← Geldende tekst · Geschiedenis

Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, inzake persistente organische verontreinigende stoffen

Geldende tekst a fecha 2003-10-23

De Partijen,

Vastbesloten het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand uit te voeren,

Erkennend dat emissies van veel persistente organische verontreinigende stoffen over internationale grenzen heen worden meegevoerd en in Europa, Noord-Amerika en het noordpoolgebied, ver van hun plaats van oorsprong, worden gedeponeerd en dat de atmosfeer het belangrijkste transportmedium vormt,

Zich ervan bewust dat persistente organische verontreinigende stoffen onder natuurlijke omstandigheden zeer slecht ontleden en in verband zijn gebracht met schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu,

Bezorgd over het feit dat persistente organische verontreinigende stoffen door biomagnificatie op hogere trofische niveaus concentraties kunnen bereiken die de gezondheid van daaraan blootgestelde dieren en mensen kunnen aantasten,

Erkennend dat de arctische ecosystemen en vooral de inheemse bevolking, die van arctische vissoorten en zoogdieren leeft, ten gevolge van de biomagnificatie van persistente organische verontreinigende stoffen, bijzonder bedreigd zijn,

Indachtig het feit dat maatregelen ter beheersing van emissies van persistente organische verontreinigende stoffen tevens zouden bijdragen tot de bescherming van het milieu en de volksgezondheid in gebieden buiten de regio van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, met inbegrip van de arctische en internationale wateren,

Met het vaste voornemen voorzorgsmaatregelen te treffen teneinde emissies van persistente organische verontreinigende stoffen voor te zijn, deze te vermijden of tot een minimum terug te brengen, rekening houdend met de toepassing van de aanpak volgens het voorzorgsbeginsel, zoals bedoeld in beginsel 15 van de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling,

Nogmaals bevestigend dat de Staten, overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties en de beginselen van internationaal recht, het soevereine recht hebben hun eigen hulpbronnen te exploiteren volgens hun eigen milieu- en ontwikkelingsbeleid alsmede ervoor verantwoordelijk zijn dat activiteiten die onder hun rechtsmacht of toezicht worden verricht, geen schade veroorzaken aan het milieu van andere Staten of van gebieden die buiten de grenzen van de nationale rechtsmacht vallen,

Wijzend op de noodzaak van een mondiaal optreden met betrekking tot persistente organische verontreinigende stoffen en herinnerend aan de rol die regionale overeenkomsten volgens hoofdstuk 9 van Agenda 21 moeten vervullen bij het terugdringen in de gehele wereld van grensoverschrijdende luchtverontreiniging en met name de rol van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties die haar regionale ervaring met andere regio's van de wereld moet delen,

Erkennend dat er subregionale, regionale en mondiale regelingen bestaan, waaronder internationale overeenkomsten betreffende het beheer van gevaarlijke afvalstoffen, het grensoverschrijdende verkeer en de verwijdering daarvan, met name het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan,

Overwegende dat het gebruik van bepaalde bestrijdingsmiddelen, de vervaardiging en het gebruik van bepaalde chemische stoffen en de onopzettelijke vorming van bepaalde stoffen bij afvalverbranding, verbranding, metaalproductie en mobiele bronnen, de belangrijkste oorzaken van luchtverontreiniging vormen die tot de accumulatie van persistente organische verontreinigende stoffen bijdragen,

Zich ervan bewust dat technieken en beheerspraktijken beschikbaar zijn om emissies van persistente organische verontreinigende stoffen in de lucht terug te dringen,

Zich bewust van de noodzaak van een kosteneffectieve regionale aanpak voor de bestrijding van luchtverontreiniging,

Wijzend op de belangrijke bijdrage van de particuliere en de niet-gouvernementele sector aan de kennis van de effecten van persistente organische verontreinigende stoffen, beschikbare alternatieven en bestrijdingstechnieken alsook op de rol die zij mede spelen bij de terugdringing van emissies van persistente organische verontreinigende stoffen,

In aanmerking nemend dat maatregelen ter vermindering van emissies van persistente organische verontreinigende stoffen niet als middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie of als verkapte beperking van de internationale concurrentie of handel mogen dienen,

In overweging nemend de bestaande wetenschappelijke en technische gegevens inzake emissies, atmosferische processen en effecten van persistente organische verontreinigende stoffen op de volksgezondheid en het milieu alsook inzake de bestrijdingskosten en erkennend dat het noodzakelijk is de wetenschappelijke en technische samenwerking voort te zetten teneinde nog meer inzicht in deze problemen te verwerven,

Erkennend de maatregelen inzake persistente organische verontreinigende stoffen die reeds door bepaalde Partijen op nationaal niveau en/of in het kader van andere internationale verdragen zijn genomen,

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:

Artikel 2. Doel

Het doel van dit Protocol is het beheersen, terugdringen of elimineren van lozingen, emissies en verliezen van persistente organische verontreinigende stoffen.

Artikel 3. Basisverplichtingen
1.

Behalve wanneer overeenkomstig artikel 4 in specifieke vrijstellingen is voorzien, nemen de Partijen doeltreffende maatregelen:

2.

De in lid 1, onder b), vermelde voorschriften worden voor elke stof van kracht op de datum waarop de productie of het gebruik van die stof wordt gestaakt, naar gelang van welk tijdstip het laatst is.

3.

Voor in bijlage I, II of III vermelde stoffen ontwikkelen de Partijen passende strategieën ter bepaling van nog in gebruik zijnde artikelen en van afvalstoffen die dergelijke stoffen bevatten, en nemen zij geschikte maatregelen om ervoor te zorgen dat die afvalstoffen en die artikelen, wanneer ze afval worden, op een milieuvriendelijke manier worden vernietigd of verwijderd.

4.

Voor de toepassing van de leden 1 tot en met 3 worden de termen afval, verwijdering en milieuvriendelijk uitgelegd op een wijze die consistent is met het gebruik van die termen in het Verdrag van Basel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan.

5.

De Partijen:

6.

In het geval van huisverwarmingsinstallaties hebben de in lid 5, onder b, i en iii, vermelde verplichtingen betrekking op de gezamenlijke stationaire bronnen in die categorie.

7.

Een partij die na toepassing van lid 5, onder b, voor een in bijlage III vermelde stof niet aan het in lid 5, onder a, vereiste kan voldoen, wordt vrijgesteld van de in lid 5, onder a, bedoelde verplichtingen voor die stof.

8.

De Partijen maken voor de in bijlage III vermelde stoffen emissie-inventarisaties op en houden deze bij en verzamelen beschikbare informatie betreffende de productie en de verkoop van de in de bijlagen I en II vermelde stoffen, waarbij Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP ten minste de door het bestuursorgaan van het EMEP opgegeven methoden en resolutie in tijd en ruimte toepassen en Partijen buiten de geografische reikwijdte van het EMEP als richtsnoer de methoden gebruiken die in het kader van het werkschema van het uitvoerend orgaan zijn uitgewerkt. Voor het verstrekken van deze informatie gelden de voorschriften van artikel 9 inzake verslaglegging.

Artikel 4. Vrijstellingen
1.

Artikel 3, lid 1, is niet van toepassing op hoeveelheden van een stof die voor laboratoriumonderzoek of als referentiestandaard worden gebruikt.

2.

Een partij kan met betrekking tot een bepaalde stof vrijstelling van artikel 3, lid 1, onder a en c, verlenen, mits de vrijstelling niet wordt verleend of gebruikt op een manier die de doelstellingen van dit Protocol doorkruist, en uitsluitend voor de volgende doeleinden en onder de volgende voorwaarden:

3.

De Partijen verstrekken uiterlijk 90 dagen na het verlenen van een vrijstelling overeenkomstig lid 2, het secretariaat ten minste de volgende gegevens:

4.

Het secretariaat stelt de uit hoofde van lid 3 ontvangen informatie ter beschikking van alle Partijen.

Artikel 5. Uitwisseling van informatie en technologie

De Partijen scheppen, in overeenstemming met hun nationale wetten, voorschriften en gewoonten, gunstige voorwaarden voor het vergemakkelijken van de uitwisseling van informatie en technologie ter vermindering van de productie en emissie van persistente organische verontreinigende stoffen en tot ontwikkeling van kosteneffectieve alternatieven, met name door het bevorderen van:

Artikel 6. Bewustmaking van het publiek

De Partijen bevorderen, in overeenstemming met hun nationale wetten, voorschriften en gewoonten, het verstrekken van informatie aan het grote publiek, met inbegrip van personen die directe gebruikers van persistente organische verontreinigende stoffen zijn. Deze informatie kan onder andere het volgende omvatten:

Artikel 7. Strategieën, beleidslijnen, programma's, maatregelen en informatie
1.

De Partijen stellen, uiterlijk zes maanden na de datum waarop dit Protocol in werking treedt, strategieën, beleidslijnen en programma's op teneinde hun verplichtingen ingevolge dit Protocol na te komen.

2.

De Partijen:

3.

De Partijen kunnen strengere maatregelen nemen dan die welke in dit Protocol zijn voorgeschreven.

Artikel 8. Onderzoek, ontwikkeling en monitoring

De Partijen stimuleren onderzoek, ontwikkeling, monitoring en samenwerking met betrekking, maar niet beperkt tot:

Prioriteit moet worden gegeven aan onderzoek naar stoffen waarvan wordt aangenomen dat zij naar alle waarschijnlijkheid zullen worden onderworpen aan de procedures van artikel 14, lid 6.

Artikel 9. Verslaglegging
1.

Met inachtneming van de wetgeving betreffende de vertrouwelijkheid van commerciële informatie:

2.

De overeenkomstig lid 1, onder a, te verstrekken informatie moet in overeenstemming zijn met het tijdens een zitting van het uitvoerend orgaan door de Partijen aan te nemen besluit betreffende vorm en inhoud. De bepalingen van dit besluit worden indien nodig nader bezien, teneinde na te gaan of aanvullende elementen betreffende de vorm of de inhoud van de informatie in de rapporten moeten worden opgenomen.

3.

Tijdig voor elke jaarlijkse zitting van het uitvoerend orgaan verstrekt het EMEP informatie over het transport over lange afstand en de depositie van persistente organische verontreinigende stoffen.

Artikel 10. Toetsingen door de Partijen op zittingen van het uitvoerend orgaan
1.

Op zittingen van het uitvoerend orgaan toetsen de Partijen overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder a, van het Verdrag de door de Partijen, het EMEP en andere afhankelijke instanties verstrekte informatie en de verslagen van het implementatiecomité, als bedoeld in artikel 11 van dit Protocol.

2.

Op zittingen van het uitvoerend orgaan onderwerpen de Partijen de voortgang in het nakomen van de in dit Protocol vermelde verplichtingen aan een toetsing.

3.

Op zittingen van het uitvoerend orgaan onderwerpen de Partijen de adequaatheid en de doeltreffendheid van de in dit Protocol vermelde verplichtingen aan een toetsing. Bij de toetsingen wordt rekening gehouden met de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens over de gevolgen van de depositie van persistente organische verontreinigende stoffen, evaluaties van technologische ontwikkelingen, veranderende economische omstandigheden en de nakoming van de verplichtingen inzake emissieniveaus. De procedures, de methoden en het tijdschema voor deze toetsingen worden nader bepaald door de Partijen op een zitting van het uitvoerend orgaan. De eerste dergelijke toetsing dient uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van dit Protocol te zijn afgerond.

Artikel 11. Naleving

De naleving door elke partij van haar uit dit Protocol voortvloeiende verplichtingen wordt op gezette tijden getoetst. Het bij Besluit 1997/2 van het uitvoerend orgaan op zijn vijftiende zitting ingestelde implementatiecomité is belast met die toetsingen en brengt verslag uit aan de Partijen op zittingen van het uitvoerend orgaan overeenkomstig de bepalingen van de bijlage bij dat besluit, met inbegrip van eventuele wijzigingen daarvan.

Artikel 12. Beslechting van geschillen
1.

In geval van een geschil tussen twee of meer Partijen betreffende de uitleg of toepassing van dit Protocol trachten de betrokken Partijen het geschil te beslechten door middel van onderhandelingen of op een andere vreedzame wijze van hun eigen keuze. De Partijen bij het geschil stellen het uitvoerend orgaan in kennis van hun geschil.

2.

Bij de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dan wel toetreding tot dit Protocol of op enig tijdstip daarna kan een partij die geen regionale organisatie voor economische integratie is, in een schriftelijke bij de depositaris ingediende akte verklaren dat zij, met betrekking tot een geschil betreffende de uitleg of toepassing van het Protocol, beide onderstaande wijzen van geschillenbeslechting of een daarvan ipso facto en zonder bijzondere overeenkomst als dwingend erkent ten opzichte van elke partij die dezelfde verplichting aanvaardt:

Een partij die een regionale organisatie voor economische integratie is, kan een verklaring van gelijke strekking met betrekking tot arbitrage afleggen in overeenstemming met de onder b bedoelde procedures.

3.

Een ingevolge lid 2 afgelegde verklaring blijft van kracht totdat zij overeenkomstig haar bepalingen haar geldigheid verliest dan wel tot drie maanden nadat een schriftelijke kennisgeving van opzegging is nedergelegd bij de depositaris.

4.

Een nieuwe verklaring, een kennisgeving van opzegging of het vervallen van de geldigheid van een verklaring zijn op generlei wijze van invloed op de procedure voor het Internationale Gerechtshof of het scheidsgerecht, tenzij de Partijen bij het geschil anders overeenkomen.

5.

Indien de Partijen bij het geschil, behalve ingeval de betrokken Partijen dezelfde wijze van geschillenbeslechting overeenkomstig lid 2 hebben aanvaard, er na twaalf maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de ene partij aan de andere dat tussen hen een geschil bestaat, niet in zijn geslaagd hun geschil te beslechten op de in lid 1 bedoelde wijzen, wordt het geschil op verzoek van een van de Partijen bij het geschil onderworpen aan een conciliatie.

6.

Voor de toepassing van lid 5 wordt een conciliatiecommissie opgericht. De commissie bestaat uit een gelijk aantal leden, die zijn benoemd door elke betrokken partij of, wanneer bij de conciliatie betrokken Partijen eenzelfde belang hebben, door de groep die datzelfde belang heeft, en een voorzitter die door de aldus benoemde leden gezamenlijk is gekozen. De commissie doet uitspraak in de vorm van een aanbeveling, die de Partijen te goeder trouw in overweging nemen.

Artikel 13. Bijlagen

De bijlagen bij dit Protocol vormen een integrerend deel van het Protocol. De bijlagen V en VII dragen het karakter van een aanbeveling.

Artikel 14. Wijzigingen
1.

Elke partij kan wijzigingen in dit Protocol voorstellen.

2.

Voorgestelde wijzigingen worden schriftelijk ingediend bij de uitvoerend secretaris van de Commissie, die ze aan alle Partijen bekendmaakt. De Partijen bespreken de voorgestelde wijzigingen op de eerstvolgende zitting van het uitvoerend orgaan, op voorwaarde dat deze voorstellen ten minste 90 dagen van tevoren door de uitvoerend secretaris aan de Partijen zijn toegezonden.

3.

Wijzigingen in dit Protocol en in de bijlagen I tot en met IV, VI en VIII worden bij consensus aangenomen door de Partijen die aanwezig zijn op een zitting van het uitvoerend orgaan, en worden voor de Partijen die ze hebben aanvaard van kracht op de negentigste dag na de datum waarop twee derde van de Partijen hun akte van aanvaarding daarvan heeft nedergelegd bij de depositaris. Voor elke andere partij worden wijzigingen van kracht op de negentigste dag na de datum waarop die partij haar akte van aanvaarding daarvan heeft nedergelegd.

4.

Wijzigingen in de bijlagen V en VII worden bij consensus aangenomen door de Partijen die aanwezig zijn op een zitting van het uitvoerend orgaan. Na het verstrijken van 90 dagen na de datum van bekendmaking daarvan aan alle Partijen door de uitvoerend secretaris van de Commissie wordt een wijziging in bedoelde bijlagen van kracht voor de Partijen die geen kennisgeving als bedoeld in lid 5 van dit artikel bij de depositaris hebben ingediend, op voorwaarde dat ten minste 16 Partijen niet een dergelijke kennisgeving hebben ingediend.

5.

Een partij die een wijziging in bijlage V of VII niet kan goedkeuren, stelt de depositaris daarvan schriftelijk in kennis binnen 90 dagen na de datum van bekendmaking van de aanneming. De depositaris stelt alle Partijen onverwijld in kennis van de ontvangst van dergelijke kennisgevingen. Een partij kan te allen tijde een aanvaarding in de plaats stellen van haar eerdere kennisgeving en na nederlegging van een akte van aanvaarding bij de depositaris wordt de wijziging in die bijlage dan terstond van kracht voor die partij.

6.

Indien een voorstel tot wijziging van bijlage I, II of III betrekking heeft op de toevoeging van een stof aan dit Protocol:

7.

Besluiten tot wijziging van Besluit 1998/2 van het uitvoerend orgaan worden door de Partijen op een zitting van het uitvoerend orgaan bij consensus genomen en worden 60 dagen na de datum van aanneming van kracht.

Artikel 15. Ondertekening
1.

Dit Protocol staat open voor ondertekening te Aarhus (Denemarken) van 24 tot en met 25 juni 1998, vervolgens op de zetel van de Verenigde Naties te New York tot 21 december 1998 door Staten die lid zijn van de Commissie, alsmede Staten die een raadgevende status bij de Commissie hebben, overeenkomstig paragraaf 8 van Resolutie 36 (IV) van de Economische en Sociale Raad van 28 maart 1947, en door regionale organisaties voor economische integratie, die door soevereine Staten die lid zijn van de Commissie zijn opgericht en die bevoegd zijn te onderhandelen over internationale verdragen met betrekking tot onder dit Protocol vallende aangelegenheden en deze verdragen te sluiten en toe te passen, mits de betrokken Staten en organisaties partij bij het Verdrag zijn.

2.

Deze regionale organisaties voor economische integratie oefenen, wanneer het aangelegenheden betreft die onder hun bevoegdheden vallen, zelf de rechten uit en vervullen zelf de taken die door dit Protocol aan de lidstaten worden toegekend. In deze gevallen mogen de lidstaten van deze organisaties deze rechten niet afzonderlijk uitoefenen.

Artikel 16. Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding
1.

Dit Protocol dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door de ondertekenaars.

2.

Dit Protocol staat met ingang van 21 december 1998 open voor toetreding door de Staten en organisaties die aan de eisen van artikel 15, lid 1, voldoen.

Artikel 17. Depositaris

De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding dienen te worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die de taken van depositaris verricht.

Artikel 18. Inwerkingtreding
1.

Dit Protocol treedt in werking op de negentigste dag volgend op de datum waarop de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding is nedergelegd.

2.

Voor elke in artikel 15, lid 1, bedoelde staat of organisatie die dit Protocol bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt of hiertoe toetreedt na de nederlegging van de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt het Protocol in werking op de negentigste dag volgend op de datum van nederlegging door deze partij van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

Artikel 19. Opzegging

Vijf jaar na de datum waarop dit Protocol voor een partij in werking is getreden, kan deze partij dit Protocol te allen tijde opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris. De opzegging wordt van kracht op de negentigste dag na de datum waarop de depositaris de kennisgeving heeft ontvangen, of op een in de kennisgeving van opzegging aangegeven latere datum.

Artikel 20. Authentieke teksten

Het origineel van dit Protocol, waarvan de Engelse, de Franse en de Russische tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

I. INLEIDING

1

Bijlage III van dit Protocol bevat een definitie van dioxinen en furanen (PCDD/F).

2

De grenswaarden worden uitgedrukt in ng/m³ of mg/m³ onder standaardomstandigheden (273,15 K, 101,3 kPa, droog gas).

3

De grenswaarden gelden voor de normale bedrijfsomstandigheden, met inbegrip van de procedures voor opstarten en stilleggen, tenzij voor deze situaties specifieke grenswaarden zijn vastgesteld.

4

Bemonstering en analyse van alle verontreinigende stoffen gebeurt volgens de normen die zijn vastgesteld door de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN), de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) of de dienovereenkomstige referentiemethoden van de Verenigde Staten of Canada. In afwachting van de ontwikkeling van CEN- of ISO-normen worden nationale normen gebruikt.

5

Voor controledoeleinden moet bij de interpretatie van de meetresultaten in vergelijking met de grenswaarden ook rekening worden gehouden met de onnauwkeurigheid van de meetmethode. Als het resultaat van de meting, verminderd met de onnauwkeurigheid van de meetmethode, niet hoger ligt dan de grenswaarde, wordt geacht aan de grenswaarde te zijn voldaan.

6

De emissie van de verschillende congeneren van PCDD/F wordt vermeld in toxiciteitequivalenten (TE), in vergelijking met 2,3,7,8-TCDD, waarbij gebruik wordt gemaakt van het systeem dat in 1988 is voorgesteld door het Committee on the Challenges of Modern Society van de NAVO (NATO-CCMS).

II. GRENSWAARDEN VOOR BELANGRIJKE STATIONAIRE BRONNEN

7

Voor de verschillende soorten verbrandingsovens gelden, uitgaande van een zuurstofconcentratie in de rookgassen van 11%, de volgende grenswaarden:

I. INLEIDING

1

Deze bijlage is bedoeld om de Partijen bij het verdrag richtsnoeren te geven bij de bepaling van de beste beschikbare technieken zodat ze kunnen voldoen aan de verplichtingen in artikel 3, lid 5, van het Protocol.

2

Onder „beste beschikbare technieken" (BBT) wordt verstaan: het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatiemethoden, waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om in beginsel het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden te vormen is aangetoond, met het doel emissies en effecten op het milieu in zijn geheel te voorkomen, of wanneer dat niet mogelijk blijkt algemeen te beperken:

Bij de bepaling van de beste beschikbare technieken moet in het algemeen of in specifieke gevallen bijzondere aandacht worden besteed aan onderstaande factoren, waarbij rekening moet worden gehouden met de te verwachten kosten en baten van een maatregel en het voorzorg- en het preventiebeginsel:

Het is niet de bedoeling om aan de hand van het begrip beste beschikbare technieken bepaalde technieken of technologie voor te schrijven, maar om rekening te houden met de technische karakteristieken van de desbetreffende installatie, de geografische locatie en de plaatselijke milieusituatie.

3

De informatie over de effectiviteit en de kosten van beperkende maatregelen is gebaseerd op documenten die door de Task force en de Voorbereidende werkgroep voor POP's zijn ontvangen en geëvalueerd. Tenzij anders wordt aangegeven, worden de vermelde technieken op basis van de ervaring in de praktijk als ingeburgerd beschouwd.

4

Er wordt voortdurend nieuwe ervaring opgedaan met nieuwe installaties waar technieken met een geringe emissie worden gebruikt en de aanpassing van bestaande installaties. De bijlage zal dan ook periodiek moeten worden geëvalueerd en aangepast. De beste beschikbare technieken voor nieuwe installaties kunnen meestal ook voor bestaande installaties worden gebruikt, mits er een adequate overgangsperiode is en de technieken worden aangepast.

5

In de bijlage is een aantal beperkende maatregelen met uiteenlopende kosten en efficiëntie opgenomen. Bij de keuze van maatregelen voor een specifiek geval zal rekening worden gehouden met een aantal factoren, zoals de economische situatie, de technologische infrastructuur en capaciteit, en eventuele reeds genomen maatregelen om de luchtverontreiniging te beperken.

6

De belangrijkste POP's die door stationaire bronnen worden uitgestoten zijn:

Definities van deze stoffen zijn opgenomen in bijlage III van dit Protocol.

II. BELANGRIJKE STATIONAIRE BRONNEN VAN POP-UITSTOOT

7

PCDD/F worden uitgestoten door onvolledige verbranding of chemische reacties bij thermische processen waarbij organisch materiaal en chloor aanwezig zijn. Belangrijke stationaire bronnen van PCDD/F zijn:

8

Belangrijke stationaire bronnen van PAK-uitstoot zijn:

9

De emissie van HCB vindt plaats bij hetzelfde soort thermische en chemische processen als waarbij PCDD/F wordt uitgestoten en HCB ontstaat ook via een vergelijkbaar mechanisme. Belangrijke bronnen van HCB-emissie zijn:

III. ALGEMENE AANPAK BIJ DE BEPERKING OF PREVENTIE VAN DE EMISSIE VAN POP'S

10

Er zijn verschillende manieren waarop de beperking of preventie van de emissie van POP's door stationaire bronnen kan worden aangepakt. Voorbeelden zijn de vervanging van de gebruikte materialen, wijzigingen in het procédé (waaronder onderhoud en bedrijfsvoering) en aanpassing van bestaande installaties. In de volgende lijst wordt een algemene indicatie gegeven van de beschikbare maatregelen, die afzonderlijk of gecombineerd kunnen worden toegepast:

11

De voor de verschillende maatregelen in de tabellen 1, 2, 4, 5, 6, 8 en 9 vermelde emissieniveaus zijn meestal specifiek voor het desbetreffende geval. De emissieniveaus worden vermeld als percentage van de emissiegrenswaarden met conventionele technieken.

12

Kosten-batenoverwegingen kunnen worden gebaseerd op de totale kosten per jaar per eenheid emissiebeperking (inclusief investeringen en bedrijfskosten). De kosten van de beperking van de POP-emissie moeten ook worden bezien binnen het kader van de algehele economische aspecten van het proces, zoals de effecten van de beperkende maatregelen en de productiekosten. Gezien de vele factoren die een rol spelen, zijn de cijfers voor de investeringen en de bedrijfskosten voor elk geval zeer specifiek.

IV. TECHNIEKEN VOOR DE BEPERKING VAN DE PCDD/F-EMISSIE

A. Afvalverbranding

13

Afvalverbranding omvat de verbranding van stedelijk afval, gevaarlijk afval, medisch afval en zuiveringsslib.

14

De belangrijkste maatregelen om de emissie van PCDD/F door afvalverbrandingsinstallaties te beperken zijn:

15

De primaire maatregelen ten aanzien van het verbrande afval, waarbij de materiaaltoevoer wordt aangepast door gehalogeneerde stoffen te vervangen door niet-gehalogeneerde stoffen, zijn niet geschikt voor de verbranding van stedelijk of gevaarlijk afval. In dat geval is het effectiever het verbrandingsproces aan te passen en secundaire maatregelen voor rookgasreiniging te nemen. De aanpassing van de materiaaltoevoer is een nuttige primaire maatregel om de hoeveelheid afval te beperken en heeft daarnaast als voordeel dat recycling mogelijk is. Dit kan leiden tot een indirecte beperking van de PCDD/F-uitstoot doordat er minder afval wordt verbrand.

16

De wijziging van procestechnieken om de verbrandingsomstandigheden te optimaliseren is een belangrijke en effectieve maatregel om de PCDD/F-uitstoot te beperken (meestal 850°C of hoger, regulering van de zuurstoftoevoer afhankelijk van de verbrandingswaarde en de consistentie van het afval, een voldoende verblijftijd – 850°C gedurende ongeveer 2 seconden – en turbulentie van het gas, voorkomen van gedeelten met koud gas in de verbrandingsoven enz.). Wervelbedverbranders leveren bij een lagere temperatuur dan 850°C afdoende emissieresultaten op. Voor bestaande verbrandingsinstallaties houdt dit meestal in dat de installatie een nieuw ontwerp moet krijgen en/of moet worden vervangen, hetgeen niet in alle landen economisch verantwoord zal zijn. Het koolstofgehalte van de as moet tot een minimum worden beperkt.

17

Rookgasmaatregelen. De volgende maatregelen kunnen worden genomen om tot een redelijk effectieve daling van het PCDD/F-gehalte in de rookgassen te komen. De de novo-synthese gebeurt bij ongeveer 250 tot 450°C. Deze maatregelen moeten eerst worden genomen voordat verder beperkingen mogelijk zijn om aan het eind van de schoorsteen tot de gewenste niveaus te komen:

18

Methoden voor reiniging van de rookgassen zijn:

19

Met bovengenoemde methoden kan een PCDD/F-emissieniveau van 0,1 ng TE/m³ rookgas worden gehaald. Wanneer echter gebruik wordt gemaakt van adsorbers/filters met actieve kool of kooks moet ervoor worden gezorgd dat vrijkomende koolstofdeeltjes niet zorgen voor een stijging van de PCDD/F-uitstoot in een later stadium. Tevens moet worden opgemerkt dat adsorbers en stofvangers vóór katalysatoren (SCR-techniek) residuen met PCDD/F opleveren, die moeten worden opgewerkt of op correcte wijze moeten worden verwijderd.

20

Een vergelijking tussen de verschillende maatregelen om PCDD/F in rookgassen terug te dringen is een zeer gecompliceerde zaak die leidt tot een matrix met een breed scala van industriële installaties met uiteenlopende capaciteit en configuratie. Bij een vergelijking van de kosten moet ook rekening worden gehouden met de maatregelen om de uitstoot van andere verontreinigingen, zoals zware metalen (al dan niet aan deeltjes gebonden), tot een minimum te beperken. In de meeste gevallen is het dan ook niet mogelijk een direct verband te leggen met alleen de beperking van de PCDD/F-uitstoot. Tabel 1 bevat een overzicht met de beschikbare gegevens voor de verschillende maatregelen.

21

Verbrandingsinstallaties van medisch afval kunnen in veel landen een belangrijke bron van PCDD/F vormen. Bepaalde soorten medisch afval zoals delen van het menselijk lichaam, besmet afval, naalden, bloed, plasma en cytostatica worden als een speciaal soort gevaarlijk afval behandeld, terwijl ander medisch afval vaak ladingsgewijs ter plaatse wordt verbrand. Verbrandingsinstallaties die ladingsgewijs werken kunnen aan dezelfde eisen inzake de beperking van PCDD/F voldoen als andere afvalverbranders.

22

De Partijen zullen wellicht willen overwegen of een beleid ter stimulering van de verbranding van stedelijk en medisch afval in grote regionale installaties in plaats van kleinere installaties wenselijk is. Deze aanpak kan het gebruik van BBT rendabeler maken.

23

De behandeling van residuen van het rookgasreinigingsproces. In tegenstelling tot as van verbrandingsinstallaties bevatten deze residuen relatief hoge concentraties zware metalen, organische verontreinigingen (met inbegrip van PCDD/F), chloriden en sulfiden. De verwijdering daarvan moet dan ook op een gecontroleerde manier gebeuren. Met name bij natte gaswassers ontstaan grote hoeveelheden zuur verontreinigd vloeibaar afval. Er bestaan enkele speciale behandelingsmethoden zoals:

B. Thermische processen in de metallurgische industrie

24

Specifieke processen in de metallurgische industrie kunnen belangrijke resterende bronnen van PCDD/F-uitstoot zijn, zoals:

Tabel 2 bevat een overzicht van de maatregelen ter beperking van de PCDD/F-uitstoot voor de metallurgische industrie.

25

Installaties voor metaalproductie en -bewerking met PCDD/F-emissie kunnen voldoen aan een maximale emissieconcentratie van 0,1 ng TE/m³ (bij een rookgasdebiet van meer dan 5.000 m³ /uur) indien zij beperkende maatregelen gebruiken.

Sinterfabrieken

26

Uit metingen bij sinterfabrieken in de ijzer- en staalindustrie is gebleken dat de PCDD/F-emissie meestal tussen 0,4 en 4 ng TE/m³ ligt. Eén meting bij één installatie zonder beperkende maatregelen leverde een concentratie van 43 ng TE/m³ op.

27

Gehalogeneerde verbindingen kunnen leiden tot de vorming van PCDD/F als zij in sinterfabrieken terechtkomen via de materiaaltoevoer (kooksbries, zoutgehalte in erts) of toegevoegd gerecycleerd materiaal (zoals walshuid, stof uit hoogovengas, stof uit filters of zuiveringsslib). Net als bij de verbranding van afval is er echter geen duidelijk verband tussen het chloorgehalte van de materiaaltoevoer en de emissie van PCDD/F. Het zal wellicht afdoende zijn het gebruik van verontreinigd restmateriaal te vermijden en de walshuid te ontoliën of te ontvetten voordat deze in de sinterfabriek wordt gebracht.

28

De meest effectieve manier om de emissie van PCDD/F te beperken is door de toepassing van een combinatie van de volgende secundaire maatregelen:

Mogelijkheden Emissie-niveau (%)1Restemissie in vergelijking met emissie zonder maatregelen. Geraamde kosten Risico's
Primaire maatregelen door wijziging van het toegevoerde materiaal: – Verwijdering van precursors en chloorhoudend materiaal; en – Beheer van de afvalstromen. Resultaat voor emissie-niveau niet gekwantificeerd; lijkt niet lineair afhankelijk te zijn van de omvang van de materiaal-toevoer. Sortering vooraf van materiaaltoevoer niet effectief; inzameling slechts gedeeltelijk mogelijk; ander chloorhoudend materiaal, zoals keukenzout of papier, kan niet worden vermeden. Voor gevaarlijk chemisch afval is dit niet wenselijk. Nuttige primaire maatregel en geschikt voor speciale gevallen (b.v. afgewerkte olie of elektrische onderdelen) met recycling van materialen als mogelijk extra voordeel.
Wijziging van de procestechnologie: – Optimale omstandigheden bij verbranding; – Voorkomen van temperaturen onder 850°C en koele gebieden in de rookgassen; – Voldoende zuurstofgehalte; regulering van de zuurstoftoevoer afhankelijk van de verbrandingswaarde en de consistentie van de materiaaltoevoer; en – Voldoende verblijftijd en turbulentie. Het hele procédé moet achteraf worden aangepast.
Maatregelen voor rookgassen:
Preventie van deeltjesdepositie door:
– roetreinigers, mechanische kloppers, akoestische of stoomroetblazers. Door stoomroetblazen kan de vorming van PCDD/F toenemen.
Stofverwijdering, meestal in afvalverbranders < 10 Middelhoog Verwijdering van aan deeltjes geadsorbeerde PCDD/F. Methoden voor verwijdering van deeltjes in hete rookgasstromen uitsluitend in proefinstallaties gebruikt.
– Doekfilters; 1 - 0,1 Hoog Gebruik bij temperaturen < 150°C.
– Keramische filters; Lage efficiëntie Gebruik bij temperaturen tussen 800 en 1.000°C.
– Cyclonen; en Lage efficiëntie Middelhoog
– Elektrostatische filters Middelhoge efficiëntie Gebruik bij een temperatuur van 450°C; bevordering van de novo-synthese van PCDD/F mogelijk, hogere emissie van NOx, minder terugwinning van warmte.
Katalytische oxidatie Gebruik bij temperaturen tussen 800 en 1000°C. Aparte bestrijdingsmaatregelen voor gasfase nodig.
Snel afkoelen van rookgassen
Hoogwaardige adsorptie-eenheid met toegevoegde actieve kooldeeltjes (elektrodynamische venturi)
Selectieve katalytische reductie (SCR) Hoge investeringen en lage bedrijfskosten Reductie van NOx bij toevoeging van NH3; hoog ruimtebeslag, gebruikte katalysatoren en residuen van actieve kool of kooks van bruinkool kunnen worden verwijderd, katalysatoren kunnen meestal door de fabrikant worden opgewerkt, actieve kool en kooks van bruinkool kunnen onder streng gereguleerde omstandigheden worden verbrand.
Verschillende soorten natte en droge adsorptiemethoden met mengsels van actieve kool, kooks van martinovens, kalk en kalksteenoplossingen in reactoren met vast bed, bewegend bed en wervelbed:
– Reactor met vast bed, adsorptie met actieve kool of kooks van martinovens; en < 2 (0,1 ng TE/m³ ) Hoge investeringen, middelhoge bedrijfskosten Verwijdering van residuen; hoog ruimtebeslag.
– Meesleepreactor of circulerende wervelbedreactor met toevoeging van actieve kooks/kalk of kalksteenoplossingen, gevolgd door doekfilter. < 10 (0,1 ng TE/m³ ) Lage investeringen, middelhoge bedrijfskosten Verwijdering van residuen.
Toevoeging van H2O2. 2 - 5 (0,1 ng TE/m³ ) Lage investeringen, lage bedrijfskosten
Mogelijkheden Emissieniveau (%)1Restemissie in vergelijking met emissie zonder maatregelen. Geraamde kosten Risico's
--- --- --- ---
Sinterfabrieken
Primaire maatregelen:
– Optimalisering/inkapseling van sintertransportbanden; Laag Niet 100% haalbaar
– Recirculatie van rookgassen, b.v. „Emission Optimised Sintering", waarbij het rookgasdebiet met ongeveer 35% daalt (lagere kosten van verdere secundaire maatregelen door het lagere rookgasdebiet), capaciteit 1 miljoen Nm³ /uur; 40 Laag
Secundaire maatregelen:
– Elektrostatische stofvanger + moleculaire zeef; Middelhoge efficiëntie Middelhoog
– Toevoeging van mengsels van kalksteen/actieve kool; Hoge efficiëntie (0,1 ng TE/m³ ) Middelhoog
– Hogedruk gaswassers - bestaande installatie: AIRFINE (Voest Alpine Stahl Linz) sinds 1993 voor 600.000 Nm³ /uur; tweede installatie gepland in Nederland (Hoogovens) voor 1998. Hoge efficiëntie emissiebeperking tot 0,2-0,4 ng TE/m³ Middelhoog 0,1 ng TE/m³ haalbaar met hoger energieverbruik; geen bestaande installatie
Productie van non-ferrometalen (b.v. koper)
Primaire maatregelen:
– Voorsorteren van schroot, vermijden van bijvoorbeeld kunststoffen en met PVC verontreinigd schroot, verwijdering van coatings en gebruik van chloorvrij isolerend materiaal; Laag
Secundaire maatregelen:
– Het snel afkoelen van de hete rookgassen; Hoge efficiëntie Laag
– Gebruik van zuurstof of met zuurstof verrijkte lucht in ovens, zuurstofinjectie in ventilatieoven (zorgt voor volledige verbranding en een minimaal rookgasvolume); 5 - 7 (1,5-2 TE/m³ ) Hoog
– Reactor met vast bed of straalstroomwervelbedreactor door adsorptie met actieve kool of kolenstof uit martinoven; (0,1 ng TE/m³ ) Hoog
– Katalytische oxidatie; en (0,1 ng TE/m³ ) Hoog
– Beperking van de verblijfstijd in het kritische temperatuurgebied in het rookgassysteem.
Productie van ijzer en staal
Primaire maatregelen:
– Verwijdering van olie uit het schroot voordat de productievaten worden geladen; Laag Voor reiniging moeten oplosmiddelen worden gebruikt
– Verwijdering van organisch spoormateriaal zoals olie, emulsies, vet, verf en kunststoffen uit grondstoffen; Laag
– Verlaging van de specifieke hoge rookgasvolumes; Middelhoog
– Aparte opvang en behandeling van de emissie bij laden en lossen; Laag
Secundaire maatregelen:
– Aparte opvang en behandeling van de emissie bij laden en lossen; en Laag
– Doekfilter in combinatie met kooksinjectie. < 1 Middelhoog
Secundaire aluminiumproductie
Primaire maatregelen:
– Vermijding van gehalogeneerd materiaal (hexachloorethaan); Laag
– Vermijding van chloorhoudende smeermiddelen (zoals gechloreerde koolwaterstoffen); en Laag
– Reiniging en sortering van vuile schrootladingen, bijvoorbeeld door spanen van de coating te ontdoen en te drogen, zink/drijfscheidingstechnieken en wervelstroomdepositie;
Secundaire maatregelen:
– Eén- en meerfasendoekfilter met toevoeging van kalksteen/geactiveerde kool vóór het filter; < 1 (0,1 ng TE/m³ ) Middelhoog/hoog
– Minimalisering en aparte verwijdering en zuivering van anders verontreinigde rookgasstromen; Middelhoog/hoog
– Vermijding van deeltjesdepositie uit de rookgassen en bevordering van snelle passage van het kritisch temperatuurtraject; en Middelhoog/hoog
– Verbeterde voorbehandeling van aluminiumschroot uit shredders met zink/drijfscheidingstechnieken en scheiding door wervelstroomdepositie. Middelhoog/hoog

Primaire en secundaire productie van koper

29

In bestaande installaties voor de primaire en secundaire koperproductie is na rookgasreiniging een PCDD/F-emissieconcentratie van enkele picogrammen tot 2 ng TE/m³ haalbaar. Bij één koperschachtoven is vóór optimalisering van de aggregaten een PCDD/F-emissie tot 29 ng TE/m³ gemeten. In het algemeen is er een grote variatie in de PCDD/F-emissiewaarden van deze installaties vanwege de grote verschillen in de grondstoffen die in verschillende aggregaten en processen worden gebruikt.

30

In het algemeen zijn de volgende maatregelen geschikt om de PCDD/F-emissie te beperken:

Staalproductie

31

De PCDD/F-emissie bij oxystaalfabrieken voor de prìoductie van staal en bij hoogovens met een koepeloven, elektro-oven of vlamboogoven voor het smelten van gietijzer liggen significant onder 0,1 ng TE/m³. Bij een koudeluchtoven en een draaitrommeloven (smelten van gietijzer) ligt de PCDD/F-emissie hoger.

32

Vlamboogovens die bij de secundaire staalproductie worden gebruikt, kunnen een emissieconcentratie van 0,1 ng TE/m³ halen als de volgende maatregelen worden toegepast:

33

De materiaaltoevoer voor vlamboogovens bevat vaak olie, emulsies of vet. Algemene primaire maatregelen voor de beperking van PCDD/F kunnen zijn: sorteren, ontoliën en verwijdering van de coating van schroot dat kunststoffen, rubber, verf, pigmenten en vulkaniseeradditieven kan bevatten.

Smelterijen in de secundaire aluminiumindustrie

34

De PCDD/F-emissie van smelterijen in de secundaire aluminiumindustrie liggen ongeveer tussen 0,1 en 14 ng TE/m³ . De concentratie is afhankelijk van de aard van het smeltaggregaat, de gebruikte materialen en de gehanteerde technieken voor rookgaszuivering.

35

In het algemeen zorgen één- en meerfasendoekfilters, aangevuld met kalksteen/actieve kool/kool uit martinovens vóór het filter, voor een concentratie van maximaal 0,1 ng TE/m³ met een reductie-efficiëntie van 99%.3 met een reductie-efficiëntie van 99%.

36

Ook de volgende maatregelen komen in aanmerking:

37

De mogelijkheden d en e zijn belangrijk omdat het onwaarschijnlijk is dat bij moderne smelttechnieken zonder toeslag (waarbij geen halogeniden worden gebruikt) het laagwaardige schroot kan worden verwerkt dat in draaitrommelovens kan worden gebruikt.

38

In het kader van het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het Noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan zijn er besprekingen aan de gang over de herziening van een eerdere aanbeveling om het gebruik van hexachloorethaan in de aluminiumindustrie geleidelijk te staken.

39

De smelt kan met geavanceerde technologie worden behandeld, zoals stikstof/chloormengsels in een verhouding tussen 9:1 en 8:2, gasinjectieapparatuur voor fijne dispersie en stikstofspoeling vooraf en achteraf en vacuümontvetting. Bij stikstof/chloormengsels is een PCDD/F-concentratie van ongeveer 0,03 ng TE/m³ gemeten (vergeleken met meer dan 1 ng TE/m³ bij behandeling met uitsluitend chloor). Chloor is nodig voor de verwijdering van magnesium en andere ongewenste bestanddelen.

C. Verbranding van fossiele brandstoffen bij elektriciteitsfabrieken en in de industrie

40

Bij de verbranding van fossiele brandstoffen bij elektriciteitsbedrijven en in de industrie (stookketels met een thermische capaciteit van meer dan 50 MW) zullen een verbeterde energie-efficiëntie en energiebesparing leiden tot een daling van de emissie van alle verontreinigende stoffen omdat er minder brandstof nodig is. Dit zal ook leiden tot een daling van de PCDD/F-emissie. Verwijdering van chloor uit kolen of olie is niet kosteneffectief, maar de tendens in de richting van gasgestookte installaties zorgt toch voor een daling van de PCDD/F-emissie in deze sector.

41

Er dient te worden opgemerkt dat de PCDD/F-emissie significant zou kunnen stijgen als afvalstoffen (zuiveringsslib, afgewerkte olie, rubberafval enz.) aan de brandstof wordt toegevoegd. De verbranding van afval voor de energievoorziening mag uitsluitend gebeuren in installaties met systemen voor rookgaszuivering die voor een zeer efficiënte verwijdering van PCDD/F zorgen (beschreven in deel A).

42

Het gebruik van technieken om de emissie van stikstofoxiden, zwaveldioxide en deeltjes in de rookgassen te beperken kan ook zorgen voor een beperking van de PCDD/F-emissie. Bij het gebruik van deze technieken zal de efficiëntie van de PCDD/F-verwijdering van installatie tot installatie verschillen. Er wordt onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van technieken voor PCDD/F-verwijdering, maar zolang deze technieken nog niet op industriële schaal beschikbaar zijn, wordt er geen beste beschikbare techniek gespecificeerd voor PCDD/F-verwijdering.

D. Huisverwarmingsinstallaties

43

De bijdrage van huisverwarmingsinstallaties tot de totale PCDD/F-emissie is minder significant wanneer op een correcte wijze gebruik wordt gemaakt van goedgekeurde brandstoffen. Daarnaast kunnen er grote regionale verschillen in de emissie optreden die veroorzaakt worden door de aard en de kwaliteit van de brandstof en de geografische dichtheid en het gebruik van de installatie.

44

Koolwaterstoffen in brandstoffen en verbrandingsgassen worden in huisverwarmingsinstallaties minder volledig verbrand dan in grote stookinstallaties. Dit is vooral het geval wanneer er gebruik wordt gemaakt van vaste brandstoffen zoals hout of kolen, waarbij de PCDD/F-concentratie in de rookgassen tussen 0,1 en 0,7 ng TE/m³ ligt.

45

Wanneer verpakkingsmateriaal tegelijk met vaste brandstoffen wordt verbrand, stijgt de PCDD/F-emissie. Het komt voor dat er in particuliere woningen afval en verpakkingsmateriaal wordt verbrand, ook al is dit in sommige landen verboden. Het staat wel vast dat huisvuil vanwege de stijgende verwijderingskosten in huisverwarmingsinstallaties wordt verbrand. Wanneer daarbij hout met verpakkingsafval wordt gebruikt, kan de PCDD/F-emissie stijgen van 0,06 ng TE/m³ (uitsluitend hout) tot 8 ng TE/m³ (bij 11 volumeprocent O2). Deze resultaten zijn bevestigd door onderzoek in verschillende landen waar in de verbrandingsgassen van huisverwarmingsinstallaties waar afval wordt verbrand, concentraties tot 114 ng TE/m³ (bij 13 volumeprocent zuurstof) zijn gemeten.

46

De emissie door huisverwarmingsinstallaties kan worden beperkt door uitsluitend brandstof van goede kwaliteit te gebruiken en geen afval, halogeenhoudende kunststoffen en ander materiaal te verbranden. Voorlichtingsprogramma's die gericht zijn op de kopers/gebruikers van huisverwarmingsinstallaties kunnen hierbij goede diensten bewijzen.

E. Verbrandingsinstallaties voor hout (capaciteit < 50 MW)

47

Uit metingen bij houtverbrandingsinstallaties blijkt dat PCDD/F-concentraties boven 0,1 ng TE/m³ in de verbrandingsgassen voorkomen, met name bij onvolledige verbranding en/of wanneer de verbrande stoffen een hoger gehalte aan chloorhoudende verbindingen hebben dan normaal onbehandeld hout. De totale koolstofconcentratie in de verbrandingsgassen geeft een indicatie omtrent een eventuele slechte verbranding. Er is een correlatie gevonden tussen de CO-emissie, de volledigheid van de verbranding en de PCDD/F-emissie. Tabel 3 bevat een overzicht met enkele emissieconcentraties en -factoren voor houtverbrandingsinstallaties.

Brandstof Emissie-concentratie (ng TE/m³ ) Emissie-factor (ng TE/kg) Emissie-factor (ng/GJ)
Onbewerkt hout (beukenhout) 0,02 - 0,10 0,23 - 1,3 12 - 70
Onbewerkte houtsnippers uit bossen 0,07 - 0,21 0,79 - 2,6 43 - 140
Spaanplaat 0,02 - 0,08 0,29 - 0,9 16 - 50
Stedelijk afvalhout 2,7 - 14,4 26 - 173 1400 - 9400
Huisvuil 114 3230
Houtskool 0,03
48

De verbranding van stedelijk afvalhout (sloophout) in bewegende roosters leidt tot een betrekkelijk hoge PCDD/F-emissie in vergelijking met ander hout dat geen afval is. Als primaire maatregel om de emissie te beperken kan ervoor worden gezorgd dat behandeld afvalhout niet in houtverbrandingsinstallaties wordt verbrand. De verbranding van behandeld hout moet uitsluitend in installaties met een adequate rookgasreiniging gebeuren om de PCDD/F-emissie tot een minimum te beperken.

V. TECHNIEKEN VOOR DE BEPERKING VAN DE PAK-EMISSIE

A. Kooksproductie

49

Bij de productie van kooks komen PAK's met name in de buitenlucht terecht:

50

Qua concentratie van benzo(a)pyreen (BaP) lopen de verschillende bronnen in een kooksbatterij sterk uiteen. De hoogste BaP-concentraties worden aan de bovenkant van de batterij en in de directe omgeving van de deuren gemeten.

51

De PAK-emissie bij de kooksproductie kan worden beperkt door de bestaande geïntegreerde ijzer- en staalfabrieken technisch te verbeteren. Dit kan betekenen dat oude kooksbatterijen worden gesloten en vervangen en dat de kooksproductie in zijn algemeenheid afneemt ten gunste van bijvoorbeeld de injectie van hoogwaardige kolen bij de staalproductie.

52

Een strategie ter beperking van de PAK-emissie door kooksbatterijen moet onder andere de volgende technische maatregelen omvatten:

53

Het zogenaamde „non-recovery-cokemaking" proces emitteert aanzienlijk minder PAK dan het gangbaarder procédé met terugwinning van de bijproducten. Dit komt doordat er in dat geval een onderdruk in de oven heerst, zodat lekkage via de kooksovendeuren naar de buitenlucht onmogelijk is. Bij het verkooksen wordt het ruwgas uit de oven verwijderd door een natuurlijke trek, die voor een onderdruk in de oven zorgt. Deze ovens zijn niet geschikt voor de terugwinning van de chemische bijproducten uit ruwgas. In plaats daarvan worden de rookgassen van het verkooksingsproces (met PAK's) efficiënt verbrand bij hoge temperaturen en een lange verblijftijd. De afvalwarmte van deze verbranding wordt gebruikt voor de energievoorziening bij het verkooksen en het warmteoverschot kan worden gebruikt om stoom te maken. Met het oog op het rendement van dit verkooksingsprocédé is wellicht een installatie voor warmtekrachtkoppeling nodig om met de overmaat stoom elektriciteit op te kunnen wekken. Momenteel draait er slechts één kooksfabriek zonder terugwinning in de Verenigde Staten en één in Australië. Het procédé komt neer op een horizontale kameroven zonder terugwinning met een verbrandingskamer tussen twee ovens. De twee ovens worden om en om gevuld en verkookst. Zo is er altijd één oven die de verbrandingskamer van kooksovengas voorziet. De benodigde warmtebron wordt geleverd door de verbranding van kooksovengas in de verbrandingskamer. Het ontwerp van de verbrandingskamer zorgt voor de benodigde verblijfstijd (ongeveer 1 seconde) en hoge temperaturen (minimaal 900°C).

54

Er moet een effectief programma worden gebruikt voor de controle op lekkages uit de afdichting van de kooksovendeuren, de klimpijpen en de vulgatdeksels. Dit betekent controle op en registratie van lekkages met onmiddellijk herstel of onderhoud. Op deze manier kan een significante beperking van de diffuse emissie worden verwezenlijkt.

55

Aanpassing van bestaande kooksbatterijen om de condensatie van rookgassen uit alle bronnen (met warmteterugwinning) te vergemakkelijken zorgt voor een daling van de PAK-emissie in de lucht met 86 tot meer dan 90% (afvalwaterzuivering niet meegerekend). Rekening houdend met de teruggewonnen energie, het verwarmde water, het synthesegas en het bespaarde koelwater kunnen de investeringskosten in vijf jaar worden afgeschreven.

56

Bij een stijging van het volume van de kooksoven daalt het totale aantal ovens, het aantal keren dat de ovendeur wordt geopend (het aantal leeggedrukte ovens per dag), het aantal afdichtingen in een kooksbatterij en derhalve de PAK-emissie. Door een daling van de bedrijfs- en personeelskosten neemt ook de productiviteit toe.

57

Droge kooksblussystemen vereisten hogere investeringen dan natte methoden. De hogere bedrijfskosten kunnen worden gecompenseerd door de terugwinning van warmte die voor de oorverwarming van de kolen kan worden gebruikt. De energie-efficiëntie van een gecombineerd systeem met droge kooksblussing en voorverwarming van de kolen stijgt van 38 tot 65%. Door voorverwarming van de kolen neemt de productiviteit met 30% toe. Dit kan tot 40% worden opgevoerd omdat het verkooksingsproces homogener verloopt.

58

Alle tanks en installaties voor de opslag en behandeling van koolteer en koolteerproducten moeten worden voorzien van een efficiënte dampretourleiding en/of een dampafbraaksysteem. De bedrijfskosten van dampafbraaksystemen kunnen bij een autonoom naverbrandingsprocédé worden beperkt als de concentratie van de koolstofverbindingen in het afval hoog genoeg is.

59

Tabel 4 geeft een overzicht van de maatregelen ter beperking van de PAK-emissie bij de kooksproductie.

Mogelijkheden Emissieniveau (%)1Restemissie in vergelijking met emissie zonder maatregelen. Geraamde kosten Risico's
Aanpassing van oude installaties met condensatie van de rookgassen uit alle bronnen omvat de volgende maatregelen: Totaal < 10 (zonder afvalwater) Hoog Zeer hoge emissie in afvalwater bij nat blussen. Deze methode mag alleen worden toegepast als het water in een gesloten systeem opnieuw wordt gebruikt.
– Opvanging en naverbranding van de vulgassen bij het vullen van ovens of transport van de gassen naar de dichtstbijzijnde oven, voor zover mogelijk; 5 (Rekening houdend met de terugwinning van energie, warm water, synthesegas en besparingen op koelwater kunnen de investeringskosten in 5 jaar worden afgeschreven).
– De emissie bij vulgatdeksels moet zoveel mogelijk worden voorkomen, bijvoorbeeld door een speciale constructie van de deksels en zeer effectieve afdichtingsmethoden. Kooksovendeuren moeten een zeer effectieve afdichting hebben. Vóór het sluiten van de vulgaten moeten de vulgatdeksels en -ringen worden gereinigd; < 5
– Gassen die bij het leegdrukken vrijkomen moeten worden opgevangen en naar een stofafscheider worden getransporteerd; < 5
Kooksblussen uitsluitend met natte methoden als deze op correcte wijze zonder afvalwater worden uitgevoerd.
Emissiearme procedures voor het blussen van kooks, bijvoorbeeld droog kooksblussen. Geen emissie in water Hogere investeringskosten dan bij nat blussen (maar lagere kosten door het voorverwarmen van kolen en het gebruik van afvalwarmte).
Intensiever gebruik van ovens met een hoog volume om de oven minder vaak te hoeven openen en het oppervlak van de afdichtingen te beperken. Aanzienlijk Investeringen ongeveer 10% hoger dan bij klassieke installaties. Meestal moet de kooksfabriek volledig worden aangepast of moet er een nieuwe kooksfabriek worden gebouwd.

B. Anodeproductie

60

De PAK-emissie bij de productie van anodes moet op een soortgelijke manier worden aangepakt als bij de productie van kooks.

61

Om de emissie van stof dat met PAK's verontreinigd is te beperken worden de volgende secundaire maatregelen gebruikt:

62

De bedrijfskosten bij thermische naverbranding kunnen worden beperkt door autotherme naverbranding als de concentratie van de koolstofverbindingen in de rookgassen hoog genoeg is. Tabel 5 bevat een overzicht van de maatregelen ter beperking van de PAK-emissie bij de anodeproductie.

Mogelijkheden Emissieniveau (%)1Restemissie in vergelijking met emissie zonder maatregelen. Geraamde kosten Risico's
Modernisering van oude installaties door beperking van de diffuse emissie met de volgende maatregelen: 3 - 10 Hoog
– Beperking van de lekkage;
– Installatie van flexibele afdichtingen bij de ovendeuren;
– Opvanging van de vulgassen die vervolgens naar de dichtstbijzijnde oven worden geleid of via een verzamelleiding naar een verbrandingsoven en vervolgens een stofvanger worden geleid;
– Koelsystemen voor de kooksoven; en
– Opvanging en zuivering van de deeltjesemissie van kooks.
Ingeburgerde technologie voor de anodeproductie in Nederland: 45 - 50 In 1990 in Nederland ingevoerd. Gasreiniging met kalksteen of petroleumkooks is een goede manier om de PAK-emissie te beperken; voor aluminium is dit niet bekend.
– Nieuwe droogoven met droge gasreiniging (met kalksteen/petroleumkooks of met aluminium);
– Recycling van het effluens in de pasta-installatie.
BBT:
– Elektrostatische stofvangers; en 2 - 5 Periodieke reiniging van teer is nodig.
– Thermische naverbranding. 15 Lagere bedrijfskosten bij autonome verbranding Autonome verbranding alleen mogelijk als de PAK-concentratie in de rookgassen hoog is.

C. Aluminiumindustrie

63

Aluminium wordt vervaardigd uit aluminiumoxide (AL2O3) door elektrolyse in elektrisch in serie geschakelde cellen. De cellen worden afhankelijk van de aard van de anode ingedeeld als „Prebake" of Soederberg-cel.

64

„Prebake" cellen hebben anodes die bestaan uit gecalcineerde (gebakken) koolblokken die na gedeeltelijk verbruik worden vervangen. Soederberg-anodes worden in de cel gebakken met een mengsel van petroleumkooks en koolteerpek als bindmiddel.

65

De PAK-emissie is bij het Soederbergprocédé erg hoog. Primaire bestrijdingsmaatregelen zijn bijvoorbeeld modernisering van bestaande installaties en optimalisering van de processen, waardoor de PAK-emissie met 70-90% kan worden teruggedrongen. Een emissieniveau van 0,015 kg B(a)P/ton Al is haalbaar. Vervanging van de bestaande Soederberg-cellen door „Prebake" cellen zou een ingrijpende omschakeling van het huidige procédé vergen, maar zou betekenen dat de PAK-emissie vrijwel verdwijnt. De investeringskosten van een dergelijke vervanging zijn zeer hoog.

66

Tabel 6 bevat een overzicht van de maatregelen ter beperking van de PAK-emissie voor de aluminiumproductie.

Mogelijkheden Emissieniveau (%)1Restemissie in vergelijking met emissie zonder maatregelen. Geraamde kosten Risico's
Vervanging van de Soederberg-elektrodes door:
– „Prebake" elektrodes (zonder gebruik van pekbindmiddelen); 3 - 30 Hogere kosten voor elektrodes ongeveer 800 miljoen USD Soederberg-elektrodes zijn goedkoper dan „Prebake" elektrodes, omdat er geen installatie nodig is voor het bakken van anodes.
– Inerte anodes Het onderzoek vordert, maar de verwachtingen zijn niet hoog gespannen.
– Gesloten systemen met „Prebake" elektrodes met centrale toevoer van aluminiumoxide en efficiënte procesbewaking, kappen over de hele cel die een efficiënte opvang van luchtverontreiniging mogelijk maken. 1-5 Een efficiënte bedrijfsvoering en monitoring van de emissie zijn van essentieel belang voor de emissiebeperking. Bij slechte uitvoering kan er een significante diffuse emissie ontstaan.
Soederberg-cellen met verticale contactbouten en opvangsystemen voor de afvalgassen. > 10 Aanpassing van Soederberg-technolo-gie door inkapseling en gewijzigd toevoerpunt: 50.000 - 10.000 USD per oven. Diffuse emissie treedt op bij de toevoer, het breken van de korst en het optillen van de ijzeren contactbouten naar een hogere positie.
Sumitomo-technologie (anodebriketten voor VSS-proces). Laag - middelhoog
Gasreiniging:
– Elektrostatische teerafscheiders; 2 - 5 Laag Veel vonken en lichtbogen;
– Combinatie van conventionele elektrostatische teerafscheiders met elektrostatische natte gasreiniging; > 1 Middelhoog Bij natte gasreiniging ontstaat afvalwater.
– Thermische naverbranding. Middelhoog
Gebruik van pek met een hoger smeltpunt (HSS + VSS). Hoog Laag - middelhoog
Gebruik van droge gasreiniging in bestaande HSS + VSS-installaties Middelhoog - hoog

D. Huisverwarmingsinstallaties

67

Bij huisverwarmingsinstallaties zoals kachels of open haarden kan PAK-emissie worden waargenomen, vooral wanneer hout of kolen worden gebruikt. Huishoudens kunnen een belangrijke bron van PAK-emissie zijn. Dit komt door het gebruik van open haarden en kleine stookinstallaties waar vaste brandstoffen worden verbrand. In sommige landen worden als brandstof voor kachels meestal kolen gebruikt. Kachels waarin kolen worden verbrand hebben een lagere PAK-emissie dan kachels waarin hout wordt verbrand, omdat de verbrandingstemperatuur hoger is en de brandstofkwaliteit consistenter.

68

Bovendien zijn er verbrandingssystemen met geoptimaliseerde functionele karakteristieken (b.v. de verbrandingssnelheid) die zorgen voor een effectieve beperking van de PAK-emissie door huisverwarmingsinstallaties. Geoptimaliseerde verbrandingsomstandigheden omvatten een geoptimaliseerd ontwerp van de verbrandingskamer en een geoptimaliseerde luchttoevoer. Er zijn verschillende technieken waarmee de verbrandingsomstandigheden worden geoptimaliseerd en de emissie wordt beperkt. Wat de emissie betreft zijn er significante verschillen tussen de verschillende technieken. Een moderne houtverbrandingsketel met een wateropvangtank, hetgeen overeenkomt met de BBT, zorgt voor een emissiebeperking met meer dan 90% in vergelijking met een ouderwetse ketel zonder wateropvangtank. Een moderne ketel heeft drie verschillende zones: een stookzone voor de vergassing van hout, een gasverbrandingszone met keramiek of een ander materiaal dat temperaturen tot zo'n 1000°C mogelijk maakt, en een convectiezone. De convectiezone, waar de warmte door het water wordt geabsorbeerd, moet zo lang en effectief zijn dat de gastemperatuur van 1000°C tot 250°C of minder kan dalen. Er zijn ook verschillende technieken om oude en verouderde ketels te voorzien van bijvoorbeeld wateropvangtanks, keramische bekleding en pellet-branders.

69

Een geoptimaliseerde verbrandingssnelheid gaat gepaard met een lage emissie van koolmonoxide (CO), de totale hoeveelheid koolwaterstoffen (TKW) en PAK's. De vaststelling van grenswaarden (regelingen voor typegoedkeuring) voor de emissie van CO en TKW heeft ook gevolgen voor de PAK-emissie. Bij een lage emissie van CO en TKW is ook de PAK-emissie laag. Aangezien PAK-metingen veel duurder zijn dan CO-metingen, is de vaststelling van een grenswaarde voor CO en TKW kosteneffectiever. Er wordt gewerkt aan een voorstel voor een CEN-norm voor kolen- en houtverbrandingsketels tot 300 kW (zie tabel 7).

Klasse 3 2 1 3 2 1 3 2 1
Effect (kW) CO CO CO TKW TKW TKW Deeltjes Deeltjes Deeltjes
Manueel < 50 5000 8000 25000 150 300 2000 150/ 125 180150 200/180
50-150 2500 5000 12500 100 200 1500 150/125 180/150 200/ 180
150-300 1200 2000 12500 100 200 1500 150/125 180/150 200/ 180
Automatisch < 50 3000 5000 15000 100 200 1750 150/ 125 180/150 200/180
50-150 2500 4500 12500 80 150 1250 150/125 180/150 200/ 180
150-300 1200 2000 12500 80 150 1250 150/125 180/150 200/ 180

NB: De emissieniveaus zijn vermeld in mg/m³ bij 10% O2.

70

De emissie van houtkachels voor woningen kan worden beperkt:

71

Voor de beperking van de PAK-emissie kunnen ook meer algemene maatregelen worden genomen, zoals de ontwikkeling van gecentraliseerde systemen voor huishoudens en energiebesparing door bijvoorbeeld verbeterde thermische isolatie om het energieverbruik terug te dringen.

72

Tabel 8 bevat een overzicht van de informatie.

Mogelijkheden Emissieniveau (%)1Restemissie in vergelijking met emissie zonder maatregelen. Geraamde kosten Risico's
Gebruik van gedroogde kolen en hout (gedroogd hout is hout dat tenminste 18–24 maanden is bewaard). Hoge effectiviteit
Gebruik van gedroogde kolen. Hoge effectiviteit
Ontwerp van verwarmingssystemen voor vaste brandstoffen waarin de omstandigheden voor een volledige verbranding geoptimaliseerd zijn: 55 Middelhoog Er moeten besprekingen worden gehouden met de fabrikanten van kachels voor de invoering van een regeling voor de goedkeuring van kachels.
– Vergassingszone;
– Verbranding met keramiek;
– Effectieve convectiezone.
Wateropvangtank.
Technische instructies voor een efficiënt gebruik. 30 - 40 Laag Kan ook worden verwezenlijkt door een goede voorlichting van het publiek, gecombineerd met praktische instructies en een regeling voor de typegoedkeuring van kachels.
Publiekvoorlichtingsprogramma voor het gebruik van houtkachels.

E. Installaties voor houtverduurzaming

73

Houtverduurzaming met PAK-houdende koolteerproducten kan een belangrijke bron van PAK-emissie in de lucht zijn. De emissie kan zich voordoen tijdens het impregneerproces zelf en tijdens de opslag, de bewerking en het gebruik van het geïmpregneerde hout in de open lucht.

74

De meest gebruikte PAK-houdende koolteerproducten zijn carbolineum en creosoot. Dit zijn beide PAK-houdende koolteerdestillaten voor de bescherming van hout tegen biologische aantasting.

75

De PAK-emissie door houtverduurzaming, installaties en opslagplaatsen, kan op verschillende manieren worden beperkt, afzonderlijk of gecombineerd ingevoerd, zoals:

76

Verbranding van geïmpregneerd hout leidt tot de emissie van PAK's en andere schadelijke stoffen. Als dit hout wordt verbrand, moet het in installaties met adequate zuiveringstechnieken gebeuren.

Mogelijkheden Risico's
Gebruik van andere materialen: andere milieuproblemen moeten worden geëvalueerd, zoals:
– duurzaam geproduceerd hardhout (rivieroevers, omheiningen, poorten); – beschikbaarheid van op de juiste wijze geproduceerd hout;
– kunststof (palen voor de tuinbouw);
– beton (dwarsliggers voor de spoorwegen);
– natuurlijke in plaats van kunstmatige constructies (rivieroevers, omheiningen enz.); – emissie die ontstaat bij de productie en verwijdering van kunststoffen, met name PVC.
– onbehandeld hout.
Er zijn verschillende andere houtverduurzamingstechnieken in ontwikkeling waarbij geen impregnering met PAK-houdende producten plaatsvindt.
1

Voor de relevante definities wordt verwezen naar bijlage III van dit Protocol.

I. HAALBARE EMISSIENIVEAUS VOOR NIEUWE VOERTUIGEN EN BRANDSTOF-PARAMETERS

A. Haalbare emissieniveaus voor nieuwe voertuigen

2. Personenauto's met dieselmotor
Jaar Referentiemassa Grenswaarden Grenswaarden
Massa koolwaterstoffen en NOx Massa deeltjes
01.1.2000 Alle 0,56 g/km 0,05 g/km
01.1.2005 (indicatief) Alle 0,3 g/km 0,025 g/km
3. Vrachtwagens
Jaar/proefcyclus Grenswaarden Grenswaarden
Massa koolwaterstoffen Massa deeltjes
01.1.2000/ESC-cyclus 0,66 g/kWh 0,1 g/kWh
01.1.2000/ETC-cyclus 0,85 g/kWh 0,16 g/kWh
4. Terreinvoertuigen

Stap 1 (referentie: ECE-reglement nr. 96)*“Uniform provisions concerning the approval of compression ignition (C.I.) engines to be installed in agricultural and forestry tractors with regard to the emissions of pollutants by the engine". Het reglement is op 15 december 1995 van kracht geworden en de wijziging is op 5 maart 1997 van kracht geworden.

Nettovermogen (P) (kW) Massa koolwaterstoffen Massa deeltjes
P ≥ 130 1,3 g/kWh 0,54 g/kWh
75 ≤ P < 130 1,3 g/kWh 0,70 g/kWh
37 ≤ P < 75 1,3 g/kWh 0,85 g/kWh

Stap 2

Nettovermogen (P) (kW) Massa koolwaterstoffen Massa deeltjes
0 ≤ P < 18
18 ≤ P < 37 1,5 g/kWh 0,8 g/kWh
37 ≤ P < 75 1,3 g/kWh 0,4 g/kWh
75 ≤ P < 130 1,0 g/kWh 0,3 g/kWh
130 ≤ P < 560 1,0 g/kWh 0,2 g/kWh

B. Brandstofparameters

5. Dieselbrandstof
Parameter Eenheid Grenswaarden Grenswaarden Testmethode
Minimum (2000/2005)*1 januari van het vermelde jaar. Maximum (2000/2005)*1 januari van het vermelde jaar. Testmethode
Cetaangetal 51/n.g. ISO 5165
Dichtheid bij 15°C kg/m³ 845/n.g. ISO 3675
Verdamping 95% °C 360/n.g. ISO 3405
PAK's massa % 11/n.g. prIP 391
Zwavel ppm 350/50**indicatieve waarde. ISO 14956

n.g.: niet gespecificeerd.

II. BEPERKING VAN GEHALOGENEERDE LOODVANGERS, ADDITIEVEN IN BRANDSTOFFEN EN SMEERMIDDELEN

6

In sommige landen wordt 1,2-dibroommethaan in combinatie met 1,2-dichloormethaan als loodvanger in gelode benzine gebruikt. Bovendien ontstaat er tijdens het verbrandingsproces in de motor PCDD/F. Voor de toepassing van driewegkatalysatoren in auto's moet er ongelode benzine worden gebruikt. De toevoeging van loodvangers en andere gehalogeneerde verbindingen aan benzine en andere brandstoffen en aan smeermiddelen moet zo veel mogelijk worden vermeden.

7

Tabel 1 bevat een overzicht van de maatregelen ter beperking van de PCDD/F-emissie in de uitlaatgassen van motorvoertuigen voor het wegverkeer.

Mogelijkheden Risico's
Geen toevoeging van gehalogeneerde verbindingen aan brandstoffen – 1,2-dichloormethaan Het gebruik van gehalogeneerde loodvangers zal geleidelijk worden gestaakt naarmate de markt voor gelode benzine krimpt omdat er voor motoren met elektrische ontsteking steeds meer gebruik wordt gemaakt van driewegkatalysatoren met een gesloten systeem.
– 1,2-dichloormethaan en de dienovereenkomstige broomverbindingen als loodvangers in gelode brandstoffen voor motoren met elektrische ontsteking (uit broomverbindingen kunnen broomdioxines of -furanen ontstaan).
Geen gebruik van gehalogeneerde additieven in brandstoffen en smeermiddelen.

III. MAATREGELEN TER BEPERKING VAN DE EMISSIE VAN POP'S DOOR MOBIELE BRONNEN

A. Emissie van POP's door motorvoertuigen

8

De POP-emissie door motorvoertuigen doet zich voor in de vorm van aan deeltjes gebonden PAK's die door voertuigen met een dieselmotor worden uitgestoten. PAK's worden ook uitgestoten door voertuigen met benzinemotor, maar in mindere mate.

9

Smeerolie en brandstoffen kunnen door het gebruik van additieven of door het productieprocédé gehalogeneerde verbindingen bevatten. Deze verbindingen kunnen tijdens de verbranding in PCDD/F worden omgezet die vervolgens met de uitlaatgassen worden uitgestoten.

B. Keuring en onderhoud

10

Voor mobiele bronnen met dieselmotor kan de effectiviteit van de emissiebeperking van PAK's worden gewaarborgd door programma's om de mobiele bronnen periodiek te keuren op de emissie van deeltjes, de opaciteit bij vrije acceleratie of gelijkwaardige methoden.

11

Voor mobiele bronnen met benzinemotor kan de effectiviteit van de emissiebeperking van PAK's (naast andere bestanddelen van de uitlaatgassen) worden gewaarborgd door programma's voor een periodieke keuring van de brandstofregeling en de efficiëntie van de katalysator.

C. Technieken voor de beperking van de PAK-emissie door motorvoertuigen met diesel- en benzinemotor

1. Algemene aspecten van de gebruikte technologie

12

Het is belangrijk ervoor te zorgen dat de voertuigen zodanig worden ontworpen dat zij tijdens het gebruik aan de emissienormen voldoen. Dit kan gebeuren door waarborging van de conformiteit van de productie, levenslange duurzaamheid, kwaliteitsgarantie voor onderdelen voor emissieregulering en het terughalen van voertuigen die gebreken vertonen. Bij gebruikte voertuigen kan door een effectief keurings- en onderhoudsprogramma worden gewaarborgd dat zij aan de normen voor emissiebeperking blijven voldoen.

2. Technische maatregelen ter beperking van de emissie

13

De volgende maatregelen ter beperking van de PAK-emissie zijn belangrijk:

a. Dieselmotoren

14

Wijziging van dieselbrandstof kan twee positieve effecten hebben: door een lager zwavelgehalte worden er minder deeltjes uitgestoten en wordt het omzettingsrendement van oxidatiekatalysatoren opgevoerd en door een beperking van de hoeveelheid di- en tricyclische aromaten worden er minder PAK's gevormd en uitgestoten.

15

Een primaire maatregel om de emissie te beperken is wijziging van de motor om voor een vollediger verbranding te zorgen. Er zijn veel verschillende wijzigingen in gebruik. In het algemeen wordt de samenstelling van de uitlaatgassen beïnvloed door wijzigingen in het ontwerp van de verbrandingskamer en door een hogere druk bij de brandstofinspuiting. Op dit moment worden in de meeste dieselmotoren mechanische regelsystemen gebruikt. In nieuwere motoren worden steeds vaker geautomatiseerde elektronische regelsystemen gebruikt die meer flexibiliteit bij de regulering van de emissie mogelijk maken. Een andere technologie om de emissie te beperken is een combinatie van uitlaatgasturbo en tussenkoeling. Dit systeem leidt tot een beperking van de NOx-emissie, brandstofbesparing en een toename van het afgegeven vermogen. Voor zware en lichte motoren is ook het gebruik van inlaatspruitstukafstelling een mogelijkheid.

16

Smeeroliebeperking is belangrijk om de verontreiniging door zwevende deeltjes terug te dringen, aangezien 10 tot 50% van de deeltjes uit motorolie ontstaat. Het olieverbruik kan worden beperkt door verbetering van de fabricagespecificaties voor motoren en door een betere afdichting van de motoren.

17

Secundaire maatregelen om de emissie te beperken houden in dat er systemen voor de behandeling van uitlaatgassen worden toegevoegd. In het algemeen is gebleken dat het gebruik van een oxidatiekatalysator in combinatie met een deeltjesfilter voor dieselmotoren goede resultaten oplevert bij de beperking van de PAK-emissie. Er wordt momenteel gewerkt aan de evaluatie van een deeltjesvanger-oxidator. Deze wordt aangebracht in het uitlaatsysteem voor het opvangen van zwevende deeltjes en kan tot op zekere hoogte zorgen voor regeneratie van het filter door verbranding van de opgevangen deeltjes met behulp van elektrische verwarming van het systeem of door een andere regeneratiemethode. Voor een echte regeneratie van passieve deeltjesvangers tijdens normaal gebruik is een regeneratiesysteem met een brander nodig of moeten additieven worden gebruikt.

b. Benzinemotoren

18

PAK-beperkende maatregelen voor benzinemotoren zijn vooral gebaseerd op het gebruik van een driewegkatalysator met gesloten systeem, waardoor de emissie van koolwaterstoffen in het algemeen en dus ook van PAK's wordt beperkt.

19

Door een verbetering van het gedrag bij een koude start wordt de emissie van organische verbindingen in het algemeen en PAK's in het bijzonder beperkt (bijvoorbeeld startkatalysatoren, betere brandstofverdamping/verstuiving, verwarmde katalysatoren).

20

Tabel 2 bevat een overzicht van de maatregelen ter beperking van de PAK-emissie in de uitlaatgassen van motorvoertuigen voor het wegverkeer.

Mogelijkheden Emissieniveau (%) Risico's
Motoren met elektrische ontsteking:
– driewegkatalysator met gesloten systeem, 10-20 Beschikbaarheid van ongelode benzine
– katalysatoren voor de beperking van de emissie bij koude start. 5-15 In sommige landen in de handel verkrijgbaar
Brandstof voor motoren met elektrische ontsteking: Beschikbaarheid van raffinagecapaciteit
– beperking van aromatische verbindingen,
– beperking van zwavel.
Dieselmotoren:
– oxidatiekatalysator, 20-70
– vangeroxidator/deeltjesfilter.
Wijziging dieselbrandstof: Beschikbaarheid van raffinagecapaciteit.
– beperking van de hoeveelheid zwavel om de deeltjesemissie terug te dringen.
Verbetering van de specificaties voor dieselmotoren: Bestaande technologie.
– elektronisch regelsysteem, aanpassing inspuitsnelheid en brandstofinspuiting onder hoge druk,
– uitlaatgasturbo en tussenkoeling,
– recirculatie van uitlaatgassen.

I. INLEIDING

II. OVERZICHT VAN DE CATEGORIEËN

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed the present Protocol.

DONE at Aarhus (Denmark), this twenty-fourth day of June, one thousand nine hundred and ninety-eight.