Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag van 19 juni 1951 tussen de Staten die Partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten met betrekking tot de in het Koninkrijk der Nederlanden gestationeerde Duitse strijdkrachten

Type Verdrag
Publication 2000-09-01
State In force
Source BWB
artikelen 1
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Bondsrepubliek Duitsland,

Gelet op het Noord-Atlantisch Verdrag van 4 april 1949,

Indachtig hun Verdrag inzake de stationering van strijdkrachten van de Bondsrepubliek Duitsland in het Koninkrijk der Nederlanden van 6 oktober 1997,

Ingevolge het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten van 19 juni 1951,

In overeenstemming met de Nederlands-Duitse notawisseling van 18 maart 1993,

Geleid door de wens voor het verblijf van de Bundeswehr, haar leden en hun gezinsleden in het Koninkrijk der Nederlanden aanvullende regelingen te treffen die vergelijkbaar zijn met die welke voor het Nederlandse militaire personeel, de leden van de civiele dienst van de Nederlandse strijdkrachten en hun gezinsleden in de Bondsrepubliek Duitsland gelden,

zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Doel van de Overeenkomst

Het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten van 19 juni 1951 (hierna te noemen „Navo-Status Verdrag") wordt wat betreft de rechten en verplichtingen van de strijdkrachten van de Bondsrepubliek Duitsland op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden aangevuld met de bepalingen van deze Aanvullende Overeenkomst.

Artikel 2. Begripsbepalingen
1.

Bundeswehr: de „krijgsmacht" en de „civiele dienst" van de Bondsrepubliek Duitsland als bedoeld in artikel I, eerste lid, onder a respectievelijk b, van het NAVO-Status Verdrag.

2.

Gezinslid: de echtgeno(o)t(e) van een lid van de krijgsmacht of van de civiele dienst, alsmede een kind van een zodanig lid, dat van hem of haar afhankelijk is voor zijn onderhoud.

Indien een lid van de Bundeswehr overlijdt of het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden als gevolg van overplaatsing verlaat, worden de gezinsleden van een zodanig lid nog gedurende 90 dagen na dat overlijden of die overplaatsing geacht te zijn, en behandeld als, gezinsleden in de zin van artikel I, eerste lid, onder c, van het NAVO-Status Verdrag, indien zij zich op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden bevinden.

3.

Wetboek van Strafrecht: Wet van 3 maart 1881, gepubliceerd in Staatsblad nr. 35, in de op de dag van inwerkingtreding van deze Overeenkomst geldende versie.

4.

Wetboek van Strafvordering: Wet van 15 januari 1921, gepubliceerd in Staatsblad nr. 14, in de op de dag van inwerkingtreding van deze Overeenkomst geldende versie.

5.

Vreemdelingenwet: Wet van 13 januari 1965, gepubliceerd in Staatsblad nr. 40, in de op de dag van inwerkingtreding van deze Overeenkomst geldende versie.

Artikel 3. Samenwerking
1.

In overeenstemming met de krachtens het Noord-Atlantisch Verdrag op de partijen bij het Verdrag rustende verplichtingen om elkaar hulp te verlenen, werken de Nederlandse autoriteiten en de autoriteiten van de Bundeswehr nauw samen ter verzekering van de uitvoering van het NAVO-Status Verdrag en van deze Overeenkomst.

2.

De samenwerking als bedoeld in het eerste lid van dit artikel strekt zich in het bijzonder uit

4.

De Nederlandse autoriteiten en de Duitse autoriteiten nemen alle administratieve maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van het NAVO-Status Verdrag en van deze Overeenkomst en sluiten te dien einde, indien nodig, administratieve of andere overeenkomsten.

Artikel 4. Legitimatieplicht
1.

Met betrekking tot de legitimatieplicht op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden gelden de volgende bepalingen:

2.

Met betrekking tot grensoverschrijdingen gelden de volgende bepalingen:

Artikel 5. Aanmelding
1.

Leden van de Bundeswehr en gezinsleden zijn niet onderworpen aan de Nederlandse voorschriften op het gebied van de aanmelding en de voorschriften van de Nederlandse Vreemdelingenwet.

2.

De autoriteiten van de Bundeswehr houden doorlopend bijgewerkte lijsten aan van alle leden en gezinsleden. De autoriteiten van de Bundeswehr verstrekken de Nederlandse autoriteiten op een met redenen omkleed verzoek van die autoriteiten in bijzondere gevallen de inlichtingen die met name vereist zijn ingevolge de in het eerste lid bedoelde voorschriften.

3.

De autoriteiten van de Bundeswehr delen de Nederlandse autoriteiten op hun verzoek het aantal leden en gezinsleden mede.

Artikel 6. Uitwijzing
1.

Indien een bevoegde Nederlandse autoriteit voornemens is één van de in artikel III, vijfde lid, eerste volzin, van het NAVO-Status Verdrag genoemde en aan het Koninkrijk der Nederlanden voorbehouden maatregelen te nemen, stelt die autoriteit de bevoegde Duitse autoriteit van dit voornemen in kennis, onder mededeling van de redenen waarop de voorgenomen maatregel is gebaseerd en stelt die autoriteit in de gelegenheid binnen een redelijke termijn haar standpunt kenbaar te maken dan wel zelf de maatregelen te nemen die zij gepast acht. De Nederlandse autoriteiten nemen het door de Bondsrepubliek Duitsland ingenomen standpunt en de eventueel door haar autoriteiten genomen maatregelen in welwillende overweging.

2.

De kennisgeving van het voornemen tot het nemen van één van de maatregelen, bedoeld in artikel III, vijfde lid, van het NAVO-Status Verdrag, wordt gedaan door de bevoegde Nederlandse autoriteit.

3.

Verzoeken om verwijdering en uitwijzingsbevelen worden slechts gedaan, onderscheidenlijk gegeven, indien de bevoegde Nederlandse autoriteit van mening is dat op het tijdstip waarop het verzoek of het bevel wordt gedaan, onderscheidenlijk gegeven, het verdere verblijf van de betrokken persoon op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden de openbare orde of veiligheid daadwerkelijk in gevaar brengt.

Artikel 7. Rijbewijzen
1.

Een rijbewijs of andere machtiging, afgegeven door een Duitse autoriteit aan een lid van de Bundeswehr, op grond waarvan de houder bevoegd is dienstvoertuigen, -vaartuigen of -luchtvaartuigen te besturen, is geldig voor het besturen van die voertuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen binnen het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden. Rijbewijzen voor dienstvoertuigen machtigen ook, voor zover zulks volgens het Duitse recht is toegestaan, tot het besturen van overeenkomstige particuliere voertuigen.

2.

De houder van een burgerrijbewijs, afgegeven in de Bondsrepubliek Duitsland, op grond waarvan de houder bevoegd is particuliere motorrijtuigen in die staat te besturen, is bevoegd tot het besturen van zodanige rijtuigen op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden, indien hij lid van de Bundeswehr of een gezinslid is. De Nederlandse voorschriften betreffende de geldigheidsduur van een zodanig rijbewijs op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden en de ongeldigverklaring ervan door een Nederlandse administratieve autoriteit zijn niet van toepassing, indien de houder in het bezit is van een verklaring, afgegeven door een autoriteit van de Bundeswehr, waaruit blijkt dat hij lid van de Bundeswehr dan wel een gezinslid is.

3.

Een burgervliegbrevet, afgegeven door Duitse autoriteiten aan een lid van de Bundeswehr of aan een gezinslid, machtigt de houder tot het besturen van particuliere luchtvaartuigen in het Koninkrijk der Nederlanden, indien dit brevet beantwoordt aan de Normen en Aanbevolen Werkwijzen van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.

Artikel 8. Toelating van voertuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen
1.

Motorrijtuigen en aanhangwagens van motorrijtuigen van de Bundeswehr, van haar leden en van hun gezinsleden, kunnen naar Duits recht worden geregistreerd en toegelaten. Met inachtneming van de in het kader van internationale overeenkomsten toepasselijke voorschriften geldt hetzelfde ten aanzien van vaartuigen van de Bundeswehr. Luchtvaartuigen van de Bundeswehr, van haar leden en van hun gezinsleden, worden door de Duitse autoriteiten geregistreerd en toegelaten in overeenstemming met de toepasselijke internationale voorschriften.

2.

Motorrijtuigen en aanhangwagens van motorrijtuigen die ingevolge het eerste lid van dit artikel zijn geregistreerd en toegelaten, of door de Bundeswehr worden gebruikt op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden, dienen regelmatig een technische keuring te ondergaan. Deze bepalingen doen geen afbreuk aan de mogelijkheid om motorrijtuigen te doen onderzoeken of keuren in Nederlandse testinrichtingen in overeenstemming met de Nederlandse voorschriften.

3.

Motorrijtuigen, aanhangwagens van motorrijtuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen die overeenkomstig het eerste lid van dit artikel zijn geregistreerd en toegelaten of die door de Bundeswehr worden gebruikt op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden, voeren behalve een registratienummer of een ander passend herkenningsteken een duidelijk nationaliteitskenteken „D". Herkenningstekens op particuliere motorrijtuigen en aanhangwagens moeten duidelijk verschillen van die welke worden gebruikt op dienstvoertuigen. De autoriteiten van de Bundeswehr lichten de Nederlandse autoriteiten in omtrent het systeem van kentekens dat wordt gebruikt voor de door hen geregistreerde en toegelaten motorrijtuigen, aanhangwagens van motorrijtuigen en vaartuigen. Op een met redenen omkleed verzoek van de Nederlandse autoriteiten verstrekken de autoriteiten van de Bundeswehr in individuele gevallen de namen en adressen van de personen op wier naam particuliere motorrijtuigen, aanhangwagens van motorrijtuigen of luchtvaartuigen zijn geregistreerd en toegelaten in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.