Gezamenlijk Verdrag inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval
Preambule
De Verdragsluitende Partijen
Erkennend dat de bedrijfsvoering van kernreactoren bestraalde splijtstof en radioactief afval produceert en dat andere toepassingen van nucleaire technologieën eveneens radioactief afval produceren;
Erkennend dat dezelfde veiligheidsdoelstellingen zowel op het beheer van bestraalde splijtstof als op het beheer van radioactief afval van toepassing zijn;
Opnieuw bevestigend dat het voor de internationale gemeenschap van belang is ervoor te zorgen dat verantwoorde praktijken worden gepland en uitgevoerd voor de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval;
Erkennend dat het van belang is het publiek te informeren inzake onderwerpen met betrekking tot de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval;
Geleid door de wens een effectieve nucleaire veiligheidscultuur over de gehele wereld te bevorderen;
Opnieuw bevestigend dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval berust bij de Staat;
Erkennend dat de bepaling van een beleid inzake de splijtstofcyclus berust bij de Staat, aangezien sommige Staten bestraalde splijtstof beschouwen als een waardevol materiaal dat kan worden opgewerkt en andere Staten ervoor kiezen het op te bergen;
Erkennend dat bestraalde splijtstof en radioactief afval die niet onder dit Verdrag vallen omdat zij tot militaire of defensieprogramma's behoren, moeten worden beheerd in overeenstemming met de in dit Verdrag neergelegde doelstellingen;
Het belang bevestigend van internationale samenwerking bij het verhogen van de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en van radioactief afval door middel van bilaterale en multilaterale mechanismen en door middel van dit tot een inspanning verplichtend Verdrag;
Indachtig de behoeften van de ontwikkelingslanden, en in het bijzonder van de minst ontwikkelde landen, en van de Staten met economieën die in een overgangsfase verkeren en indachtig de noodzaak tot het vergemakkelijken van bestaande mechanismen tot het verlenen van bijstand bij het uitoefenen van hun rechten en het nakomen van hun plichten die in dit tot een inspanning verplichtend Verdrag zijn genoemd;
Ervan overtuigd dat radioactief afval, voor zover dit verenigbaar is met de veiligheid van het beheer van dergelijk materiaal, definitief opgeborgen moet worden in de Staat waar het is ontstaan, en erkennend dat onder bepaalde omstandigheden een veilig en efficiënt beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval aangemoedigd zou kunnen worden door overeenkomsten tussen de Verdragsluitende Partijen om installaties op het grondgebied van een van hen te gebruiken ten bate van de andere Partijen, in het bijzonder wanneer afval uit gezamenlijke projecten ontstaat;
Erkennend dat elke Staat het recht heeft de invoer van bestraalde splijtstof en radioactief afval van buitenlandse herkomst naar zijn grondgebied te verbieden;
Indachtig het Verdrag inzake nucleaire veiligheid (1994), het Verdrag inzake vroegtijdige kennisgeving van een nucleair ongeval (1986), het Verdrag inzake de verlening van bijstand in het geval van een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen (1986), het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal (1980), het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen, zoals gewijzigd (1994), en andere relevante internationale instrumenten;
Indachtig de beginselen die zijn opgenomen in de gezamenlijke „internationale basis veiligheidsnormen inzake de bescherming tegen ioniserende straling en inzake de veiligheid van stralingsbronnen” van verschillende organisaties (1996), in de veiligheidsbeginselen van de IAEA genaamd „De beginselen van het beheer van radioactief afval” (1995) en in de bestaande internationale normen met betrekking tot de veiligheid van het vervoer van radioactieve stoffen;
In herinnering brengend Hoofdstuk 22 van Agenda 21 van de conferentie van de Verenigde Naties inzake milieu en ontwikkeling in Rio de Janeiro, aangenomen in 1992, dat opnieuw het enorme belang bevestigt van het op veilige en milieuverantwoorde wijze beheren van radioactief afval;
Erkennend de wenselijkheid van de versterking van het internationale beheerssysteem dat met name van toepassing is op radioactieve stoffen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan (1989);
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK 1. DOELSTELLINGEN, BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN EN WERKINGSSFEER
Artikel 1. Doelstellingen
De doelstellingen van dit Verdrag zijn:
- i. het bereiken en handhaven van een hoog niveau van veiligheid over de gehele wereld op het gebied van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval door middel van de verbetering van de nationale maatregelen en de internationale samenwerking, waaronder, indien van toepassing, technische samenwerking met betrekking tot veiligheid;
- ii. het verzekeren dat tijdens alle stadia van het beheer van gebruikte splijtstof en radioactief afval doeltreffende bescherming bestaat tegen mogelijke risico's teneinde personen, de samenleving en het milieu te behoeden voor de schadelijke gevolgen van ioniserende straling, nu en in de toekomst, op zodanige wijze dat wordt voldaan aan de behoeften en aspiraties van de huidige generatie zonder dat de mogelijkheid van de komende generaties om aan hun behoeften en aspiraties te voldoen in gevaar wordt gebracht;
- iii. het voorkomen van ongevallen waarbij radioactieve stoffen vrijkomen en het beperken van de gevolgen, mochten dergelijke ongevallen zich voordoen tijdens enig stadium van het beheer van bestraalde splijtstof of radioactief afval.
Artikel 2. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag
- a. wordt onder „beheer van bestraalde splijtstof" verstaan alle activiteiten die verband houden met de behandeling of opslag van bestraalde splijtstof, met uitzondering van het vervoer buiten de inrichting. Hiertoe kunnen ook lozingen behoren;
- b. wordt onder „beheer van radioactief afval" verstaan alle activiteiten, met inbegrip van buitenbedrijfstelling, die verband houden met de behandeling, voorbewerking, bewerking, conditionering, opslag of opberging van radioactief afval, met uitzondering van het vervoer buiten de vestigingsplaats. Hiertoe kunnen ook lozingen behoren;
- c. wordt onder „bestraalde splijtstof" verstaan splijtstof die is bestraald in en permanent verwijderd uit een reactorkern;
- d. wordt onder „decommissioning"1)[Red: De juiste vertaling van het Engelse begrip “decommissioning" is “buiten gebruik stellen en ontmantelen". Voor de eenvoud van de tekst wordt in dit document echter telkenmale het begrip “decommissioning" onvertaald weergegeven, maar is voornoemde betekenis bedoeld.] verstaan alle maatregelen die ertoe leiden dat een kerninstallatie, anders dan een faciliteit voor eindberging, niet meer aan regulering onderworpen is. Deze maatregelen omvatten mede de processen van ontsmetting en ontmanteling;
- e. wordt onder „eindberging" verstaan het plaatsen van bestraalde splijtstof of radioactief afval in een geschikte faciliteit zonder de bedoeling het terug te halen;
- f. wordt onder „faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof" verstaan elke faciliteit of inrichting waarvan het voornaamste doel is het beheer van bestraalde splijtstof;
- g. wordt onder „faciliteit voor het beheer van radioactief afval" verstaan elke faciliteit of inrichting waarvan het voornaamste doel is het beheer van radioactief afval, met inbegrip van een kerninstallatie ten aanzien waarvan een procedure van buitenbedrijfstelling loopt, op voorwaarde dat een dergelijke faciliteit of inrichting door de Verdragsluitende Partij als een faciliteit voor het beheer van radioactief afval wordt aangewezen;
- h. wordt onder „grensoverschrijdende overbrenging" verstaan elke overbrenging van bestraalde splijtstof of radioactief afval uit een Staat van herkomst naar een Staat van bestemming.
- i. wordt onder „ingekapselde bron" verstaan radioactieve stoffen die permanent in een capsule zijn opgesloten of in een vaste niet verspreidbare vorm zijn gebracht, met uitzondering van splijtstofelementen voor reactoren;
- j. wordt onder „kerninstallatie" verstaan een civiele installatie met de bijbehorende grond, gebouwen en uitrusting waar radioactieve stoffen worden geproduceerd, bewerkt, gebruikt, behandeld, opgeslagen of opgeborgen op een zodanige schaal dat de veiligheid in acht moet worden genomen;
- k. wordt onder „lozingen" verstaan het planmatig en gecontroleerd in het milieu brengen als legitieme praktijk, binnen de door het regulerend lichaam toegestane grenzen, van vloeibare of gasvormige radioactieve stoffen die afkomstig zijn van gereguleerde kerninstallaties tijdens de normale bedrijfsvoering daarvan;
- l. wordt onder „operationele levensduur" verstaan de periode gedurende welke een faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof of radioactief afval voor het beoogde doel wordt gebruikt. In het geval van een faciliteit voor opberging begint deze periode op het moment waarop de bestraalde splijtstof of het radioactieve afval voor de eerste keer in de faciliteit wordt geplaatst en eindigt zij bij de sluiting van de faciliteit;
- m. wordt onder „opslag" verstaan het voorhanden hebben van bestraalde splijtstof of radioactief afval in een faciliteit die in de insluiting daarvan voorziet, met de bedoeling het terug te halen;
- n. wordt onder „opwerking" verstaan een proces of een werkwijze waarvan het doel is radioactieve isotopen uit bestraalde splijtstof te winnen voor verder gebruik;
- o. wordt onder „radioactief afval" verstaan radioactieve stoffen in gasvormige, vloeibare of vaste vorm waarvoor geen verder gebruik is voorzien door de Verdragsluitende Partij of door een natuurlijke of rechtspersoon wiens beslissing door de Verdragsluitende Partij wordt aanvaard en dat door een regulerend lichaam als radioactief afval wordt gecontroleerd overeenkomstig het wet- en regelgevend kader van de Verdragsluitende Partij;
- p. wordt onder „regulerend lichaam" verstaan een of meer lichamen waaraan door de Verdragsluitende Partij de wettelijke bevoegdheid is verleend elk aspect van de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof of radioactief afval te reguleren, met inbegrip van het afgeven van vergunningen;
- q. wordt onder „sluiting" verstaan de voltooiing van alle werkzaamheden op enig moment na het plaatsen van de bestraalde splijtstof of het radioactief afval in een faciliteit voor eindberging. Dit omvat mede het verrichten van de laatste technische of andere werkzaamheden die zijn vereist om de faciliteit in een toestand te brengen die de veiligheid voor de lange termijn garandeert.
- r. wordt onder „Staat van bestemming" verstaan de Staat naar welke een grensoverschrijdende overbrenging wordt gepland of plaatsvindt;
- s. wordt onder „Staat van doorvoer" verstaan elke Staat, anders dan een Staat van herkomst of een Staat van bestemming, over het grondgebied waarvan een grensoverschrijdende overbrenging wordt gepland of plaatsvindt;
- t. wordt onder „Staat van herkomst" verstaan een Staat waarvandaan een grensoverschrijdende overbrenging wordt gepland of plaatsvindt;
- u. wordt onder „vergunning" verstaan elke door een regulerend lichaam verleende machtiging, toestemming of certificatie ter verrichting van activiteiten met betrekking tot het beheer van bestraalde splijtstof of van radioactief afval;
Artikel 3. Werkingssfeer
Dit Verdrag is van toepassing op de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof wanneer de bestraalde splijtstof resulteert uit de bedrijfsvoering van civiele kernreactoren. Bestraalde splijtstof die in opwerkingsfaciliteiten voorhanden is als onderdeel van een opwerkingsactiviteit valt niet onder de werkingssfeer van dit Verdrag, tenzij de Verdragsluitende Partij verklaart dat opwerking deel uitmaakt van het beheer van bestraalde splijtstof.
Dit Verdrag is tevens van toepassing op de veiligheid van het beheer van radioactief afval wanneer dit radioactieve afval resulteert uit civiele toepassingen. Dit Verdrag is echter niet van toepassing op afval dat slechts natuurlijke radioactieve stoffen bevat en dat niet afkomstig is uit de splijtstofcyclus, tenzij het bestaat uit een buiten bedrijf genomen ingekapselde bron of door de Verdragsluitende Partij wordt aangemerkt als radioactief afval in de zin van dit Verdrag.
Dit Verdrag is niet van toepassing op de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof of radioactief afval binnen militaire of defensieprogramma's, tenzij deze door de Verdragsluitende Partij als bestraalde splijtstof of radioactief afval in de zin van dit Verdrag zijn aangemerkt. Dit Verdrag is echter van toepassing op de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval afkomstig uit militaire of defensieprogramma's indien en wanneer deze stoffen permanent worden overgedragen aan en beheerd worden binnen uitsluitend civiele programma's.
Dit Verdrag is tevens van toepassing op lozingen overeenkomstig de artikelen 4, 7, 11, 14, 24 en 26.
HOOFDSTUK 2. VEILIGHEID VAN HET BEHEER VAN BESTRAALDE SPLIJTSTOF
Artikel 4. Algemene veiligheidseisen
Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat in alle stadia van het beheer van bestraalde splijtstof personen, de samenleving en het milieu op adequate wijze beschermd zijn tegen de gevaren van radioactiviteit.
Elke Verdragsluitende Partij neemt hierbij passende maatregelen:
- i. om zeker te stellen dat met kritikaliteit en afvoer van restwarmte die tijdens het beheer van bestraalde splijtstof ontstaat in voldoende mate rekening wordt gehouden;
- ii. om zeker te stellen dat de productie van radioactief afval waarmee het beheer van bestraalde splijtstof gepaard gaat zo laag als praktisch mogelijk is wordt gehouden, in overeenstemming met het beleid dat is aangenomen ten aanzien van de splijtstofcyclus;
- iii. om rekening te houden met de onderlinge relaties die bestaan tussen de verschillende fasen van het beheer van bestraalde splijtstof;
- iv. om te zorgen voor effectieve bescherming van personen, de samenleving en het milieu door op nationaal niveau geschikte beschermingsmethoden toe te passen die zijn goedgekeurd door het regulerend lichaam, in het kader van haar nationale wetgeving waarin naar behoren rekening wordt gehouden met internationaal goedgekeurde criteria en normen;
- v. om rekening te houden met biologische, chemische en andere gevaren waarmee het beheer van bestraalde splijtstof gepaard kan gaan;
- vi. om te trachten handelingen te vermijden waarvan de redelijkerwijs voorzienbare gevolgen voor de toekomstige generaties groter zijn dan de gevolgen die voor de huidige generatie zijn toegestaan;
- vii. om te trachten te vermijden dat de toekomstige generaties overmatig worden belast.
Artikel 5. Bestaande faciliteiten
Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om de veiligheid te toetsen van elke faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof die bestaat op het tijdstip waarop het Verdrag voor die Verdragsluitende Partij in werking treedt en om te waarborgen dat, indien noodzakelijk, alle redelijkerwijs uitvoerbare verbeteringen worden aangebracht ter vergroting van de veiligheid van een dergelijke faciliteit.
Artikel 6. Keuze van de vestigingsplaats van geplande faciliteiten
Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om te waarborgen dat procedures worden vastgelegd en uitgevoerd voor een geplande faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof:
- i. om alle relevante met de locatie samenhangende factoren te evalueren die van invloed zouden kunnen zijn op de veiligheid van deze faciliteit gedurende de operationele levensduur daarvan;
- ii. om alle eventuele effecten vanuit het oogpunt van veiligheid te evalueren die een dergelijke faciliteit zou kunnen hebben op personen, de samenleving en het milieu;
- iii. om informatie over de veiligheid van deze faciliteit toegankelijk te maken voor het publiek;
- iv. om Verdragsluitende Partijen in de nabijheid van deze faciliteit te raadplegen, voor zover zij gevolgen van die faciliteit zouden kunnen ondervinden, en desgewenst algemene gegevens over de installatie te verstrekken aan die Verdragsluitende Partijen teneinde hen in staat te stellen om zelf eventuele effecten van de faciliteit op hun eigen grondgebied te evalueren vanuit het oogpunt van veiligheid.
Elke Verdragsluitende Partij neemt hierbij passende maatregelen om zeker te stellen dat deze faciliteiten geen onaanvaardbare effecten hebben op andere Verdragsluitende Partijen door de vestigingsplaats van de faciliteiten te kiezen in overeenstemming met de algemene veiligheidseisen van artikel 4.
Artikel 7. Ontwerp en bouw van faciliteiten
Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat:
- i. bij het ontwerp en de bouw van een faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof wordt voorzien in adequate maatregelen ter beperking van eventuele effecten van radioactieve stoffen op personen, de samenleving en het milieu, met inbegrip van effecten ten gevolge van lozingen of van ongecontroleerde emissie;
- ii. in de ontwerpfase rekening wordt gehouden met conceptuele plannen en, indien noodzakelijk, met technische maatregelen voor de buitenbedrijfstelling van een faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof;
- iii. de technologieën die bij het ontwerp en de bouw van een faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof worden toegepast worden ondersteund door ervaring, testen of analyses.
Artikel 8. Beoordeling van veiligheid van faciliteiten
Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.