Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Letland inzake scheepvaart

Type Verdrag
Publication 1997-09-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Letland, hierna te noemen de Verdragsluitende Partijen,

Met het oog op de verdere ontwikkeling van de vriendschappelijke betrekkingen tussen de twee landen en de versterking van de samenwerking op het gebied van de scheepvaart,

Overeenkomstig de beginselen van gelijkheid en wederzijds voordeel,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag:

Artikel 2. Werkingssfeer

De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op de internationale scheepvaart tussen de Verdragsluitende Partijen, naar of uit derde landen, en op het vervoer van goederen en passagiers binnen het grondgebied van elk van beide Verdragsluitende Partijen, verricht door een schip van een Verdragsluitende Partij.

Artikel 3. Algemeen

De Verdragsluitende Partijen dragen in hun onderlinge betrekkingen in alle opzichten bij aan de vrijheid van de handelsscheepvaart en onthouden zich van elke handeling die de ontwikkeling van de internationale scheepvaart zou kunnen schaden.

Artikel 4
1.

Elke Verdragsluitende Partij past dit Verdrag toe in overeenstemming met haar internationale verplichtingen. De toepassing van dit Verdrag maakt geen inbreuk op de toepassing door het Koninkrijk der Nederlanden, als lidstaat van de Europese Unie, van de wetgeving van de Europese Unie, zoals gewijzigd of aangevuld.

2.

Onverminderd de verplichtingen van het Koninkrijk der Nederlanden als Partij bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake een gedragscode voor lijnvaartconferenties, onthoudt elke Verdragsluitende Partij zich van discriminatoire maatregelen ten aanzien van schepen van de andere Verdragsluitende Partij met betrekking tot de lijnvaart, de wilde vaart en de bulkvaart tussen de twee landen, en kent zij de schepen van de andere Verdragsluitende Partij een niet minder gunstige behandeling toe dan die welke aan schepen van derde landen wordt toegekend met betrekking tot de lijnvaart, de wilde vaart en de bulkvaart tussen de twee landen en tussen een van beide landen en derde landen.

Artikel 5. Ontwikkeling van de scheepvaart en overdracht van technische kennis

De Verdragsluitende Partijen komen overeen:

Artikel 6. Nationale behandeling
1.

Elke Verdragsluitende Partij kent aan schepen van de andere Verdragsluitende Partij in haar havens die openstaan voor buitenlandse handel en scheepvaart de nationale behandeling toe. Dit geldt ook voor door rederijen van de andere Verdragsluitende Partij geëxploiteerde schepen die de vlag van een derde land voeren, tenzij de bevoegde scheepvaartautoriteit van die Verdragsluitende Partij daartegen bezwaar maakt.

2.

De bepalingen van het eerste lid van dit artikel zijn van toepassing op douaneformaliteiten, de inning van heffingen en havengelden, vrijheid van toegang tot en gebruik van de havens, alsmede op alle aan de scheepvaart en commerciële handelingen verleende faciliteiten met betrekking tot schepen, bemanningsleden, passagiers en lading. Met name heeft dit betrekking op de toewijzing van ligplaatsen aan kaden, laad- en losvoorzieningen en havendiensten, met inbegrip van het loodsen en voorzieningen voor het bunkeren.

Artikel 7. Vergemakkelijking

De Verdragsluitende Partijen nemen, binnen de grenzen van hun respectieve nationale wetten en voorschriften, alle passende maatregelen om het verkeer over zee te vergemakkelijken en te bespoedigen, onnodig oponthoud van schepen te voorkomen en de afwikkeling van douaneformaliteiten en andere vereiste formaliteiten in de havens zoveel mogelijk te bespoedigen en te vereenvoudigen.

Artikel 8. Betaling van belastingen
1.

Inkomsten en winsten uit de exploitatie van schepen in internationaal verkeer van in eigendom toebehorende aan of bevrachte schepen van een onderneming van een Verdragsluitende Partij zijn slechts belastbaar op het grondgebied van die Verdragsluitende Partij.

2.

De bepalingen van het eerste lid van dit artikel zijn tevens van toepassing op inkomsten en winsten verkregen door het vervrachten van volledig uitgeruste, bemande en bevoorrade schepen, ongeacht de nationaliteit van de bevrachter.

3.

De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn tevens van toepassing op inkomsten en winsten uit de participatie in een pool, in een gemeenschappelijke onderneming of een internationale exploitatie-organisatie.

4.

Opbrengsten uit de vervreemding van schepen van een onderneming van een Verdragsluitende Partij die worden geëxploiteerd in het internationale verkeer of van roerende zaken die betrekking hebben op de exploitatie van die schepen, zijn alleen belastbaar op het grondgebied van die Partij.

5.

Vermogen dat wordt vertegenwoordigd door schepen van een onderneming van een Verdragsluitende Partij die worden geëxploiteerd in het internationale verkeer en door roerende zaken die relevant zijn voor de exploitatie van dergelijke schepen is belastbaar op het grondgebied van die Partij.

Artikel 9. Overmaking van inkomsten

Elke Verdragsluitende Partij verleent de rederij van de andere Verdragsluitende Partij het recht van vrije overmaking in een inwisselbare munteenheid naar het door de rederij aangewezen land van haar investeringen en de opbrengst daarvan, alsmede van het batig saldo van de uitgaven en ontvangsten van die rederij op het grondgebied van de eerstgenoemde Verdragsluitende Partij.

Zulke overmakingen worden regelmatig en zonder vertraging toegestaan en worden gebaseerd, wanneer er geen officiële wisselkoersen voor lopende betalingen zijn, op de geldende marktkoersen voor lopende betalingen. Op de overmakingen zijn geen andere heffingen van toepassing dan de normale bankkosten.

Artikel 10. Erkenning van scheepsdocumenten
1.

De Verdragsluitende Partijen erkennen wederzijds de nationaliteit van schepen op basis van het registratiebewijs dat door de bevoegde autoriteiten van een van beide Partijen naar behoren is afgegeven overeenkomstig haar wetten en voorschriften.

2.

De Verdragsluitende Partijen erkennen wederzijds, in overeenstemming met de desbetreffende internationale verdragen, de meetbrief en andere scheepsdocumenten die volgens de voorschriften zijn afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een van beide Partijen of die worden erkend door de ene Verdragsluitende Partij en waartegen de andere Partij geen bezwaar maakt, zonder de betrokken schepen opnieuw te meten. Alle havengelden en kosten worden op basis van deze documenten geïnd.

Artikel 11. Documenten van zeevarenden

De Verdragsluitende Partijen erkennen de identiteitsbewijzen voor zeevarenden, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de andere Verdragsluitende Partij.

Deze identiteitsbewijzen zijn:

Artikel 12. Verblijfsrecht van zeevarenden
1.

Elk bemanningslid van een schip van de ene Verdragsluitende Partij mag zonder visa aan wal gaan voor tijdelijk walverlof gedurende het verblijf van zijn schip in een haven van de andere Verdragsluitende Partij, mits de kapitein van het schip de bemanningslijst overeenkomstig de in die haven geldende voorschriften heeft overgelegd aan de bevoegde autoriteiten.

2.

Bij het aan wal gaan en bij de terugkeer naar het schip is de betrokkene onderworpen aan de in die haven geldende paspoortcontrole- en douaneformaliteiten.

Artikel 13
1.

Bemanningsleden hebben het recht, ongeacht de wijze van vervoer, het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij binnen te komen of door dat grondgebied te reizen teneinde zich weer bij hun schip te voegen, te worden overgebracht naar een ander schip, naar hun land terug te keren of ten behoeve van enig ander doel te reizen met toestemming van de bevoegde autoriteiten van die andere Verdragsluitende Partij.

2.

In alle in het eerste lid van dit artikel genoemde gevallen zijn zeevarenden verplicht in het bezit te zijn van het door de andere Verdragsluitende Partij vereiste visum. Dit document wordt zo snel mogelijk door de bevoegde autoriteiten afgegeven.

3.

Indien de houder van een in artikel 11 van dit Verdrag bedoeld identiteitsbewijs voor zeevarenden niet in het bezit is van de nationaliteit van een van de Verdragsluitende Partijen, worden de in dit artikel bedoelde inreisvisa en doorreisvisa afgegeven voor het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, mits wordt gegarandeerd dat de houder terugkeert naar het grondgebied van de Verdragsluitende Partij die het identiteitsdocument heeft afgegeven.

4.

Indien een bemanningslid van boord gaat in een haven op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij om gezondheidsredenen of andere door de bevoegde autoriteiten erkende redenen, verlenen deze autoriteiten de machtiging die nodig is om het bemanningslid in staat te stellen op hun grondgebied te verblijven om geneeskundige verzorging te ontvangen of in een ziekenhuis te worden opgenomen en met ongeacht welk vervoermiddel naar zijn land van herkomst terug te keren of naar een andere haven van inscheping te gaan.

Artikel 14
1.

Onverminderd de algemene toepasselijkheid van de artikelen 12 en 13 zijn de wetten en voorschriften van de Verdragsluitende Partijen betreffende de binnenkomst, het verblijf en de beëindiging van het verblijf van vreemdelingen van toepassing.

2.

De in de artikelen 12 en 13 vervatte machtigingen houden geen beperking in van het recht van een der Verdragsluitende Partijen om een bemanningslid de toegang tot haar grondgebied te weigeren.

Artikel 15. Ongevallen op zee
1.

Mochten schepen van een der Verdragsluitende Partijen betrokken zijn bij ongevallen op zee of stuiten op andere gevaren in de territoriale zee, de binnenwateren of havens van de andere Verdragsluitende Partij, dan verleent de laatstgenoemde Partij alle mogelijke hulp en aandacht aan de in gevaar verkerende schepen, bemanningsleden, lading en passagiers en stelt zij de desbetreffende autoriteiten van de betrokken Verdragsluitende Partij onverwijld op de hoogte. Bij het innen van de daaraan verbonden kosten wordt de nationale behandeling toegekend.

2.

Wanneer lading aan boord van een schip van een der Verdragsluitende Partijen dat is betrokken bij een ongeval op zee moet worden gelost en tijdelijk opgeslagen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij alvorens te worden teruggebracht naar het land van verzending of vervoerd naar derde landen, verleent de andere Verdragsluitende Partij bijstand ten behoeve van deze werkzaamheden en is deze lading vrijgesteld van alle douanerechten, heffingen en belastingen.

Artikel 16. Gerechtelijke procedures tegen een bemanningslid
1.

De schepen en bemanning van beide Verdragsluitende Partijen houden zich aan de desbetreffende wetten en voorschriften van de andere Verdragsluitende Partij gedurende hun verblijf in de territoriale zee, de binnenwateren en havens van laatstgenoemde Partij. De autoriteiten van beide Verdragsluitende Partijen oefenen geen rechtsmacht uit over, noch komen zij tussenbeide in de interne aangelegenheden van de schepen van de andere Verdragsluitende Partij in haar territoriale zee, binnenwateren en havens, behalve in de gevallen en voor zover uitdrukkelijk voorzien in algemeen aanvaarde internationale regels en voorschriften en in tussen de Verdragsluitende Partijen van kracht zijnde verdragen.

2.

Wanneer een bemanningslid van een schip van een der Verdragsluitende Partijen aan boord van dat schip in de territoriale zee van de andere Verdragsluitende Partij een strafbaar feit heeft gepleegd, stellen de bevoegde autoriteiten van die Verdragsluitende Partij geen vervolging tegen hem in zonder de toestemming van de kapitein van het schip of van een diplomatieke of consulaire ambtenaar van de eerstgenoemde Verdragsluitende Partij, tenzij

3.

De bepalingen van het tweede lid van dit artikel laten onverlet het recht van een Verdragsluitende Partij om bij haar wetten toegestane stappen te nemen ten behoeve van de aanhouding of het onderzoek aan boord van een buitenlands schip dat door de territoriale zee vaart na het verlaten van de binnenwateren.

Artikel 17. Gemengde Commissie
1.

De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen regelen alle vraagstukken betreffende de uitvoering en de toepassing van dit Verdrag.

2.

Hiertoe stellen de Verdragsluitende Partijen een Gemengde Commissie in.

3.

De Gemengde Commissie komt bijeen op verzoek van een van de Verdragsluitende Partijen en bestaat uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen, die vertegenwoordigers uit de maritieme sector kunnen uitnodigen voor het bijwonen van haar bijeenkomsten. De Gemengde Commissie stelt haar eigen regels en procedures vast.

4.

De Gemengde Commissie:

Artikel 18. Toepassing van het Verdrag

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.