Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vrije Hanzestad Bremen inzake de samenwerking van de hogescholen van het Koninkrijk der Nederlanden met de Fachhochschulen van de Vrije Hanzestad Bremen

Type Verdrag
Publication 1996-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Vrije Hanzestad Bremen,

– hierna te noemen „Partijen” –

zijn,

geleid door de wens de samenwerking tussen de hogescholen van het Koninkrijk der Nederlanden en de Fachhochschulen van de Vrije Hanzestad Bremen te bevorderen en voor de studenten uit beide staten de studie in het respectieve andere land te vergemakkelijken,

het volgende overeengekomen:

1

Voor het gehele hoger beroepsonderwijs wordt gestreefd naar samenwerking respectievelijk vergemakkelijking van de uitwisseling van studenten, voor zover aan de Fachhochschulen en hogescholen overeenkomstige opleidingen worden aangeboden. Opleidingen die tot dusverre niet aan de Fachhochschulen en hogescholen worden aangeboden, zullen onder dit Verdrag vallen zodra zij door beide Partijen in het leven zijn geroepen.

Er worden lijsten uitgewisseld van de opleidingen die op het tijdstip waarop het verdrag wordt gesloten, aan de Fachhochschulen en hogescholen worden aangeboden.

2

Het verdrag heeft, overeenkomstig de hieronder genoemde nadere bepalingen, betrekking op:

4

De in artikel 2, derde lid, van dit Verdrag bedoelde studenten uit Nederland dienen aan te tonen dat zij voldoen aan de in Bremen voor de opneming van een studie eventueel vereiste bijzondere inschrijvingsvoorwaarden als voorwaarde voor de inschrijving.

Voor de in artikel 2, tweede lid, bedoelde studenten uit Nederland is een dergelijk bewijs niet vereist.

Voor de in artikel 2, eerste lid, bedoelde studenten worden de eventueel vereiste bijzondere inschrijvingsvoorwaarden in het voor de gemeenschappelijke opleiding door beide hogescholen op te stellen gemeenschappelijke examenreglement uniform voor alle aspirant-studenten vastgelegd. Als bijzondere voorwaarde voor de inschrijving voor een gemeenschappelijke opleiding dient te worden gesteld dat het bezit van voldoende kennis van de taal van het partnerland wordt aangetoond.

5

De in artikel 2, eerste lid, van dit Verdrag bedoelde studenten worden aan beide partnerhogescholen ingeschreven, opdat zij zonder restricties aan beide hogescholen het afsluitend examen kunnen afleggen en de overeenkomstige titel kunnen verkrijgen. De in artikel 2, tweede lid, van dit Verdrag bedoelde studenten blijven studenten van de uitzendende hogeschool; zij dienen aan de ontvangende Fachhochschule als »Nebenhörer«1)«Nebenhörer»: in Bremen de benaming van een student met een tweede inschrijving. met het recht op het bezoeken van colleges en op het afleggen van examens respectievelijk aan de ontvangende hogeschool via de procedure van de tweede inschrijving te worden toegelaten.

Voor de in artikel 2, derde lid, bedoelde studenten gelden de bestaande wettelijke regelingen.

6

Beide Partijen zijn het erover eens dat uitwisselingsprogramma's en gemeenschappelijke opleidingen in beginsel met telkens dezelfde aantallen studenten van de partnerhogescholen moeten worden gerealiseerd. Op deze grondslag krijgen de Duitse studenten en de met hen krachtens internationale verdragen gelijkgestelde studenten uit Bremen die aan een Nederlandse hogeschool studeren, het collegegeld vergoed in het kader van dit Verdrag; de regeling van de vergoeding van het collegegeld geschiedt in dit verband door de Nederlandse zijde op dezelfde wijze als dit voor studenten uit Nederland geschiedt.

Aan de hogescholen van de Vrije Hanzestad Bremen wordt geen collegegeld geheven; de als gewone studenten aan de Fachhochschulen in Bremen ingeschreven Nederlandse studenten zijn echter tijdens hun studie aan de Fachhochschulen verplicht tot betaling van de bijdrage voor de sociale en culturele voorzieningen ten behoeve van de studenten aan de desbetreffende hogeschool en voor de door studenten verrichte bestuurlijke taken.

7

Beide Partijen zijn het erover eens dat met betrekking tot de studiefinanciering voor de studenten het recht van het land van herkomst geldt, ook indien de studie in het partnerland wordt gevolgd; dit laat bestaande verdergaande regelingen in het respectieve partnerland onverlet.

Studenten uit Nederland behouden bij een studie aan een Fachhochschule in Bremen hun aanspraak op studiefinanciering op voorwaarde dat zij voldoen aan de naar Nederlands recht vereiste voorwaarden, in het bijzonder inzake de studievorderingen, het daadwerkelijke studeren, alsmede de maximale inschrijvingsduur en de duur van de studiefinanciering; de voor de verlening van studiefinanciering vereiste informatie dient door de betrokken onderwijsinstelling tijdig beschikbaar te worden gesteld.

8

De erkenning van studie- en examenresultaten geschiedt op de grondslag van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de erkenning van equivalenties op het gebied van het hoger onderwijs van 23 maart 1983. Beide Partijen zijn het erover eens dat dat Verdrag mede van toepassing is op de destijds nog niet bestaande hogescholen in Nederland.

11

Voor de realisering en begeleiding van het stagesemester in een gemeenschappelijke opleiding dienen overeenkomstig artikel 9 van het Verdrag uniforme regelingen te worden vastgelegd. De begeleiding in het kader van uitwisselingsprogramma's en in gemeenschappelijke opleidingen wordt verzorgd door de hogeschool in het gebied waarvan de stage wordt gelopen.

12

Beide Partijen zijn het erover eens de door Fachhochschulen en hogescholen gemeenschappelijk in het leven geroepen opleidingen door onafhankelijke commissies te laten evalueren om een evenredig hoog opleidingsniveau te kunnen waarborgen; de commissies worden ingesteld door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de »Senator für Bildung und Wissenschaft«. Elke commissie mag uit niet meer dan vijf leden bestaan, van wie er een respectievelijk twee door elke Partij worden benoemd; beide Partijen benoemen gezamenlijk de voorzitter, die van geen van de desbetreffende hogescholen deel mag uitmaken. De desbetreffende hogescholen dienen erbij te worden betrokken.

13

Beide Partijen verplichten zich ertoe hun hogescholen in het kader van de gevoteerde middelen uit de begroting in redelijke mate financiële middelen ter beschikking te stellen om de doeleinden van het Verdrag te kunnen realiseren.

14

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum waarop de Partijen elkaar schriftelijk hebben medegedeeld dat aan de constitutionele eisen is voldaan.

15

Dit Verdrag kan door beide partijen per 30 augustus van elk jaar worden opgezegd met inachtneming van een termijn van zes maanden. De opzegging dient schriftelijk te geschieden.

In een dergelijk geval blijven de bepalingen van het Verdrag met betrekking tot de tijdens de geldingsduur van het Verdrag getroffen regelingen van kracht voor de duur van de periode waarin de studenten hun studie op de voorgeschreven wijze kunnen voltooien, echter in geen geval langer dan zes jaar na opzegging van het verdrag.

16

Dit Verdrag is slechts van toepassing op het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden.

GEDAAN te Aken op 8 mei 1995 in tweevoud, in de Nederlandse en de Duitse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek.

Voor het Koninkrijk der Nederlanden

(w.g.) J. J. M. RITZEN

Voor de Vrije Hanzestad Bremen

(w.g.) Dr. HENNING SCHERF

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.