Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Macedonische Regering inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen

Type Verdrag
Publication 1999-06-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Macedonische Regering

(hun Staten hierna te noemen „de Verdragsluitende Staten”),

Geleid door de wens de van oudsher bestaande vriendschapsbanden tussen hun landen te versterken en de economische betrekkingen tussen hen uit te breiden en te intensiveren, met name wat betreft investeringen door de onderdanen van de ene Verdragsluitende Staat op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat,

In het besef dat overeenstemming omtrent de aan dergelijke investeringen toe te kennen behandeling het kapitaalverkeer en de overdracht van technologie tussen, alsmede de economische ontwikkeling van de Verdragsluitende Staten zal stimuleren, en dat een eerlijke en rechtvaardige behandeling van investeringen wenselijk is,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Verdrag:

Artikel 2

Elke Verdragsluitende Staat bevordert, binnen het kader van zijn wetten en voorschriften, de economische samenwerking door middel van de bescherming op zijn grondgebied van investeringen van onderdanen van de andere Verdragsluitende Staat. Met inachtneming van het recht van elke Verdragsluitende Staat de door zijn wetten of voorschriften verleende bevoegdheden uit te oefenen, staat elke Verdragsluitende Partij dergelijke investeringen toe.

Artikel 3
1.

Elke Verdragsluitende Staat waarborgt een eerlijke en rechtvaardige behandeling van de investeringen van onderdanen van de andere Verdragsluitende Staat en belemmert niet, door onredelijke of discriminatoire maatregelen, de werking, het beheer, de instandhouding, het gebruik, het genot of de vervreemding daarvan door deze onderdanen. Elke Verdragsluitende Staat kent aan die investeringen volledige fysieke zekerheid en bescherming toe.

2.

In het bijzonder kent elke Verdragsluitende Staat aan die investeringen een behandeling toe, die in ieder geval niet minder gunstig is dan die welke wordt toegekend aan investeringen van zijn eigen onderdanen of aan investeringen van onderdanen van een derde Staat, naar gelang van wat het gunstigst is voor de betrokken onderdaan.

3.

Indien een Verdragsluitende Staat onderdanen van een derde Staat bijzondere voordelen heeft toegekend uit hoofde van overeenkomsten tot oprichting van douane-unies, economische unies, monetaire unies of soortgelijke instellingen, dan wel op grond van interim-overeenkomsten die tot zodanige unies of instellingen leiden, is die Verdragsluitende Staat niet verplicht zodanige voordelen toe te kennen aan onderdanen van de andere Verdragsluitende Staat.

4.

Elke Verdragsluitende Staat komt alle verplichtingen na die hij is aangegaan met betrekking tot de behandeling van investeringen van onderdanen van de andere Verdragsluitende Staat.

5.

Indien naast dit Verdrag de wettelijke bepalingen van een van beide Verdragsluitende Staten of verplichtingen krachtens internationaal recht die thans tussen de Verdragsluitende Staten bestaan of op een later tijdstip onderling worden aangegaan, een algemene of bijzondere regeling bevatten op grond waarvan investeringen door onderdanen van de andere Verdragsluitende Staat aanspraak kunnen maken op een behandeling die gunstiger is dan in dit Verdrag is voorzien, heeft een dergelijke regeling, in zoverre zij gunstiger is, voorrang boven dit Verdrag.

Artikel 4

Met betrekking tot belastingen, heffingen, lasten en verminderingen en vrijstellingen van belasting kent iedere Verdragsluitende Staat aan onderdanen van de andere Verdragsluitende Staat die zich op zijn grondgebied met economische activiteiten bezighouden, een behandeling toe die niet minder gunstig is dan die welke wordt toegekend aan zijn eigen onderdanen of aan die van een derde Staat die zich in dezelfde omstandigheden bevinden, naar gelang van wat het gunstigst is voor de betrokken onderdanen. Hierbij wordt evenwel geen rekening gehouden met bijzondere belastingvoordelen door die Staat toegekend:

Artikel 5

De Verdragsluitende Staten waarborgen dat betalingen die verband houden met een investering kunnen worden overgemaakt. De overmakingen geschieden in vrij inwisselbare valuta, zonder beperking of vertraging. Deze overmakingen omvatten in het bijzonder, doch niet uitsluitend:

Artikel 6

Geen der Verdragsluitende Staten neemt maatregelen waardoor direct of indirect aan onderdanen van de andere Verdragsluitende Staat hun investeringen worden ontnomen, tenzij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

Artikel 7

Aan onderdanen van de ene Verdragsluitende Staat die verliezen lijden met betrekking tot hun investeringen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Staat wegens oorlog of een ander gewapend conflict, revolutie, een nationale noodtoestand, opstand, oproer of ongeregeldheden, wordt de laatstbedoelde Verdragsluitende Staat wat restitutie, schadevergoeding, schadeloosstelling of een andere regeling betreft, geen minder gunstige behandeling toegekend dan die welke die Verdragsluitende Staat toekent aan zijn eigen onderdanen of aan onderdanen van een derde Staat, naar gelang van wat het gunstigst is voor de betrokken onderdanen.

Artikel 8

Indien de investeringen van een onderdaan van de ene Verdragsluitende Staat verzekerd zijn tegen niet-commerciële risico's of anderszins aanleiding geven tot de betaling van schadevergoeding ter zake van die investeringen krachtens een bij wet, voorschrift of overheidscontract ingesteld stelsel, wordt de subrogatie van de verzekeraar of de herverzekeraar of de door de ene Verdragsluitende Staat aangewezen instantie in de rechten van de bedoelde onderdaan, ingevolge de voorwaarden van deze verzekering of krachtens een andere gegeven schadeloosstelling, door de andere Verdragsluitende Staat erkend.

Artikel 9

Elke Verdragsluitende Staat stemt ermee in juridische geschillen die ontstaan tussen die Verdragsluitende Staat en een onderdaan van de andere Verdragsluitende Staat betreffende een investering van die onderdaan op het grondgebied van de eerstbedoelde Verdragsluitende Staat voor te leggen aan het Internationale Centrum voor de Beslechting van Investeringsgeschillen ter beslechting door conciliatie of arbitrage krachtens het Verdrag inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Staten en onderdanen van andere Staten, dat op 18 maart 1965 te Washington werd opengesteld voor ondertekening. Een rechtspersoon die onderdaan is van de ene Verdragsluitende Staat en die, voordat een dergelijk geschil ontstaat, onder toezicht staat van onderdanen van de andere Verdragsluitende Staat, wordt in overeenstemming met artikel 25, tweede lid, letter b, van het Verdrag van Washington voor de toepassing van dat Verdrag behandeld als onderdaan van de andere Verdragsluitende Staat.

Artikel 10

De bepalingen van dit Verdrag zijn, vanaf de datum waarop dit in werking treedt, ook van toepassing op investeringen die vóór die datum zijn gedaan. De bepalingen van dit Verdrag zijn niet van toepassing op geschillen die onderworpen zijn aan een procedure ter regeling van geschillen krachtens de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië inzake de bescherming van investeringen, ondertekend op 16 februari 1976. In een dergelijk geval blijft laatstgenoemde Overeenkomst, voor zover deze betrekking heeft op de desbetreffende geschillen, van toepassing op deze investeringen totdat een definitieve regeling voor deze geschillen is getroffen.

Artikel 11

Elk van beide Verdragsluitende Staten kan aan de andere Staat voorstellen overleg te plegen over een aangelegenheid betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag. De andere Staat neemt dit voorstel in welwillende overweging en biedt passende gelegenheid voor een dergelijk overleg.

Artikel 12
1.

Enig geschil tussen de Verdragsluitende Staten betreffende de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag dat niet binnen een redelijke termijn langs diplomatieke weg kan worden beslecht, wordt, tenzij de Staten anders zijn overeengekomen, op verzoek van een van beide Staten voorgelegd aan een uit drie leden samengesteld scheidsgerecht. Elke Staat benoemt één scheidsman en de twee aldus benoemde scheidslieden benoemen te zamen een derde scheidsman, die geen onderdaan van een der Staten is, tot hun voorzitter.

2.

Indien een van beide Staten nalaat zijn scheidsman te benoemen en indien hij binnen twee maanden geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van de andere Staat tot deze benoeming over te gaan, kan de laatstgenoemde Staat de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.

3.

Indien de beide scheidslieden niet binnen twee maanden na hun benoeming overeenstemming kunnen bereiken over de keuze van de derde scheidsman, kan elk der Staten de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken de noodzakelijke benoeming te verrichten.

4.

Indien in de in het tweede en derde lid van dit artikel bedoelde gevallen de President van het Internationale Gerechtshof verhinderd is genoemde functie uit te oefenen, of onderdaan is van een van beide Verdragsluitende Staten, wordt de Vice-President verzocht de noodzakelijke benoemingen te verrichten. Indien de Vice-President verhinderd is de genoemde functie uit te oefenen, of onderdaan is van een van beide Staten, wordt het lid van het Gerechtshof dat de hoogste anciënniteit heeft, beschikbaar is en geen onderdaan is van een der Staten, verzocht de noodzakelijke benoeming te verrichten.

5.

Het scheidsgerecht doet uitspraak op basis van eerbiediging van het recht. Alvorens uitspraak te doen, kan het scheidsgerecht in elke stand van het geding een minnelijke schikking van het geschil aan de Staten voorstellen. De voorgaande bepalingen doen geen afbreuk aan regeling van het geschil ex aequo et bono, indien de Staten dit overeenkomen.

6.

Tenzij de Staten anders beslissen, stelt het scheidsgerecht zijn eigen procedureregels vast.

7.

Het scheidsgerecht neemt zijn beslissing bij meerderheid van stemmen. Deze beslissing is onherroepelijk en bindend voor de Staten.

Artikel 13

Wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden is dit Verdrag van toepassing op het deel van het Rijk in Europa, de Nederlandse Antillen en Aruba, tenzij anders is bepaald in de in artikel 14, eerste lid, bedoelde mededeling.

Artikel 14
1.

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum waarop de Verdragsluitende Staten elkaar schriftelijk hebben medegedeeld dat aan hun grondwettelijk vereiste procedures is voldaan, en blijft van kracht gedurende een tijdvak van vijftien jaar.

2.

Tenzij ten minste zes maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur door een van beide Verdragsluitende Staten mededeling van beëindiging is gedaan, wordt dit Verdrag telkens stilzwijgend verlengd voor een tijdvak van tien jaar, waarbij elke Verdragsluitende Staat zich het recht voorbehoudt dit Verdrag te beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste zes maanden vóór het verstrijken van de lopende termijn van geldigheid.

3.

Ten aanzien van investeringen die zijn gedaan vóór de datum van beëindiging van dit Verdrag, blijven de voorgaande artikelen van kracht gedurende een tijdvak van vijftien jaar vanaf die datum.

4.

Met inachtneming van de in het tweede lid van dit artikel genoemde termijn is het Koninkrijk der Nederlanden gerechtigd de toepassing van dit Verdrag ten aanzien van een deel van het Koninkrijk afzonderlijk te beëindigen.

5.

Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag wordt de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië inzake de bescherming van investeringen, ondertekend op 16 februari 1976, in de betrekkingen tussen de Verdragsluitende Staten beëindigd en vervangen door dit Verdrag, behalve ten aanzien van de regeling van bestaande geschillen bedoeld in artikel 10 van dit Verdrag.

Dit Verdrag beëindigt slechts de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië inzake de bescherming van investeringen, ondertekend op 16 februari 1976, voor zover deze die delen van het Koninkrijk der Nederlanden betreft, voor welke dit Verdrag van toepassing is overeenkomstig de mededeling in artikel 14, eerste lid, van dit Verdrag.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende vertegenwoordigers, daartoe naar behoren gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.

GEDAAN in tweevoud te Skopje op 07-07-1998, in de Nederlandse, de Macedonische en de Engelse taal, zijnde de drie teksten authentiek. In geval van verschil in interpretatie is de Engelse tekst doorslaggevend.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden:

(w.g.) M. A. STIBBE

Voor de Macedonische Regering:

(w.g.) DRAGOLJUB ARSOVSKI

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.