaard en zij er niet in zijn geslaagd hun geschil te regelen binnen twaalf maanden nadat de ene Partij de andere te kennen heeft gegeven dat tussen hen een geschil bestaat, wordt het geschil op verzoek van een Partij onderworpen aan conciliatie, in overeenstemming met een zo spoedig mogelijk door de Conferentie van de Partijen in een bijlage vast te leggen procedure.

Artikel 29. Status van de bijlagen
1.

De bijlagen vormen een integrerend deel van het Verdrag en een verwijzing naar het Verdrag is tevens een verwijzing naar de bijlagen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

2.

De Partijen leggen de bepalingen van de bijlagen uit op een wijze die in overeenstemming is met hun rechten en verplichtingen ingevolge de artikelen van dit Verdrag.

Artikel 30. Wijzigingen op het Verdrag
1.

Elke Partij kan wijzigingen op het Verdrag voorstellen.

2.

Wijzigingen op het Verdrag worden aangenomen op een gewone zitting van de Conferentie van de Partijen. De tekst van een voorgestelde wijziging wordt door het permanente secretariaat aan de Partijen medegedeeld, zulks ten minste zes maanden voor de bijeenkomst waarop zij ter aanneming wordt voorgesteld. Het permanente secretariaat deelt voorgestelde wijzigingen ook mede aan de ondertekenaars van het Verdrag.

3.

De Partijen stellen alles in het werk om over elke voorgestelde wijziging overeenstemming te bereiken door middel van consensus. Indien alle pogingen om tot consensus te komen zijn mislukt en geen overeenstemming wordt bereikt, wordt de wijziging in laatste instantie aangenomen met een meerderheid van tweederde van de aanwezige Partijen die op de bijeenkomst hun stem uitbrengen. De aangenomen wijziging wordt door het permanente secretariaat medegedeeld aan de Depositaris, die deze ter bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding doet toekomen aan alle Partijen.

4.

De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding met betrekking tot een wijziging worden nedergelegd bij de Depositaris. Een overeenkomstig het derde lid aangenomen wijziging wordt voor de Partijen die deze hebben aanvaard, van kracht op de negentigste dag na de datum van ontvangst door de Depositaris van een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding van ten minste tweederde van de Partijen bij het Verdrag die Partij waren op het tijdstip van aanneming van de wijziging.

5.

De wijziging wordt ten aanzien van elke andere Partij van kracht op de negentigste dag na de datum waarop die Partij haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van, dan wel toetreding tot, bedoelde wijziging nederlegt bij de Depositaris.

6.

Voor de toepassing van dit artikel en artikel 31 wordt onder „aanwezige Partijen die hun stem uitbrengen" verstaan Partijen die aanwezig zijn en voor- of tegenstemmen.

Artikel 31. Aanneming en wijziging van bijlagen
1.

Elke bijkomende bijlage bij het Verdrag en elke wijziging van een bijlage dient te worden voorgesteld en aangenomen in overeenstemming met de in artikel 30 vervatte procedure voor wijziging van het Verdrag, met dien verstande dat bij aanneming van een bijkomende bijlage inzake regionale uitvoering of een wijziging van een bijlage inzake regionale uitvoering, de in dat artikel genoemde meerderheid een meerderheid van tweederde dient te omvatten van de aanwezige Partijen uit de betrokken regio die hun stem uitbrengen. De aanneming of wijziging van een bijlage wordt door de Depositaris aan alle Partijen medegedeeld.

2.

Een bijlage, niet zijnde een bijkomende bijlage inzake regionale uitvoering, of een wijziging van een bijlage, niet zijnde een wijziging van een bijlage inzake regionale uitvoering, die is aangenomen in overeenstemming met het eerste lid, treedt voor alle Partijen bij het Verdrag in werking dan wel wordt voor hen van kracht zes maanden na de datum waarop de Depositaris die de Partijen heeft medegedeeld dat die bijlage of wijziging is aangenomen, behalve voor de Partijen die de Depositaris binnen die termijn er schriftelijk van in kennis hebben gesteld dat zij de bijlage of de wijziging niet hebben aanvaard. Voor de Partijen die hun kennisgeving van niet-aanvaarding intrekken, treedt de bijlage in werking of wordt de wijziging van kracht op de negentigste dag na de datum waarop de intrekking van de kennisgeving door de Depositaris is ontvangen.

3.

Een bijkomende bijlage inzake regionale uitvoering of een wijziging op een bijlage inzake regionale uitvoering die is aangenomen in overeenstemming met het eerste lid, treedt voor alle Partijen bij het Verdrag in werking dan wel wordt voor hen van kracht zes maanden na de datum waarop de Depositaris de aanneming van de bijlage of wijziging aan die Partijen heeft medegedeeld, behalve ten aanzien van:

4.

Indien de aanneming van een bijlage of een wijziging op een bijlage een wijziging op het Verdrag inhoudt, treedt de bijlage niet in werking dan wel wordt de wijziging op een bijlage niet van kracht voordat de wijziging op het Verdrag van kracht wordt.

Artikel 32. Stemrecht
1.

Behoudens het in het tweede lid bepaalde, heeft elke Partij bij het Verdrag één stem.

2.

Regionale organisaties voor economische integratie beschikken ter zake van binnen hun bevoegdheid vallende aangelegenheden over een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal lidstaten die Partij bij het Verdrag zijn. Zo'n organisatie oefent haar stemrecht niet uit indien één van haar lidstaten zijn stemrecht uitoefent, en omgekeerd.

DEEL VI. SLOTBEPALINGEN

Artikel 33. Ondertekening

Dit Verdrag staat open voor ondertekening te Parijs op 14 en 15 oktober 1994 door Staten die lid zijn van de Verenigde Naties of van één van haar gespecialiseerde organisaties dan wel partij zijn bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof, alsmede door regionale organisaties voor economische integratie. Daarna blijft het voor ondertekening openstaan op de zetel van de Verenigde Naties te New York tot 13 oktober 1995.

Artikel 34. Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding
1.

Het Verdrag behoeft bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding door Staten en regionale organisaties voor economische integratie. Het staat open voor toetreding vanaf de dag na de datum waarop het Verdrag is gesloten voor ondertekening. De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding worden nedergelegd bij de Depositaris.

2.

Een regionale organisatie voor economische integratie die Partij bij het Verdrag wordt zonder dat één van haar lidstaten Partij bij het Verdrag is, is gebonden aan alle verplichtingen ingevolge het Verdrag. Wanneer één of meer lidstaten van zo'n organisatie ook Partij bij het Verdrag zijn, besluiten de organisatie en haar lidstaten over hun onderscheiden verantwoordelijkheden met betrekking tot de nakoming van hun verplichtingen ingevolge het Verdrag. In dergelijke gevallen zijn de organisatie en de lidstaten niet gerechtigd de uit het Verdrag voortvloeiende rechten gelijktijdig uit te oefenen.

3.

In hun akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geven regionale organisaties voor economische integratie de omvang van hun bevoegdheid ter zake van de in het Verdrag geregelde aangelegenheden aan. Zij doen ook onverwijld kennisgeving van elke wezenlijke wijziging betreffende de omvang van hun bevoegdheid aan de Depositaris, die op zijn beurt de Partijen hierover inlicht.

4.

In haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding kan een Partij verklaren dat een eventuele bijkomende bijlage inzake regionale uitvoering of een eventuele wijziging in een bijlage inzake regionale uitvoering ten aanzien van haar slechts in werking treedt c.q. van kracht wordt na de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding met betrekking tot die bijlage of wijziging.

Artikel 35. Tijdelijke regelingen

De in artikel 23 bedoelde secretariaatswerkzaamheden worden tijdelijk verricht door het secretariaat dat door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is ingesteld bij resolutie 47/188 van 22 december 1992, tot aan het einde van de eerste zitting van de Conferentie van de Partijen.

Artikel 36. Inwerkingtreding
1.

Het Verdrag treedt in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging van de vijftigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

2.

Voor elke Staat of regionale organisatie voor economische integratie die het Verdrag bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt, dan wel hiertoe toetreedt, na de nederlegging van de vijftigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt het Verdrag in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging door die Staat of regionale organisatie voor economische integratie van zijn c.q. haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

3.

Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt een door een regionale organisatie voor economische integratie nedergelegde akte niet meegeteld naast de door de lidstaten van de organisatie nedergelegde akten.

Artikel 37. Voorbehouden

Ten aanzien van dit Verdrag kunnen geen voorbehouden worden gemaakt.

Artikel 38. Opzegging
1.

Te allen tijde na drie jaar na de datum waarop het Verdrag voor een Partij in werking is getreden, kan die Partij het Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Depositaris.

2.

De opzegging wordt van kracht na het verstrijken van een jaar na de datum waarop de Depositaris de kennisgeving van opzegging heeft ontvangen, of op een eventuele latere in de kennisgeving van opzegging genoemde datum.

Artikel 39. Depositaris

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties is Depositaris van het Verdrag.

Artikel 40. Authentieke teksten

Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse versies gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 1. Werkingssfeer

Deze Bijlage is van toepassing op Afrika, met betrekking tot elke Partij en in overeenstemming met het Verdrag, in het bijzonder artikel 7 daarvan, met het oog op het bestrijden van woestijnvorming en/of het inperken van de gevolgen van droogte in aride, semi-aride en droge subhumide gebieden in Afrika.

Artikel 2. Doel

Deze Bijlage heeft tot doel op nationaal, subregionaal en regionaal niveau in Afrika en gelet op de bijzondere omstandigheden van Afrika:

Artikel 3. Bijzondere omstandigheden van de Afrikaanse regio

Bij de nakoming van hun verplichtingen ingevolge dit Verdrag nemen de Partijen, ter uitvoering van deze Bijlage, een fundamentele aanpak aan, waarbij de volgende bijzondere omstandigheden van Afrika in aanmerking worden genomen:

Artikel 4. Verplichtingen van de Partijen die landen in Afrika zijn
1.

Overeenkomstig hun onderscheiden mogelijkheden, verplichten de Partijen die landen in Afrika zijn zich ertoe:

2.

Overeenkomstig de algemene en specifieke verplichtingen genoemd in de artikelen 4 en 5 van het Verdrag, streven de Partijen die landen in Afrika zijn ernaar:

Artikel 5. Verplichtingen van de Partijen die ontwikkelde landen zijn
1.

Bij de nakoming van hun verplichtingen ingevolge de artikelen 4, 6 en 7 van het Verdrag, geven de Partijen die ontwikkelde landen zijn prioriteit aan de Partijen die getroffen landen in Afrika zijn en in dit verband zullen zij:

2.

Andere landen die Partij zijn, kunnen op basis van vrijwilligheid technologie, kennis en know-how met betrekking tot woestijnvorming en/of financiële middelen beschikbaar stellen aan de Partijen die getroffen landen in Afrika zijn. De overdracht van deze kennis, know-how en technieken wordt vergemakkelijkt door internationale samenwerking.

Artikel 6. Kader voor strategische planning ten behoeve van duurzame ontwikkeling
1.

Nationale actieprogramma's dienen een centraal en integrerend deel uit te maken van een meer omvattend proces ter formulering van nationale beleidslijnen voor de duurzame ontwikkeling van de Partijen die getroffen landen in Afrika zijn.

2.

Er dient een op overleg en participatie gebaseerd proces, waarbij overheden op het juiste niveau, plaatselijke bevolkingsgroepen, gemeenschappen en niet-gouvernementele organisaties zijn betrokken, op gang te worden gebracht om te voorzien in sturing voor een strategie met een flexibele planning teneinde voor een zo groot mogelijke participatie van plaatselijke bevolkingsgroepen en gemeenschappen te zorgen. Zo nodig kunnen instellingen voor bilaterale en multilaterale hulp bij dit proces worden betrokken op verzoek van een Partij die een getroffen land in Afrika is.

Artikel 7. Tijdschema voor de opstelling van actieprogramma's

In afwachting van de inwerkingtreding van dit Verdrag passen de Partijen die landen in Afrika zijn, in samenwerking met andere leden van de internationale gemeenschap, naar gelang het geval, voorlopig de bepalingen van het Verdrag toe, voor zover mogelijk, die betrekking hebben op het opstellen van nationale, subregionale en regionale actieprogramma's.

Artikel 8. Inhoud van nationale actieprogramma's
1.

Overeenkomstig artikel 10 van het Verdrag dient in de algemene strategie van nationale actieprogramma's de nadruk te worden gelegd op geïntegreerde plaatselijke ontwikkelingsprogramma's voor getroffen gebieden, gebaseerd op participatiemechanismen en op het integreren van strategieën voor armoedebestrijding in inspanningen gericht op het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte. De programma's dienen gericht te zijn op vergroting van de capaciteit van plaatselijke autoriteiten en te zorgen voor actieve betrokkenheid van plaatselijke bevolkingsgroepen, gemeenschappen en groeperingen, waarbij de nadruk ligt op onderwijs en opleiding, inschakeling van niet-gouvernementele organisaties met erkende deskundigheid en het versterken van gedecentraliseerde overheidsstructuren.

2.

Nationale actieprogramma's dienen, waar mogelijk, de volgende algemene onderdelen te omvatten:

3.

Nationale actieprogramma's dienen, waar mogelijk, tevens het volgende te omvatten:

Artikel 9. Opstelling van nationale actieprogramma's en indicatoren voor de uitvoering en evaluatie

Elke Partij die een getroffen land in Afrika is wijst een daarvoor in aanmerking komend nationaal coördinerend lichaam aan dat als katalysator fungeert bij de opstelling, uitvoering en evaluatie van haar nationale actieprogramma. Dit coördinerend lichaam zal in het licht van artikel 3 en waar mogelijk:

Artikel 10. Organisatorisch kader van subregionale actieprogramma's
1.

Op grond van artikel 4 van het Verdrag werken de Partijen die landen in Afrika zijn samen bij de opstelling en uitvoering van subregionale actieprogramma's voor Centraal-, Oost-, Noord-, Zuid- en West-Afrika en kunnen zij in verband hiermee de volgende taken delegeren aan de desbetreffende subregionale intergouvernementele organisaties:

2.

Gespecialiseerde subregionale instellingen kunnen op verzoek zorgen voor ondersteuning en/of worden belast met de coördinatie van de activiteiten op de onder hun onderscheiden bevoegdheden vallende terreinen.

Artikel 11. Inhoud en opstelling van subregionale actieprogramma's

Subregionale actieprogramma's dienen te zijn gericht op zaken die beter op subregionaal niveau kunnen worden aangepakt. In die programma's dienen, waar nodig, mechanismen te worden ingesteld voor het beheer van gemeenschappelijke natuurlijke rijkdommen. Deze mechanismen dienen doeltreffende oplossingen te zoeken voor grensoverschrijdende problemen die verband houden met woestijnvorming en/of droogte en te zorgen voor ondersteuning ten behoeve van de harmonieuze uitvoering van nationale actieprogramma's. In subregionale actieprogramma's dient prioriteit te worden gegeven aan, naar gelang het geval:

Artikel 12. Organisatorisch kader van het regionale actieprogramma
1.

Op grond van artikel 11 van het Verdrag stellen de Partijen die landen in Afrika zijn gezamenlijk de procedures vast voor het opstellen en uitvoeren van het regionale actieprogramma.

2.

De Partijen kunnen de benodigde ondersteuning bieden aan de daarvoor in aanmerking komende Afrikaanse regionale instellingen en organisaties om deze in staat te stellen de Partijen die landen in Afrika zijn te helpen hun verplichtingen ingevolge het Verdrag na te komen.

Artikel 13. Inhoud van het regionale actieprogramma

Het regionale actieprogramma omvat maatregelen met betrekking tot het bestrijden van woestijnvorming en/of het inperken van de gevolgen van droogte op de volgende prioriteitsterreinen, naar gelang het geval:

Artikel 14. Financiële middelen
1.

Op grond van artikel 20 van het Verdrag en artikel 4, tweede lid, streven de Partijen die getroffen landen in Afrika zijn ernaar een macro-economisch kader te scheppen dat bevorderlijk is voor het beschikbaar (doen) stellen van financiële middelen, en ontwikkelen zij beleid en stellen zij procedures vast om middelen doelmatiger te doen toekomen aan plaatselijke ontwikkelingsprogramma's, onder meer via niet-gouvernementele organisaties, naar gelang het geval.

2.

Op grond van artikel 21, vierde en vijfde lid, van het Verdrag komen de Partijen overeen een lijst op te stellen van bronnen van financiering op nationaal, subregionaal, regionaal en internationaal niveau teneinde te zorgen voor een rationeel gebruik van bestaande middelen en tekortkomingen in de toewijzing van middelen aan het licht te brengen, ter vergemakkelijking van de uitvoering van de actieprogramma's. De lijst wordt regelmatig opnieuw bezien en bijgewerkt.

3.

Overeenkomstig artikel 7 van het Verdrag blijven de Partijen die ontwikkelde landen zijn aanzienlijke middelen en/of meer middelen en andere vormen van hulp toekennen aan de Partijen die getroffen landen in Afrika zijn, zulks op basis van de in artikel 18 bedoelde partnerschapsakkoorden en -regelingen, daarbij, onder andere, de nodige aandacht schenkend aan aangelegenheden verband houdende met schulden, internationale handel en afzetregelingen in overeenstemming met artikel 4, tweede lid, letter b, van het Verdrag.

Artikel 15. Financiële mechanismen
1.

Overeenkomstig artikel 7 van het Verdrag, dat de prioriteit onderstreept voor Partijen die getroffen landen in Afrika zijn, en de in deze regio heersende bijzondere omstandigheden in aanmerking nemend, schenken de Partijen bijzondere aandacht aan de uitvoering in Afrika van de bepalingen van artikel 21, eerste lid, letters d en e, van het Verdrag, met name door:

2.

Overeenkomstig de artikelen 20 en 21 van het Verdrag stimuleren de Partijen die tevens lid zijn van de bestuursorganen van daarvoor in aanmerking komende regionale en subregionale financiële instellingen, waaronder de Afrikaanse Ontwikkelingsbank en het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds, inspanningen om passende prioriteit en aandacht te geven aan de activiteiten van die instellingen die de uitvoering van deze Bijlage bevorderen.

3.

De Partijen stroomlijnen, voor zover mogelijk, de procedures om gelden te doen toekomen aan de Partijen die getroffen landen in Afrika zijn.

Artikel 16. Technische bijstand en samenwerking

De Partijen verplichten zich ertoe, in overeenstemming met hun onderscheiden mogelijkheden, de technische bijstand aan en de samenwerking met de Partijen die landen in Afrika zijn te rationaliseren teneinde de doeltreffendheid van projecten en programma's te vergroten, onder andere door:

Artikel 17. Overdracht, verwerving en aanpassing van en toegang tot milieuverantwoorde technologie

Bij de toepassing van artikel 18 van het Verdrag met betrekking tot de overdracht, verwerving, aanpassing en ontwikkeling van technologie verplichten de Partijen zich ertoe prioriteit te geven aan de Partijen die landen in Afrika zijn en, indien nodig, met hen nieuwe modellen voor partnerschap en samenwerking te ontwikkelen teneinde de capaciteitsvergroting op het gebied van wetenschappelijk onderzoek & ontwikkeling en de vergaring en verspreiding van informatie te versterken om hen in staat te stellen uitvoering te geven aan hun strategieën gericht op het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte.

Artikel 18. Coördinatie en partnerschapsakkoorden
1.

De Partijen die landen in Afrika zijn, coördineren de opstelling van, het onderhandelen over en het uitvoeren van nationale, subregionale en regionale actieprogramma's. Zij kunnen, in voorkomend geval, andere Partijen en daarvoor in aanmerking komende intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties daarbij betrekken.

2.

Deze coördinatie heeft tot doel te garanderen dat de financiële en technische samenwerking geschiedt in overeenstemming met het Verdrag, en te zorgen voor de nodige continuïteit bij de aanwending en het beheer van de middelen.

3.

De Partijen die landen in Afrika zijn, organiseren overleg op nationaal, subregionaal en regionaal niveau. Dit overleg kan:

4.

Het permanente secretariaat kan, op verzoek van de Partijen die landen in Afrika zijn, overeenkomstig artikel 23 van het Verdrag het beleggen van bedoeld overleg vergemakkelijken door:

5.

De subregionale en regionale coördinerende lichamen dienen, onder andere:

6.

Participatie aan de overleggroepen groepen staat, naar gelang het geval, open voor Regeringen, belanghebbende groepen en donoren, de desbetreffende organen, fondsen en programma's van het stelsel der Verenigde Naties, de desbetreffende subregionale en regionale organisaties en vertegenwoordigers van de desbetreffende niet-gouvernementele organisaties. De deelnemers van elke groep stellen de wijze van beheer en functioneren van de groep vast.

7.

Overeenkomstig artikel 14 van het Verdrag worden de Partijen die ontwikkelde landen zijn aangemoedigd om op eigen initiatief onderling een informeel proces van overleg en coördinatie tot stand te brengen op nationaal, subregionaal en regionaal niveau en om, op verzoek van een Partij die getroffen land in Afrika is of van een daarvoor in aanmerking komende subregionale of regionale organisatie, deel te nemen aan nationaal, subregionaal of regionaal overleg dat behoeften aan bijstand evalueert en daarin voorziet, teneinde de uitvoering te vergemakkelijken.

Artikel 19. Follow-up-regelingen

De follow-up van deze Bijlage wordt uitgevoerd door de Partijen die landen in Afrika zijn, zulks in overeenstemming met het Verdrag en als volgt:

Artikel 1. Doel

Deze Bijlage heeft tot doel te voorzien in richtlijnen en regelingen voor een doeltreffende uitvoering van het Verdrag in de Partijen die getroffen landen in de Aziatische regio zijn, gelet op de bijzondere omstandigheden van die regio.

Artikel 2. Bijzondere omstandigheden van de Aziatische regio

Bij de nakoming van hun verplichtingen ingevolge het Verdrag nemen de Partijen, in voorkomend geval, de volgende bijzondere omstandigheden in aanmerking die in uiteenlopende mate van toepassing zijn op de Partijen die getroffen landen in deze regio zijn:

Artikel 3. Kader voor nationale actieprogramma's
1.

Nationale actieprogramma's dienen een integrerend deel uit te maken van een meer omvattend nationaal beleid inzake duurzame ontwikkeling van de Partijen die getroffen landen in de regio zijn.

2.

De Partijen die getroffen landen zijn, ontwikkelen, waar nodig, nationale actieprogramma's in overeenstemming met de artikelen 9 tot en met 11 van het Verdrag, daarbij bijzondere aandacht bestedend aan artikel 10, tweede lid, letter f. Zo nodig kunnen instellingen voor bilaterale en multilaterale samenwerking hierbij worden betrokken op verzoek van het betrokken getroffen land dat Partij is.

Artikel 4. Nationale actieprogramma's
1.

Bij de opstelling en uitvoering van nationale actieprogramma's kunnen de Partijen die getroffen landen in de regio zijn, overeenkomstig hun onderscheiden omstandigheden en beleid, onder andere, naar gelang het geval:

2.

Overeenkomstig artikel 10 van het Verdrag dient in de algemene strategie van nationale actieprogramma's de nadruk te worden gelegd op geïntegreerde plaatselijke ontwikkelingsprogramma's voor getroffen gebieden, gebaseerd op participatiemechanismen en op het integreren van strategieën voor armoedebestrijding in inspanningen gericht op het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte. Sectoriële maatregelen in actieprogramma's dienen te worden gebundeld op prioriteitsterreinen die rekening houden met de grote verscheidenheid aan getroffen gebieden in de in artikel 2, letter a, bedoelde regio.

Artikel 5. Subregionale en gezamenlijke actieprogramma's
1.

Op grond van artikel 11 van het Verdrag kunnen de Partijen die getroffen landen in Azië zijn onderling overeenkomen, waar mogelijk, overleg te plegen en samen te werken met andere Partijen om subregionale of gezamenlijke actieprogramma's op te stellen en uit te voeren, naar gelang het geval, ter aanvulling van nationale actieprogramma's en ter vergroting van de doelmatigheid van de uitvoering daarvan. In beide gevallen kunnen de betrokken Partijen gezamenlijk besluiten subregionale organisaties, met inbegrip van bilaterale of nationale organisaties, of gespecialiseerde instellingen te belasten met taken die verband houden met de opstelling, coördinatie en uitvoering van programma's. Deze organisaties of instellingen kunnen ook fungeren als steunpunt ter stimulering en coördinering van maatregelen ingevolge de artikelen 16 en 18 van het Verdrag.

2.

Bij de opstelling en uitvoering van subregionale of gezamenlijke actieprogramma's zullen de Partijen die getroffen landen in de regio zijn, onder andere, waar mogelijk:

3.

Subregionale of gezamenlijke actieprogramma's kunnen mede omvatten: overeengekomen gezamenlijke programma's voor duurzaam beheer van grensoverschrijdende natuurlijke rijkdommen die verband houden met woestijnvorming, prioriteiten voor coördinatie en andere activiteiten op het gebied van capaciteitsvergroting, wetenschappelijke en technische samenwerking, met name waarschuwingssystemen voor verdroging en uitwisseling van informatie, en middelen om de desbetreffende subregionale en andere organisaties of instellingen te versterken.

Artikel 6. Regionale activiteiten

Regionale activiteiten om subregionale of gezamenlijke actieprogramma's kracht bij te zetten kunnen, onder andere, omvatten: maatregelen gericht op versterking van instellingen en mechanismen voor coördinatie en samenwerking op nationaal, subregionaal en regionaal niveau, en op het bevorderen van de toepassing van de artikelen 16 tot en met 19 van het Verdrag. Deze activiteiten kunnen tevens behelzen:

Artikel 7. Financiële middelen en mechanismen
1.

De Partijen bevorderen, gezien het belang van het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte in de Aziatische regio, het beschikbaar (doen) stellen van aanzienlijke financiële middelen en de beschikbaarheid van financiële mechanismen, zulks overeenkomstig de artikelen 20 en 21 van het Verdrag.

2.

In overeenstemming met het Verdrag en op basis van de in artikel 8 bedoelde coördinerende mechanismen en overeenkomstig hun nationale ontwikkelingsbeleid zullen de Partijen die getroffen landen in de regio zijn, afzonderlijk of gezamenlijk:

3.

De Partijen stroomlijnen, voor zover mogelijk, de procedures om gelden te sluizen naar de Partijen die getroffen landen in de regio zijn.

Artikel 8. Mechanismen voor samenwerking en coördinatie
1.

Via de ingevolge artikel 4, eerste lid, letter a, aangewezen daarvoor in aanmerking komende lichamen kunnen de Partijen die getroffen landen zijn en andere Partijen in de regio, waar mogelijk, mechanismen opzetten, onder andere voor de volgende doeleinden:

2.

Via de ingevolge artikel 4, eerste lid, letter a, aangewezen daarvoor in aanmerking komende lichamen kunnen de Partijen die getroffen landen zijn en andere Partijen in de regio, waar mogelijk, tevens overleg plegen en zorgen voor coördinatie met betrekking tot nationale, subregionale en gezamenlijke actieprogramma's. Zij kunnen, waar mogelijk, andere Partijen en de desbetreffende intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties daarbij betrekken. Deze coördinatie dient, onder andere, te streven naar overeenstemming over mogelijkheden voor internationale samenwerking in overeenstemming met de artikelen 20 en 21 van het Verdrag, de technische samenwerking uit te breiden en middelen te sluizen, opdat deze daadwerkelijk worden gebruikt.

3.

De Partijen die getroffen landen in de regio zijn, houden periodieke coördinatiebijeenkomsten en het permanente secretariaat kan, op hun verzoek, overeenkomstig artikel 23 van het Verdrag, het beleggen van deze coördinatiebijeenkomsten vergemakkelijken door:

Artikel 1. Doel

Deze Bijlage heeft tot doel algemene richtlijnen te geven voor de uitvoering van het Verdrag in de Latijns-Amerikaanse en Caribische regio, gelet op de bijzondere omstandigheden van die regio.

Artikel 2. Bijzondere omstandigheden van de Latijns-Amerikaanse en Caribische regio

De Partijen nemen, overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag, de volgende bijzondere omstandigheden van de regio in aanmerking:

Artikel 3. Actieprogramma's
1.

In overeenstemming met het Verdrag, in het bijzonder de artikelen 9 tot en met 11 daarvan, en overeenkomstig hun nationale ontwikkelingsbeleid stellen de Partijen die getroffen landen in de regio zijn, waar mogelijk, nationale actieprogramma's op gericht op het bestrijden van woestijnvorming en het inperken van de gevolgen van droogte, en voeren zij deze uit, als integrerend deel van hun nationale beleid inzake duurzame ontwikkeling. Er kunnen subregionale en regionale programma's worden opgesteld en uitgevoerd overeenkomstig de behoeften van de regio.

2.

Bij het opstellen van hun nationale actieprogramma's schenken de Partijen die getroffen landen in de regio zijn bijzondere aandacht aan artikel 10, tweede lid, letter f, van het Verdrag.

Artikel 4. Inhoud van nationale actieprogramma's

Gelet op hun onderscheiden omstandigheden, kunnen de Partijen die getroffen landen in de regio zijn, onder andere, de volgende thema's in aanmerking nemen bij het ontwikkelen van hun nationale strategieën gericht op het bestrijden van woestijnvorming en/of het inperken van de gevolgen van droogte, zulks overeenkomstig artikel 5 van het Verdrag:

Artikel 5. Technische, wetenschappelijke en technologische samenwerking

In overeenstemming met het Verdrag, in het bijzonder de artikelen 16 tot en met 18 daarvan, en op basis van het in artikel 7 bedoelde coördinerende mechanisme, zullen de Partijen die getroffen landen in de regio zijn, afzonderlijk of gezamenlijk:

Artikel 6. Financiële middelen en mechanismen

In overeenstemming met het Verdrag, in het bijzonder de artikelen 20 en 21 daarvan, op basis van het in artikel 7 bedoelde coördinerende mechanisme en overeenkomstig hun nationale ontwikkelingsbeleid, zullen de Partijen die getroffen landen in de regio zijn, afzonderlijk of gezamenlijk:

Artikel 7. Institutioneel kader
1.

Teneinde uitvoering te geven aan deze Bijlage zullen de Partijen die getroffen landen in de regio zijn:

2.

De Partijen die getroffen landen in de regio zijn, houden periodieke coördinatiebijeenkomsten en het permanente secretariaat kan, op hun verzoek, overeenkomstig artikel 23 van het Verdrag, het beleggen van deze coördinatiebijeenkomsten vergemakkelijken door:

Artikel 1. Doel

Deze Bijlage heeft tot doel te voorzien in richtlijnen en regelingen die noodzakelijk zijn voor een doeltreffende uitvoering van het Verdrag in de Partijen die getroffen landen in het noordelijk Middellandse-Zeegebied zijn, gelet op de bijzondere omstandigheden van die regio.

Artikel 2. Bijzondere omstandigheden van het noordelijke Middellandse Zeegebied

De in artikel 1 bedoelde bijzondere omstandigheden van het noordelijke Middellandse-Zeegebied omvatten:

Artikel 3. Kader voor strategische planning ten behoeve van duurzame ontwikkeling
1.

Nationale actieprogramma's dienen een centraal en integrerend deel uit te maken van het kader voor strategische planning ten behoeve van duurzame ontwikkeling in de Partijen die getroffen landen in het noordelijke Middellandse-Zeegebied zijn.

2.

Er dient een op overleg en participatie gebaseerd proces, waarbij overheden op het juiste niveau, plaatselijke gemeenschappen en niet-gouvernementele organisaties zijn betrokken, op gang te worden gebracht om te voorzien in sturing voor een strategie met een flexibele planning, teneinde voor een zo groot mogelijke plaatselijke participatie te zorgen, overeenkomstig artikel 10, tweede lid, letter f, van het Verdrag.

Artikel 4. Verplichting tot het opstellen van nationale actieprogramma's en tijdschema

De Partijen die getroffen landen in het noordelijke Middellandse-Zeegebied zijn, dienen nationale actieprogramma's en, waar mogelijk, subregionale, regionale of gezamenlijke actieprogramma's op te stellen. De opstelling van deze programma's dient zo spoedig mogelijk te worden gefinaliseerd.

Artikel 5. Opstelling en uitvoering van nationale actieprogramma's

Bij de opstelling en uitvoering van nationale actieprogramma's ingevolge de artikelen 9 en 10 van het Verdrag zal elke Partij die getroffen land in de regio is, waar mogelijk:

Artikel 6. Inhoud van nationale actieprogramma's

De Partijen die getroffen landen in de regio zijn, kunnen in hun nationale actieprogramma's maatregelen opnemen met betrekking tot:

Artikel 7. Subregionale, regionale en gezamenlijke actieprogramma's
1.

De Partijen die getroffen landen in de regio zijn, kunnen in overeenstemming met artikel 11 van het Verdrag subregionale en/of regionale actieprogramma's opstellen en uitvoeren in aanvulling op en ter vergroting van de doelmatigheid van nationale actieprogramma's. Twee of meer Partijen die getroffen landen in de regio zijn, kunnen eveneens overeenkomen onderling een gezamenlijk actieprogramma op te stellen.

2.

De bepalingen van de artikelen 5 en 6 zijn van overeenkomstige toepassing op het opstellen en uitvoeren van subregionale, regionale en gezamenlijke actieprogramma's. Bovendien kunnen deze programma's mede betrekking hebben op het verrichten van onderzoek en het ontplooien van activiteiten betreffende geselecteerde ecosystemen in getroffen gebieden.

3.

Bij de opstelling en uitvoering van subregionale, regionale of gezamenlijke actieprogramma's kunnen Partijen die getroffen landen in de regio zijn, waar mogelijk:

Artikel 8. Coördinatie van subregionale, regionale en gezamenlijke actieprogramma's

De Partijen die getroffen landen zijn en die een subregionaal, regionaal of gezamenlijk actieprogramma opstellen, kunnen een coördinatiecommissie instellen, bestaande uit vertegenwoordigers van elke Partij die getroffen land is; deze commissie toetst de gemaakte vorderingen bij het bestrijden van woestijnvorming, harmoniseert de nationale actieprogramma's, doet aanbevelingen in de verschillende stadia van de opstelling en uitvoering van de subregionale, regionale of gezamenlijke actieprogramma's en treedt op als steunpunt voor de bevordering en coördinatie van technische samenwerking ingevolge de artikelen 16 tot en met 19 van het Verdrag.

Artikel 9. Het niet in aanmerking komen voor financiële hulp

Bij de uitvoering van nationale, subregionale, regionale of gezamenlijke actieprogramma's komen de Partijen die getroffen ontwikkelde landen in de regio zijn niet in aanmerking van financiële hulp ingevolge dit Verdrag.

Artikel 10. Coördinatie met andere subregio's en regio's

Subregionale, regionale en gezamenlijke actieprogramma's in het noordelijke Middellandse-Zeegebied kunnen worden opgesteld en uitgevoerd in samenwerking met die van andere subregio's en regio's, in het bijzonder met die van de subregio Noord-Afrika.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized to that effect, have signed the present Convention.

DONE at Paris, this 17th day of June one thousand nine hundred and ninetyfour.