Verdrag inzake het verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van anti-personeelsmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens

Type Verdrag
Publication 1999-10-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Preambule

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,

Vastbesloten een einde te maken aan het lijden en de slachtoffers veroorzaakt door anti-personeelmijnen, die wekelijks honderden mensen, meestal onschuldige en weerloze burgers en in het bijzonder kinderen, doden of verminken, de economische ontwikkeling en wederopbouw in de weg staan, de repatriëring van vluchtelingen en ontheemden hinderen en, nog jaren nadat zij zijn gelegd, andere ernstige gevolgen hebben;

Ervan overtuigd dat het noodzakelijk is hun uiterste best te doen op een doeltreffende en gecoördineerde wijze een bijdrage te leveren aan de verwijdering van anti-personeelmijnen die overal ter wereld zijn gelegd, en zorg te dragen voor de vernietiging ervan;

Verlangend hun uiterste best te doen met betrekking tot het verschaffen van bijstand voor de zorg en rehabilitatie, met inbegrip van sociale en economische reïntegratie, van de slachtoffers van mijnen;

Erkennend dat de volledige uitbanning van anti-personeelmijnen eveneens een belangrijke vertrouwenbevorderende maatregel zou zijn;

Verwelkomend de aanneming van het Protocol inzake het verbod of de beperking van het gebruik van mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen, zoals gewijzigd op 3 mei 1996, gehecht aan het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben, en oproepend tot de spoedige bekrachtiging van dit Protocol door alle Staten die dit nog niet hebben gedaan;

Eveneens verwelkomend Resolutie 51/45 S van 10 december 1996 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waarin alle Staten dringend wordt verzocht daadkrachtig te streven naar een doeltreffende en juridisch bindende internationale overeenkomst tot uitbanning van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoneel landmijnen;

Voorts verwelkomende de gedurende de laatste jaren genomen maatregelen, zowel unilateraal als multilateraal, gericht op het verbod, de beperking of de opschorting van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van anti-personeelmijnen;

Benadrukkend de rol van het maatschappelijk bewustzijn bij de bevordering van de beginselen van menselijkheid zoals dat blijkt uit de roep om een algehele uitbanning van anti-personeelmijnen en voorts erkennend de inspanningen daartoe verricht door het Internationale Rode Kruis, de Rode Halve Maan en de Internationale Campagne voor een Verbod op Landmijnen en tal van andere niet-gouvernementele organisaties wereldwijd;

In herinnering roepend de Verklaring van Ottawa van 5 oktober 1996 en de Verklaring van Brussel van 27 juni 1997, waarin de internationale gemeenschap dringend wordt verzocht een internationale en juridisch bindende overeenkomst te sluiten tot verbod van het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van anti-personeelmijnen;

Benadrukkend de wenselijkheid zorg te dragen voor de toetreding tot dit Verdrag door alle Staten en vastberaden energiek te werken aan de bevordering van de algemene aandacht hiervoor in alle relevante fora met inbegrip van, onder andere, de Verenigde Naties, de Ontwapeningsconferentie, regionale organisaties, en groeperingen, en toetsingsconferenties van het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben;

Zich baserend op het beginsel van het humanitaire oorlogsrecht dat het recht van de partijen bij een gewapend conflict ten aanzien van de keuze van de methoden of middelen van oorlogvoering niet onbegrensd is, op het beginsel dat het verboden is in gewapende conflicten wapens, projectielen en stoffen alsmede methoden van oorlogvoering te gebruiken die naar hun aard overbodig letsel of onnodig leed veroorzaken, en op het beginsel dat een onderscheid dient te worden gemaakt tussen burgers en combattanten;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Algemene verplichtingen
1.

Elke Staat die Partij is verplicht zich ertoe onder geen enkele omstandigheid:

2.

Elke Staat die Partij is verplicht zich ertoe alle anti-personeelmijnen te vernietigen of te doen vernietigen, overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen
1.

„Anti-personeelmijn”: een mijn die is ontworpen om te exploderen door de aanwezigheid of de nabijheid van ofwel het contact met een persoon en die ertoe is bestemd een of meer personen buiten gevecht te stellen, letsel toe te brengen of te doden. Mijnen ontworpen om te ontploffen door de aanwezigheid of de nabijheid van ofwel het contact met een voertuig in plaats van een persoon, en die zijn voorzien van een anti-hanteermechanisme, worden als gevolg van deze voorziening niet beschouwd als anti-personeelmijnen.

2.

„Mijn”: een stuk munitie geplaatst onder, op of vlak boven de grond of ander oppervlak en ontworpen om te exploderen door de aanwezigheid of nabijheid van of het contact met een persoon of voertuig.

3.

„Anti-hanteermechanisme": een mechanisme bestemd voor het beschermen van een mijn, dat onderdeel is van, verbonden met, bevestigd aan of geplaatst onder de mijn en dat in werking wordt gesteld wanneer een poging wordt gedaan de mijn te manipuleren of anderszins opzettelijk van haar plaats te halen.

4.

„Overdracht”: naast de fysieke verplaatsing van mijnen naar of van het grondgebied van een staat, de overdracht van het eigendomsrecht en van de zeggenschap over de mijnen, maar niet de overdracht van een grondgebied waarop anti-personeelmijnen zijn geplaatst.

5.

„Bemijnd gebied”: een gebied dat gevaarlijk is ten gevolge van de aanwezigheid of vermoedelijke aanwezigheid van mijnen.

Artikel 3. Uitzonderingen
1.

Onverminderd de algemene verplichtingen ingevolge artikel 1, is het onder zich houden of de overdracht van een aantal anti-personeelmijnen voor de ontwikkeling van en training in mijnopsporings-, mijnruimings- en mijnvernietigingstechnieken toegestaan. Het aantal van dit soort mijnen mag niet meer bedragen dan het minimumaantal dat strikt noodzakelijk is voor de bovengenoemde doeleinden.

2.

De overdracht van anti-personeelmijnen met het oogmerk deze te vernietigen, is toegestaan.

Artikel 4. Vernietiging van voorraden anti-personeelmijnen

Behoudens het bepaalde in artikel 3, verplicht elke Staat die Partij is zich ertoe zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag ten aanzien van die Staat die Partij is, alle in zijn eigendom of bezit zijnde, of onder zijn rechtsmacht of zeggenschap staande voorraden anti-personeelmijnen, te vernietigen of te doen vernietigen.

Artikel 5. Vernietiging van anti-personeelmijnen in bemijnde gebieden
1.

Elke Staat die Partij is verplicht zich ertoe zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk tien jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag ten aanzien van die Staat die Partij is, alle anti-personeelmijnen in bemijnde gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen, te vernietigen of te doen vernietigen.

2.

Elke Staat die Partij is doet alles wat binnen zijn vermogen ligt om alle gebieden te identificeren die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen waarvan men weet of vermoedt dat daarin anti-personeelmijnen liggen en draagt er zo spoedig mogelijk zorg voor dat van alle anti-personeelmijnen in bemijnde gebieden die onder zijn rechtsmacht of zeggenschap vallen de omtrek wordt gemarkeerd, dat ze onder zeggenschap worden gehouden en beveiligd door een afzetting of andere voorzieningen, teneinde de toegang van burgers tot deze gebieden daadwerkelijk te verhinderen, totdat alle anti-personeelmijnen hierin zijn vernietigd. De markering dient ten minste te voldoen aan de normen neergelegd in het Protocol inzake het verbod of de beperking van het gebruik van mijnen, valstrikmijnen en andere mechanismen, zoals gewijzigd op 3 mei 1996, gehecht aan het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben.

3.

Indien een Staat die Partij is van mening is dat hij niet in staat is alle in het eerste lid bedoelde anti-personeelmijnen te vernietigen of te doen vernietigen binnen het gestelde tijdvak, kan hij een verzoek indienen tot het houden van een Vergadering van de Staten die Partij zijn of van een Toetsingsconferentie voor een verlenging van de uiterste termijn voor de voltooiing van de vernietiging van deze anti-personeelmijnen, met een tijdvak van ten hoogste tien jaar.

4.

Elk verzoek dient de volgende gegevens te bevatten:

5.

De Vergadering van de Staten die Partij zijn of de Toetsingsconferentie behandelt, met inachtneming van de in het vierde lid bedoelde factoren, de aanvraag en besluit bij meerderheid van stemmen van de aanwezige en hun stem uitbrengende Staten die Partij zijn of het verzoek om verlenging van het tijdvak wordt ingewilligd.

6.

Een dergelijke verlenging kan worden vernieuwd na indiening van een nieuw verzoek in overeenstemming met het derde, vierde en vijfde lid van dit artikel. Bij het verzoek om een verdere verlenging van het tijdvak dient een Staat die Partij is relevante aanvullende gegevens te verschaffen omtrent hetgeen in het voorgaande verlengingstijdvak ingevolge dit artikel door hem is ondernomen.

Artikel 6. Internationale samenwerking en bijstand
1.

Bij de nakoming van de verplichtingen ingevolge dit Verdrag heeft elke Staat die Partij is het recht bijstand te vragen en indien zulks haalbaar is, te ontvangen van andere Staten die Partij zijn in de mate waarin dit mogelijk is.

2.

Elke Staat die Partij is verplicht zich ertoe een zo ruim mogelijke uitwisseling van uitrustingen, materieel en wetenschappelijke en technische informatie inzake de toepassing van dit Verdrag te bevorderen en heeft het recht te participeren in een dergelijke uitwisseling. De Staten die Partij zijn leggen geen onredelijke beperkingen op inzake het leveren van uitrustingen voor het ruimen van mijnen en daarmee verband houdende technische informatie voor humanitaire doeleinden.

3.

Elke Staat die Partij is en die daartoe in staat is, verleent bijstand voor de zorg en rehabilitatie en de sociale en economische reïntegratie van slachtoffers van mijnen en voor programma's inzake de bewustwording van de gevaren van mijnen. Deze bijstand kan onder meer worden verleend via organen van de Verenigde Naties, via internationale, regionale of nationale organisaties of instellingen, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, nationale afdelingen van het Rode Kruis- en Rode Halve Maan of de internationale federatie van deze organisaties, niet-gouvernementele organisaties of op bilaterale basis.

4.

Elke Staat die Partij is en die daartoe in staat is, verleent bijstand ten behoeve van mijnruiming en daarmee verband houdende activiteiten. Deze bijstand kan onder meer worden verleend via organen van de Verenigde Naties, via internationale of regionale organisaties of instellingen, niet-gouvernementele organisaties of instellingen, of op een bilaterale basis, of door het storten van een financiële bijdrage in het Vrijwillig Mijnruimingsfonds van de Verenigde Naties (United Nations Voluntary Trust Fund for Assistance in Mine Clearance), of van andere regionale fondsen die zich bezighouden met mijnruiming.

5.

Elke Staat die Partij is en die daartoe in staat is, verleent bijstand ten behoeve van de vernietiging van voorraden anti-personeelmijnen.

6.

Elke Staat die Partij is verbindt zich ertoe informatie te verstrekken ten behoeve van de databank inzake mijnruiming die in het kader van de Verenigde Naties is ingesteld, in het bijzonder informatie betreffende diverse mijnruimmiddelen en -technieken, alsmede lijsten van deskundigen, gespecialiseerde organisaties of nationale contactpunten inzake mijnruiming.

7.

De Staten die Partij zijn kunnen een verzoek richten tot de Verenigde Naties, regionale organisaties, andere Staten die Partij zijn of andere bevoegde intergouvernementele of niet-gouvernementele fora om hun autoriteiten bij te staan bij het opstellen van een nationaal mijnruimingsprogramma teneinde, onder meer, de volgende zaken vast te stellen:

8.

Elke Staat die Partij is en die bijstand verleent en ontvangt overeenkomstig de bepalingen van dit artikel biedt zijn samenwerking aan teneinde zorg te dragen voor de volledige en onverwijlde uitvoering van de overeengekomen bijstandprogramma's.

Artikel 7. Transparantiemaatregelen
1.

Elke Staat die Partij is brengt verslag uit aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zodra dit praktisch uitvoerbaar is en in elk geval niet later dan 180 dagen na de inwerkingtreding van dit Verdrag ten aanzien van die Staat, inzake:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.