Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, inzake persistente organische verontreinigende stoffen
De Partijen,
Vastbesloten het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand uit te voeren,
Erkennend dat emissies van veel persistente organische verontreinigende stoffen over internationale grenzen heen worden meegevoerd en in Europa, Noord-Amerika en het noordpoolgebied, ver van hun plaats van oorsprong, worden gedeponeerd en dat de atmosfeer het belangrijkste transportmedium vormt,
Zich ervan bewust dat persistente organische verontreinigende stoffen onder natuurlijke omstandigheden zeer slecht ontleden en in verband zijn gebracht met schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu,
Bezorgd over het feit dat persistente organische verontreinigende stoffen door biomagnificatie op hogere trofische niveaus concentraties kunnen bereiken die de gezondheid van daaraan blootgestelde dieren en mensen kunnen aantasten,
Erkennend dat de arctische ecosystemen en vooral de inheemse bevolking, die van arctische vissoorten en zoogdieren leeft, ten gevolge van de biomagnificatie van persistente organische verontreinigende stoffen, bijzonder bedreigd zijn,
Indachtig het feit dat maatregelen ter beheersing van emissies van persistente organische verontreinigende stoffen tevens zouden bijdragen tot de bescherming van het milieu en de volksgezondheid in gebieden buiten de regio van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, met inbegrip van de arctische en internationale wateren,
Met het vaste voornemen voorzorgsmaatregelen te treffen teneinde emissies van persistente organische verontreinigende stoffen voor te zijn, deze te vermijden of tot een minimum terug te brengen, rekening houdend met de toepassing van de aanpak volgens het voorzorgsbeginsel, zoals bedoeld in beginsel 15 van de Verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling,
Nogmaals bevestigend dat de Staten, overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties en de beginselen van internationaal recht, het soevereine recht hebben hun eigen hulpbronnen te exploiteren volgens hun eigen milieu- en ontwikkelingsbeleid alsmede ervoor verantwoordelijk zijn dat activiteiten die onder hun rechtsmacht of toezicht worden verricht, geen schade veroorzaken aan het milieu van andere Staten of van gebieden die buiten de grenzen van de nationale rechtsmacht vallen,
Wijzend op de noodzaak van een mondiaal optreden met betrekking tot persistente organische verontreinigende stoffen en herinnerend aan de rol die regionale overeenkomsten volgens hoofdstuk 9 van Agenda 21 moeten vervullen bij het terugdringen in de gehele wereld van grensoverschrijdende luchtverontreiniging en met name de rol van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties die haar regionale ervaring met andere regio's van de wereld moet delen,
Erkennend dat er subregionale, regionale en mondiale regelingen bestaan, waaronder internationale overeenkomsten betreffende het beheer van gevaarlijke afvalstoffen, het grensoverschrijdende verkeer en de verwijdering daarvan, met name het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan,
Overwegende dat het gebruik van bepaalde bestrijdingsmiddelen, de vervaardiging en het gebruik van bepaalde chemische stoffen en de onopzettelijke vorming van bepaalde stoffen bij afvalverbranding, verbranding, metaalproductie en mobiele bronnen, de belangrijkste oorzaken van luchtverontreiniging vormen die tot de accumulatie van persistente organische verontreinigende stoffen bijdragen,
Zich ervan bewust dat technieken en beheerspraktijken beschikbaar zijn om emissies van persistente organische verontreinigende stoffen in de lucht terug te dringen,
Zich bewust van de noodzaak van een kosteneffectieve regionale aanpak voor de bestrijding van luchtverontreiniging,
Wijzend op de belangrijke bijdrage van de particuliere en de niet-gouvernementele sector aan de kennis van de effecten van persistente organische verontreinigende stoffen, beschikbare alternatieven en bestrijdingstechnieken alsook op de rol die zij mede spelen bij de terugdringing van emissies van persistente organische verontreinigende stoffen,
In aanmerking nemend dat maatregelen ter vermindering van emissies van persistente organische verontreinigende stoffen niet als middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie of als verkapte beperking van de internationale concurrentie of handel mogen dienen,
In overweging nemend de bestaande wetenschappelijke en technische gegevens inzake emissies, atmosferische processen en effecten van persistente organische verontreinigende stoffen op de volksgezondheid en het milieu alsook inzake de bestrijdingskosten en erkennend dat het noodzakelijk is de wetenschappelijke en technische samenwerking voort te zetten teneinde nog meer inzicht in deze problemen te verwerven,
Erkennend de maatregelen inzake persistente organische verontreinigende stoffen die reeds door bepaalde Partijen op nationaal niveau en/of in het kader van andere internationale verdragen zijn genomen,
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:
-
- „Verdrag”: het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, aangenomen te Genève op 13 november 1979;
-
- „EMEP”: het programma voor samenwerking inzake de bewaking en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa;
-
- „Uitvoerend orgaan”: het uitvoerend orgaan voor het Verdrag, opgericht ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Verdrag;
-
- „Commissie”: de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties;
-
- „Partijen”: tenzij in de context anders bedoeld, de Partijen bij dit Protocol;
-
- „Geografische reikwijdte van het EMEP”: het gebied, als omschreven in artikel 1, vierde punt, van het Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand aangaande de langlopende financiering van het programma voor samenwerking inzake de bewaking en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa (EMEP), aangenomen te Genève op 28 september 1984;
-
- „Persistente organische verontreinigende stoffen (POP's)”: organische stoffen die i. toxische eigenschappen hebben, ii. persistent zijn, iii. bioaccumuleren, iv. vatbaar zijn voor grensoverschrijdend transport in de lucht over lange afstand en depositie en v. zowel in de nabijheid van hun bron als ver daarvandaan belangrijke schadelijke effecten op de volksgezondheid en het milieu kunnen veroorzaken;
-
- „Stof”: een afzonderlijke chemische stof of een aantal chemische stoffen die een specifieke groep vormen op grond van het feit dat zij a soortgelijke eigenschappen hebben en samen in het milieu worden uitgestoten of b een mengsel vormen dat normaliter als één artikel in de handel wordt gebracht;
-
- „Emissie”: uitstoot van een stof in de atmosfeer vanuit een punt of een diffuse bron;
-
- „Stationaire bron”: alle vaste gebouwen, constructies, inrichtingen, installaties of apparaten die een persistente organische verontreinigende stof direct of indirect in de atmosfeer uitstoten of kunnen uitstoten;
-
- „Belangrijke categorie van stationaire bronnen”: een in bijlage VIII vermelde categorie van stationaire bronnen;
-
- „Nieuwe stationaire bron”: een stationaire bron met de bouw of ingrijpende wijziging waarvan een aanvang is gemaakt na het verstrijken van twee jaar na de datum van inwerkingtreding voor een Partij van: Het is aan de bevoegde nationale autoriteiten om te beslissen of een wijziging al dan niet ingrijpend is, rekening houdend met factoren als de voordelen van de wijziging in milieu-opzicht.
- a. dit Protocol; of
- b. een wijziging van dit Protocol, waarbij ter zake van een stationaire bron in Deel II van bijlage IV nieuwe grenswaarden worden geïntroduceerd of in bijlage VIII de categorie wordt geïntroduceerd waartoe die bron behoort.
Artikel 2. Doel
Het doel van dit Protocol is het beheersen, terugdringen of elimineren van lozingen, emissies en verliezen van persistente organische verontreinigende stoffen.
Artikel 3. Basisverplichtingen
Behalve wanneer overeenkomstig artikel 4 in specifieke vrijstellingen is voorzien, nemen de Partijen doeltreffende maatregelen:
- a. Tot staking van de productie en het gebruik van de in bijlage I vermelde stoffen in overeenstemming met de daarin vermelde uitvoeringsvoorschriften;
- b.
- i. Teneinde ervoor te zorgen dat, wanneer de in bijlage I vermelde stoffen worden vernietigd of verwijderd, die vernietiging of verwijdering op een milieuvriendelijke manier wordt verricht, rekening houdend met desbetreffende subregionale, regionale en mondiale regelingen inzake het beheer van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan, met name het Verdrag van Basel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan,
- ii. Teneinde er zoveel mogelijk voor te zorgen dat de verwijdering van in bijlage I vermelde stoffen in eigen land geschiedt, rekening houdend met relevante milieuoverwegingen;
- iii. Teneinde ervoor te zorgen dat het grensoverschrijdende verkeer van de in bijlage I vermelde stoffen op een milieuvriendelijke manier wordt uitgevoerd, rekening houdend met desbetreffende subregionale, regionale en mondiale regelingen betreffende de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen, met name het Verdrag van Basel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan;
- c. Ter beperking van het gebruik van de in bijlage II vermelde stoffen tot de beschreven toepassingen, in overeenstemming met de daarin vermelde uitvoeringsvoorschriften.
De in lid 1, onder b), vermelde voorschriften worden voor elke stof van kracht op de datum waarop de productie of het gebruik van die stof wordt gestaakt, naar gelang van welk tijdstip het laatst is.
Voor in bijlage I, II of III vermelde stoffen ontwikkelen de Partijen passende strategieën ter bepaling van nog in gebruik zijnde artikelen en van afvalstoffen die dergelijke stoffen bevatten, en nemen zij geschikte maatregelen om ervoor te zorgen dat die afvalstoffen en die artikelen, wanneer ze afval worden, op een milieuvriendelijke manier worden vernietigd of verwijderd.
Voor de toepassing van de leden 1 tot en met 3 worden de termen afval, verwijdering en milieuvriendelijk uitgelegd op een wijze die consistent is met het gebruik van die termen in het Verdrag van Basel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan.
De Partijen:
- a. Verminderen de totale jaarlijkse emissies van elke in bijlage III vermelde stof ten opzichte van het emissieniveau in een overeenkomstig die bijlage vastgestelde referentiejaar door het nemen van doeltreffende maatregelen die voor hun bijzondere omstandigheden toepasselijk zijn;
- b. Passen uiterlijk op de in bijlage VI vermelde tijdstippen het volgende toe:
- i. De beste beschikbare technieken, rekening houdend met bijlage V, op elke nieuwe stationaire bron binnen een belangrijke categorie van stationaire bronnen waarvoor in richtlijnen die door de Partijen, tijdens een zitting van het uitvoerend orgaan door de Partijen zijn aangenomen, de beste beschikbare technieken zijn bepaald;
- ii. Tenminste even strenge als de in bijlage IV vermelde grenswaarden op elke nieuwe stationaire bron binnen een in die bijlage vermelde categorie, rekening houdend met bijlage V. Bij wijze van alternatief kan een partij andere strategieën voor emissievermindering toepassen die in totaal gelijkwaardige emissieniveaus opleveren;
- iii. De beste beschikbare technieken, rekening houdend met bijlage V, op elke bestaande stationaire bron binnen een belangrijke categorie van stationaire bronnen waarvoor in richtlijnen die door de Partijen, tijdens een zitting van het uitvoerend orgaan door de Partijen zijn aangenomen, de beste beschikbare technieken zijn bepaald, voor zover dit technisch uitvoerbaar en economisch verantwoord is. Bij wijze van alternatief kan een partij andere strategieën voor emissievermindering toepassen die in totaal tot een gelijkwaardige emissievermindering leiden;
- iv. Tenminste even strenge als de in bijlage IV vermelde grenswaarden op elke bestaande stationaire bron binnen een in die bijlage vermelde categorie, voor zover dit technisch uitvoerbaar en economisch verantwoord is, rekening houdend met bijlage V. Bij wijze van alternatief kan een partij andere strategieën voor emissievermindering toepassen die in totaal tot een gelijkwaardige emissievermindering leiden.
In het geval van huisverwarmingsinstallaties hebben de in lid 5, onder b, i en iii, vermelde verplichtingen betrekking op de gezamenlijke stationaire bronnen in die categorie.
Een partij die na toepassing van lid 5, onder b, voor een in bijlage III vermelde stof niet aan het in lid 5, onder a, vereiste kan voldoen, wordt vrijgesteld van de in lid 5, onder a, bedoelde verplichtingen voor die stof.
De Partijen maken voor de in bijlage III vermelde stoffen emissie-inventarisaties op en houden deze bij en verzamelen beschikbare informatie betreffende de productie en de verkoop van de in de bijlagen I en II vermelde stoffen, waarbij Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP ten minste de door het bestuursorgaan van het EMEP opgegeven methoden en resolutie in tijd en ruimte toepassen en Partijen buiten de geografische reikwijdte van het EMEP als richtsnoer de methoden gebruiken die in het kader van het werkschema van het uitvoerend orgaan zijn uitgewerkt. Voor het verstrekken van deze informatie gelden de voorschriften van artikel 9 inzake verslaglegging.
Artikel 4. Vrijstellingen
Artikel 3, lid 1, is niet van toepassing op hoeveelheden van een stof die voor laboratoriumonderzoek of als referentiestandaard worden gebruikt.
Een partij kan met betrekking tot een bepaalde stof vrijstelling van artikel 3, lid 1, onder a en c, verlenen, mits de vrijstelling niet wordt verleend of gebruikt op een manier die de doelstellingen van dit Protocol doorkruist, en uitsluitend voor de volgende doeleinden en onder de volgende voorwaarden:
- a. Voor ander dan in lid 1 bedoeld onderzoek, indien:
- i. Niet wordt verwacht dat tijdens het voorgenomen gebruik en de latere verwijdering een significante hoeveelheid van de stof in het milieu terecht zal komen;
- ii. De doelstellingen en parameters van dat onderzoek door de partij moeten worden beoordeeld en goedgekeurd;
- iii. Ingeval een significante hoeveelheid van een stof in het milieu terechtkomt, de vrijstelling onmiddellijk vervalt, passende maatregelen worden getroffen om de gevolgen daarvan te verhelpen en, voordat opnieuw onderzoek mag worden verricht, wordt overgegaan tot een evaluatie van de maatregelen ter voorkoming van emissies;
- b. Voor het indien noodzakelijk beheersen van een noodsituatie in verband met de volksgezondheid, indien:
- i. De partij niet over geschikte alternatieve maatregelen beschikt om de situatie te verhelpen;
- ii. De maatregelen in verhouding staan tot de omvang en de ernst van de noodsituatie;
- iii. Passende voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om de volksgezondheid en het milieu te beschermen en ervoor te zorgen dat de stof niet wordt gebruikt buiten het geografische gebied waarvoor de noodsituatie geldt;
- iv. De vrijstelling wordt verleend voor een termijn die niet langer is dan de duur van de noodsituatie;
- v. Na afloop van de noodsituatie eventuele resterende voorraden van de stof worden onderworpen aan de bepalingen van artikel 3, lid 1, onder b;
- c. Voor een minder belangrijke toepassing die door de partij essentieel wordt geacht indien:
- i. De vrijstelling wordt verleend voor ten hoogste vijf jaar;
- ii. De partij niet eerder krachtens dit artikel een desbetreffende vrijstelling heeft verleend;
- iii. Voor het voorgenomen gebruik geen geschikte alternatieven voorhanden zijn;
- iv. De partij een raming heeft gemaakt van de uit de vrijstelling voortvloeiende emissie van de stof en de bijdrage daarvan aan de totale emissies van de stof afkomstig van de Partijen;
- v. Adequate voorzorgsmaatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat de emissies in het milieu tot een minimum worden beperkt;
- vi. Na afloop van de vrijstelling eventuele resterende voorraden van de stof worden onderworpen aan de bepalingen van artikel 3, lid 1, onder b.
De Partijen verstrekken uiterlijk 90 dagen na het verlenen van een vrijstelling overeenkomstig lid 2, het secretariaat ten minste de volgende gegevens:
- a. De chemische naam van de stof waarvoor de vrijstelling geldt;
- b. Het doel waarvoor de vrijstelling is verleend;
- c. De voorwaarden waaronder de vrijstelling is verleend;
- d. De termijn waarvoor de vrijstelling is verleend;
- e. De personen of de organisatie waarvoor de vrijstelling geldt;
- f. Voor een krachtens lid 2, onder a en c, verleende vrijstelling, een raming van de uit de vrijstelling voortvloeiende emissie van de stof en een evaluatie van de bijdrage daarvan aan de totale emissies van de stof afkomstig van de Partijen.
Het secretariaat stelt de uit hoofde van lid 3 ontvangen informatie ter beschikking van alle Partijen.
Artikel 5. Uitwisseling van informatie en technologie
De Partijen scheppen, in overeenstemming met hun nationale wetten, voorschriften en gewoonten, gunstige voorwaarden voor het vergemakkelijken van de uitwisseling van informatie en technologie ter vermindering van de productie en emissie van persistente organische verontreinigende stoffen en tot ontwikkeling van kosteneffectieve alternatieven, met name door het bevorderen van:
- a. Contacten en samenwerking tussen daarvoor in aanmerking komende organisaties en personen in de particuliere en de openbare sector die technologie, ontwerp- en constructiediensten, apparatuur of financiële middelen kunnen verschaffen;
- b. Uitwisseling van en toegang tot informatie over de ontwikkeling en toepassing van alternatieven voor persistente organische verontreinigende stoffen alsook over de beoordeling van de risico's van dergelijke alternatieven voor de volksgezondheid en het milieu en informatie over de economische en sociale kosten van die alternatieven;
- c. Opstelling en regelmatige bijwerking van de lijsten van hun aangewezen instanties die bij soortgelijke werkzaamheden in andere internationale forums zijn betrokken;
- d. Uitwisseling van informatie over werkzaamheden in andere internationale forums.
Artikel 6. Bewustmaking van het publiek
De Partijen bevorderen, in overeenstemming met hun nationale wetten, voorschriften en gewoonten, het verstrekken van informatie aan het grote publiek, met inbegrip van personen die directe gebruikers van persistente organische verontreinigende stoffen zijn. Deze informatie kan onder andere het volgende omvatten:
- a. Informatie, met inbegrip van etikettering, inzake risicobeoordeling en gevaren;
- b. Informatie over risicovermindering;
- c. Informatie tot aanmoediging van het staken of het verminderen van het gebruik van persistente organische verontreinigende stoffen, met inbegrip van, voor zover van toepassing, informatie over geïntegreerd beheer van plagen, geïntegreerd gewasbeheer en de economische en sociale gevolgen van het staken of verminderen van het gebruik;
- d. Informatie over alternatieven voor persistente organische verontreinigende stoffen alsmede beoordeling van de risico's van dergelijke alternatieven voor de volksgezondheid en het milieu en informatie over de economische en sociale gevolgen van die alternatieven.
Artikel 7. Strategieën, beleidslijnen, programma's, maatregelen en informatie
De Partijen stellen, uiterlijk zes maanden na de datum waarop dit Protocol in werking treedt, strategieën, beleidslijnen en programma's op teneinde hun verplichtingen ingevolge dit Protocol na te komen.
De Partijen:
- a. Moedigen de toepassing aan van economisch verantwoorde en milieuvriendelijke beheerstechnieken, met inbegrip van de beste milieupraktijken, met betrekking tot alle aspecten van gebruik, productie, vrijgeving, verwerking, distributie, behandeling, vervoer en terugwinning van stoffen die aan dit Protocol zijn onderworpen en van geproduceerde artikelen, mengsels of oplossingen die dergelijke stoffen bevatten;
- b. Stimuleren de implementatie van andere beheersprogramma's ter vermindering van emissies van persistente organische verontreinigende stoffen, met inbegrip van vrijwillige programma's en economische instrumenten;
- c. Nemen de invoering van extra beleidsmaatregelen in overweging die aan hun bijzondere omstandigheden zijn aangepast en waarbij ook gebruik kan worden gemaakt van een niet-regelgevende aanpak;
- d. Stellen op een economisch verantwoorde wijze alles in het werk om de niveaus te verminderen van aan dit Protocol onderworpen stoffen die als verontreinigingen voorkomen in andere stoffen, chemische producten of geproduceerde artikelen, zodra het belang van de bron is vastgesteld;
- e. Houden in hun programma's voor het beoordelen van stoffen rekening met de eigenschappen als bedoeld in lid 1 van Besluit 1998/2 van het uitvoerend orgaan betreffende de te verstrekken informatie en de procedures voor het opnemen van stoffen in bijlage I, II of III, met inbegrip van eventuele wijzigingen;
De Partijen kunnen strengere maatregelen nemen dan die welke in dit Protocol zijn voorgeschreven.
Artikel 8. Onderzoek, ontwikkeling en monitoring
De Partijen stimuleren onderzoek, ontwikkeling, monitoring en samenwerking met betrekking, maar niet beperkt tot:
- a. Emissies, transport over lange afstand en depositieniveaus en hun modellering, bestaande niveaus in het biotische en abiotische milieu, formulering van procedures voor harmonisatie van desbetreffende methodologieën;
- b. Verspreiding en inventarisatie van verontreinigende stoffen in representatieve ecosystemen;
- c. Relevante effecten op de volksgezondheid en het milieu, met kwantificering van die effecten;
- d. Beste beschikbare technieken en praktijken, met inbegrip van landbouwpraktijken, en momenteel door de Partijen toegepaste of ontwikkelde technieken en praktijken voor emissiebeheersing;
- e. Methoden die het mogelijk maken bij de beoordeling van alternatieve beheersingsstrategieën rekening te houden met sociaal-economische factoren;
- f. Een op de effecten gebaseerde aanpak waarbij relevante informatie, met inbegrip van informatie die ingevolge de punten a tot en met e is verkregen, inzake gemeten of met een model berekende niveaus in het milieu, verspreiding en effecten op de volksgezondheid en het milieu, teneinde toekomstige geoptimaliseerde beheersingsstrategieën te formuleren, waarbij eveneens rekening wordt gehouden met economische en technologische factoren;
- g. Methoden voor het ramen van nationale emissies en prognosticeren van toekomstige emissies van afzonderlijke persistente organische verontreinigende stoffen en voor het beoordelen van de wijze waarop die ramingen en prognoses kunnen worden gebruikt om toekomstige verplichtingen te formuleren;
- h. Niveaus van aan dit Protocol onderworpen stoffen die als verontreinigingen voorkomen in andere stoffen, chemische producten of geproduceerde artikelen en het belang van deze niveaus voor het transport over lange afstand, alsook technieken ter vermindering van niveaus van deze verontreinigingen en ook niveaus van persistente organische verontreinigende stoffen die ontstaan tijdens de levenscyclus van hout dat met pentachloorfenol is behandeld.
Prioriteit moet worden gegeven aan onderzoek naar stoffen waarvan wordt aangenomen dat zij naar alle waarschijnlijkheid zullen worden onderworpen aan de procedures van artikel 14, lid 6.
Artikel 9. Verslaglegging
Met inachtneming van de wetgeving betreffende de vertrouwelijkheid van commerciële informatie:
- a. Verstrekt elke partij, via de uitvoerend secretaris van de Commissie, met een tijdens een zitting van het uitvoerend orgaan door de Partijen vastgestelde regelmaat, aan het uitvoerend orgaan informatie over de maatregelen die zij heeft genomen om dit Protocol ten uitvoer te leggen;
- b. Verstrekt elke partij binnen de geografische reikwijdte van het EMEP, via de uitvoerend secretaris van de Commissie, met een door het bestuursorgaan van het EMEP vast te stellen en tijdens een zitting van het uitvoerend orgaan door de Partijen goedgekeurde regelmaat, aan het EMEP informatie over de emissieniveaus van persistente organische verontreinigende stoffen, waarbij tenminste wordt uitgegaan van de methoden en de resolutie in tijd en ruimte als aangegeven door het bestuursorgaan van het EMEP. Partijen in gebieden buiten de geografische reikwijdte van het EMEP stellen soortgelijke informatie beschikbaar indien het uitvoerend orgaan daarom verzoekt. Elke partij verstrekt eveneens informatie over de emissieniveaus van de in bijlage III vermelde stoffen voor het in die bijlage genoemde referentiejaar.
De overeenkomstig lid 1, onder a, te verstrekken informatie moet in overeenstemming zijn met het tijdens een zitting van het uitvoerend orgaan door de Partijen aan te nemen besluit betreffende vorm en inhoud. De bepalingen van dit besluit worden indien nodig nader bezien, teneinde na te gaan of aanvullende elementen betreffende de vorm of de inhoud van de informatie in de rapporten moeten worden opgenomen.
Tijdig voor elke jaarlijkse zitting van het uitvoerend orgaan verstrekt het EMEP informatie over het transport over lange afstand en de depositie van persistente organische verontreinigende stoffen.
Artikel 10. Toetsingen door de Partijen op zittingen van het uitvoerend orgaan
Op zittingen van het uitvoerend orgaan toetsen de Partijen overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder a, van het Verdrag de door de Partijen, het EMEP en andere afhankelijke instanties verstrekte informatie en de verslagen van het implementatiecomité, als bedoeld in artikel 11 van dit Protocol.
Op zittingen van het uitvoerend orgaan onderwerpen de Partijen de voortgang in het nakomen van de in dit Protocol vermelde verplichtingen aan een toetsing.
Op zittingen van het uitvoerend orgaan onderwerpen de Partijen de adequaatheid en de doeltreffendheid van de in dit Protocol vermelde verplichtingen aan een toetsing. Bij de toetsingen wordt rekening gehouden met de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens over de gevolgen van de depositie van persistente organische verontreinigende stoffen, evaluaties van technologische ontwikkelingen, veranderende economische omstandigheden en de nakoming van de verplichtingen inzake emissieniveaus. De procedures, de methoden en het tijdschema voor deze toetsingen worden nader bepaald door de Partijen op een zitting van het uitvoerend orgaan. De eerste dergelijke toetsing dient uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van dit Protocol te zijn afgerond.
Artikel 11. Naleving
De naleving door elke partij van haar uit dit Protocol voortvloeiende verplichtingen wordt op gezette tijden getoetst. Het bij Besluit 1997/2 van het uitvoerend orgaan op zijn vijftiende zitting ingestelde implementatiecomité is belast met die toetsingen en brengt verslag uit aan de Partijen op zittingen van het uitvoerend orgaan overeenkomstig de bepalingen van de bijlage bij dat besluit, met inbegrip van eventuele wijzigingen daarvan.
Artikel 12. Beslechting van geschillen
In geval van een geschil tussen twee of meer Partijen betreffende de uitleg of toepassing van dit Protocol trachten de betrokken Partijen het geschil te beslechten door middel van onderhandelingen of op een andere vreedzame wijze van hun eigen keuze. De Partijen bij het geschil stellen het uitvoerend orgaan in kennis van hun geschil.
Bij de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dan wel toetreding tot dit Protocol of op enig tijdstip daarna kan een partij die geen regionale organisatie voor economische integratie is, in een schriftelijke bij de depositaris ingediende akte verklaren dat zij, met betrekking tot een geschil betreffende de uitleg of toepassing van het Protocol, beide onderstaande wijzen van geschillenbeslechting of een daarvan ipso facto en zonder bijzondere overeenkomst als dwingend erkent ten opzichte van elke partij die dezelfde verplichting aanvaardt:
- a. Voorlegging van het geschil aan het Internationale Gerechtshof;
- b. Arbitrage in overeenstemming met procedures die zo spoedig mogelijk door de Partijen op een zitting van het uitvoerend orgaan moeten worden aangenomen in een bijlage inzake arbitrage.
Een partij die een regionale organisatie voor economische integratie is, kan een verklaring van gelijke strekking met betrekking tot arbitrage afleggen in overeenstemming met de onder b bedoelde procedures.
Een ingevolge lid 2 afgelegde verklaring blijft van kracht totdat zij overeenkomstig haar bepalingen haar geldigheid verliest dan wel tot drie maanden nadat een schriftelijke kennisgeving van opzegging is nedergelegd bij de depositaris.
Een nieuwe verklaring, een kennisgeving van opzegging of het vervallen van de geldigheid van een verklaring zijn op generlei wijze van invloed op de procedure voor het Internationale Gerechtshof of het scheidsgerecht, tenzij de Partijen bij het geschil anders overeenkomen.
Indien de Partijen bij het geschil, behalve ingeval de betrokken Partijen dezelfde wijze van geschillenbeslechting overeenkomstig lid 2 hebben aanvaard, er na twaalf maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de ene partij aan de andere dat tussen hen een geschil bestaat, niet in zijn geslaagd hun geschil te beslechten op de in lid 1 bedoelde wijzen, wordt het geschil op verzoek van een van de Partijen bij het geschil onderworpen aan een conciliatie.
Voor de toepassing van lid 5 wordt een conciliatiecommissie opgericht. De commissie bestaat uit een gelijk aantal leden, die zijn benoemd door elke betrokken partij of, wanneer bij de conciliatie betrokken Partijen eenzelfde belang hebben, door de groep die datzelfde belang heeft, en een voorzitter die door de aldus benoemde leden gezamenlijk is gekozen. De commissie doet uitspraak in de vorm van een aanbeveling, die de Partijen te goeder trouw in overweging nemen.
Artikel 13. Bijlagen
De bijlagen bij dit Protocol vormen een integrerend deel van het Protocol. De bijlage V draagt het karakter van een aanbeveling.
Artikel 14. Wijzigingen
Elke partij kan wijzigingen in dit Protocol voorstellen.
Voorgestelde wijzigingen worden schriftelijk ingediend bij de uitvoerend secretaris van de Commissie, die ze aan alle Partijen bekendmaakt. De Partijen bespreken de voorgestelde wijzigingen op de eerstvolgende zitting van het uitvoerend orgaan, op voorwaarde dat deze voorstellen ten minste 90 dagen van tevoren door de uitvoerend secretaris aan de Partijen zijn toegezonden.
Wijzigingen van dit Protocol en van de bijlagen I tot en met IV, VI en VIII worden bij consensus aangenomen door de Partijen die aanwezig zijn bij een zitting van het uitvoerend orgaan en worden voor de Partijen die ze hebben aanvaard van kracht op de negentigste dag na de datum waarop twee derde van de Partijen die op het tijdstip van de aanneming ervan Partij waren en hun akten van aanvaarding bij de depositaris hebben nedergelegd. Voor elke andere Partij worden de wijzigingen van kracht op de negentigste dag na de datum waarop die Partij haar akte van aanvaarding daarvan heeft nedergelegd. Op dit lid zijn de onderstaande leden 5bis en 5ter van toepassing.
Wijzigingen in de bijlage V worden bij consensus aangenomen door de Partijen die aanwezig zijn op een zitting van het uitvoerend orgaan. Na het verstrijken van 90 dagen na de datum van bekendmaking daarvan aan alle Partijen door de uitvoerend secretaris van de Commissie wordt een wijziging in bijlage V van kracht voor de Partijen die geen kennisgeving als bedoeld in lid 5 van dit artikel bij de depositaris hebben ingediend, op voorwaarde dat ten minste 16 Partijen niet een dergelijke kennisgeving hebben ingediend.
Een partij die een wijziging in bijlage V niet kan goedkeuren, stelt de depositaris daarvan schriftelijk in kennis binnen 90 dagen na de datum van bekendmaking van de aanneming. De depositaris stelt alle Partijen onverwijld in kennis van de ontvangst van dergelijke kennisgevingen. Een partij kan te allen tijde een aanvaarding in de plaats stellen van haar eerdere kennisgeving en na nederlegging van een akte van aanvaarding bij de depositaris wordt de wijziging in bijlage V dan terstond van kracht voor die partij.
5bis. Voor de Partijen die haar hebben aanvaard, treedt de procedure vervat in lid 5ter in de plaats van de procedure vervat in lid 3 ter zake van wijzigingen van de bijlagen I tot en met IV, VI en VIII.
- a. Wijzigingen van de bijlagen I tot en met IV, VI en VIII worden bij consensus aangenomen door de Partijen die aanwezig zijn bij een zitting van het uitvoerend orgaan. Na het verstrijken van een jaar na de datum van de toezending ervan aan alle Partijen door de uitvoerend secretaris van de Commissie, wordt een wijziging van een dergelijke bijlage van kracht voor de Partijen die geen kennisgeving in overeenstemming met de bepalingen onder b bij de depositaris hebben ingediend;
- b. Een Partij die een wijziging van de bijlagen I tot en met IV, VI en VIII niet kan goedkeuren stelt de depositaris daarvan binnen een jaar na de datum van mededeling omtrent de aanneming ervan schriftelijk in kennis. De depositaris stelt alle Partijen onverwijld in kennis van elke ontvangen kennisgeving. Een Partij kan haar eerdere kennisgeving te allen tijde vervangen door een aanvaarding en bij de nederlegging bij de depositaris van een akte van aanvaarding wordt de wijziging van die bijlage voor die Partij van kracht;
- c. Een wijziging van de bijlagen I tot en met IV, VI en VIII wordt niet van kracht indien in totaal 16 Partijen of meer:
- i. een kennisgeving in overeenstemming met de bepalingen onder b hebben ingediend; of
- ii. de procedure vervat in dit lid niet hebben aanvaard of nog geen akte van aanvaarding in overeenstemming met de bepalingen van lid 3 hebben ingediend.
Indien een voorstel tot wijziging van bijlage I, II of III betrekking heeft op de toevoeging van een stof aan dit Protocol:
- a. Verstrekt de indiener van het voorstel het uitvoerend orgaan de informatie, als bedoeld in Besluit 1998/2 van het uitvoerend orgaan, met inbegrip van eventuele wijzigingen daarvan;
- b. Beoordelen de Partijen het voorstel overeenkomstig de procedures van Besluit 1998/2 van het uitvoerend orgaan, met inbegrip van eventuele wijzigingen daarvan.
Besluiten tot wijziging van Besluit 1998/2 van het uitvoerend orgaan worden door de Partijen op een zitting van het uitvoerend orgaan bij consensus genomen en worden 60 dagen na de datum van aanneming van kracht.
Artikel 15. Ondertekening
Dit Protocol staat open voor ondertekening te Aarhus (Denemarken) van 24 tot en met 25 juni 1998, vervolgens op de zetel van de Verenigde Naties te New York tot 21 december 1998 door Staten die lid zijn van de Commissie, alsmede Staten die een raadgevende status bij de Commissie hebben, overeenkomstig paragraaf 8 van Resolutie 36 (IV) van de Economische en Sociale Raad van 28 maart 1947, en door regionale organisaties voor economische integratie, die door soevereine Staten die lid zijn van de Commissie zijn opgericht en die bevoegd zijn te onderhandelen over internationale verdragen met betrekking tot onder dit Protocol vallende aangelegenheden en deze verdragen te sluiten en toe te passen, mits de betrokken Staten en organisaties partij bij het Verdrag zijn.
Deze regionale organisaties voor economische integratie oefenen, wanneer het aangelegenheden betreft die onder hun bevoegdheden vallen, zelf de rechten uit en vervullen zelf de taken die door dit Protocol aan de lidstaten worden toegekend. In deze gevallen mogen de lidstaten van deze organisaties deze rechten niet afzonderlijk uitoefenen.
Artikel 16. Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding
Dit Protocol dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door de ondertekenaars.
Dit Protocol staat met ingang van 21 december 1998 open voor toetreding door de Staten en organisaties die aan de eisen van artikel 15, lid 1, voldoen.
Een Staat of een regionale organisatie voor economische integratie verklaart zulks in zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding wanneer hij of zij niet wenst te worden gebonden door de procedures vervat in artikel 14, lid 5ter, ter zake van de wijziging van de bijlagen I tot en met IV, VI en VIII.
Artikel 17. Depositaris
De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding dienen te worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die de taken van depositaris verricht.
Artikel 18. Inwerkingtreding
Dit Protocol treedt in werking op de negentigste dag volgend op de datum waarop de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding is nedergelegd.
Voor elke in artikel 15, lid 1, bedoelde staat of organisatie die dit Protocol bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt of hiertoe toetreedt na de nederlegging van de zestiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt het Protocol in werking op de negentigste dag volgend op de datum van nederlegging door deze partij van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.
Artikel 19. Opzegging
Vijf jaar na de datum waarop dit Protocol voor een partij in werking is getreden, kan deze partij dit Protocol te allen tijde opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris. De opzegging wordt van kracht op de negentigste dag na de datum waarop de depositaris de kennisgeving heeft ontvangen, of op een in de kennisgeving van opzegging aangegeven latere datum.
Artikel 20. Authentieke teksten
Het origineel van dit Protocol, waarvan de Engelse, de Franse en de Russische tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
I. INLEIDING
1
Bijlage III van dit Protocol bevat een definitie van dioxinen en furanen (PCDD/F).
2
De grenswaarden worden uitgedrukt in ng/m³ of mg/m³ onder standaardomstandigheden (273,15 K, 101,3 kPa, droog gas en voor een gegeven zuurstofgehalte).
3
De grenswaarden gelden voor de normale bedrijfsomstandigheden. Bij batchprocessen hebben de grenswaarden betrekking op de gemiddelde niveaus die gedurende het volledige batchproces zijn vastgelegd, met inbegrip van bijvoorbeeld het voorverwarmen, verwarmen en afkoelen.
4
Bemonstering en analyse van alle verontreinigende stoffen gebeurt volgens de toepasselijke normen die zijn vastgesteld door bijvoorbeeld de Europese Commissie voor Normalisatie (CEN), de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) of de dienovereenkomstige referentiemethoden van de Verenigde Staten of Canada. In afwachting van de ontwikkeling van CEN- of ISO-normen worden nationale normen gebruikt.
5
Voor controledoeleinden moet bij de interpretatie van de meetresultaten in vergelijking met de grenswaarden ook rekening worden gehouden met de onnauwkeurigheid van de meetmethode. Als het resultaat van de meting, verminderd met de onnauwkeurigheid van de meetmethode, niet hoger ligt dan de grenswaarde, wordt geacht aan de grenswaarde te zijn voldaan.
6
Emissies van PCDD/F worden uitgedrukt in totale toxiciteitsequivalent (TEQ)1/De totale toxiciteitsequivalent (TEQ) wordt operationeel gedefinieerd door de som van de producten van de concentratie van elke verbinding vermenigvuldigd met de waarde van de toxische-equivalentiefactor (TEF) van die verbinding en is een schatting van de totale 2,3,7,8-TCDD–achtige activiteit van het mengsel. De totale toxiciteitsequivalent werd voorheen afgekort tot TE.. De voor de toepassing van dit Protocol te hanteren toxische-equivalentiefactoren moeten overeenkomen met de toepasselijke internationale normen, met inbegrip van de toxische-equivalentiefactoren van PCDD/F voor zoogdieren zoals vastgelegd door de Wereldgezondheidsorganisatie in 2005.
II. GRENSWAARDEN VOOR BELANGRIJKE STATIONAIRE BRONNEN
7
De volgende grenswaarden, die uitgaan van een zuurstofconcentratie in rookgassen van 11%, zijn van toepassing op de volgende typen verbrandingsovens:
- Vast stedelijk afval (bestaande stationaire bronnen die meer dan 3 ton per uur verbranden en elke nieuwe stationaire bron) 0,1 ng TEQ/m3
- Vast medisch afval (bestaande stationaire bronnen die meer dan 1 ton per uur verbranden en elke nieuwe stationaire bron) Nieuwe stationaire bron: 0,1 ng TEQ/m3 Bestaande stationaire bron: 0,5 ng TEQ/m3
- Gevaarlijk afval (bestaande stationaire bronnen die meer dan 1 ton per uur verbranden en elke nieuwe stationaire bron) Nieuwe stationaire bron: 0,1 ng TEQ/m3 Bestaande stationaire bron: 0,2 ng TEQ/m3 Niet-gevaarlijk industrieel afval1/Met inbegrip van verbrandingsovens voor biomassa-afval dat gehalogeneerde organische verbindingen of zware metalen kan bevatten als gevolg van de behandeling met houtverduurzamingsmiddelen of beschermingslagen, en in het bijzonder met inbegrip van biomassa-afval afkomstig van bouw- en sloopafval, maar met uitzondering van verbrandingsovens die uitsluitend overig biomassa-afval verwerken.2/Landen met een economie in overgang kunnen bijstoken van niet-gevaarlijk industrieel afval bij industriële processen, waar dergelijk afval als aanvullende brandstof wordt gebruikt en maximaal 10% van de energie levert, uitsluiten. Nieuwe stationaire bron: 0,1 ng TEQ/m3 Bestaande stationaire bron: 0,5 ng TEQ/m3
I. INLEIDING
1
Het doel van deze bijlage is de Partijen bij het Verdrag richtlijnen te verschaffen voor het identificeren van de beste beschikbare technieken teneinde te kunnen voldoen aan de verplichtingen in artikel 3, vijfde lid, van het Protocol. Een door de Partijen tijdens een zitting van het uitvoerend orgaan aangenomen leidraad bevat een nadere beschrijving van en richtlijnen voor dergelijke beste beschikbare technieken. Deze leiddraad kan wanneer nodig bij consensus van de Partijen bijeen in het uitvoerend orgaan worden geactualiseerd.
2
Onder „beste beschikbare technieken" (BBT) wordt verstaan: het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatiemethoden, waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om in beginsel het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden te vormen is aangetoond, met het doel emissies en effecten op het milieu in zijn geheel te voorkomen, of wanneer dat niet mogelijk blijkt algemeen te beperken:
- –. Onder „technieken" wordt verstaan: zowel de toegepaste technieken als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld;
- –. Onder „beschikbare" technieken wordt verstaan: op zodanige schaal ontwikkeld dat de betrokken technieken, kosten en baten in aanmerking genomen, economisch en technisch haalbaar in de betrokken industriële context kunnen worden toegepast, onafhankelijk van de vraag of die technieken al dan niet op het grondgebied van de betrokken Lid-Staat worden toegepast of geproduceerd, mits zij voor de exploitant op redelijke voorwaarden toegankelijk zijn;
- –. Onder „beste" wordt verstaan: het meest doeltreffend voor het bereiken van een hoog algemeen niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel.
Bij de bepaling van de beste beschikbare technieken moet in het algemeen of in specifieke gevallen bijzondere aandacht worden besteed aan onderstaande factoren, waarbij rekening moet worden gehouden met de te verwachten kosten en baten van een maatregel en het voorzorg- en het preventiebeginsel:
- –. Het gebruik van technologie die weinig afval oplevert;
- –. Het gebruik van minder gevaarlijke stoffen;
- –. De bevordering van terugwinning en hergebruik van stoffen die tijdens het proces ontstaan en worden gebruikt en van afvalstoffen;
- –. Vergelijkbare processen, installaties of exploitatiemethoden die met succes op industriële schaal zijn beproefd;
- –. De vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis; de aard, de effecten en de omvang van de emissie;
- –. De data van ingebruikneming van de nieuwe of bestaande installaties;
- –. De tijd die nodig is voor het omschakelen op een betere beschikbare techniek;
- –. Het verbruik en de aard van de grondstoffen (met inbegrip van water) die bij het proces worden gebruikt en de energie-efficiëntie daarvan;
- –. De noodzaak om de algehele milieueffecten en milieurisico's van de emissie te voorkomen of tot een minimum te beperken;
- –. De noodzaak om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu tot een minimum te beperken.
Het is niet de bedoeling om aan de hand van het begrip beste beschikbare technieken bepaalde technieken of technologie voor te schrijven, maar om rekening te houden met de technische karakteristieken van de desbetreffende installatie, de geografische locatie en de plaatselijke milieusituatie.
3
De informatie over de effectiviteit en de kosten van beperkende maatregelen is gebaseerd op documenten die door de Task force en de Voorbereidende werkgroep voor POP's zijn ontvangen en geëvalueerd. Tenzij anders wordt aangegeven, worden de vermelde technieken op basis van de ervaring in de praktijk als ingeburgerd beschouwd.
4
Er wordt voortdurend nieuwe ervaring opgedaan met nieuwe installaties waar technieken met een geringe emissie worden gebruikt alsook met de aanpassing van bestaande installaties. Daarom zal regelmatige bewerking en aanpassing van de leidraad bedoeld in paragraaf 1 noodzakelijk zijn. De beste beschikbare technieken voor nieuwe installaties kunnen meestal ook voor bestaande installaties worden gebruikt, mits er een adequate overgangsperiode is en de technieken worden aangepast.
5
In de leidraad bedoeld in het eerste lid is een aantal beperkende maatregelen met uiteenlopende kosten en efficiency opgenomen. Bij de keuze van maatregelen voor een specifiek geval zal rekening worden gehouden met een aantal factoren, zoals de economische situatie, de technologische infrastructuur en capaciteit en eventuele reeds genomen maatregelen om de luchtverontreiniging te beperken.
6
De belangrijkste POP's die door stationaire bronnen worden uitgestoten zijn:
- a. polychloordibenzo-p-dioxinen/furanen (PCDD/F);
- b. hexachloorbenzeen (HCB);
- c. polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's).
Definities van deze stoffen zijn opgenomen in bijlage III van dit Protocol.
II. BELANGRIJKE STATIONAIRE BRONNEN VAN POP-UITSTOOT
7
PCDD/F worden uitgestoten door onvolledige verbranding of chemische reacties bij thermische processen waarbij organisch materiaal en chloor aanwezig zijn. Belangrijke stationaire bronnen van PCDD/F zijn:
- a. Afvalverbranding met inbegrip van bijstoken;
- b. Thermische metallurgische processen zoals de vervaardiging van aluminium en andere non-ferrometalen, ijzer en staal;
- c. Verbrandingsinstallaties die energie leveren;
- d. Huisverwarmingsinstallaties;
- e. Specifieke chemische productieprocessen waarbij tussen- en nevenproducten vrijkomen.
8
Belangrijke stationaire bronnen van PAK-uitstoot zijn:
- a. Woningverwarming met hout en kolen;
- b. Open vuur, bijvoorbeeld bij vuilverbranding, bosbranden en afbranden na de oogst;
- c. Kooks- en anodeproductie;
- d. Aluminiumproductie (via het Soederberg-procédé);
- e. Installaties voor houtverduurzaming, behalve voor een Partij waarvoor deze categorie geen significante bijdrage tot haar totale uitstoot van PAK's (zoals gedefinieerd in bijlage III) levert.
9
De emissie van HCB vindt plaats bij hetzelfde soort thermische en chemische processen als waarbij PCDD/F wordt uitgestoten en HCB ontstaat ook via een vergelijkbaar mechanisme. Belangrijke bronnen van HCB-emissie zijn:
- a. Installaties voor afvalverbranding met inbegrip van bijstoken;
- b. Thermische bronnen in de metallurgische industrie;
- c. Gebruik van gechloreerde brandstof in oveninstallaties.
III. ALGEMENE AANPAK BIJ DE BEPERKING OF PREVENTIE VAN DE EMISSIE VAN POP'S
10
Vervallen
11
Vervallen
12
Vervallen
IV. TECHNIEKEN VOOR DE BEPERKING VAN DE PCDD/F-EMISSIE
A. Afvalverbranding
13
Vervallen
14
Vervallen
15
Vervallen
16
Vervallen
17
Vervallen
18
Vervallen
19
Vervallen
20
Vervallen
21
Vervallen
22
Vervallen
23
Vervallen
B. Thermische processen in de metallurgische industrie
24
Vervallen
25
Vervallen
Sinterfabrieken
26
Vervallen
27
Vervallen
28
Vervallen
Primaire en secundaire productie van koper
29
Vervallen
30
Vervallen
Staalproductie
31
Vervallen
32
Vervallen
33
Vervallen
Smelterijen in de secundaire aluminiumindustrie
34
Vervallen
35
Vervallen
36
Vervallen
37
Vervallen
38
Vervallen
39
Vervallen
C. Verbranding van fossiele brandstoffen bij elektriciteitsfabrieken en in de industrie
40
Vervallen
41
Vervallen
42
Vervallen
D. Huisverwarmingsinstallaties
43
Vervallen
44
Vervallen
45
Vervallen
46
Vervallen
E. Verbrandingsinstallaties voor hout (capaciteit < 50 MW)
47
Vervallen
48
Vervallen
V. TECHNIEKEN VOOR DE BEPERKING VAN DE PAK-EMISSIE
A. Kooksproductie
49
Vervallen
50
Vervallen
51
Vervallen
52
Vervallen
53
Vervallen
54
Vervallen
55
Vervallen
56
Vervallen
57
Vervallen
58
Vervallen
59
Vervallen
B. Anodeproductie
60
Vervallen
61
Vervallen
62
Vervallen
C. Aluminiumindustrie
63
Vervallen
64
Vervallen
65
Vervallen
66
Vervallen
D. Huisverwarmingsinstallaties
67
Vervallen
68
Vervallen
69
Vervallen
70
Vervallen
71
Vervallen
72
Vervallen
E. Installaties voor houtverduurzaming
73
Vervallen
74
Vervallen
75
Vervallen
76
Vervallen
1
Vervallen
I. HAALBARE EMISSIENIVEAUS VOOR NIEUWE VOERTUIGEN EN BRANDSTOF-PARAMETERS
A. Haalbare emissieniveaus voor nieuwe voertuigen
2. Personenauto's met dieselmotor
Vervallen
3. Vrachtwagens
Vervallen
4. Terreinvoertuigen
Vervallen
B. Brandstofparameters
5. Dieselbrandstof
Vervallen
II. BEPERKING VAN GEHALOGENEERDE LOODVANGERS, ADDITIEVEN IN BRANDSTOFFEN EN SMEERMIDDELEN
6
Vervallen
7
Vervallen
III. MAATREGELEN TER BEPERKING VAN DE EMISSIE VAN POP'S DOOR MOBIELE BRONNEN
A. Emissie van POP's door motorvoertuigen
8
Vervallen
9
Vervallen
B. Keuring en onderhoud
10
Vervallen
11
Vervallen
C. Technieken voor de beperking van de PAK-emissie door motorvoertuigen met diesel- en benzinemotor
1. Algemene aspecten van de gebruikte technologie
12
Vervallen
1. Algemene aspecten van de gebruikte technologie
13
Vervallen
2. Technische maatregelen ter beperking van de emissie
14
Vervallen
15
Vervallen
16
Vervallen
17
Vervallen
b. Benzinemotoren
18
Vervallen
19
Vervallen
20
Vervallen
I. INLEIDING
II. OVERZICHT VAN DE CATEGORIEËN
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed the present Protocol.
DONE at Aarhus (Denmark), this twenty-fourth day of June, one thousand nine hundred and ninety-eight.
8
De volgende grenswaarde, die uitgaat van een zuurstofconcentratie in rookgassen van 16%, is van toepassing op sinterinstallaties:
- 0,5 ng TEQ/m3
9
De volgende grenswaarde, die uitgaat van de feitelijke zuurstofconcentratie in rookgassen, is van toepassing op de volgende bron:
Secundaire staalproductie – elektrische boogovens met een productiecapaciteit van meer dan 2,5 ton gesmolten staal per uur voor verdere bewerking:
- 0,5 ng TEQ/m3
I. INLEIDING
1
Het doel van deze bijlage is de Partijen bij het Verdrag richtlijnen te verschaffen voor het identificeren van de beste beschikbare technieken teneinde te kunnen voldoen aan de verplichtingen in artikel 3, vijfde lid, van het Protocol. Een door de Partijen tijdens een zitting van het uitvoerend orgaan aangenomen leidraad bevat een nadere beschrijving van en richtlijnen voor dergelijke beste beschikbare technieken. Deze leiddraad kan wanneer nodig bij consensus van de Partijen bijeen in het uitvoerend orgaan worden geactualiseerd.
2
Onder „beste beschikbare technieken" (BBT) wordt verstaan: het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatiemethoden, waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om in beginsel het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden te vormen is aangetoond, met het doel emissies en effecten op het milieu in zijn geheel te voorkomen, of wanneer dat niet mogelijk blijkt algemeen te beperken:
- –. Onder „technieken" wordt verstaan: zowel de toegepaste technieken als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld;
- –. Onder „beschikbare" technieken wordt verstaan: op zodanige schaal ontwikkeld dat de betrokken technieken, kosten en baten in aanmerking genomen, economisch en technisch haalbaar in de betrokken industriële context kunnen worden toegepast, onafhankelijk van de vraag of die technieken al dan niet op het grondgebied van de betrokken Lid-Staat worden toegepast of geproduceerd, mits zij voor de exploitant op redelijke voorwaarden toegankelijk zijn;
- –. Onder „beste" wordt verstaan: het meest doeltreffend voor het bereiken van een hoog algemeen niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel.
Bij de bepaling van de beste beschikbare technieken moet in het algemeen of in specifieke gevallen bijzondere aandacht worden besteed aan onderstaande factoren, waarbij rekening moet worden gehouden met de te verwachten kosten en baten van een maatregel en het voorzorg- en het preventiebeginsel:
- –. Het gebruik van technologie die weinig afval oplevert;
- –. Het gebruik van minder gevaarlijke stoffen;
- –. De bevordering van terugwinning en hergebruik van stoffen die tijdens het proces ontstaan en worden gebruikt en van afvalstoffen;
- –. Vergelijkbare processen, installaties of exploitatiemethoden die met succes op industriële schaal zijn beproefd;
- –. De vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis; de aard, de effecten en de omvang van de emissie;
- –. De data van ingebruikneming van de nieuwe of bestaande installaties;
- –. De tijd die nodig is voor het omschakelen op een betere beschikbare techniek;
- –. Het verbruik en de aard van de grondstoffen (met inbegrip van water) die bij het proces worden gebruikt en de energie-efficiëntie daarvan;
- –. De noodzaak om de algehele milieueffecten en milieurisico's van de emissie te voorkomen of tot een minimum te beperken;
- –. De noodzaak om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu tot een minimum te beperken.
Het is niet de bedoeling om aan de hand van het begrip beste beschikbare technieken bepaalde technieken of technologie voor te schrijven, maar om rekening te houden met de technische karakteristieken van de desbetreffende installatie, de geografische locatie en de plaatselijke milieusituatie.
3
De informatie over de effectiviteit en de kosten van beperkende maatregelen is gebaseerd op documenten die door de Task force en de Voorbereidende werkgroep voor POP's zijn ontvangen en geëvalueerd. Tenzij anders wordt aangegeven, worden de vermelde technieken op basis van de ervaring in de praktijk als ingeburgerd beschouwd.
4
Er wordt voortdurend nieuwe ervaring opgedaan met nieuwe installaties waar technieken met een geringe emissie worden gebruikt alsook met de aanpassing van bestaande installaties. Daarom zal regelmatige bewerking en aanpassing van de leidraad bedoeld in paragraaf 1 noodzakelijk zijn. De beste beschikbare technieken voor nieuwe installaties kunnen meestal ook voor bestaande installaties worden gebruikt, mits er een adequate overgangsperiode is en de technieken worden aangepast.
5
In de leidraad bedoeld in het eerste lid is een aantal beperkende maatregelen met uiteenlopende kosten en efficiency opgenomen. Bij de keuze van maatregelen voor een specifiek geval zal rekening worden gehouden met een aantal factoren, zoals de economische situatie, de technologische infrastructuur en capaciteit en eventuele reeds genomen maatregelen om de luchtverontreiniging te beperken.
6
De belangrijkste POP's die door stationaire bronnen worden uitgestoten zijn:
- a. polychloordibenzo-p-dioxinen/furanen (PCDD/F);
- b. hexachloorbenzeen (HCB);
- c. polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's).
Definities van deze stoffen zijn opgenomen in bijlage III van dit Protocol.
II. BELANGRIJKE STATIONAIRE BRONNEN VAN POP-UITSTOOT
7
PCDD/F worden uitgestoten door onvolledige verbranding of chemische reacties bij thermische processen waarbij organisch materiaal en chloor aanwezig zijn. Belangrijke stationaire bronnen van PCDD/F zijn:
- a. Afvalverbranding met inbegrip van bijstoken;
- b. Thermische metallurgische processen zoals de vervaardiging van aluminium en andere non-ferrometalen, ijzer en staal;
- c. Verbrandingsinstallaties die energie leveren;
- d. Huisverwarmingsinstallaties;
- e. Specifieke chemische productieprocessen waarbij tussen- en nevenproducten vrijkomen.
8
Belangrijke stationaire bronnen van PAK-uitstoot zijn:
- a. Woningverwarming met hout en kolen;
- b. Open vuur, bijvoorbeeld bij vuilverbranding, bosbranden en afbranden na de oogst;
- c. Kooks- en anodeproductie;
- d. Aluminiumproductie (via het Soederberg-procédé);
- e. Installaties voor houtverduurzaming, behalve voor een Partij waarvoor deze categorie geen significante bijdrage tot haar totale uitstoot van PAK's (zoals gedefinieerd in bijlage III) levert.
9
De emissie van HCB vindt plaats bij hetzelfde soort thermische en chemische processen als waarbij PCDD/F wordt uitgestoten en HCB ontstaat ook via een vergelijkbaar mechanisme. Belangrijke bronnen van HCB-emissie zijn:
- a. Installaties voor afvalverbranding met inbegrip van bijstoken;
- b. Thermische bronnen in de metallurgische industrie;
- c. Gebruik van gechloreerde brandstof in oveninstallaties.
III. ALGEMENE AANPAK BIJ DE BEPERKING OF PREVENTIE VAN DE EMISSIE VAN POP'S
10
Vervallen
11
Vervallen
12
Vervallen
IV. TECHNIEKEN VOOR DE BEPERKING VAN DE PCDD/F-EMISSIE
A. Afvalverbranding
13
Vervallen
14
Vervallen
15
Vervallen
16
Vervallen
17
Vervallen
18
Vervallen
19
Vervallen
20
Vervallen
B. Thermische processen in de metallurgische industrie
Sinterfabrieken
Primaire en secundaire productie van koper
Staalproductie
Smelterijen in de secundaire aluminiumindustrie
C. Verbranding van fossiele brandstoffen bij elektriciteitsfabrieken en in de industrie
D. Huisverwarmingsinstallaties
E. Verbrandingsinstallaties voor hout (capaciteit < 50 MW)
V. TECHNIEKEN VOOR DE BEPERKING VAN DE PAK-EMISSIE
A. Kooksproductie
B. Anodeproductie
C. Aluminiumindustrie
D. Huisverwarmingsinstallaties
E. Installaties voor houtverduurzaming
1
Vervallen
I. HAALBARE EMISSIENIVEAUS VOOR NIEUWE VOERTUIGEN EN BRANDSTOF-PARAMETERS
A. Haalbare emissieniveaus voor nieuwe voertuigen
2. Personenauto's met dieselmotor
Vervallen
3. Vrachtwagens
Vervallen
4. Terreinvoertuigen
Vervallen
B. Brandstofparameters
5. Dieselbrandstof
Vervallen
II. BEPERKING VAN GEHALOGENEERDE LOODVANGERS, ADDITIEVEN IN BRANDSTOFFEN EN SMEERMIDDELEN
6
Vervallen
7
Vervallen
III. MAATREGELEN TER BEPERKING VAN DE EMISSIE VAN POP'S DOOR MOBIELE BRONNEN
A. Emissie van POP's door motorvoertuigen
8
Vervallen
9
Vervallen
B. Keuring en onderhoud
10
Vervallen
11
Vervallen
C. Technieken voor de beperking van de PAK-emissie door motorvoertuigen met diesel- en benzinemotor
12
Vervallen
13
Vervallen
a. Dieselmotoren
14
Vervallen
15
Vervallen
16
Vervallen
17
Vervallen
b. Benzinemotoren
18
Vervallen
19
Vervallen
20
Vervallen
I. INLEIDING
II. OVERZICHT VAN DE CATEGORIEËN
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed the present Protocol.
DONE at Aarhus (Denmark), this twenty-fourth day of June, one thousand nine hundred and ninety-eight.