Verdrag tussen de Regering van Canada, de Regeringen van de Lidstaten van het Europees Ruimte-Agentschap, de Regering van Japan, de Regering van de Russische Federatie en de Regering van de Verenigde Staten van Amerika inzake samenwerking op het gebied van het civiele internationale ruimtestation
De Regering van Canada (hierna ook te noemen „Canada”),
De Regering van het Koninkrijk België, van het Koninkrijk Denemarken, van de Franse Republiek, van de Bondsrepubliek Duitsland, van de Italiaanse Republiek, van het Koninkrijk der Nederlanden, van het Koninkrijk Noorwegen, van het Koninkrijk Spanje, van het Koninkrijk Zweden, van de Zwitserse Bondsstaat en van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, zijnde Regeringen van lidstaten van het Europees Ruimte-Agentschap (hierna gezamenlijk aangeduid als „de Europese Regeringen” of „de Europese Deelnemer”),
De Regering van Japan (hierna ook te noemen „Japan”),
De Regering van de Russische Federatie (hierna ook te noemen „Rusland”), en
De Regering van de Verenigde Staten van Amerika (hierna te noemen „de Regering van de Verenigde Staten” of „de Verenigde Staten”),
In herinnering brengend dat de President van de Verenigde Staten in januari 1984 de Nationale Dienst voor Lucht- en Ruimtevaart („NASA”) heeft opgedragen een permanent bemand ruimtestation te ontwikkelen en in een omloopbaan te brengen, en vrienden en bondgenoten van de Verenigde Staten heeft uitgenodigd deel te nemen aan de ontwikkeling en het gebruik daarvan en te delen in de daaruit voortvloeiende voordelen,
Herinnerend aan de aanvaarding van deze uitnodiging door de Eerste Minister van Canada tijdens de topontmoeting met de President van de Verenigde Staten in maart 1985 te Quebec en aan de wederzijdse bevestiging van de belangstelling voor samenwerking tijdens de topontmoeting in maart 1986 te Washington D.C.,
Herinnerend aan de inhoud van de desbetreffende Resoluties die op 31 januari 1985 en op 20 oktober 1995 werden aangenomen door de Raad, op ministerieel niveau bijeen, van het Europees Ruimte-Agentschap („ESA”), en aan het feit dat in het kader van het ESA en in overeenstemming met het doel zoals omschreven in artikel II van het Verdrag tot oprichting van het ESA, het Columbusprogramma en de Europese deelneming aan het programma ter ontwikkeling van het internationale ruimtestation zijn opgezet met het oog op de daadwerkelijke ontwikkeling van elementen van het civiele internationale ruimtestation,
Herinnerend aan de belangstelling van Japan voor het ruimtestationprogramma, tot uitdrukking gebracht tijdens de bezoeken van de „Administrator” van de NASA aan Japan in 1984 en 1985 en de deelneming van Japan aan het ruimteprogramma van de Verenigde Staten in de vorm van de eerste test inzake materiaalverwerking (First Materials Processing Test),
Herinnerend aan de deelneming van het ESA en Canada aan het Amerikaanse ruimtetransportsysteem in de vorm van de ontwikkeling door Europa van het eerste bemande ruimtelaboratorium, Spacelab, en de ontwikkeling door Canada van het tele-manipulatorsysteem (Remote Manipulator System),
Herinnerend aan het partnerschap dat is gevormd als gevolg van de Overeenkomst tussen de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, de Regeringen van de lidstaten van het Europees Ruimte-Agentschap, de Regering van Japan en de Regering van Canada inzake samenwerking op het gebied van het gedetailleerde ontwerp, de ontwikkeling, de exploitatie en het gebruik van het permanent bemande civiele ruimtestation (hierna te noemen „de Overeenkomst van 1988”), ondertekend te Washington op 29 september 1988, en de bijbehorende Memoranda van Overeenstemming tussen de NASA en het Canadese ministerie van Wetenschap en Technologie („MOSST”), de NASA en het ESA, en de NASA en de Regering van Japan,
Erkennend dat de Overeenkomst van 1988 op 30 januari 1992 tussen de Verenigde Staten en Japan in werking is getreden,
Herinnerend aan het feit dat de NASA, het ESA, de Regering van Japan en het MOSST gezamenlijk activiteiten hebben ontplooid teneinde het partnerschap inzake het ruimtestationprogramma tot stand te brengen in overeenstemming met de Overeenkomst van 1988 en de bijbehorende Memoranda van Overeenstemming, en erkennend dat het Canadese Ruimte-Agentschap („CSA”) na de instelling daarvan op 1 maart 1989 de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het Canadese ruimtestationprogramma van het MOSST heeft overgenomen,
Ervan overtuigd dat, vanwege de unieke ervaring en prestaties van de Russische Federatie op het gebied van bemande vluchten en langdurige missies in de ruimte met inbegrip van de succesrijke langdurige exploitatie van het Russische Mirruimtestation, haar deelneming aan het partnerschap in belangrijke mate bijdraagt tot vergroting van de mogelijkheden van het ruimtestation in het voordeel van alle Deelnemers,
Herinnerend aan de uitnodiging op 6 december 1993 van de Regering van Canada, de Europese Regeringen, de Regering van Japan en de Regering van de Verenigde Staten aan de Regering van de Russische Federatie om Deelnemer te worden bij het gedetailleerde ontwerp, de ontwikkeling, de exploitatie en het gebruik van het ruimtestation binnen het kader geschapen door de Overeenkomsten inzake het ruimtestation, en het positieve antwoord van de Regering van de Russische Federatie op 17 december 1993 op deze uitnodiging,
Herinnerend aan de regelingen getroffen tussen het Hoofd van de Regering van de Russische Federatie en de Vice-president van de Verenigde Staten ter bevordering van de samenwerking bij belangrijke activiteiten op het gebied van bemande ruimtevluchten met inbegrip van het Russisch-Amerikaanse Mir-Shuttleprogramma, ter voorbereiding van de bouw van het internationale ruimtestation,
Herinnerend aan het Verdrag inzake de beginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte met inbegrip van de maan en andere hemellichamen (hierna te noemen „het Ruimteverdrag”), dat in werking is getreden op 10 oktober 1967,
Herinnerend aan de Overeenkomst inzake de redding van ruimtevaarders, de terugkeer van ruimtevaarders en de teruggave van de in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen (hierna te noemen „de Astronautenovereenkomst”), die in werking is getreden op 3 december 1968,
Herinnerend aan de Overeenkomst inzake de internationale aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door ruimtevoorwerpen (hierna te noemen „de Aansprakelijkheidsovereenkomst”) die in werking is getreden op 1 september 1972,
Herinnerend aan de Overeenkomst inzake de registratie van in de kosmische ruimte gebrachte voorwerpen (hierna te noemen „de Registratieovereenkomst”), die in werking is getreden op 15 september 1976,
Ervan overtuigd dat de samenwerking in het kader van het civiele internationale ruimtestation zal leiden tot een ruimere mate van samenwerking door de totstandkoming van duurzame en tot wederzijds voordeel strekkende betrekkingen en tevens de samenwerking op het gebied van de exploratie en het vreedzaam gebruik van de kosmische ruimte zal bevorderen,
Erkennend dat de NASA en het CSA, de NASA en het ESA, de NASA en de Regering van Japan en de NASA en het Russische Ruimte-agentschap, hierna te noemen het RSA, in samenhang met de onderhandelingen van hun Regeringen over dit Verdrag, Memoranda van Overeenstemming (hierna te noemen „de Memoranda van Overeenstemming”) hebben opgesteld, en dat de Memoranda van Overeenstemming gedetailleerde bepalingen zullen bevatten ter uitvoering van dit Verdrag,
Erkennend, in het licht van het voorafgaande, dat het wenselijk is tussen de Regering van Canada, de Europese Regeringen, de Regering van Japan, de Regering van de Russische Federatie en de Regering van de Verenigde Staten een kader tot stand te brengen voor het ontwerp, de ontwikkeling, de exploitatie en het gebruik van het ruimtestation,
Zijn als volgt overeengekomen:
Inwerkingtreding voorheen door Trb. 2002/29 gesteld op 27 maart 2001.
Inwerkingtreding voorheen door Trb. 2002/29 gesteld op 27 maart 2001.
Artikel 1. Doel en werkingssfeer
Het doel van dit Verdrag is de totstandkoming van een duurzaam internationaal samenwerkingsverband tussen de Deelnemers, als ware partners, met het oog op het gedetailleerde ontwerp, de ontwikkeling, de exploitatie en het gebruik van een permanent bewoond civiel internationaal ruimtestation voor vreedzame doeleinden, in overeenstemming met het internationale recht. Dit civiele internationale ruimtestation zal het wetenschappelijk, technologisch en commercieel gebruik van de kosmische ruimte doen toenemen. Dit Verdrag omschrijft met name het civiele internationale ruimtestationprogramma en de aard van de samenwerking, met inbegrip van de respectieve rechten en verplichtingen van de Deelnemers. Dit Verdrag voorziet voorts in procedures en regelingen die moeten waarborgen dat haar doel wordt verwezenlijkt.
De Deelnemers bundelen hun krachten, waarbij de Verenigde Staten een leidende rol hebben op het gebied van het algehele management, en de coördinatie teneinde een geïntegreerd internationaal ruimtestation tot stand te brengen. De Verenigde Staten en Rusland produceren elementen die als basis dienen voor het internationale ruimtestation en putten daarbij uit hun uitgebreide ervaring op het gebied van bemande ruimtevluchten. De Europese Deelnemer en Japan produceren elementen die de mogelijkheden van het ruimtestation in belangrijke mate vergroten. De bijdrage van Canada zal een essentieel deel van het ruimtestation zijn. De door de Deelnemers te leveren elementen die het internationale ruimtestation zullen vormen, zijn genoemd in de Bijlage bij dit Verdrag.
Het permanent bewoonde civiele internationale ruimtestation (hierna te noemen „het ruimtestation") is bestemd voor vele doeleinden, zal in een lage omloopbaan om de aarde worden gebracht en zal uit door alle Deelnemers te leveren vluchtelementen en uit uitsluitend voor het ruimtestation bestemde grondelementen bestaan. Door het leveren van vluchtelementen voor het ruimtestation verwerft iedere Deelnemer bepaalde rechten om het ruimtestation te gebruiken en neemt hij deel aan het management daarvan in overeenstemming met dit Verdrag, de Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen.
Het ruimtestation is bedoeld als voorziening geschikt voor verdere ontwikkeling. De rechten en verplichtingen van de Deelnemende Staten met betrekking tot de verdere ontwikkeling zijn onderworpen aan de bepalingen ter zake overeenkomstig artikel 14.
Artikel 2. Internationale rechten en verplichtingen
Het ruimtestation wordt ontwikkeld, beheerd en gebruikt in overeenstemming met het internationale recht, met inbegrip van het Ruimteverdrag, de Astronautenovereenkomst, de Aansprakelijkheidsovereenkomst en de Registratieovereenkomst.
Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat
- a. daardoor rechten en verplichtingen van de Deelnemende Staten zoals vastgelegd in de in het eerste lid van dit artikel genoemde verdragen, hetzij jegens elkander, hetzij jegens andere Staten, worden gewijzigd, voor zover niet anders bepaald in artikel 16;
- b. daardoor de rechten en verplichtingen van de Deelnemende Staten die de kosmische ruimte, hetzij afzonderlijk, hetzij in samenwerking met andere Staten, exploreren of gebruiken in het kader van activiteiten die niet verband houden met het ruimtestation, worden aangetast; of
- c. daaraan aanspraken worden ontleend met betrekking tot nationale toe-eigening van de kosmische ruimte of een gedeelte daarvan.
Artikel 3. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a. „dit Verdrag": de onderhavige Overeenkomst, met inbegrip van de Bijlage;
- b. „de Deelnemers" (of, indien dat toepasselijk is, „elke Deelnemer"): de Regering van Canada, de in de preambule genoemde Europese Regeringen die partij worden bij dit Verdrag, alsmede iedere andere Europese Regering die overeenkomstig artikel 25, derde lid, toetreedt tot dit Verdrag, gezamenlijk als één Deelnemer optredend: de Regering van Japan; de Regering van de Russische Federatie; en de Regering van de Verenigde Staten;
- c. „Deelnemende Staat": iedere Overeenkomstsluitende Staat ten aanzien waarvan dit Verdrag overeenkomstig artikel 25 in werking is getreden.
Artikel 4. Samenwerkende Organen
De Deelnemers komen overeen dat het Canadese Ruimte-Agentschap (hierna te noemen „CSA") voor de Regering van Canada, het Europees Ruimte-Agentschap (hierna te noemen „ESA") voor de Europese Regeringen, het Russische Ruimte-Agentschap (hierna te noemen „RSA") voor Rusland en de Nationale Dienst voor Lucht- en Ruimtevaart (hierna te noemen „NASA") voor de Verenigde Staten de Samenwerkende Organen zullen zijn die zijn belast met de uitvoering van de samenwerking aangaande het ruimtestation. De aanwijzing door de Regering van Japan van het Samenwerkende Orgaan dat de samenwerking aangaande het ruimtestation zal uitvoeren, zal geschieden in het in het tweede lid van dit artikel vermelde Memorandum van Overeenstemming tussen de NASA en de Regering van Japan.
De Samenwerkende Organen voeren de samenwerking aangaande het ruimtestation uit overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag, de respectieve Memoranda van Overeenstemming tussen de NASA en het CSA, de NASA en het ESA, de NASA en de Regering van Japan en de NASA en het RSA betreffende de samenwerking aangaande het civiele internationale ruimtestation, en regelingen tussen de NASA en enkele der andere of alle andere Samenwerkende Organen of hun vertegenwoordigers ter uitvoering van de Memoranda van Overeenstemming (hierna te noemen „uitvoeringsregelingen"). De Memoranda van Overeenstemming zijn onderworpen aan dit Verdrag en alle uitvoeringsregelingen dienen verenigbaar en in overeenstemming te zijn met de Memoranda van Overeenstemming.
Indien een bepaling van een Memorandum van Overeenstemming rechten of verplichtingen schept die zijn aanvaard door een Samenwerkend Orgaan (of, in het geval van Japan, de Regering van Japan) dat geen partij is bij het desbetreffende Memorandum van Overeenstemming, mag deze bepaling niet worden gewijzigd zonder de schriftelijke toestemming van het betrokken Samenwerkend Orgaan (of, in het geval van Japan, de Regering van Japan).
Artikel 5. Registratie; rechtsmacht en zeggenschap
Elke Deelnemer registreert de in de Bijlage genoemde vluchtelementen die hij levert als ruimtevoorwerp overeenkomstig artikel II van de Registratieovereenkomst. De Europese Deelnemer heeft deze verantwoordelijkheid overgedragen aan het ESA, dat voor en namens hem optreedt.
Krachtens artikel VIII van het Ruimteverdrag en artikel II van de Registratieovereenkomst behoudt elke Deelnemer rechtsmacht en zeggenschap over de elementen die hij registreert overeenkomstig het eerste lid van dit artikel, alsmede over de personeelsleden in of op het ruimtestation die zijn onderdanen zijn. De uitoefening van bedoelde rechtsmacht en zeggenschap is onderworpen aan alle ter zake dienende bepalingen van dit Verdrag, de Memoranda van Overeenstemming en de uitvoeringsregelingen, met inbegrip van de desbetreffende procedures die daarin zijn vastgelegd.
Artikel 6. Eigendom van de elementen en het materieel
Via hun respectieve Samenwerkende Organen zijn Canada, de Europese Deelnemer, Rusland en de Verenigde Staten, onderscheidenlijk een lichaam dat door Japan zal worden aangewezen op het tijdstip van nederlegging van zijn akte overeenkomstig artikel 25, tweede lid, van dit Verdrag, eigenaar van de in de Bijlage genoemde elementen die zij leveren, voor zover in dit Verdrag niet anders is bepaald. De Deelnemers doen elkander via hun Samenwerkende Organen kennisgevingen toekomen met betrekking tot de eigendom van enigerlei materieel in of op het ruimtestation.
De Europese Deelnemer draagt aan het ESA, dat voor en namens hem optreedt, de eigendom over van de elementen die hij levert, alsmede de eigendom van enigerlei ander materieel dat wordt ontwikkeld en gefinancierd in het kader van een ESA-programma als bijdrage aan het ruimtestation, de exploitatie of het gebruik daarvan.
De overdracht van de eigendom van de in de Bijlage genoemde elementen of van materieel in of op het ruimtestation laat de rechten en verplichtingen van de Deelnemers uit hoofde van dit Verdrag, de Memoranda van Overeenstemming of de uitvoeringsregelingen onverlet.
Een niet-Deelnemer of een privaatrechtelijke rechtspersoon die onder de rechtsmacht valt van een niet-Deelnemer, kan niet de eigenaar zijn van materieel in of op het ruimtestation, noch kan aan deze de eigendom van de in de Bijlage genoemde elementen worden overgedragen zonder de voorafgaande instemming van de andere Deelnemers. Voor de eigendomsoverdracht van een in de Bijlage genoemd element is de voorafgaande kennisgeving aan de andere Deelnemers vereist.
De aanwezigheid van enig door een gebruiker geleverd materieel of materiaal in of op het ruimtestation heeft als zodanig geen gevolgen voor de eigendom van het betrokken materieel of materiaal.
De eigendom of registratie van de elementen of de eigendom van het materieel kan op geen enkele wijze dienen ter vaststelling van de eigendom van materiaal of gegevens die worden verkregen als gevolg van activiteiten in of op het ruimtestation.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.