Europese Overeenkomst betreffende personen die deelnemen aan procedures voor het Europese Hof voor de Rechten van de Mens

Type Verdrag
Publication 1999-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Lidstaten van de Raad van Europa, die deze Overeenkomst hebben ondertekend,

Gelet op het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna te noemen „het Verdrag”);

Gelet op de Europese Overeenkomst betreffende personen die deelnemen aan procedures voor de Europese Commissie en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, ondertekend te Londen op 6 mei 1969;

Gelet op Protocol nr. 11 bij het Verdrag inzake herstructurering van het bij het Verdrag ingestelde controlemechanisme, ondertekend te Straatsburg op 11 mei 1994 (hierna te noemen „Protocol nr. 11 bij het Verdrag”), dat een permanent Europees Hof voor de Rechten van de Mens instelt (hierna te noemen „het Hof”), dat de Europese Commissie en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens vervangt;

Overwegende, in het licht van deze ontwikkeling, dat het voor een betere verwezenlijking van de doelstelling van het Verdrag raadzaam is dat personen die deelnemen aan procedures voor het Hof bepaalde immuniteiten en faciliteiten worden verleend door een nieuwe Overeenkomst, de Europese Overeenkomst betreffende personen die deelnemen aan procedures voor het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna te noemen „deze Overeenkomst”),

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1
1.

De personen op wie deze Overeenkomst van toepassing is, zijn:

2.

In deze Overeenkomst wordt onder de term „Hof" mede verstaan comités, Kamers, een college van de Grote Kamer, de Grote Kamer en de rechters. Onder de term „deelnemen aan procedures" wordt mede verstaan iedere handeling ter voorbereiding van het indienen van een klacht tegen een Staat die Partij is bij het Verdrag.

3.

Indien bij de uitoefening door het Comité van Ministers van zijn bevoegdheden ingevolge artikel 46, tweede lid, van het Verdrag een der personen genoemd in het eerste lid van dit artikel wordt opgeroepen om te verschijnen voor of schriftelijke verklaringen in te dienen bij het Comité van Ministers, zijn ook op hem de bepalingen van dit Verdrag van toepassing.

Artikel 2
1.

De personen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van deze Overeenkomst genieten immuniteit van rechtsvervolging ten aanzien van mondelinge of schriftelijke verklaringen afgelegd tegenover, of ten aanzien van documenten of ander bewijsmateriaal door hen overgelegd aan het Hof.

2.

Deze immuniteit geldt niet voor het mededelen buiten het Hof van tegenover het Hof afgelegde verklaringen of aan het Hof overgelegde documenten of ander bewijsmateriaal.

Artikel 3
1.

De Overeenkomstsluitende Partijen eerbiedigen het recht van de personen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van deze Overeenkomst, om vrijelijk te corresponderen met het Hof.

2.

Wat betreft zich in hechtenis bevindende personen houdt de uitoefening van dit recht met name in dat:

3.

Bij de toepassing van de voorgaande leden van dit artikel onthoudt het openbaar gezag zich van inmenging, tenzij de wet daarin voorziet en het betrokken optreden in een democratische samenleving noodzakelijk is voor de nationale veiligheid, de opsporing en de vervolging van een strafbaar feit of de bescherming van de gezondheid.

Artikel 4
3.

De Overeenkomstsluitende Partijen nemen de verplichting op zich alle in de voorgaande leden bedoelde personen die hun reis op hun grondgebied hebben aangevangen, daarop bij hun terugkeer weer toe te laten.

4.

Het in het eerste en tweede lid van dit artikel bepaalde is niet langer van toepassing wanneer de betrokken persoon gedurende vijftien achtereenvolgende dagen, te rekenen van de datum waarop zijn tegenwoordigheid niet langer door het Hof werd verlangd, gelegenheid heeft gehad terug te keren naar het land waar hij zijn reis heeft aangevangen.

5.

In geval van tegenstrijdigheid tussen de verplichtingen van een Overeenkomstsluitende Partij die voortvloeien uit het tweede lid van dit artikel en die welke voortvloeien uit een verdrag van de Raad van Europa, een uitleveringsverdrag of enig ander verdrag betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken dat is gesloten met andere Overeenkomstsluitende Partijen, gelden de bepalingen van het tweede lid van dit artikel.

Artikel 5
1.

De immuniteiten en faciliteiten worden aan de in artikel 1, eerste lid, van deze Overeenkomst bedoelde personen verleend, uitsluitend teneinde hun de vrijheid van spreken en de onafhankelijkheid te waarborgen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun functies, taak of verplichtingen, of voor de uitoefening van hun rechten met betrekking tot het Hof.

3.

Indien een Overeenkomstsluitende Partij officieel verklaart dat de opheffing van de immuniteit bedoeld in artikel 2, eerste lid, van deze Overeenkomst, noodzakelijk is in verband met een vervolging wegens een misdrijf tegen de nationale veiligheid, heft het Hof de immuniteit op in de mate waarin dit in de verklaring is omschreven.

4.

Indien een feit aan het licht komt dat vanwege zijn aard van beslissende betekenis kan zijn en waarvan ten tijde dat besloten werd te weigeren deze immuniteit op te heffen de indiener van het verzoek geen kennis droeg, kan deze een nieuw verzoek tot het Hof richten.

Artikel 6

Geen enkele bepaling van deze Overeenkomst mag zo worden uitgelegd dat zij een ingevolge het Verdrag en de Protocollen daarbij door de Overeenkomstsluitende Partijen aangegane verplichting zou beperken of daaraan afbreuk zou doen.

Artikel 7
1.

Deze Overeenkomst staat open voor ondertekening door de Lidstaten van de Raad van Europa die hun instemming te worden gebonden tot uitdrukking brengen door middel van:

2.

De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

Artikel 8
1.

Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt na het verstrijken van een tijdvak van een maand na de datum waarop tien Lidstaten van de Raad van Europa hun instemming door deze Overeenkomst te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht overeenkomstig het bepaalde in artikel 7, indien op die datum Protocol nr. 11 bij het Verdrag in werking is getreden of, indien dit niet het geval is, op de datum van inwerkingtreding van Protocol nr. 11.

2.

Voor elke Lidstaat die later zijn instemming door deze Overeenkomst te worden gebonden tot uitdrukking brengt, treedt deze Overeenkomst in werking op de eerste dag van de maand die volgt na het verstrijken van een tijdvak van een maand na de datum van de ondertekening of van de nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

Artikel 9
1.

Elke Overeenkomstsluitende Staat kan bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring of op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring de toepasselijkheid van deze Overeenkomst uitbreiden tot het gebied of de gebieden genoemd in die verklaring en voor de internationale betrekkingen waarvan hij verantwoordelijk is of waarvoor hij bevoegd is verplichtingen aan te gaan.

2.

Deze Overeenkomst treedt in werking ten aanzien van het gebied of de gebieden die in de ingevolge het eerste lid afgelegde verklaring zijn genoemd op de eerste dag van de maand die volgt na het verstrijken van een maand na de datum waarop de Secretaris-Generaal de verklaring heeft ontvangen.

3.

Iedere ingevolge het eerste lid afgelegde verklaring kan ten aanzien van elk in die verklaring genoemd gebied overeenkomstig de in artikel 10 van deze Overeenkomst omschreven procedure worden ingetrokken.

Artikel 10
1.

Deze Overeenkomst blijft voor onbepaalde tijd van kracht.

2.

Elke Overeenkomstsluitende Partij kan deze Overeenkomst ten aanzien van haarzelf opzeggen door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving.

3.

De opzegging wordt van kracht zes maanden na de datum waarop de Secretaris-Generaal de kennisgeving heeft ontvangen. De opzegging kan er echter niet toe leiden dat de betrokken Overeenkomstsluitende Partij wordt ontslagen van enige verplichting die uit deze Overeenkomst zou kunnen zijn ontstaan met betrekking tot personen bedoeld in artikel 1, eerste lid.

Artikel 11

De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de Lidstaten van de Raad in kennis van:

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Agreement.

DONE at Strasbourg, this 5th day of March 1996, in English and French, both texts being equally authentic, in a single copy which shall be deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each member State of the Council of Europe.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.