Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens

Type Verdrag
Publication 2020-06-07
Laatst bijgewerkt 2005-01-31
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Er kan worden overgegaan tot monsterneming en analysering ter plaatse om te kunnen bevestigen dat er geen in de lijsten opgenomen stoffen aanwezig zijn die niet zijn opgegeven. In geval van onopgeloste onduidelijkheden kunnen de monsters worden geanalyseerd op een hiertoe aangewezen laboratorium elders, mits de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag daarmee instemt.

20

De inspectieperiode mag niet langer duren dan 24 uur; tussen het inspectieteam en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag kunnen evenwel verlengingen worden overeengekomen.

Kennisgeving van de inspectie

21

Een Staat die Partij is bij dit Verdrag dient ten minste 120 uur vóór de aankomst van het inspectieteam op het te inspecteren fabriekscomplex door het Technisch Secretariaat van de inspectie in kennis te worden gesteld.

C. UITVOERING EN TOETSING VAN TITEL B

Uitvoering

22

De uitvoering van Titel B dient aan het begin van het vierde jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag aan te vangen, tenzij de Conferentie op haar gewone vergadering in het derde jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag anders besluit.

23

De Directeur-Generaal stelt voor de gewone vergadering van de Conferentie in het derde jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag een rapport op waarin hij verslag doet van de ervaring die het Technisch Secretariaat heeft opgedaan bij de uitvoering van de bepalingen van de Afdelingen VII en VIII van deze Bijlage alsook van Titel A van deze Afdeling.

24

Op haar gewone vergadering in het derde jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan de Conferentie op basis van het rapport van de Directeur-Generaal ook besluiten over de verdeling van de voor verificatie ingevolge Titel B beschikbare middelen tussen PSF-fabrieken en andere inrichtingen voor de produktie van stoffen. Anders wordt deze verdeling overgelaten aan het Technisch Secretariaat en toegevoegd aan de in paragraaf 11 bedoelde factoren.

25

Op haar gewone vergadering in het derde jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag besluit de Conferentie, op grond van een advies van de Uitvoerende Raad, op welke basis (bijvoorbeeld regionaal) voorstellen van Staten die Partij zijn bij dit Verdrag moeten worden ingediend om mede in aanmerking te kunnen worden genomen bij de in paragraaf 11 bedoelde keuze.

Toetsing

26

Op de eerste bijzondere vergadering van de Conferentie, bijeengeroepen overeenkomstig artikel VIII, lid 22, worden de bepalingen van deze Afdeling van de Verificatiebijlage opnieuw bestudeerd in het licht van een allesomvattende toetsing van het gehele verificatieregime voor de chemische industrie (artikel VI, Afdelingen VII tot en met IX van deze Bijlage) op basis van de opgedane ervaring. De Conferentie doet dan aanbevelingen ten einde de doelmatigheid van het verificatieregime te verbeteren.

AFDELING X. Uitdagingsinspecties ingevolge artikel IX

A. DE AANWIJZING EN KEUZE VAN INSPECTEURS EN INSPECTIE-ASSISTENTEN

1

Uitdagingsinspecties ingevolge artikel IX mogen slechts worden verricht door speciaal daartoe aangewezen inspecteurs en inspectieassistenten. Ten einde inspecteurs en inspectie-assistenten voor uitdagingsinspecties ingevolge artikel IX te kunnen aanwijzen, stelt de Directeur-Generaal een lijst van voorgedragen inspecteurs en inspectie-assistenten op, door dezen te kiezen uit inspecteurs en inspectieassistenten ten behoeve van routine-inspecties. Deze lijst dient een voldoende aantal inspecteurs en inspectie-assistenten te omvatten die beschikken over de nodige kwalificaties, ervaring, vaardigheid en opleiding, opdat een flexibele keuze van de inspecteurs mogelijk is, rekening houdend met hun beschikbaarheid en de nodige roulering. Tevens dient rekening te worden gehouden met het belang van een selectie van de inspecteurs en inspectie-assistenten op een zo breed mogelijke geografische basis. De aanwijzing van de inspecteurs en inspectie-assistenten dient te geschieden volgens de in Afdeling II, Titel A, van deze Bijlage omschreven procedures.

2

De Directeur-Generaal bepaalt de grootte van het inspectieteam en kiest de leden ervan, rekening houdend met de omstandigheden van een bepaald verzoek. De grootte van het inspectieteam dient beperkt te blijven tot het minimum dat noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het inspectiemandaat. Een onderdaan van de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag of van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag mag geen lid van het inspectieteam zijn.

B. AAN DE INSPECTIE VOORAFGAANDE ACTIVITEITEN

3

Alvorens het verzoek om een uitdagingsinspectie in te dienen kan de Staat die Partij is bij dit Verdrag de Directeur-Generaal verzoeken te doen bevestigen dat het Technisch Secretariaat in staat is onmiddellijk actie te ondernemen naar aanleiding van het verzoek. Indien de Directeur-Generaal deze bevestiging niet onmiddellijk kan geven, dient hij zulks zo spoedig mogelijk alsnog te doen, daarbij de volgorde van de verzoeken om bevestiging in acht nemend. Hij dient de Staat die Partij is bij dit Verdrag tevens in te lichten over het tijdstip waarop onmiddellijk actie zou kunnen worden ondernomen. Mocht de Directeur-Generaal tot de slotsom komen dat tijdig optreden naar aanleiding van verzoeken niet langer mogelijk is, dan kan hij de Uitvoerende Raad verzoeken passende maatregelen te treffen om een en ander in de toekomst beter te doen verlopen.

Kennisgeving

4

Het tot de Uitvoerende Raad en de Directeur-Generaal te richten verzoek om een uitdagingsinspectie dient ten minste de volgende informatie te bevatten:

  • a. de te inspecteren Staat die Partij is bij dit Verdrag en, indien van toepassing, de Gaststaat;
  • b. het te gebruiken punt van binnenkomst;
  • c. de omvang en de aard van de inspectieplaats;
  • d. de bezorgdheid met betrekking tot de mogelijke niet-naleving van dit Verdrag onder vermelding van de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag waarover bezorgdheid is ontstaan, en de aard en de omstandigheden van de mogelijke niet-naleving, alsmede alle daarvoor in aanmerking komende informatie op grond waarvan de bezorgdheid is ontstaan; en
  • e. de naam van de waarnemer van de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag.

De verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag kan alle bijkomende informatie verstrekken die hij noodzakelijk acht.

5

De Directeur-Generaal geeft de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag binnen een uur een bevestiging van de ontvangst van het verzoek.

6

De verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag dient de Directeur-Generaal tijdig in kennis te stellen van de ligging van de inspectieplaats, ten einde de Directeur-Generaal in staat te stellen deze informatie ten minste 12 uur vóór de geplande aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst mede te delen aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag.

7

De inspectieplaats dient door de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag zo nauwkeurig mogelijk te worden aangeduid aan de hand van een plattegrond, onder vermelding van een referentiepunt met geografische coördinaten, zo mogelijk tot op de seconde nauwkeurig. Indien mogelijk dient de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag ook een landkaart te verstrekken waarop de inspectieplaats globaal is aangeduid, alsook een tekening waarop zo precies mogelijk de verlangde omtrek van de te inspecteren plaats is aangegeven.

8

De verlangde omtrek:

  • a. dient op een afstand van ten minste 10 meter van gebouwen of andere bouwwerken te lopen;
  • b. mag bestaande veiligheidsomheiningen niet snijden; en
  • c. dient ten minste 10 meter buiten bestaande veiligheidsomheiningen te lopen die de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag binnen de verlangde omtrek wenst te doen vallen.

9

Indien de verlangde omtrek niet aan de voorschriften van paragraaf 8 voldoet, dient deze opnieuw door het inspectieteam te worden vastgesteld in overeenstemming met die bepaling.

10

De Directeur-Generaal stelt de Uitvoerende Raad ten minste 12 uur vóór de geplande aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst in kennis van de ligging van de inspectieplaats als bedoeld in paragraaf 7.

11

Gelijktijdig met de kennisgeving aan de Uitvoerende Raad overeenkomstig paragraaf 10 zendt de Directeur-Generaal het verzoek om inspectie toe aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, onder vermelding van de ligging van de inspectieplaats als bedoeld in paragraaf 7. Deze kennisgeving omvat tevens de informatie genoemd in Afdeling II, paragraaf 32, van deze Bijlage.

12

Na aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst dient de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag door het inspectieteam in kennis te worden gesteld van het inspectiemandaat.

Binnenkomst op het grondgebied van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de Gaststaat

13

De Directeur-Generaal zendt zo spoedig mogelijk na de ontvangst van een verzoek om inspectie een inspectieteam in overeenstemming met artikel IX, dertiende tot en met achttiende lid. Het inspectieteam dient binnen de kortst mogelijke tijd op het in het verzoek vermelde punt van binnenkomst aan te komen, in overeenstemming met de bepalingen van de paragrafen 10 en 11.

14

Indien de verlangde omtrek aanvaardbaar is voor de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, dient deze zo spoedig mogelijk, doch in geen geval later dan 24 uur na de aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst, tot definitieve omtrek te worden verklaard. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient het inspectieteam te vervoeren naar de definitieve omtrek van de inspectieplaats. Indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag zulks noodzakelijk acht, kan dit vervoer maximaal 12 uur vóór het verstrijken van de in deze paragraaf voor de aanwijzing van de definitieve omtrek gestelde termijn beginnen. Het vervoer dient in elk geval uiterlijk 36 uur na de aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst te zijn beëindigd.

15

Voor alle opgegeven inrichtingen gelden de in de letters a en b omschreven procedures. (Voor de toepassing van deze Afdeling wordt onder „opgegeven inrichting" verstaan alle inrichtingen die zijn opgegeven ingevolge de artikelen III, IV en V. Met betrekking tot artikel VI wordt onder „opgegeven inrichting" slechts verstaan inrichtingen die zijn opgegeven ingevolge Afdeling VI van deze Bijlage, alsmede opgegeven fabrieken als vermeld in opgaven ingevolge Afdeling VII, paragrafen 7 en 10, letter c, en Afdeling VIII, paragrafen 7 en 10, letter c, van deze Bijlage.)

  • a. Indien de verlangde omtrek binnen de opgegeven omtrek valt, of daarmee overeenkomt, wordt de opgegeven omtrek als de definitieve omtrek beschouwd. De definitieve omtrek kan echter, met instemming van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, worden verkleind ten einde deze te doen overeenstemmen met de door de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag verlangde omtrek.
  • b. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient het inspectieteam zo spoedig mogelijk, doch in elk geval uiterlijk 24 uur na aankomst op het punt van binnenkomst, te vervoeren naar de definitieve omtrek.

Alternatieve vaststelling van de definitieve omtrek

16

Indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag de verlangde omtrek niet kan aanvaarden, stelt deze op het punt van binnenkomst zo spoedig mogelijk een alternatieve omtrek voor, doch in geen geval later dan 24 uur na de aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst. In geval van verschillen van mening gaan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag en het inspectieteam onderhandelingen aan met het doel overeenstemming te bereiken omtrent een definitieve omtrek.

17

De alternatieve omtrek dient zo nauwkeurig mogelijk te worden aangeduid in overeenstemming met paragraaf 8. Daarin dient de gehele verlangde omtrek te zijn begrepen en er dient normaal gesproken een nauw verband te bestaan tussen eerstbedoelde en laatstbedoelde omtrek, natuurlijke kenmerken van het terrein en niet-natuurlijke grenzen in aanmerking genomen. De omtrek dient normaliter dicht bij de veiligheidsomheining te lopen, indien deze aanwezig is. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient ernaar te streven bedoeld verband tussen de omtrekken vast te stellen aan de hand van een combinatie van ten minste twee van de volgende mogelijkheden:

  • a. een alternatieve omtrek die een gebied omgrenst dat niet wezenlijk groter is dan dat van de verlangde omtrek;
  • b. een alternatieve omtrek die op een korte, gelijke afstand van de verlangde omtrek loopt;
  • c. ten minste een gedeelte van de verlangde omtrek is zichtbaar vanaf de alternatieve omtrek.

18

Indien de alternatieve omtrek aanvaardbaar is voor het inspectieteam, wordt deze de definitieve omtrek en wordt het inspectieteam van het punt van binnenkomst naar die omtrek vervoerd. Indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag zulks noodzakelijk acht, kan dit vervoer maximaal 12 uur na het verstrijken van de in paragraaf 16 voor het voorstellen van een alternatieve omtrek gestelde termijn beginnen. Het vervoer dient in elk geval uiterlijk 36 na de aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst te zijn beëindigd.

19

Indien geen definitieve omtrek wordt overeengekomen, dienen de onderhandelingen over de omtrek zo spoedig mogelijk te worden afgerond; zij mogen in geen geval langer duren dan 24 uur na de aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, dient de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag het inspectieteam te vervoeren naar een plaats bij de alternatieve omtrek. Indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag zulks noodzakelijk acht, kan dit vervoer maximaal 12 uur vóór het verstrijken van de in paragraaf 16 voor het voorstellen van een alternatieve omtrek gestelde termijn beginnen. Het vervoer dient in elk geval uiterlijk 36 uur na de aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst te zijn beëindigd.

20

Zodra het inspectieteam op de desbetreffende plaats is aangekomen dient de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag het team onmiddellijk toegang te verlenen tot de alternatieve omtrek, ten einde de onderhandelingen over en het bereiken van overeenstemming omtrent de definitieve omtrek, alsook de toegang tot het gebied binnen de definitieve omtrek, te vergemakkelijken.

21

Indien geen overeenstemming wordt bereikt binnen 72 uur na de aankomst van het inspectieteam op de desbetreffende plaats, wordt de alternatieve omtrek tot definitieve omtrek verklaard.

Verificatie van de plaats

22

Ten einde te kunnen vaststellen dat de inspectieplaats waarnaar het inspectieteam is vervoerd, overeenstemt met de door de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag genoemde inspectieplaats, heeft het inspectieteam het recht goedgekeurde plaatsbepalingsapparatuur te gebruiken en deze te doen opstellen overeenkomstig zijn aanwijzingen. Het inspectieteam mag de plaats waar het zich bevindt verifiëren aan de hand van plaatselijke herkenningstekenen die het afleidt van kaarten. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient het inspectieteam hierbij te helpen.

Beveiliging van de inspectieplaats, controle van de uitgangen

23

Uiterlijk 12 uur na de aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst dient de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag te beginnen met het verzamelen van feitelijke gegevens betreffende al het uitgaande verkeer van alle middelen van vervoer te land, te water en in de lucht op alle punten waar dit verkeer de verlangde omtrek verlaat. De Staat die Partij is bij dit Verdrag dient deze gegevens aan het inspectieteam te verstrekken zodra dit aankomt bij de alternatieve of de definitieve omtrek, naar gelang van waar dit het eerst aankomt.

24

Aan deze verplichting kan worden voldaan door feitelijke gegevens te verzamelen met behulp van logboeken, foto's, video-opnamen of gegevens afkomstig van uitrusting die de aanwezigheid van stoffen aantoont, welke door het inspectieteam ter beschikking zijn gesteld om het uitgaande verkeer te bewaken. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag kan daarentegen ook aan deze verplichting voldoen door één of meer leden van het inspectieteam toe te staan zelfstandig logboeken bij te houden, foto's of video-opnamen te maken van het uitgaand verkeer, dan wel uitrusting te gebruiken die de aanwezigheid van stoffen aantoont, alsmede alle andere tussen de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag en het inspectieteam overeen te komen taken te verrichten.

25

Na de aankomst van het inspectieteam bij de alternatieve of de definitieve omtrek, naar gelang van waar dit het eerst aankomt, dient de beveiliging van de inspectieplaats, d.w.z. de procedures ter controle van de uitgangen, te beginnen.

26

Deze procedures bestaan onder andere in: het identificeren van de uitgaande voertuigen, het bijhouden van logboeken en het maken van foto's en video-opnamen van de uitgangen en het uitgaande verkeer door het inspectieteam. Het inspectieteam heeft het recht om onder begeleiding naar elk ander gedeelte van de omtrek te gaan om zich ervan te vergewissen dat daar geen sprake is van ander uitgaand verkeer.

27

Aanvullende procedures ter controle van de uitgangen, als overeengekomen door het inspectieteam en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, kunnen onder andere omvatten:

  • a. het gebruik van sensoren;
  • b. willekeurig gekozen toegang;
  • c. het analyseren van monsters.

28

Alle activiteiten ter beveiliging van de inspectieplaats en controle van de uitgangen dienen plaats te vinden in een buiten de omtrek gelegen strook met een breedte van ten hoogste 50 meter.

29

Het inspectieteam heeft het recht de voertuigen die de inspectieplaats verlaten te inspecteren overeenkomstig de regels inzake gereguleerde toegang. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient alles wat redelijkerwijs mogelijk is in het werk te stellen om ten overstaan van het inspectieteam aan te tonen dat een voertuig dat is onderworpen aan inspectie en waartoe het inspectieteam geen onbelemmerde toegang verkrijgt, niet wordt gebruikt voor doeleinden die verband houden met de in het verzoek om inspectie vermelde bezorgdheid over de mogelijke niet-naleving van dit Verdrag.

30

Binnenkomende personeelsleden en voertuigen en uitgaande personeelsleden en voertuigen voor personenvervoer zijn niet onderworpen aan inspectie.

31

De toepassing van de hierboven beschreven procedures kan voortduren zolang de inspectie duurt, maar zij mag de normale werking van de inrichting niet onredelijk belemmeren of vertragen.

Briefing vóór de inspectie en inspectieplan

32

Ter vergemakkelijking van het opstellen van een inspectieplan geeft de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag het inspectieteam, voordat dit wordt toegelaten, een briefing inzake veiligheid en logistiek.

33

De aan de inspectie voorafgaande briefing dient te worden gehouden in overeenstemming met Afdeling II, paragraaf 37, van deze Bijlage. In de loop van deze briefing vóór de inspectie kan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag het inspectieteam wijzen op de apparatuur, de documenten of ruimten die hij beschouwt als gevoelig en waarvan hij meent dat zij geen verband houden met het doel van de uitdagingsinspectie. Bovendien dient voor de inspectieplaats verantwoordelijk personeel het inspectieteam voor te lichten over de indeling en de andere relevante kenmerken van die plaats. Aan het inspectieteam dient een kaart of een op schaal vervaardigde tekening te worden verstrekt waarop alle bouwwerken en belangrijke geografische bijzonderheden zijn aangegeven. Het inspectieteam dient tevens te worden voorgelicht over de beschikbaarheid van personeel en dossiers in de inrichting.

34

Na de aan de inspectie voorafgaande briefing stelt het inspectieteam op basis van de informatie waarover het beschikt en die het van toepassing acht, een eerste inspectieplan op, waarin de door het inspectieteam te verrichten activiteiten zijn aangegeven, onder vermelding van de afzonderlijke ruimten ter plaatse waartoe het team toegang wenst te verkrijgen. In het inspectieplan dient ook te worden vermeld of het inspectieteam zal worden onderverdeeld in subgroepen. Het inspectieplan dient ter beschikking te worden gesteld aan de vertegenwoordigers van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag en de inspectieplaats. De uitvoering daarvan dient in overeenstemming te zijn met de bepalingen van Titel C, met inbegrip van de bepalingen inzake toegang en activiteiten.

Activiteiten bij de omtrek

35

Na de aankomst van het inspectieteam bij de definitieve of alternatieve omtrek, naar gelang van waar dit het eerst aankomt, heeft het team het recht onmiddellijk te beginnen met de bij de omtrek te verrichten activiteiten in overeenstemming met de in deze Titel uiteengezette procedures, en deze activiteiten voort te zetten tot het einde van de uitdagingsinspectie.

36

Bij de verrichting van de activiteiten bij de omtrek heeft het inspectieteam het recht:

  • a. controle-instrumenten te gebruiken in overeenstemming met Afdeling II, paragrafen 27 tot en met 30, van deze Bijlage;
  • b. monsters van stoflagen, lucht- en bodemmonsters en monsters van het afvalwater te nemen; en
  • c. alle bijkomende activiteiten te verrichten als overeengekomen tussen het inspectieteam en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag.

37

De activiteiten van het inspectieteam bij de omtrek kunnen worden verricht binnen een strook van 50 meter breed buiten de omtrek. Indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag daarmee instemt, kan het inspectieteam ook toegang verkrijgen tot alle gebouwen of bouwwerken binnen die strook. Alle controle-instrumenten dienen naar binnen te zijn gericht. Bij opgegeven inrichtingen kan de strook, naar goeddunken van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, aan de binnenzijde, de buitenzijde of aan weerszijden van de opgegeven omtrek lopen.

C. HET HOUDEN VAN INSPECTIES

Algemene regels

38

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient toegang te verlenen binnen de verlangde omtrek alsook binnen de definitieve omtrek, indien deze daarvan afwijkt. Over de omvang en de aard van de toegang tot (een) bepaalde plaats(en) binnen deze omtrekken dient te worden onderhandeld tussen het inspectieteam en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag overeenkomstig de regels inzake gereguleerde toegang.

39

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient binnen de verlangde omtrek zo spoedig mogelijk toegang te verlenen, doch in elk geval niet later dan 108 uur na de aankomst van het inspectieteam op het punt van binnenkomst, ten einde opheldering te geven met betrekking tot de in het verzoek om inspectie vermelde bezorgdheid omtrent de mogelijke niet-naleving van dit Verdrag.

40

Op verzoek van het inspectieteam kan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag toegang tot de inspectieplaats verlenen vanuit de lucht.

41

Ten einde te voldoen aan het voorschrift toegang te verlenen als bepaald in paragraaf 38 is de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag verplicht in de hoogst mogelijk mate toegang te verlenen, daarbij eventuele constitutionele verplichtingen met betrekking tot eigendomsrechten of huiszoekingen en inbeslagnemingen in aanmerking nemend. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft het recht, overeenkomstig de regels inzake gereguleerde toegang, de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om de nationale veiligheid te beschermen. Op de bepalingen van deze paragraaf mag door de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag geen beroep worden gedaan om zich te onttrekken aan zijn verplichtingen zich te onthouden van ingevolge dit Verdrag verboden activiteiten.

42

Indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag geen onbelemmerde toegang verleent tot plaatsen, activiteiten of informatie, is hij verplicht alles wat redelijkerwijs mogelijk is in het werk te stellen om andere mogelijkheden te bieden om opheldering te verkrijgen met betrekking tot de bezorgdheid omtrent de niet-naleving van het Verdrag die de aanleiding vormde tot de uitdagingsinspectie.

43

Na aankomst bij de definitieve omtrek van ingevolge de artikelen IV, V en VI opgegeven inrichtingen dient in aansluiting op de aan de inspectie voorafgaande briefing en de bespreking van het inspectieplan, welke tot het noodzakelijke minimum beperkt dienen te blijven en in elk geval niet langer dan drie uur mogen duren, toegang te worden verleend.

44

Bij de uitvoering van de uitdagingsinspectie in overeenstemming met het verzoek om inspectie mag het inspectieteam slechts methoden gebruiken die noodzakelijk zijn om voldoende relevante feiten aan te dragen om opheldering te verkrijgen over de bezorgdheid omtrent de mogelijke niet-naleving van de bepalingen van dit Verdrag, en dient het zich te onthouden van niet-relevante activiteiten. Het inspectieteam mag feiten en bewijsstukken verzamelen die verband houden met de mogelijke niet-naleving van de bepalingen van dit Verdrag door de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, maar het mag geen informatie en bewijsstukken zoeken die daarmee duidelijk geen verband houden, tenzij de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag het team uitdrukkelijk verzoekt zulks wel te doen. Verzameld materiaal dat vervolgens niet relevant wordt geacht, mag niet worden behouden.

45

Het inspectieteam dient zich te laten leiden door het principe dat de uitdagingsinspectie dient te worden uitgevoerd op de minst mogelijke hinder veroorzakende wijze die verenigbaar is met een doeltreffende en tijdige vervulling van zijn opdracht. Waar mogelijk dient het team te beginnen met de aanvaardbaar geachte procedures die de minst mogelijke hinder veroorzaken, en slechts over te gaan tot meer ingrijpende procedures wanneer het zulks noodzakelijk acht.

Gereguleerde toegang

46

Het inspectieteam dient voorgestelde wijzigingen van het inspectieplan en door de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag gedane voorstellen in overweging te nemen, ongeacht in welk stadium van de inspectie en de daaraan voorafgaande briefing, met het oog op de bescherming van gevoelige apparatuur, informatie of ruimten die geen verband houden met chemische wapens.

47

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag wijst de in- en uitgangen op de omtrek aan waarvan gebruik moet worden gemaakt in verband met de toegang. Het inspectieteam en de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dienen te onderhandelen over: de omvang van de toegang tot (een) bepaalde plaats(en) binnen de definitieve omtrek en de verlangde omtrek als bedoeld in paragraaf 48, de concrete door het inspectieteam te verrichten inspectie-activiteiten, met inbegrip van monsterneming, het verrichten van bepaalde activiteiten door de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag en het verstrekken van bepaalde informatie door de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag.

48

In overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van de Vertrouwelijkheidsbijlage heeft de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag het recht maatregelen te nemen ter bescherming van gevoelige installaties en ter voorkoming van onthulling van vertrouwelijke informatie en gegevens die geen verband houden met chemische wapens. Deze maatregelen kunnen onder andere omvatten:

  • a. het verwijderen van gevoelige stukken uit de kantoorruimten;
  • b. het afdekken van gevoelige opgehangen/opgestelde voorwerpen, voorraden en apparatuur;
  • c. het afdekken van gevoelige delen van de uitrusting, zoals computersystemen of elektronische systemen;
  • d. het afmelden uit computersystemen of het uitschakelen van beeldweergavetoestellen;
  • e. het opleggen van beperkingen voor het analyseren van monsters ter vaststelling van de aanwezigheid van de in de Lijsten 1, 2 en 3 genoemde stoffen of de desbetreffende ontledingsprodukten;
  • f. willekeurig kiezen van toegang waarbij de inspecteurs wordt verzocht een bepaald aantal of percentage gebouwen te kiezen die zij zullen inspecteren; ditzelfde principe kan ook worden toegepast op het inwendige van gevoelige gebouwen;
  • g. in uitzonderlijke gevallen slechts enkele inspecteurs toegang verlenen tot bepaalde delen van de inspectieplaats.

49

De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient alles wat redelijkerwijs mogelijk is in het werk te stellen om ten overstaan van het inspectieteam aan te tonen dat een object, gebouw, bouwwerk, houder of voertuig waartoe het inspectieteam geen onbelemmerde toegang heeft gehad, of dat is beschermd in overeenstemming met paragraaf 48, niet wordt gebruikt voor doeleinden die verband houden met de in het verzoek om inspectie vermelde mogelijke niet-naleving van dit Verdrag.

50

Dit kan onder andere geschieden door middel van het gedeeltelijk verwijderen van een afdekking of beschermingskap, naar goeddunken van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, door middel van een visuele inspectie van het inwendige van een afgesloten ruimte vanaf de ingang, of op enige andere wijze.

51

In geval van ingevolge de artikelen IV, V en VI opgegeven inrichtingen is het volgende van toepassing:

  • a. in inrichtingen waarvoor inrichtingsakkoorden bestaan, geldt dat de toegang en de activiteiten binnen de definitieve omtrek onbelemmerd zijn binnen de in de akkoorden vastgestelde grenzen;
  • b. in inrichtingen waarvoor geen inrichtingsakkoorden bestaan, dient over de toegang en de activiteiten te worden onderhandeld op grond van de desbetreffende ingevolge dit Verdrag vastgestelde algemene richtlijnen inzake inspectie;
  • c. toegang anders dan die welke is toegestaan voor inspecties ingevolge de artikelen IV, V en VI dient te worden gereguleerd in overeenstemming met de procedures van deze Titel.

52

In geval van ingevolge artikel III, eerste lid, letter d, opgegeven inrichtingen is het volgende van toepassing: indien de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, met inachtneming van de procedures van de paragrafen 47 en 48, geen onbelemmerde toegang heeft verleend tot ruimten of bouwwerken die geen verband houden met chemische wapens, dient hij alles wat redelijkerwijs mogelijk is in het werk te stellen om ten overstaan van het inspectieteam aan te tonen dat die ruimten of bouwwerken niet worden gebruikt voor doeleinden die verband houden met de in het verzoek om inspectie vermelde bezorgdheid omtrent de niet-naleving van het Verdrag.

Waarnemer

53

In overeenstemming met de bepalingen van artikel IX, twaalfde lid, inzake de deelneming van een waarnemer aan de uitdagingsinspectie dient de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag zich in verbinding te stellen met het Technisch Secretariaat om de aankomst van de waarnemer zodanig te coördineren, dat deze aankomt op hetzelfde punt van binnenkomst als het inspectieteam, zulks binnen een redelijke termijn na de aankomst van het inspectieteam.

54

De waarnemer heeft het recht gedurende de gehele inspectieperiode contact te onderhouden met de in de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de Gaststaat gevestigde ambassade van de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag, of ingeval daar geen ambassade is, met de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag zelf. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient de waarnemer communicatiemiddelen ter beschikking te stellen.

55

De waarnemer heeft het recht zich naar de alternatieve of de definitieve omtrek van de inspectieplaats te begeven, waar het inspectieteam het eerst aankomt, en de door de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag verleende toegang tot de inspectieplaats te verkrijgen. De waarnemer heeft het recht aanbevelingen te doen aan het inspectieteam, die het inspectieteam in aanmerking dient te nemen voor zover het team dat passend acht. Gedurende de gehele inspectie dient het inspectieteam de waarnemer op de hoogte te houden van de uitvoering van de inspectie en van de bevindingen.

56

Gedurende de gehele verblijfsperiode dient de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag de waarnemer de nodige voorzieningen ter beschikking te stellen ofte doen stellen, zoals communicatiemiddelen, tolkdiensten, vervoer, werkruimte, onderdak, maaltijden en medische verzorging. Alle kosten in verband met het verblijf van de waarnemer op het grondgebied van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag of de Gaststaat worden gedragen door de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag.

Duur van de inspectie

57

De inspectieperiode mag niet langer duren dan 84 uur, tenzij deze met instemming van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag wordt verlengd.

D. ACTIVITEITEN NA DE INSPECTIE

Vertrek

58

58.

Na afloop van de na de inspectie op de inspectieplaats te verrichten procedures dienen het inspectieteam en de waarnemer van de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag zich zo spoedig mogelijk naar het punt van vertrek te begeven en het grondgebied van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag binnen de kortst mogelijk tijd te verlaten.

Verslagen

59

In het inspectieverslag dient een algemeen overzicht te worden gegeven van de door het inspectieteam verrichte activiteiten en de concrete bevindingen van het inspectieteam, in het bijzonder met betrekking tot de in het verzoek om de uitdagingsinspectie vermelde bezorgdheid omtrent de mogelijke niet-naleving van dit Verdrag; het verslag dient zich te beperken tot informatie die rechtstreeks verband houdt met dit Verdrag. Het verslag dient tevens een beoordeling door het inspectieteam te omvatten van de mate en de aard van de aan de inspecteurs verleende toegang en medewerking, daarbij aangevend in hoeverre zulks hen in staat stelde het inspectiemandaat uit te voeren. Gedetailleerde informatie betreffende de in het verzoek om de uitdagingsinspectie vermelde bezorgdheid omtrent de mogelijke niet-naleving van dit Verdrag dient als bijlage bij het eindverslag te worden ingediend en bij het Technisch Secretariaat te worden bewaard met passende waarborgen voor de bescherming van gevoelige informatie.

60

Het inspectieteam dient uiterlijk 72 uur na zijn terugkeer op zijn standplaats een voorlopig inspectieverslag over te leggen aan de Directeur-Generaal, zulks met inachtneming van onder andere paragraaf 17 van de Vertrouwelijkheidsbijlage. De Directeur-Generaal doet het voorlopige inspectieverslag onverwijld toekomen aan de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag, de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag en de Uitvoerende Raad.

61

Uiterlijk 20 dagen na afloop van de uitdagingsinspectie dient aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag een concept van het eindverslag van de inspectie ter beschikking te worden gesteld. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag heeft het recht alle niet met chemische wapens verband houdende informatie en gegevens aan te geven die naar zijn mening, vanwege het vertrouwelijk karakter ervan, niet buiten het Technisch Secretariaat zouden mogen worden verspreid. Het Technisch Secretariaat neemt de door de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag voorgestelde wijzigingen op het concept van het eindverslag van de inspectie in overweging en keurt deze, zo mogelijk, naar eigen goeddunken goed. Het eindverslag dient vervolgens uiterlijk 30 dagen na afloop van de uitdagingsinspectie te worden voorgelegd aan de Directeur-Generaal ter verspreiding en overweging in overeenstemming met artikel IX, leden 21 tot en met 25.

AFDELING XI. Onderzoeken in geval van vermeend gebruik van chemische wapens

A. ALGEMEEN

1

Onderzoeken naar vermeend gebruik van chemische wapens of vermeend gebruik van oproerbestrijdingsmiddelen als wijze van oorlogvoering, ingesteld ingevolge artikel IX of X, dienen te worden verricht in overeenstemming met deze Bijlage en de gedetailleerde door de Directeur-Generaal vast te stellen procedures.

2

De volgende aanvullende bepalingen hebben betrekking op speciale procedures die vereist zijn in geval van vermeend gebruik van chemische wapens.

B. ACTIVITEITEN VÓÓR DE INSPECTIE

Verzoek om een onderzoek

3

Het verzoek om een onderzoek naar vermeend gebruik van chemische wapens, dat dient te worden ingediend bij de Directeur-Generaal, dient, voor zover mogelijk, de volgende informatie te bevatten:

  • a. De Staat die Partij is bij dit Verdrag op wiens grondgebied het gebruik van chemische wapens zou hebben plaatsgevonden;
  • b. het punt van binnenkomst of een voorstel voor andere veilige toegangswegen;
  • c. de ligging en kenmerken van de gebieden waar chemische wapens zouden zijn gebruikt;
  • d. wanneer de chemische wapens zouden zijn gebruikt;
  • e. de typen van de chemische wapens die vermoedelijk zijn gebruikt;
  • f. de mate van het vermeende gebruik;
  • g. de eigenschappen van de mogelijke giftige stoffen; h. de effecten voor mensen, dieren en planten;
  • i. verzoeken om specifieke bijstand, indien van toepassing.

4

De Staat die Partij is bij dit Verdrag die om een onderzoek heeft verzocht, kan te allen tijde alle aanvullende informatie indienen die hij noodzakelijk acht.

Kennisgeving

5

De Directeur-Generaal geeft de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag onmiddellijk een bevestiging van de ontvangst van zijn verzoek en stelt de Uitvoerende Raad en alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag van het verzoek in kennis.

6

Indien van toepassing doet de Directeur-Generaal kennisgeving aan de Staat die Partij is bij dit Verdrag op wiens grondgebied om een onderzoek is verzocht. De Directeur-Generaal doet tevens kennisgeving aan andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag indien tijdens het onderzoek toegang tot hun grondgebied vereist is.

Aanwijzing van het inspectieteam

7

De Directeur-Generaal stelt een lijst op van gekwalificeerde deskundigen wier bekwaamheid op een bepaald vakgebied nodig zou kunnen zijn bij een onderzoek naar vermeend gebruik van chemische wapens, en werkt deze lijst voortdurend bij. Deze lijst wordt uiterlijk 30 dagen na de inwerkingtreding van dit Verdrag en na iedere verandering in de lijst schriftelijk bekendgemaakt aan elke Staat die Partij is bij dit Verdrag. Elke in deze lijst opgenomen gekwalificeerde deskundige wordt geacht te zijn aangewezen, tenzij een Staat die Partij is bij dit Verdrag uiterlijk 30 dagen na ontvangst van de lijst schriftelijk te kennen geeft deze niet te aanvaarden.

8

De Directeur-Generaal kiest de leider en de leden van een inspectieteam uit de inspecteurs en inspectie-assistenten die reeds zijn aangewezen voor uitdagingsinspecties, rekening houdend met de omstandigheden en de specifieke aard van een bepaald verzoek. Daarnaast kunnen leden van het inspectieteam worden gekozen uit de lijst van gekwalificeerde deskundigen wanneer, naar het oordeel van de Directeur-Generaal, de voor de goede verrichting van een bepaald onderzoek vereiste vakbekwaamheid niet aanwezig is onder de reeds aangewezen inspecteurs.

9

Bij de briefing van het inspectieteam deelt de Directeur-Generaal alle aanvullende informatie mede die is verstrekt door de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag, of afkomstig is uit enige andere bron, ten einde te verzekeren dat de inspectie op de meeste doeltreffende en spoedige wijze kan worden verricht.

Zenden van het inspectieteam

10

Onmiddellijk na de ontvangst van een verzoek om een onderzoek naar vermeend gebruik van chemische wapens verzoekt de Directeur-Generaal, door middel van contacten met de desbetreffende Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, om regelingen voor de veilige ontvangst van het team, en bevestigt hij deze.

11

De Directeur-Generaal zendt het team zo spoedig mogelijk, de veiligheid van het team hierbij in aanmerking nemend.

12

Indien het inspectieteam niet binnen 24 uur na de ontvangst van het verzoek is gezonden, stelt de Directeur-Generaal de Uitvoerende Raad en de betrokken Staten die Partij zijn bij dit Verdrag in kennis van de redenen voor de vertraging.

Briefings

13

Het inspectieteam heeft het recht te worden gebrieft door vertegenwoordigers van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, zulks na aankomst en op enig tijdstip gedurende de inspectie.

14

Voor de aanvang van de inspectie dient het inspectieteam een inspectieplan op te stellen dat, onder andere, als basis dient voor de logistieke regelingen en veiligheidsvoorzieningen. Het inspectieplan dient wanneer nodig te worden bijgewerkt.

C. VERRICHTING VAN DE INSPECTIES

Toegang

15

Het inspectieteam heeft recht op toegang tot alle gebieden die door het vermeende gebruik van chemische wapens zouden zijn getroffen. Het heeft ook recht op toegang tot ziekenhuizen, vluchtelingenkampen en andere plaatsen die het relevant acht om het vermeende gebruik van chemische wapens doeltreffend te kunnen onderzoeken. Voor bedoelde toegang dient het inspectieteam overleg te plegen met de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag.

Monsterneming

16

Het inspectieteam heeft het recht monsters te verzamelen van de typen en in de hoeveelheden die het noodzakelijk acht. Indien het inspectieteam zulks noodzakelijk acht, en indien het hierom verzoekt, dient de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag bijstand te verlenen bij het verzamelen van de monsters onder leiding van inspecteurs of inspectie-assistenten. De geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag dient ook toe te stemmen in en medewerking te verlenen bij het verzamelen van daarvoor in aanmerking komende controlemonsters uit gebieden in de nabijheid van de plaats van het vermeende gebruik, en uit andere gebieden, voor zover het inspectieteam zulks verlangt.

17

Monsters die van belang zijn voor het onderzoek naar vermeend gebruik zijn onder andere giftige stoffen, munitie en andere inzetmiddelen, resten van munitie en andere inzetmiddelen, milieumonsters (lucht, bodem, flora, water, sneeuw, enz.) en biomedische monsters afkomstig van mens en dier (bloed, urine, faecaliën, weefsel, enz).

18

Indien geen extra monsters kunnen worden genomen en de analyse geschiedt in laboratoria elders, dient elk overgebleven monster na afloop van de analyse te worden geretourneerd aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag, indien hierom wordt verzocht.

Uitbreiding van de inspectieplaats

19

Indien het inspectieteam het gedurende een inspectie noodzakelijk acht het onderzoek uit te breiden tot een aangrenzende Staat die Partij is bij dit Verdrag, deelt de Directeur-Generaal die Staat die Partij is bij dit Verdrag mede dat toegang tot zijn grondgebied noodzakelijk is en verzoekt hij om regelingen voor de veilige ontvangst van het team en bevestigt hij deze.

Verlenging van de duur van de inspectie

20

Indien het inspectieteam van oordeel is dat de veilige toegang tot een bepaald gebied dat van belang is voor het onderzoek niet mogelijk is, dient de verzoekende Staat die Partij is bij dit Verdrag daarvan onmiddellijk in kennis te worden gesteld. Indien nodig dient de inspectieperiode te worden verlengd totdat veilige toegang kan worden geboden en het inspectieteam zijn opdracht heeft volbracht.

Vraaggesprekken

21

Het inspectieteam heeft het recht vraaggesprekken te houden met personen die kunnen zijn getroffen door het vermeende gebruik van chemische wapens en hen te onderzoeken. Het heeft tevens het recht vraaggesprekken te houden met ooggetuigen van het vermeende gebruik van chemische wapens en met medisch personeel en anderen die degenen die kunnen zijn getroffen door het vermeende gebruik van chemische wapens hebben behandeld of contact met hen hebben gehad. Het inspectieteam dient inzage te krijgen in anamneses, indien beschikbaar, en toestemming te krijgen om aanwezig te zijn bij lijkschouwingen, indien van toepassing, van personen die kunnen zijn getroffen door het vermeende gebruik van chemische wapens.

D. VERSLAGEN

Procedures

22

Het inspectieteam dient uiterlijk 24 uur na aankomst op het grondgebied van de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag een verslag van de toestand te doen toekomen aan de Directeur-Generaal. Voorts dient het gedurende het gehele onderzoek zorg te dragen voor de voortgangsrapportage, indien noodzakelijk.

23

Het inspectieteam dient uiterlijk72 uur na zijn terugkeer op zijn standplaats een voorlopig verslag in te dienen bij de Directeur-Generaal. Het eindverslag dient uiterlijk 30 dagen na terugkeer op de standplaats te worden ingediend bij de Directeur-Generaal. De Directeur-Generaal doet het voorlopige verslag en het eindverslag onverwijld toekomen aan de Uitvoerende Raad en aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag.

Inhoud

24

In het verslag inzake de toestand dient de eventuele dringende behoefte aan bijstand en alle andere informatie te worden vermeld. In de voortgangsrapportage dient melding te worden gemaakt van alle verdere behoefte aan bijstand die aan het licht treedt in de loop van het onderzoek.

25

Het eindverslag dient een overzicht te geven van de concrete bevindingen van de inspectie, in het bijzonder met betrekking tot het vermeende gebruik als genoemd in het verzoek. Bovendien dient een verslag van een onderzoek naar een vermeend gebruik een beschrijving van het onderzoeksproces te omvatten, waarin de verschillende fasen worden doorlopen, onder vermelding van met name:

  • a. de plaatsen en tijdstippen van de monsterneming en analysering ter plaatse; en
  • b. bewijsmateriaal, zoals verslagen van vraaggesprekken, de resultaten van medische onderzoeken en wetenschappelijke analyses en door het inspectieteam bestudeerde stukken.

26

Indien het inspectieteam, onder andere door het aantreffen van onzuiverheden en andere stoffen tijdens de laboratoriumanalyse van de genomen monsters, in de loop van het onderzoek informatie verzamelt die kan bijdragen tot het opsporen van de herkomst van eventueel gebruikte chemische wapens, dient die informatie in het verslag te worden opgenomen.

E. STATEN DIE GEEN PARTIJ ZIJN BIJ DIT VERDRAG

27

In geval van vermeend gebruik van chemische wapens dat een Staat betreft die geen Partij is bij dit Verdrag, dan wel een grondgebied dat niet onder het toezicht van een Staat die Partij is bij dit Verdrag valt, werkt de Organisatie nauw samen met de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Indien daarom wordt verzocht, stelt de Organisatie haar middelen ter beschikking van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

A. ALGEMENE BEGINSELEN VOOR HET OMGAAN MET VERTROUWELIJKE INFORMATIE

1

De verplichting tot het beschermen van vertrouwelijke informatie geldt voor de verificatie van zowel civiele als militaire activiteiten en inrichtingen. Ingevolge de in artikel VIII uiteengezette algemene verplichtingen zal de Organisatie:

  • a. slechts het minimum aan informatie en gegevens verlangen die zij nodig heeft voor de tijdige en doelmatige uitvoering van haar verantwoordelijkheden krachtens dit Verdrag;
  • b. de nodige maatregelen nemen om te verzekeren dat inspecteurs en overige medewerkers van het Technisch Secretariaat voldoen aan de hoogste normen wat betreft doelmatigheid, bekwaamheid en integriteit;
  • c. overeenkomsten en regelingen ontwikkelen voor de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag, en zo nauwkeurig mogelijk de informatie omschrijven waartoe aan de Organisatie toegang wordt verleend door een Staat die Partij is bij dit Verdrag.

2

De Directeur-Generaal draagt de hoogste verantwoordelijkheid voor het verzekeren van de bescherming van vertrouwelijke informatie. De Directeur-Generaal stelt strenge regels vast voor het omgaan met vertrouwelijke informatie door het Technisch Secretariaat, en neemt daarbij de volgende richtlijnen in acht:

  • a. Informatie wordt als vertrouwelijk beschouwd indien:
  • i. die informatie als zodanig bestempeld is door de Staat die Partij is bij dit Verdrag waarvan zij werd verkregen en waarop zij betrekking heeft;
  • ii. naar het oordeel van de Directeur-Generaal redelijkerwijs kan worden verwacht dat de ongeoorloofde onthulling van die informatie schade zou toebrengen aan de Staat die Partij is bij dit Verdrag waarop zij betrekking heeft, of aan de mechanismen voor de toepassing van dit Verdrag.
  • b. Alle door het Technisch Secretariaat verkregen gegevens en documenten worden door het desbetreffende onderdeel van het Technisch Secretariaat nagezien op de aanwezigheid daarin van vertrouwelijke informatie. De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag worden geregeld voorzien van de gegevens die zij nodig hebben om zich te verzekeren van de naleving van dit Verdrag door de andere Staten die Partij zijn bij dit Verdrag. Deze gegevens omvatten:
  • i. de eerste en jaarlijkse verslagen en opgaven die door de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag worden verstrekt ingevolge de artikelen III, IV, V en VI, in overeenstemming met de in de Verificatiebijlage uiteengezette bepalingen;
  • ii. algemene verslagen inzake de resultaten en de doeltreffendheid van verificatie-activiteiten; en
  • iii. informatie die dient te worden verstrekt aan alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag;
  • c. Informatie die door de Organisatie wordt verkregen in verband met de toepassing van dit Verdrag mag niet worden gepubliceerd of op andere wijze worden vrijgegeven, behalve als volgt:
  • i. Algemene informatie over de toepassing van dit Verdrag kan worden gebundeld en openbaar worden gemaakt in overeenstemming met de besluiten van de Conferentie of de Uitvoerende Raad;
  • ii. Informatie kan worden vrijgegeven met de uitdrukkelijke instemming van de Staat die Partij is bij dit Verdrag waarop die informatie betrekking heeft;
  • iii. Informatie die als vertrouwelijk is gerubriceerd, wordt door de Organisatie uitsluitend vrijgegeven volgens procedures die verzekeren dat het vrijgeven van de informatie alleen geschiedt in strikte overeenstemming met hetgeen voor de toepassing van dit Verdrag noodzakelijk is. Deze procedures zullen worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie ingevolge Artikel VIII, lid 21, letter i;
  • d. Het niveau van gevoeligheid van vertrouwelijke gegevens of documenten wordt vastgesteld op basis van criteria die eenvormig dienen te worden toegepast opdat passende behandeling en bescherming ervan wordt verzekerd. Hiertoe wordt een rubriceringssysteem ingevoerd dat, voortbouwend op het desbetreffende werk dat tijdens de voorbereiding van dit Verdrag is aangevangen, voorziet in duidelijke criteria die moeten verzekeren dat de informatie in passende vertrouwelijkheidsklassen wordt ingedeeld en dat het vertrouwelijke karakter van die informatie behouden blijft zolang dit gerechtvaardigd is. Het rubriceringssysteem moet enerzijds met de nodige flexibiliteit worden toegepast en anderzijds de rechten beschermen van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag die vertrouwelijke informatie verstrekken. Een rubriceringssysteem zal worden bestudeerd en goedgekeurd door de Conferentie ingevolge artikel VIII, lid 21, letter i;
  • e. Vertrouwelijke informatie wordt op veilige wijze opgeslagen in het kantoor van de Organisatie. Sommige gegevens of documenten kunnen ook worden opgeslagen bij de Nationale Autoriteit van een Staat die Partij is bij dit Verdrag. Gevoelige informatie, met inbegrip van onder andere foto's, plattegronden en andere documenten die slechts vereist zijn voor de inspectie van een bepaalde inrichting, kan achter slot en grendel in die inrichting worden bewaard;
  • f. Voor zover niet strijdig met de doeltreffende toepassing van de verificatiebepalingen van dit Verdrag wordt informatie door het Technisch Secretariaat behandeld en opgeslagen in een zodanige vorm dat het niet mogelijk is de inrichting waarop de informatie betrekking heeft, onmiddellijk te herkennen;
  • g. De hoeveelheid vertrouwelijke informatie die uit een inrichting wordt meegenomen wordt beperkt tot het minimum dat noodzakelijk is voor de tijdige en doeltreffende toepassing van de verificatiebepalingen van dit Verdrag; en
  • h. De toegang tot vertrouwelijke informatie wordt geregeld in overeenstemming met de rubricering ervan. De verspreiding van vertrouwelijke informatie binnen de Organisatie geschiedt strikt op basis van de noodzaak van kennisneming ervan.

3

De Directeur-Generaal brengt jaarlijks verslag uit aan de Conferentie over de uitvoering van alle regelingen voor de wijze waarop het Technisch Secretariaat omgaat met vertrouwelijke informatie.

4

Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag dient de informatie die hij van de Organisatie ontvangt te behandelen overeenkomstig het voor die informatie vastgestelde niveau van vertrouwelijkheid. Op verzoek dient een Staat die Partij is bij dit Verdrag bijzonderheden te verstrekken over de wijze waarop wordt omgegaan met de door de Organisatie aan die Staat verstrekte informatie.

B. AANSTELLING EN HANDELWIJZE VAN MEDEWERKERS VAN HET TECHNISCH SECRETARIAAT

5

De voorwaarden voor het aanstellen van personeel dienen van dien aard te zijn dat verzekerd wordt dat de door de Directeur-Generaal in overeenstemming met Titel A vastgestelde procedures worden gevolgd wat betreft de toegang tot en met omgaan met vertrouwelijke informatie.

6

Voor iedere functie binnen het Technisch Secretariaat dient een formele functieomschrijving te worden opgesteld, waarin wordt omschreven of en in welke mate toegang tot vertrouwelijke informatie in die functie noodzakelijk is.

7

De Directeur-Generaal, de inspecteurs en de andere medewerkers mogen geen vertrouwelijke informatie onthullen waarvan zij kennis nemen in de verrichting van hun officiële taken aan onbevoegden, zelfs niet na beëindiging van hun functies. Zij mogen aan geen enkele Staat, organisatie of persoon buiten het Technisch Secretariaat informatie doorgeven waartoe zij toegang hebben in verband met hun activiteiten met betrekking tot een Staat die Partij is bij dit Verdrag.

8

In de uitoefening van hun functie mogen inspecteurs slechts verzoeken om de informatie en gegevens die zij nodig hebben voor de vervulling van hun mandaat. Zij mogen geen dossiers bijhouden van informatie die incidenteel wordt verzameld en geen verband houdt met de verificatie van de naleving van dit Verdrag.

9

De medewerkers dienen individuele geheimhoudingsovereenkomsten aan te gaan met het Technisch Secretariaat voor de duur van hun aanstelling plus een tijdvak van vijf jaar na de beëindiging daarvan.

10

Ter vermijding van ongewenste onthulling worden inspecteurs en medewerkers op passende wijze geïnstrueerd over en gewezen op beveiligingsoverwegingen en de mogelijke sancties die hun zouden worden opgelegd in geval van ongewenste onthulling.

11

Ten minste 30 dagen voordat aan een medewerker toestemming wordt verleend voor toegang tot vertrouwelijke informatie die betrekking heeft op activiteiten op het grondgebied van of op een andere plaats onder de rechtsmacht of het toezicht van een Staat die Partij is bij dit Verdrag, dient die Staat in kennis te worden gesteld van de voorgenomen verlening van toegang. Wat inspecteurs betreft, wordt aan dit vereiste geacht te zijn voldaan met de kennisgeving van een voorgenomen aanwijzing.

12

Bij de evaluatie van het functioneren van inspecteurs en andere medewerkers van het Technisch Secretariaat dient in het bijzonder te worden gelet op de staat van dienst van de medewerker ten aanzien van de bescherming van vertrouwelijke informatie.

C. MAATREGELEN TER BESCHERMING VAN GEVOELIGE INSTALLATIES EN TER VOORKOMING VAN DE ONTHULLING VAN VERTROUWELIJKE GEGEVENS IN DE LOOP VAN VERIFICATIE-ACTIVITEITEN TER PLAATSE

13

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag kunnen alle maatregelen nemen die zij noodzakelijk achten ter bescherming van de vertrouwelijkheid, mits zij voldoen aan hun verplichtingen betreffende het aantonen van de naleving van het Verdrag in overeenstemming met de desbetreffende artikelen en de Verificatiebijlage. Een Staat die Partij is bij dit Verdrag die een inspectie ondergaat, kan aan het inspectieteam de uitrusting, de documentatie of de ruimten aanwijzen die hij beschouwt als gevoelig en niet relevant voor de doeleinden van de inspectie.

14

De inspectieteams dienen zich te laten leiden door het beginsel dat inspecties ter plaatse worden verricht op de minst mogelijke hinder veroorzakende wijze die verenigbaar is met de doeltreffende en tijdige voltooiing van de missie. Zij dienen voorstellen in overweging te nemen die door de Staat die Partij is bij dit Verdrag die een inspectie ondergaat, in ieder stadium van de inspectie kunnen worden gedaan om te verzekeren dat gevoelige uitrusting of informatie die geen verband houdt met chemische wapens, wordt beschermd.

15

De inspectieteams dienen zich strikt te houden aan de bepalingen betreffende de verrichting van inspecties in de desbetreffende artikelen en Bijlagen. Zij dienen alle procedures die zijn ontwikkeld ter bescherming van gevoelige installaties en ter voorkoming van de onthulling van vertrouwelijke gegevens, ten volle te eerbiedigen.

16

Bij het uitwerken van regelingen en inrichtingsakkoorden dient voldoende rekening te worden gehouden met de plicht vertrouwelijke informatie te beschermen. Overeenkomsten inzake inspectieprocedures voor afzonderlijke inrichtingen dienen mede specifieke en gedetailleerde regelingen te omvatten betreffende de vaststelling van de ruimten in de inrichting waartoe de inspecteurs toegang krijgen, de opslag van vertrouwelijke informatie ter plaatse, de reikwijdte van de inspectiewerkzaamheden in de overeengekomen gebieden, het nemen van monsters en de analyse ervan, de toegang tot dossiers en het gebruik van instrumenten en van apparatuur voor constante controle.

17

Het na iedere inspectie op te stellen verslag dient enkel feiten te bevatten die verband houden met de naleving van dit Verdrag. Het verslag dient te worden behandeld in overeenstemming met de door de Organisatie vastgestelde regels voor het omgaan met vertrouwelijke informatie. Indien nodig mag de in het verslag vervatte informatie in minder gevoelige vormen worden verwerkt voordat zij wordt verspreid buiten het Technisch Secretariaat en wordt doorgegeven aan de geïnspecteerde Staat die Partij is bij dit Verdrag.

D. PROCEDURES IN GEVAL VAN SCHENDING OF VERMEENDE SCHENDING VAN DE VERTROUWELIJKHEID

18

De Directeur-Generaal stelt de nodige procedures vast die moeten worden gevolgd in geval van schending of vermeende schending van de vertrouwelijkheid, rekening houdend met de door de Conferentie ingevolge artikel VIII, lid 21, letter i, te bestuderen en goed te keuren aanbevelingen.

19

De Directeur-Generaal ziet toe op de toepassing van afzonderlijke geheimhoudingsovereenkomsten. De Directeur-Generaal stelt onmiddellijk een onderzoek in indien naar zijn oordeel voldoende factoren erop duiden dat de verplichtingen betreffende het beschermen van vertrouwelijke informatie zijn geschonden. De Directeur-Generaal stelt ook onmiddellijk een onderzoek in indien een Staat die Partij is bij dit Verdrag beweert dat er sprake is van een schending van de vertrouwelijkheid.

20

De Directeur-Generaal legt passende strafmaatregelen en disciplinaire maatregelen op aan medewerkers die hun verplichtingen tot het beschermen van vertrouwelijke informatie hebben geschonden. In geval van ernstige schending kan door de Directeur-Generaal afstand worden gedaan van de immuniteit van rechtsmacht.

21

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag verlenen, voor zover mogelijk, hun medewerking en steun aan de Directeur-Generaal bij het onderzoeken van schendingen of vermeende schendingen van de vertrouwelijkheid en bij het treffen van passende maatregelen indien een schending is vastgesteld.

22

De Organisatie wordt niet aansprakelijk geacht voor schendingen van de vertrouwelijkheid door medewerkers van het Technisch Secretariaat.

23

Bij schendingen waarbij zowel een Staat die Partij is bij dit Verdrag als de Organisatie betrokken zijn, wordt de zaak beoordeeld door een „Commissie voor de regeling van geschillen met betrekking tot vertrouwelijkheid", die wordt ingesteld als ondergeschikt orgaan van de Conferentie. Voorschriften betreffende haar samenstelling en werkwijze zullen door de Conferentie tijdens haar eerste vergadering worden aangenomen.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized to that effect, have signed this Convention.

DONE at Paris on 13 January 1993.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)