Euro-Mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, anderzijds
Het Koninkrijk België,
het Koninkrijk Denemarken,
de Bondsrepubliek Duitsland,
de Helleense Republiek,
het Koninkrijk Spanje,
de Franse Republiek,
Ierland,
de Italiaanse Republiek,
het Groothertogdom Luxemburg,
het Koninkrijk der Nederlanden,
de Republiek Oostenrijk,
de Portugese Republiek,
de Republiek Finland,
het Koninkrijk Zweden,
het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,
Partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal,
hierna „lidstaten” genoemd, en
de Europese Gemeenschap,
de Europese Gemeenschap voor kolen en staal,
hierna „de Gemeenschap” genoemd,
enerzijds, en
het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië,
hierna „Jordanië” genoemd,
anderzijds,
Gelet op het belang van de historische banden tussen de Gemeenschap, haar lidstaten en Jordanië en hun gemeenschappelijke waarden,
Overwegende dat de Gemeenschap, haar lidstaten en Jordanië deze banden wensen te versterken en duurzame betrekkingen op basis van wederkerigheid, solidariteit, partnerschap en gezamenlijke ontwikkeling tot stand wensen te brengen,
Gelet op het belang dat de partijen hechten aan de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, en in het bijzonder aan de eerbiediging van de mensenrechten en de politieke en economische vrijheden waarop de Associatie is gegrondvest,
Gelet op de politieke en economische ontwikkelingen van de laatste jaren in Europa en het Midden-Oosten,
Zich bewust van de noodzaak gezamenlijk te streven naar versterking van de politieke stabiliteit en de economische ontwikkeling in de regio door middel van bevordering van regionale samenwerking,
Verlangende een regelmatige politiek dialoog over bilaterale en internationale kwesties van wederzijds belang in te stellen en te verdiepen,
Overtuigd van de noodzaak van versterking van het proces van sociale en economische modernisering dat Jordanië onderneemt om zijn economie volledig te integreren in de wereldeconomie en te participeren in de gemeenschap van democratische landen,
Gezien het verschil in economische en sociale ontwikkeling tussen Jordanië en de Gemeenschap,
Verlangende tot samenwerking te komen, steunende op een regelmatige dialoog, op economisch, wetenschappelijk, technologisch, cultureel, audiovisueel en sociaal gebied, met het oog op beter wederzijds begrip,
Gezien de gehechtheid van de Gemeenschap en Jordanië aan vrije handel, met name aan de naleving van de rechten en plichten die voortvloeien uit de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT),
Ervan overtuigd dat de Associatieovereenkomst een nieuw klimaat zal scheppen voor hun economische betrekkingen en met name voor de ontwikkeling van handel, investeringen en economische en technologische samenwerking,
Zijn als volgt overeengekomen[Red: De oorspronkelijke Bijlagen bij de Overeenkomst en de Protocollen liggen ter inzage bij de Afdeling Verdragen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en zijn gepubliceerd in PbEG 2002, L 129 en PbEU 2005, L 283.]:
Artikel 1
Er wordt een associatie tot stand gebracht tussen de Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Jordanië anderzijds.
Deze associatie heeft ten doel:
- –. een passend kader tot stand te brengen voor de politieke dialoog, waardoor nauwe politieke betrekkingen tussen de partijen tot stand kunnen komen;
- –. de voorwaarden vast te leggen voor de geleidelijke liberalisering van het goederen-, diensten- en kapitaalverkeer;
- –. het bevorderen van de ontwikkeling van evenwichtige economische en sociale betrekkingen tussen de partijen door middel van dialoog en samenwerking;
- –. het verbeteren van de levensomstandigheden en arbeidsvoorwaarden en het versterken van de productiviteit en de financiële stabiliteit;
- –. het aanmoedigen van regionale samenwerking ter consolidatie van de vreedzame coëxistentie en de economische en politieke stabiliteit;
- –. het bevorderen van de samenwerking op andere gebieden van wederzijds belang.
Artikel 2
De betrekkingen tussen de partijen en alle bepalingen van deze Overeenkomst zijn gegrondvest op eerbiediging van de democratische beginselen en de fundamentele rechten van de mens, zoals deze zijn opgenomen in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die ten grondslag ligt aan het binnen- en buitenlandse beleid van de Partijen en die een essentieel onderdeel van deze Overeenkomst vormt.
TITEL I. POLITIEKE DIALOOG
Artikel 3
Er wordt een regelmatige politieke dialoog tussen de Partijen tot stand gebracht. Deze dialoog versterkt de betrekkingen tussen de Partijen en vormt een bijdrage tot de verdere ontwikkeling van duurzaam partnerschap en de verbetering van het wederzijds begrip en de solidariteit.
De politieke dialoog en samenwerking hebben met name ten doel:
- –. verbetering van het onderling begrip en versterking van de convergentie van de standpunten over internationale vraagstukken, met name ten aanzien van aangelegenheden die belangrijke gevolgen voor een der partijen kunnen hebben;
- –. de partijen in staat te stellen het standpunt en de belangen van de andere partij in overweging te nemen;
- –. bevordering van de regionale veiligheid en stabiliteit;
- –. bevordering van gezamenlijke initiatieven.
Artikel 4
De politieke dialoog heeft betrekking op alle onderwerpen van wederzijds belang en beoogt de weg te openen voor nieuwe samenwerkingsvormen, gericht op gemeenschappelijke doelstellingen, met name vrede, veiligheid, mensenrechten, democratie en regionale ontwikkeling.
Artikel 5
De politieke dialoog is gericht op vereenvoudiging van de uitvoering van gezamenlijke initiatieven en vindt met regelmatige tussenpozen plaats, alsmede telkens wanneer de omstandigheden zulks vereisen, met name:
- a. op ministerieel niveau, voornamelijk in het kader van de Associatieraad;
- b. op het niveau van hoge functionarissen tussen vertegenwoordigers van Jordanië enerzijds en van het Voorzitterschap van de Raad en de Commissie anderzijds;
- c. met optimale gebruikmaking van alle diplomatieke kanalen, in het bijzonder door middel van regelmatige briefings door functionarissen, overleg ter gelegenheid van internationale vergaderingen en contacten tussen diplomatieke vertegenwoordigers in derde landen;
- d. op elke andere wijze die kan bijdragen tot de consolidatie, verdere ontwikkeling en intensivering van deze dialoog.
Er wordt een politieke dialoog ingesteld tussen het Europees Parlement en het Parlement van Jordanië.
TITEL II. VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN
Artikel 6
De Gemeenschap en Jordanië brengen in de loop van een overgangsperiode van ten hoogste 12 jaar, te beginnen bij de inwerkingtreding van deze Overeenkomst, geleidelijk een vrijhandelszone tot stand, overeenkomstig het bepaalde in deze Overeenkomst en in overeenstemming met de bepalingen van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel van 1994, hierna „GATT” te noemen.
HOOFDSTUK 1. INDUSTRIEPRODUCTEN
Artikel 7
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op producten van oorsprong uit de Gemeenschap en Jordanië, met uitzondering van de in bijlage II van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap genoemde producten.
Artikel 8
Er worden geen nieuwe invoerrechten of heffingen van gelijke werking ingesteld in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Jordanië.
Artikel 9
Producten van oorsprong uit Jordanië worden bij invoer in de Gemeenschap toegelaten met vrijstelling van douanerechten of heffingen van gelijke werking en zonder kwantitatieve beperkingen of andere maatregelen van gelijke werking.
Artikel 10
- a. De bepalingen van dit hoofdstuk vormen geen beletsel voor het door de Gemeenschap handhaven van een landbouwelement bij invoer van de in bijlage I genoemde producten van oorsprong uit Jordanië.
- b. Het landbouwelement kan de vorm van een vast bedrag of een ad valorem recht aannemen.
- c. De op landbouwproducten van toepassing zijnde bepalingen van hoofdstuk 2 zijn van overeenkomstige toepassing op het landbouwelement.
- a. De bepalingen van dit hoofdstuk vormen geen beletsel voor het door Jordanië handhaven van een landbouwelement bij invoer van de in bijlage II genoemde producten van oorsprong uit de Gemeenschap.
- b. Het landbouwelement dat Jordanië op grond van het bepaalde onder a. kan heffen op de invoer uit de Gemeenschap mag niet meer bedragen dan 50% van het basisrecht dat geheven wordt op de invoer uit landen waarmee Jordanië geen preferentiële handelsregeling heeft, doch die wel een meestbegunstigingsbehandeling genieten.
- c. Indien Jordanië aantoont dat het equivalent van de rechten die van toepassing zijn op landbouwproducten die in de goederen in bijlage II zijn verwerkt hoger is dan het onder b. genoemde maximum, dan kan de Associatieraad een hoger percentage overeenkomen.
- d. Jordanië mag de lijst van goederen waarop dit landbouwelement van toepassing is uitbreiden, mits de goederen voorkomen in bijlage I. Dit landbouwelement wordt, vóór het wordt goedgekeurd, ter beoordeling voorgelegd aan het Associatiecomité, dat alle vereiste besluiten kan nemen.
- e. Op de in bijlage II opgenomen producten van oorsprong uit de Gemeenschap past Jordanië vanaf de inwerkingtreding van de Overeenkomst geen hogere invoerrechten en heffingen van gelijke werking toe dan die welke op 1 januari 1996 van toepassing waren.
Voor het industrie-element van de in bijlage II opgenomen producten van oorsprong uit de Gemeenschap schaft Jordanië de invoerrechten en heffingen van gelijke werking geleidelijk af overeenkomstig het bepaalde in artikel 11.
De overeenkomstig de leden 1 en 2 toegepaste landbouwelementen kunnen worden verminderd wanneer in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Jordanië de op een basislandbouwproduct toegepaste heffing is verlaagd of wanneer deze verminderingen het gevolg zijn van wederzijdse concessies op het gebied van verwerkte landbouwproducten.
De in lid 4 bedoelde vermindering, de lijst van betrokken producten en, in voorkomend geval, de tariefcontingenten waarvoor de verlagingen gelden, worden door de Associatieraad vastgesteld.
Artikel 11
De douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij invoer in Jordanië van toepassing zijn op producten van oorsprong uit de Gemeenschap, met uitzondering van de in bijlagen II, III en IV vermelde producten, worden afgeschaft bij de inwerkingtreding van de Overeenkomst.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 10, lid 2, onder b., en lid 3, worden de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij invoer in Jordanië van toepassing zijn op producten van oorsprong uit de Gemeenschap vermeld in bijlage II, geleidelijk afgeschaft overeenkomstig het hierna volgende tijdschema:
- –. vier jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd met 10% van het basisrecht;
- –. vijf jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd met 20% van het basisrecht;
- –. zes jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd met 30% van het basisrecht;
- –. zeven jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd met 40% van het basisrecht;
- –. acht jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd met 50% van het basisrecht.
De douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij invoer in Jordanië van toepassing zijn op de in lijst A van bijlage III vermelde producten van oorsprong uit de Gemeenschap worden geleidelijk afgeschaft volgens het onderstaande tijdschema:
- –. bij de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 80% van het basisrecht;
- –. één jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 60% van het basisrecht;
- –. twee jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 40% van het basisrecht;
- –. drie jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 20% van het basisrecht;
- –. vier jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle resterende rechten en heffingen afgeschaft.
De douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij invoer in Jordanië van toepassing zijn op de in lijst B van bijlage III vermelde producten van oorsprong uit de Gemeenschap worden geleidelijk afgeschaft volgens het onderstaande tijdschema:
- –. vier jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 90% van het basisrecht;
- –. vijf jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 80% van het basisrecht;
- –. zes jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 70% van het basisrecht;
- –. zeven jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 60% van het basisrecht;
- –. acht jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 50% van het basisrecht;
- –. negen jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 40% van het basisrecht;
- –. tien jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 30% van het basisrecht;
- –. elf jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle rechten en heffingen verlaagd tot 20% van het basisrecht;
- –. twaalf jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst worden alle resterende rechten en heffingen afgeschaft.
De ten aanzien van de producten in bijlage IV toe te passen regelingen worden vier jaar na de inwerkingtreding van de Overeenkomst door de Associatieraad onderzocht. Bij dit onderzoek stelt de Associatieraad voor de afschaffing van de tarieven voor de producten in bijlage IV een tijdschema op.
Indien zich met betrekking tot een bepaald product ernstige problemen voordoen, kunnen de in de leden 2, 3 en 4 genoemde tijdschema's in overleg worden herzien door het Associatiecomité, met dien verstande dat het tijdschema waarvoor de herziening is aangevraagd voor het betrokken product niet verder verlengd kan worden dan de maximale overgangsperiode van twaalf jaar. Indien het Comité geen besluit heeft genomen binnen dertig dagen na de kennisgeving van het verzoek van Jordanië om herziening van het tijdschema, kan Jordanië het tijdschema voorlopig opschorten voor een periode van ten hoogste één jaar.
Het basisrecht waarop de in de leden 2, 3 en 4 vastgestelde achtereenvolgende verlagingen worden toegepast is voor elk product het op 1 januari 1996 daadwerkelijk ten opzichte van de Gemeenschap toegepaste recht.
Indien na 1 januari 1996 tariefverlagingen op erga omnes-grondslag worden toegepast, treden de verlaagde rechten in de plaats van de in lid 5 bedoelde basisrechten, met ingang van de datum waarop de verlagingen toepassing vinden.
Jordanië deelt de Gemeenschap zijn basisrechten mede.
Artikel 12
De bepalingen betreffende de afschaffing van invoerrechten zijn eveneens van toepassing op douanerechten van fiscale aard.
Artikel 13
In afwijking van het bepaalde in artikel 11 mag Jordanië buitengewone maatregelen van beperkte duur nemen in de vorm van verhoging of wederinstelling van douanerechten.
Dergelijke maatregelen mogen uitsluitend worden genomen ten behoeve van jonge industrieën of van bepaalde sectoren waarin herstructureringen plaatsvinden of die met grote moeilijkheden te kampen hebben, vooral wanneer deze moeilijkheden ernstige sociale gevolgen hebben.
De invoerrechten die krachtens deze maatregelen door Jordanië worden toegepast ten aanzien van producten van oorsprong uit de Gemeenschap mogen niet meer dan 25% ad valorem bedragen en dienen een preferentie voor producten van oorsprong uit de Gemeenschap in te houden. De jaargemiddelde van de totale waarde van de ingevoerde producten waarop dergelijke maatregelen van toepassing zijn mag niet meer bedragen dan 20% van het jaargemiddelde van de totale invoer van industrieproducten uit de Gemeenschap gedurende de laatste drie jaren waarvoor statistische gegevens beschikbaar zijn.
Deze maatregelen gelden voor een periode van ten hoogste vijf jaar, tenzij het Associatiecomité de toepassing ervan over een langere periode toestaat. Zij treden uiterlijk bij het verstrijken van de maximale overgangsperiode van twaalf jaar buiten werking.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.