Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag van 19 juni 1951 tussen de Staten die Partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten met betrekking tot de in het Koninkrijk der Nederlanden gestationeerde Duitse strijdkrachten

Type Verdrag
Publication 2000-09-01
State In force
Source BWB
artikelen 55
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Bondsrepubliek Duitsland,

Gelet op het Noord-Atlantisch Verdrag van 4 april 1949,

Indachtig hun Verdrag inzake de stationering van strijdkrachten van de Bondsrepubliek Duitsland in het Koninkrijk der Nederlanden van 6 oktober 1997,

Ingevolge het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten van 19 juni 1951,

In overeenstemming met de Nederlands-Duitse notawisseling van 18 maart 1993,

Geleid door de wens voor het verblijf van de Bundeswehr, haar leden en hun gezinsleden in het Koninkrijk der Nederlanden aanvullende regelingen te treffen die vergelijkbaar zijn met die welke voor het Nederlandse militaire personeel, de leden van de civiele dienst van de Nederlandse strijdkrachten en hun gezinsleden in de Bondsrepubliek Duitsland gelden,

zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Doel van de Overeenkomst

Het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten van 19 juni 1951 (hierna te noemen „Navo-Status Verdrag") wordt wat betreft de rechten en verplichtingen van de strijdkrachten van de Bondsrepubliek Duitsland op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden aangevuld met de bepalingen van deze Aanvullende Overeenkomst.

Artikel 2. Begripsbepalingen

1.

Bundeswehr: de „krijgsmacht" en de „civiele dienst" van de Bondsrepubliek Duitsland als bedoeld in artikel I, eerste lid, onder a respectievelijk b, van het NAVO-Status Verdrag.

2.

Gezinslid: de echtgeno(o)t(e) van een lid van de krijgsmacht of van de civiele dienst, alsmede een kind van een zodanig lid, dat van hem of haar afhankelijk is voor zijn onderhoud.

Indien een lid van de Bundeswehr overlijdt of het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden als gevolg van overplaatsing verlaat, worden de gezinsleden van een zodanig lid nog gedurende 90 dagen na dat overlijden of die overplaatsing geacht te zijn, en behandeld als, gezinsleden in de zin van artikel I, eerste lid, onder c, van het NAVO-Status Verdrag, indien zij zich op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden bevinden.

3.

Wetboek van Strafrecht: Wet van 3 maart 1881, gepubliceerd in Staatsblad nr. 35, in de op de dag van inwerkingtreding van deze Overeenkomst geldende versie.

4.

Wetboek van Strafvordering: Wet van 15 januari 1921, gepubliceerd in Staatsblad nr. 14, in de op de dag van inwerkingtreding van deze Overeenkomst geldende versie.

5.

Vreemdelingenwet: Wet van 13 januari 1965, gepubliceerd in Staatsblad nr. 40, in de op de dag van inwerkingtreding van deze Overeenkomst geldende versie.

Artikel 3. Samenwerking

1.

In overeenstemming met de krachtens het Noord-Atlantisch Verdrag op de partijen bij het Verdrag rustende verplichtingen om elkaar hulp te verlenen, werken de Nederlandse autoriteiten en de autoriteiten van de Bundeswehr nauw samen ter verzekering van de uitvoering van het NAVO-Status Verdrag en van deze Overeenkomst.

2.

De samenwerking als bedoeld in het eerste lid van dit artikel strekt zich in het bijzonder uit

4.

De Nederlandse autoriteiten en de Duitse autoriteiten nemen alle administratieve maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van het NAVO-Status Verdrag en van deze Overeenkomst en sluiten te dien einde, indien nodig, administratieve of andere overeenkomsten.

Artikel 4. Legitimatieplicht

1.

Met betrekking tot de legitimatieplicht op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden gelden de volgende bepalingen:

2.

Met betrekking tot grensoverschrijdingen gelden de volgende bepalingen:

Artikel 5. Aanmelding

1.

Leden van de Bundeswehr en gezinsleden zijn niet onderworpen aan de Nederlandse voorschriften op het gebied van de aanmelding en de voorschriften van de Nederlandse Vreemdelingenwet.

2.

De autoriteiten van de Bundeswehr houden doorlopend bijgewerkte lijsten aan van alle leden en gezinsleden. De autoriteiten van de Bundeswehr verstrekken de Nederlandse autoriteiten op een met redenen omkleed verzoek van die autoriteiten in bijzondere gevallen de inlichtingen die met name vereist zijn ingevolge de in het eerste lid bedoelde voorschriften.

3.

De autoriteiten van de Bundeswehr delen de Nederlandse autoriteiten op hun verzoek het aantal leden en gezinsleden mede.

Artikel 6. Uitwijzing

1.

Indien een bevoegde Nederlandse autoriteit voornemens is één van de in artikel III, vijfde lid, eerste volzin, van het NAVO-Status Verdrag genoemde en aan het Koninkrijk der Nederlanden voorbehouden maatregelen te nemen, stelt die autoriteit de bevoegde Duitse autoriteit van dit voornemen in kennis, onder mededeling van de redenen waarop de voorgenomen maatregel is gebaseerd en stelt die autoriteit in de gelegenheid binnen een redelijke termijn haar standpunt kenbaar te maken dan wel zelf de maatregelen te nemen die zij gepast acht. De Nederlandse autoriteiten nemen het door de Bondsrepubliek Duitsland ingenomen standpunt en de eventueel door haar autoriteiten genomen maatregelen in welwillende overweging.

2.

De kennisgeving van het voornemen tot het nemen van één van de maatregelen, bedoeld in artikel III, vijfde lid, van het NAVO-Status Verdrag, wordt gedaan door de bevoegde Nederlandse autoriteit.

3.

Verzoeken om verwijdering en uitwijzingsbevelen worden slechts gedaan, onderscheidenlijk gegeven, indien de bevoegde Nederlandse autoriteit van mening is dat op het tijdstip waarop het verzoek of het bevel wordt gedaan, onderscheidenlijk gegeven, het verdere verblijf van de betrokken persoon op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden de openbare orde of veiligheid daadwerkelijk in gevaar brengt.

Artikel 7. Rijbewijzen

1.

Een rijbewijs of andere machtiging, afgegeven door een Duitse autoriteit aan een lid van de Bundeswehr, op grond waarvan de houder bevoegd is dienstvoertuigen, -vaartuigen of -luchtvaartuigen te besturen, is geldig voor het besturen van die voertuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen binnen het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden. Rijbewijzen voor dienstvoertuigen machtigen ook, voor zover zulks volgens het Duitse recht is toegestaan, tot het besturen van overeenkomstige particuliere voertuigen.

2.

De houder van een burgerrijbewijs, afgegeven in de Bondsrepubliek Duitsland, op grond waarvan de houder bevoegd is particuliere motorrijtuigen in die staat te besturen, is bevoegd tot het besturen van zodanige rijtuigen op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden, indien hij lid van de Bundeswehr of een gezinslid is. De Nederlandse voorschriften betreffende de geldigheidsduur van een zodanig rijbewijs op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden en de ongeldigverklaring ervan door een Nederlandse administratieve autoriteit zijn niet van toepassing, indien de houder in het bezit is van een verklaring, afgegeven door een autoriteit van de Bundeswehr, waaruit blijkt dat hij lid van de Bundeswehr dan wel een gezinslid is.

3.

Een burgervliegbrevet, afgegeven door Duitse autoriteiten aan een lid van de Bundeswehr of aan een gezinslid, machtigt de houder tot het besturen van particuliere luchtvaartuigen in het Koninkrijk der Nederlanden, indien dit brevet beantwoordt aan de Normen en Aanbevolen Werkwijzen van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.

Artikel 8. Toelating van voertuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen

1.

Motorrijtuigen en aanhangwagens van motorrijtuigen van de Bundeswehr, van haar leden en van hun gezinsleden, kunnen naar Duits recht worden geregistreerd en toegelaten. Met inachtneming van de in het kader van internationale overeenkomsten toepasselijke voorschriften geldt hetzelfde ten aanzien van vaartuigen van de Bundeswehr. Luchtvaartuigen van de Bundeswehr, van haar leden en van hun gezinsleden, worden door de Duitse autoriteiten geregistreerd en toegelaten in overeenstemming met de toepasselijke internationale voorschriften.

2.

Motorrijtuigen en aanhangwagens van motorrijtuigen die ingevolge het eerste lid van dit artikel zijn geregistreerd en toegelaten, of door de Bundeswehr worden gebruikt op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden, dienen regelmatig een technische keuring te ondergaan. Deze bepalingen doen geen afbreuk aan de mogelijkheid om motorrijtuigen te doen onderzoeken of keuren in Nederlandse testinrichtingen in overeenstemming met de Nederlandse voorschriften.

3.

Motorrijtuigen, aanhangwagens van motorrijtuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen die overeenkomstig het eerste lid van dit artikel zijn geregistreerd en toegelaten of die door de Bundeswehr worden gebruikt op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden, voeren behalve een registratienummer of een ander passend herkenningsteken een duidelijk nationaliteitskenteken „D". Herkenningstekens op particuliere motorrijtuigen en aanhangwagens moeten duidelijk verschillen van die welke worden gebruikt op dienstvoertuigen. De autoriteiten van de Bundeswehr lichten de Nederlandse autoriteiten in omtrent het systeem van kentekens dat wordt gebruikt voor de door hen geregistreerde en toegelaten motorrijtuigen, aanhangwagens van motorrijtuigen en vaartuigen. Op een met redenen omkleed verzoek van de Nederlandse autoriteiten verstrekken de autoriteiten van de Bundeswehr in individuele gevallen de namen en adressen van de personen op wier naam particuliere motorrijtuigen, aanhangwagens van motorrijtuigen of luchtvaartuigen zijn geregistreerd en toegelaten in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel.

4.

Het kentekenbewijs van een particulier motorrijtuig of een particuliere aanhangwagen van motorrijtuigen vermeldt het registratienummer, de naam of het handelsmerk, het fabrieks- of serie-nummer van de fabrikant, de datum van eerste toelating op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden en de naam en voornamen van de houder. Het bewijs van inschrijving van een particulier luchtvaartuig dient te worden gebaseerd op de Normen en Aanbevolen Werkwijzen van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie. Andere dan dienstbinnenvaartuigen van de Bundeswehr met een waterverplaatsing van vijftien ton of meer voeren aan boord een bewijs van deugdelijkheid, dat kan worden afgegeven door de autoriteiten van de Bundeswehr.

5.

De autoriteiten van de Bundeswehr nemen passende veiligheidsmaatregelen met betrekking tot motorrijtuigen, aanhangwagens van motorrijtuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen die door hen zijn geregistreerd en toegelaten of door de Bundeswehr worden gebruikt op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel 9. Particuliere voertuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen

De leden van de Bundeswehr en hun gezinsleden mogen op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden particuliere motorrijtuigen, aanhangwagens van motorrijtuigen, luchtvaartuigen en vaartuigen slechts gebruiken of laten gebruiken indien de uit het gebruik voortvloeiende risico's worden gedekt door een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid in overeenstemming met de Nederlandse wetgeving.

Artikel 10. Wapens

1.

De autoriteiten van de Bundeswehr kunnen leden van de civiele dienst en andere personen in dienst van de Bundeswehr machtigen tot het bezitten en dragen van wapens indien die personen voor de Bundeswehr bewakings- en beveiligingstaken uitoefenen.

2.

De autoriteiten van de Bundeswehr stellen met betrekking tot het gebruik van wapens door de personen die daartoe gemachtigd zijn ingevolge het eerste lid voorschriften vast die in overeenstemming zijn met de Nederlandse wetgeving inzake noodweer (Notwehr).

3.

De ingevolge het eerste lid gemachtigde personen mogen uitsluitend vuurwapens bij zich dragen indien zij in het bezit zijn van een verklaring afgegeven door de autoriteiten van de Bundeswehr, dat zij daartoe gerechtigd zijn. Een dienstidentiteitsbewijs voorzien van een desbetreffende aantekening wordt eveneens als een zodanige verklaring beschouwd.

4.

De autoriteiten van de Bundeswehr geven deze verklaringen uitsluitend af aan personen omtrent wier betrouwbaarheid redelijkerwijs geen twijfel bestaat. Zij trekken op verzoek van de Nederlandse autoriteiten of op grond van hun eigen beslissing deze verklaringen in, indien is komen vast te staan dat de houder misbruik heeft gemaakt van zijn vuurwapen of indien redelijkerwijs twijfel bestaat ten aanzien van zijn betrouwbaarheid.

Artikel 11. Lijkbezorging

1.

De bevoegde Duitse autoriteiten zijn, in overeenstemming met de Duitse voorschriften, gerechtigd de stoffelijke overschotten van de leden van de Bundeswehr en van hun gezinsleden die op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden zijn overleden, in ontvangst te nemen en daarover te beschikken, alsmede de lijkschouwingen te verrichten die uit medische overwegingen of met het oog op een strafrechtelijk onderzoek noodzakelijk zijn.

2.

Verzoeken van Nederlandse autoriteiten om lijkschouwingen te verrichten worden ingewilligd; in geval van medische overwegingen echter alleen indien lijkschouwing is toegelaten krachtens de Duitse wetgeving. Bij een lijkschouwing mag een door de Nederlandse autoriteiten aangewezen arts aanwezig zijn. In het geval van een lijkschouwing met het oog op een Nederlands strafrechtelijk onderzoek geldt deze bevoegdheid tevens voor een Nederlandse rechter of officier van justitie; diens aanwijzingen met betrekking tot de vereisten van het Nederlandse strafprocesrecht ter zake van lijkschouwingen worden in acht genomen.

3.

Ingeval een Nederlandse rechtbank of autoriteit bevoegd is een lijkschouwing te gelasten, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing, indien de bevoegde Duitse autoriteit belang heeft bij het resultaat van de lijkschouwing.

Artikel 12. Rechtsmacht in strafzaken

1.

Indien het, ter beantwoording van de vraag welke autoriteit bevoegd is tot het uitoefenen van rechtsmacht met betrekking tot een ten laste gelegd feit, noodzakelijk is vast te stellen of een feit strafbaar is volgens het Duitse recht, schorst de Nederlandse rechtbank of autoriteit die de zaak behandelt, de behandeling en doet daarvan mededeling aan de bevoegde Duitse autoriteit. De bevoegde Duitse autoriteit kan binnen eenentwintig dagen na ontvangst van de mededeling of, zolang die mededeling nog niet heeft plaatsgehad, te allen tijde aan de Nederlandse rechtbank of autoriteit een officiële verklaring overleggen betreffende de vraag of het feit volgens het Duitse recht al dan niet strafbaar is.

Indien de officiële verklaring het feit als „strafbaar naar Duits recht" aanmerkt, dient de verklaring tevens aan te geven op grond van welke bepaling het feit strafbaar is alsmede met welke straf dit feit bedreigd is.

2.

De Nederlandse rechtbank of autoriteit beslist in overeenstemming met de verklaring.

3.

Indien moet worden vastgesteld of een feit naar Nederlands recht strafbaar is, is de in het eerste en tweede lid voorgeschreven procedure van overeenkomstige toepassing met betrekking tot dat feit, met dien verstande dat in dat geval de officiële verklaring door het bevoegde Nederlandse Openbaar Ministerie wordt afgegeven.

Artikel 13. Strafbare feiten begaan in de uitoefening van de dienst

1.

Indien het in de loop van een strafproces tegen een lid van de Bundeswehr noodzakelijk is vast te stellen of een strafbaar feit is voortgevloeid uit een handelen of nalaten in de uitoefening van de dienst, is voor deze vaststelling het Duitse recht beslissend. De bevoegde Duitse autoriteit kan aan de Nederlandse rechtbank of autoriteit die met de behandeling van de zaak is belast, daaromtrent een officiële verklaring overleggen.

2.

De Nederlandse rechtbank of autoriteit beslist in overeenstemming met de verklaring.

Artikel 14. Afstand van uitoefening van Nederlandse rechtsmacht

1.

Het Koninkrijk der Nederlanden doet in het kader van artikel VII, derde lid, onder c, van het NAVO-Status Verdrag ten gunste van de Bondsrepubliek Duitsland afstand van het in het derde lid, onder b, van genoemd artikel aan de Nederlandse autoriteiten toekomende recht om in gevallen van samenloop van rechtsmacht bij voorrang rechtsmacht uit te oefenen, en wel overeenkomstig de volgende leden.

2.

Het Koninkrijk der Nederlanden stelt de bevoegde Duitse autoriteiten in kennis van iedere afzonderlijke zaak die onder de afstand van rechtsmacht als bedoeld in het eerste lid valt. Onverminderd andere kennisgevingsverplichtingen ingevolge het NAVO-Status Verdrag of deze Overeenkomst, stellen de bevoegde Duitse autoriteiten de bevoegde Nederlandse autoriteiten ervan in kennis wanneer zij voornemens zijn gebruik te maken van hun recht van voorrang bij de uitoefening van rechtsmacht, verleend ingevolge artikel VII, derde lid, onder a, van het NAVO-Status Verdrag, ten aanzien van afzonderlijke delicten die de wezenlijke belangen van de Nederlandse rechtspleging kunnen raken.

3.

Indien de bevoegde Nederlandse autoriteiten wegens de bijzondere omstandigheden in een afzonderlijk geval van oordeel zijn dat wezenlijke belangen van de Nederlandse rechtspleging de uitoefening van rechtsmacht door Nederlandse autoriteiten gebieden, kunnen zij de afstand van rechtsmacht, gedaan ingevolge het eerste lid van dit artikel, herroepen door een officiële verklaring die zij aan de bevoegde Duitse autoriteiten overleggen binnen eenentwintig dagen na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in het tweede lid van dit artikel. De Nederlandse autoriteiten kunnen deze verklaring ook vóór de ontvangst van bedoelde kennisgeving afgeven.

5.

Indien een Nederlandse rechtbank of autoriteit ingevolge artikel VII, tweede lid, onder b, van het NAVO-Status Verdrag bij uitsluiting rechtsmacht uitoefent over een lid van de Bundeswehr, wordt op speciaal of algemeen verzoek van de Bondsrepubliek Duitsland aan de autoriteiten van de Bundeswehr, met inachtneming van de respectieve nationale bepalingen inzake gegevensbescherming van de Overeenkomstsluitende Staten medegedeeld:

Het doorgeven van persoonsgegevens vindt uitsluitend plaats om de Bundeswehr in staat te stellen haar taken op het gebied van disciplinaire aangelegenheden en personeelszaken te vervullen.

Artikel 15. Aanhouding

1.

De autoriteiten van de Bundeswehr kunnen een persoon die niet aan de Duitse rechtsmacht onderworpen is, op Nederlands grondgebied, ook buiten het geval van ontdekking op heterdaad, aanhouden in de zin van artikel 54, vijfde lid, van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering,

2.

Indien er gevaar bestaat voor vertraging en het Nederlandse Openbaar Ministerie of een Nederlandse politiefunctionaris niet tijdig bereikbaar is, kunnen de autoriteiten van de Bundeswehr een persoon die niet aan hun rechtsmacht onderworpen is, op Nederlands grondgebied aanhouden in de zin van artikel 54, vijfde lid, van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering, indien ernstige verdenking bestaat dat die persoon een strafbaar feit heeft gepleegd of een strafbare poging doet tot het plegen van een strafbaar feit binnen, of gericht tegen, een inrichting van de Bundeswehr dan wel een feit dat strafbaar is op grond van het in artikel 98, 98a en 98c van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht bepaalde. Deze bepaling is slechts van toepassing, indien de betrokkene voortvluchtig is of zich verborgen houdt of indien gegronde reden bestaat om te vrezen dat hij zich aan strafvervolging ter zake van het plegen van een strafbaar feit of een strafbare poging daartoe als bovenbedoeld tracht te onttrekken.

3.

In de gevallen bedoeld in het eerste en tweede lid kunnen de autoriteiten van de Bundeswehr in het kader van hun overige bevoegdheden de aangehouden persoon visiteren en alle in zijn bezit zijnde voorwerpen in beslag nemen, bij wijze van veiligheidsmaatregel, dan wel voor de bewijsvoering in het onderzoek naar het strafbare feit waarvan hij wordt verdacht of beschuldigd.

4.

De autoriteiten van de Bundeswehr stellen de dichtstbijzijnde Nederlandse officier van justitie, politiefunctionaris of rechter onverwijld in kennis van een aanhouding zoals bedoeld in het tweede lid en geven een persoon die overeenkomstig dit artikel is aangehouden alsmede de in beslag genomen voorwerpen onverwijld over aan de dichtstbijzijnde Nederlandse officier van justitie, politiefunctionaris of rechter.

Artikel 16. Kennisgeving in geval van onderzoek of arrestatie

1.

Indien een Nederlandse autoriteit een onderzoek opent of een arrestatie verricht wegens een feit dat strafbaar is op grond van de in artikel 15, tweede lid, van deze Overeenkomst bedoelde bepalingen, stelt de Nederlandse autoriteit die het onderzoek leidt de bevoegde Duitse autoriteiten daarvan onverwijld in kennis. Hetzelfde geldt indien een Nederlandse autoriteit een onderzoek opent of een arrestatie verricht wegens een feit dat op andere wijze gericht is tegen de veiligheid van de Bondsrepubliek Duitsland of van de Bundeswehr.

2.

Indien de bevoegde Duitse autoriteit op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden een onderzoek opent of een arrestatie verricht wegens een feit dat op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden is gepleegd en de veiligheid van het Koninkrijk der Nederlanden raakt, stelt die autoriteit de bevoegde Nederlandse autoriteiten daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 17. Bewaring

3.

Indien de bewaring overeenkomstig het tweede lid van dit artikel bij de Duitse autoriteiten berust, blijft zij bij deze autoriteiten berusten tot de invrijheidstelling of vrijspraak door de Nederlandse autoriteiten, dan wel totdat de tenuitvoerlegging van het vonnis een aanvang neemt. De Duitse autoriteiten stellen de gearresteerde persoon ter beschikking van de Nederlandse autoriteiten voor het onderzoek en het strafproces en nemen daartoe alle passende maatregelen; zij nemen eveneens alle passende maatregelen om te voorkomen dat onderzoek en strafproces nadelig worden beïnvloed (Verdunkelungsgefahr). Zij houden volledig rekening met speciale verzoeken van bevoegde Nederlandse autoriteiten inzake bewaring.

Artikel 18. Aanwezigheid bij terechtzitting en opsporingshandelingen

2.

Onder de voorwaarden, omschreven in het eerste lid, heeft een Duitse respectievelijk een Nederlandse vertegenwoordiger ook het recht de verhoren en andere opsporingshandelingen bij te wonen, voor zover dit tussen de Duitse autoriteiten en die van het Koninkrijk der Nederlanden eventueel wordt overeengekomen.

Artikel 19. Bevoegdheden van de militaire politie (Feldjäger)

1.

In overeenstemming met de bepalingen van artikel 36, eerste lid en onverminderd de bepalingen van artikel VII, tiende lid, onder a, van het NAVO-Status Verdrag, is de Nederlandse politie, met inbegrip van de Koninklijke Marechaussee, bevoegd haar taken te verrichten in onroerende goederen die voor uitsluitend gebruik ter beschikking zijn gesteld aan de Bundeswehr, voor zover de openbare orde en veiligheid van het Koninkrijk der Nederlanden worden bedreigd of geschaad. Indien in zodanige onroerende goederen een strafrechtelijke vervolgingsmaatregel ten uitvoer moet worden gelegd, kan de Bondsrepubliek Duitsland na overleg met de Nederlandse autoriteiten over de modaliteiten, deze maatregel ook ten uitvoer doen leggen door haar eigen politie. In dat geval wordt de maatregel onverwijld ten uitvoer gelegd en, indien zulks van Nederlandse zijde wordt verlangd, in tegenwoordigheid van vertegenwoordigers van de Nederlandse autoriteiten.

2.

De militaire politie (Feldjäger) van de Bundeswehr is bevoegd te patrouilleren op openbare wegen, in openbare vervoermiddelen, in restaurants en in alle andere voor het publiek toegankelijke plaatsen ten einde de noodzakelijke maatregelen voor de handhaving van orde en tucht ten aanzien van militairen van de Bundeswehr te treffen. De bijzonderheden inzake de uitoefening van dit recht worden in overleg vastgesteld tussen de Nederlandse autoriteiten en de autoriteiten van de Bundeswehr, die terzake wederkerig nauw contact zullen onderhouden.

3.

Indien de openbare orde en veiligheid in gevaar worden gebracht of verstoord door een incident waarbij militairen van de Bundeswehr zijn betrokken, neemt de militaire politie (Feldjäger) van de Bundeswehr op verzoek van de Nederlandse autoriteiten ten aanzien van deze personen de vereiste maatregelen om de orde en tucht te handhaven of te herstellen.

Artikel 20. Veiligheid van de strijdkrachten

1.

Het Koninkrijk der Nederlanden neemt die wettelijke maatregelen die het noodzakelijk acht om op zijn grondgebied de veiligheid en de bescherming te verzekeren van de Bundeswehr en haar leden.

2.

Ter uitvoering van artikel VII, elfde lid, van het NAVO-Status Verdrag en van het eerste lid van dit artikel garandeert het Koninkrijk der Nederlanden dezelfde strafrechtelijke bescherming voor de Bundeswehr en haar leden als die welke het Nederlandse leger en zijn leden genieten.

Artikel 21. Niet bijwonen niet-strafrechtelijke procedures

Indien leden van de Bundeswehr en gezinsleden tijdelijk verhinderd zijn een niet-strafrechtelijke procedure waarbij zij partij zijn bij te wonen en indien de bevoegde Nederlandse rechtbank of autoriteit hiervan zonder verwijtbare vertraging in kennis wordt gesteld, wordt daarmede naar behoren rekening gehouden, opdat zij hiervan rechtens geen nadeel ondervinden.

Artikel 22. Ondersteuning bij tenuitvoerlegging

1.

De autoriteiten van de Bundeswehr werken naar vermogen mede aan de tenuitvoerlegging van in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraken en andere executoriale titels (vollstreckbarer Titel) van Nederlandse rechtbanken en autoriteiten in niet-strafrechtelijke procedures.

3.

De bedragen verschuldigd door de Bondsrepubliek Duitsland aan een lid van de Bundeswehr zijn in zoverre onderworpen aan beslag of een andere vorm van executie op last van een Nederlandse rechtbank of autoriteit als door de Duitse wetgeving is toegestaan. De in het eerste lid bedoelde medewerking omvat ook het verstrekken van inlichtingen omtrent de mogelijkheid van executie op reeds uitgekeerde inkomsten.

4.

Wanneer de tenuitvoerlegging op grond van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak of andere executoriale titel van een Nederlandse rechtbank of autoriteit in een niet-strafrechtelijke procedure dient plaats te vinden in een inrichting van de Bundeswehr, wordt deze tenuitvoerlegging door een Nederlandse deurwaarder uitgevoerd in tegenwoordigheid van een vertegenwoordiger van de Bundeswehr.

Artikel 23. Tenuitvoerlegging bij vorderingen

Indien een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak of een andere executoriale titel van een Nederlandse rechtbank of autoriteit moet worden ten uitvoer gelegd tegen een schuldenaar aan wie een bedrag verschuldigd is, hetzij uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij de Bundeswehr overeenkomstig artikel 40, hetzij uit hoofde van rechtstreekse leveranties of diensten aan de Bundeswehr, gelden de volgende bepalingen:

Artikel 24. Betekening

1.

De betekening van documenten aan leden van de Bundeswehr of aan gezinsleden door middel van openbare kennisgeving dient tevens te geschieden door middel van bekendmaking van een uittreksel van het te betekenen document in de Duitse taal in een door de Bondsrepubliek Duitsland te noemen publicatieblad.

2.

Indien de betekening van een document door een Nederlandse deurwaarder moet geschieden aan een persoon die zich binnen een inrichting van de Bundeswehr bevindt, neemt de autoriteit van de Bundeswehr die verantwoordelijk is voor het beheer van de inrichting alle maatregelen die noodzakelijk zijn om de Nederlandse deurwaarder in staat te stellen de betekening te verrichten.

Artikel 25. Dagvaarding

Indien een lid van de Bundeswehr of een gezinslid wordt gedagvaard voor een Nederlandse rechtbank of autoriteit, nemen de autoriteiten van de Bundeswehr, tenzij militaire noodzaak zich hiertegen verzet, alle onder hun bevoegdheid vallende maatregelen om ervoor te zorgen dat de betrokkene verschijnt, mits de verschijning ingevolge de Nederlandse wetgeving verplicht is.

Artikel 26. Geheimhouding bij verhoren

1.

Indien in de loop van een al dan niet strafrechtelijke procedure of een verhoor voor een rechtbank of een autoriteit van de Bondsrepubliek Duitsland of van het Koninkrijk der Nederlanden blijkt dat een staatsgeheim van één van beide Staten of van beide, of een inlichting die de veiligheid van één van beide Staten of van beide zou kunnen schaden, openbaar gemaakt zou kunnen worden, verzoekt de rechtbank of autoriteit de bevoegde autoriteit om schriftelijk haar toestemming te geven tot het openbaar maken van het staatsgeheim of de inlichting. Indien de bevoegde autoriteit bezwaar heeft tegen de openbaarmaking, neemt de rechtbank of autoriteit alle haar ter beschikking staande maatregelen, met inbegrip van die bedoeld in het tweede lid, om de openbaarmaking te voorkomen, mits daardoor geen inbreuk wordt gemaakt op de grondwettelijke rechten van één der Overeenkomstsluitende Staten.

2.

De Nederlandse bepalingen aangaande behandeling met gesloten deuren in al dan niet strafrechtelijke procedures zijn van overeenkomstige toepassing in zaken voor Nederlandse rechtbanken en autoriteiten, indien de veiligheid van de Bundeswehr in gevaar dreigt te worden gebracht.

Artikel 27. Getuigen en deskundigen

De rechten en voorrechten van getuigen, slachtoffers en deskundigen worden bepaald door de wetgeving van de rechtbank of autoriteit waarvoor zij verschijnen. Indien getuigen, slachtoffers of deskundigen lid van de Bundeswehr of gezinslid zijn, houdt de rechtbank of autoriteit naar behoren rekening met de rechten en voorrechten die zij zouden hebben voor een Duitse rechtbank, of, indien zij niet tot deze categorieën behoren, voor een Nederlandse rechtbank.

Artikel 28. Veiligheid van dienstpostzendingen

Voor zover in enige bepaling van het NAVO-Status Verdrag of van deze Overeenkomst niet het tegendeel is bepaald, zijn archieven, documenten, als zodanig herkenbare dienstpostzendingen en eigendommen van de Bundeswehr niet vatbaar voor onderzoek, inbeslagneming of censuur door de Nederlandse autoriteiten, tenzij van die immuniteit afstand wordt gedaan.

Artikel 29. Aansprakelijkheid

1.

De regeling van vorderingen terzake van schade veroorzaakt door een handelen of nalaten van de Bundeswehr en haar leden of door andere voorvallen waarvoor de Bundeswehr aansprakelijk is, wordt beheerst door de bepalingen van artikel VIII van het NAVO-Status Verdrag en de aanvullende bepalingen van dit artikel.

2.

Geen schadeloosstelling wordt betaald in geval van schade aan openbare wegen, bruggen, bevaarbare waterwegen en andere openbare verkeerswerken, voortvloeiende uit het gebruik daarvan door de Bundeswehr voor normale verkeersdoeleinden.

4.

De Bondsrepubliek Duitsland doet afstand van al haar vorderingen op het Koninkrijk der Nederlanden ter zake van verlies van of schade aan eigendommen van de Bondsrepubliek Duitsland veroorzaakt door leden of werknemers van de Nederlandse strijdkrachten in de uitoefening van hun dienst of door het gebruik van voertuigen, vaartuigen of luchtvaartuigen van de Nederlandse strijdkrachten, mits die eigendommen door de Bundeswehr worden gebruikt en zij zich in het Koninkrijk der Nederlanden bevinden. Deze afstand is niet van toepassing op schade die opzettelijk of door grove nalatigheid is veroorzaakt.

5.

De bepalingen van artikel VIII, vijfde lid, van het NAVO-Status Verdrag en van dit artikel zijn niet van toepassing op schade, geleden door leden van de Bundeswehr en veroorzaakt door een handelen of nalaten van andere leden van de Bundeswehr of door andere voorvallen waarvoor de Bundeswehr aansprakelijk is.

6.

De aansprakelijkheid van de Bundeswehr wordt niet beïnvloed door de omstandigheid dat zij onttrokken is aan de Nederlandse voorschriften. Indien de Nederlandse strijdkrachten dezelfde vrijstellingen genieten, behoeft alleen schadeloosstelling te worden betaald indien en voor zover schadeloosstelling dient te worden betaald voor schade veroorzaakt door de Nederlandse strijdkrachten.

10.

Ter regeling van de tussen de Nederlandse autoriteiten en de autoriteiten van de Bundeswehr te volgen procedure bij de afwikkeling van schadevorderingen worden administratieve overeenkomsten gesloten.

Artikel 30. Manoeuvres en andere oefeningen

1.

Voor zover de Bundeswehr haar oefenprogramma niet kan uitoefenen op de haar voor uitsluitend gebruik of medegebruik ter beschikking gestelde onroerende goederen, zonder aan de oefeningsdoeleinden afbreuk te doen, heeft de Bundeswehr op grond van dit artikel het recht, onder voorbehoud van toestemming van de Nederlandse minister van Defensie, buiten deze onroerende goederen manoeuvres en andere oefeningen uit te voeren in de mate die nodig is ter vervulling van haar taak. De beslissing van de Nederlandse minister van Defensie wordt genomen nadat naar behoren rekening is gehouden met alle aspecten die voortvloeien uit multilaterale of bilaterale overeenkomsten waarbij het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland partij zijn, met inbegrip van de door de Geallieerde Opperbevelhebber in Europa of andere autoriteiten van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie of de bevoegde Europese autoriteiten vastgestelde oefeningseisen. Voor het uitvoeren van of de deelneming aan manoeuvres of andere oefeningen in overeenstemming met dit artikel door onderdelen van de krijgsmacht die voor dit doel naar het Koninkrijk der Nederlanden komen, is de toestemming van de bevoegde Nederlandse autoriteiten vereist. De procedures voor kennisgeving, coördinering en goedkeuring van manoeuvres en andere oefeningen worden geregeld in een afzonderlijke overeenkomst.

2.

Op het uitvoeren van manoeuvres en andere oefeningen in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel zijn de desbetreffende bepalingen van de Nederlandse wetgeving van toepassing. Op verzoek van de autoriteiten van de Bundeswehr verstrekken de Nederlandse militaire autoriteiten informatie over deze bepalingen of doen zij deze verstrekken. De bevoegde Nederlandse autoriteiten voeren tijdig besprekingen met de autoriteiten van de Bondsrepubliek Duitsland over verwachte fundamentele wijzigingen in Nederlandse wettelijke bepalingen die wezenlijk afbreuk kunnen doen aan het uitvoeren van manoeuvres en andere oefeningen.

Artikel 31. Manoeuvres en andere oefeningen in het luchtruim

1.

De Bundeswehr heeft op grond van dit artikel het recht, onder voorbehoud van toestemming van de bevoegde Nederlandse autoriteiten, in het luchtruim van het Koninkrijk der Nederlanden manoeuvres en andere oefeningen uit te voeren in de mate die nodig is ter vervulling van haar taak. De beslissing van de bevoegde Nederlandse autoriteiten wordt genomen nadat naar behoren rekening is gehouden met alle aspecten die voortvloeien uit multilaterale of bilaterale overeenkomsten waarbij het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland partij zijn, met inbegrip van de door de Geallieerde Opperbevelhebber in Europa en andere autoriteiten van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie of de bevoegde Europese autoriteiten vastgestelde opleidingseisen.

2.

Op het uitvoeren van manoeuvres en andere oefeningen in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel zijn de Nederlandse voorschriften inzake het binnenvliegen en het gebruik van het Nederlandse luchtruim en inzake het gebruik van luchtvaartinstallaties en -inrichtingen van toepassing, alsmede de toepasselijke procedures betreffende kennisgeving, goedkeuring en coördinering als vervat in de desbetreffende wetten, voorschriften en bekendmakingen. De bevoegde Nederlandse autoriteiten voeren tijdig besprekingen met de autoriteiten van de Bondsrepubliek Duitsland over verwachte wijzigingen in Nederlandse voorschriften of administratieve bepalingen betreffende het binnenvliegen en het gebruik van het Nederlandse luchtruim en het gebruik van luchtvaartinstallaties en -inrichtingen. De Overeenkomstsluitende Staten wenden zich tot de op dit terrein bevoegde organisaties om die wijzigingen te bespreken.

3.

De bepalingen van artikel 30 zijn zowel van toepassing op landingen buiten de luchtvaartterreinen als op parachutesprongen of het afwerpen van voorwerpen per parachute op terreinen die niet voor permanent gebruik ter beschikking van de Bundeswehr zijn gesteld.

4.

Nederlandse voorschriften inzake het binnenvliegen en het gebruik van het Nederlandse luchtruim en het gebruik van luchtvaartinstallaties en -inrichtingen, alsmede de toepasselijke procedures betreffende kennisgeving, goedkeuring en coördinatie als vervat in de desbetreffende wetten, voorschriften en bekendmakingen omvatten mede de wetgeving inzake het luchtverkeer in de dan van kracht zijnde versie, en de uit hoofde daarvan uitgevaardigde voorschriften, civiele en militaire administratieve regels, alsook relevante procedures en nationale voorschriften als bekendgemaakt in het AFCENT LOW FLYING HANDBOOK of latere publicaties. Naast de bepalingen van dit artikel zijn overeenkomsten – en eventuele toekomstige wijzigingen daarop – inzake het uitvoeren van manoeuvres en andere oefeningen in het Nederlandse luchtruim die het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland hebben gesloten of zullen sluiten van toepassing, totdat deze worden vervangen of opgezegd.

5.

De in het tweede lid van dit artikel genoemde bevoegde organisaties omvatten mede de AFCENT LOW FLYING WORKING GROUP of een organisatie waardoor deze wordt opgevolgd.

Artikel 32. Levering van goederen en diensten

1.

Ter zake van de levering van goederen en diensten doet het Koninkrijk der Nederlanden de Bundeswehr een behandeling ten deel vallen die niet minder gunstig is dan die welke de Nederlandse strijdkrachten ontvangen.

2.

Met het oog op de maatregelen die eventueel ingevolge het bepaalde in artikel IX, tweede lid, tweede volzin, van het NAVO-Status Verdrag noodzakelijk blijken, delen de autoriteiten van de Bundeswehr aan de Nederlandse autoriteiten – indien deze hierom verzoeken – hun behoeften op bepaalde gebieden van bevoorrading mede.

3.

De Bundeswehr kan zich de goederen en diensten die zij nodig heeft hetzij rechtstreeks, hetzij – na voorafgaande afspraak – door bemiddeling van de bevoegde Nederlandse autoriteiten verschaffen. De uitvoering van vervoersdiensten is geregeld in artikel 41.

4.

Indien de autoriteiten van de Bundeswehr zich rechtstreeks goederen en diensten verschaffen,

5.

Indien de autoriteiten van de Bundeswehr zich goederen en diensten verschaffen door bemiddeling van de Nederlandse autoriteiten,

Artikel 33. Behoefte aan onroerende goederen

2.

Met betrekking tot de overeenkomstig het eerste lid aan de Bundeswehr ter beschikking te stellen onroerende goederen worden speciale schriftelijke overeenkomsten gesloten; deze overeenkomsten bevatten gegevens betreffende de omvang, de aard, de plaats, de toestand en de inventaris van de onroerende goederen, alsmede de bijzonderheden betreffende het gebruik ervan. De onroerende goederen worden uitsluitend aan de Bundeswehr voor legering en gebruik ter beschikking gesteld, voor zover niet anders is overeengekomen tussen de Nederlandse autoriteiten en de autoriteiten van de Bundeswehr.

3.

De Bundeswehr is verantwoordelijk voor de uitvoering van de herstel- en onderhoudswerkzaamheden die nodig zijn om de ter beschikking gestelde onroerende goederen in goede staat van onderhoud te houden, tenzij met betrekking tot de tegen betaling ter beschikking gestelde onroerende goederen in de overeenkomsten gesloten ingevolge het tweede lid anders is bepaald.

4.

De volgende bepalingen zijn van toepassing op de teruggave van onroerende goederen door de Bundeswehr:

Artikel 34. Bouwwerkzaamheden

1.

De programma's betreffende de bouwplannen die noodzakelijk zijn om in de behoeften van de Bundeswehr te voorzien, worden door de autoriteiten van de Bundeswehr toegezonden aan de bevoegde Nederlandse autoriteiten.

2.

De bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd door de bevoegde Nederlandse autoriteiten overeenkomstig de geldende Nederlandse wettelijke bepalingen en administratieve voorschriften en overeenkomstig bijzondere administratieve overeenkomsten. In voorkomend geval worden bij de uitvoering van deze bouwwerkzaamheden op verzoek Duitse bouwvoorschriften in acht genomen, voor zover deze op het gebied van de openbare orde en veiligheid hogere eisen stellen dan de Nederlandse voorschriften.

3.

Indien de in het tweede lid van dit artikel bedoelde werkzaamheden ten behoeve van de Bundeswehr worden uitgevoerd door de Nederlandse autoriteiten,

Artikel 35. Vergoeding van de restwaarde

1.

Indien de Bondsrepubliek Duitsland voornemens is onroerende goederen of andere vermogensbestanddelen die rechtens eigendom zijn van het Koninkrijk der Nederlanden en die de Bundeswehr ter beschikking zijn gesteld, geheel of gedeeltelijk terug te geven, wordt overeenstemming bereikt tussen de autoriteiten van de Bundeswehr en de Nederlandse autoriteiten met betrekking tot de eventuele op het tijdstip van teruggave bestaande restwaarde van verbeteringen die de Bondsrepubliek Duitsland ten laste van eigen fondsen heeft aangebracht. Het Koninkrijk der Nederlanden betaalt de overeengekomen restwaarde aan de Bondsrepubliek Duitsland terug. Het gestelde in de eerste en tweede volzin is eveneens van toepassing op uitrusting en voorraden die de Bondsrepubliek Duitsland uit eigen middelen heeft aangeschaft en die ingevolge overeenkomst bij deze onroerende goederen moeten achterblijven.

2.

Betaling ingevolge het eerste lid wordt niet verricht voor zover ingevolge artikel 29 schadevergoeding voor schade door de Bondsrepubliek Duitsland toegebracht aan onroerende goederen of andere vermogensbestanddelen moet worden betaald of zou moeten worden betaald, indien geen afstand van de vordering tot schadevergoeding was gedaan dan wel indien de Bondsrepubliek Duitsland niet van haar aansprakelijkheid voor zodanige vorderingen ingevolge genoemd artikel was bevrijd.

3.

De Bondsrepubliek is niet verplicht aangebrachte verbeteringen, uitrustingsgoederen of voorraden van onroerende goederen of andere vermogensbestanddelen, die rechtens eigendom zijn van het Koninkrijk der Nederlanden, te verwijderen.

4.

Bij het bereiken van overeenstemming over de restwaarde gaan de Nederlandse autoriteiten uit van het militaire of economische nut dat de achtergelaten verbeteringen, uitrustingsgoederen of voorraden voor henzelf hebben, of van de eventuele nettoopbrengst van de verkoop.

Artikel 36. Maatregelen binnen onroerende goederen

1.

De Bundeswehr kan binnen de haar voor uitsluitend gebruik ter beschikking gestelde onroerende goederen ten behoeve van een genoegzame vervulling van haar verdedigingsverplichtingen alle noodzakelijke maatregelen nemen. Op het gebruik van die onroerende goederen is het Nederlandse recht van toepassing, tenzij in deze Overeenkomst en in andere internationale overeenkomsten anders is bepaald en voor zover het niet de organisatie, het interne functioneren en de leiding van de Bundeswehr, haar leden en hun gezinsleden en andere interne aangelegenheden die geen voorzienbare gevolgen hebben voor rechten van derden, naburige gemeenschappen of het algemeen belang, betreft. De bevoegde Nederlandse autoriteiten en de autoriteiten van de Bundeswehr plegen overleg en werken samen om eventuele verschillen van mening bij te leggen.

2.

De eerste volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op maatregelen met betrekking tot het luchtruim boven de onroerende goederen, mits de maatregelen die het luchtverkeer zouden kunnen hinderen slechts worden genomen in overleg met de Nederlandse autoriteiten.

3.

Het gebruik van militaire oefenterreinen, lokale militaire oefenterreinen en schietbanen door onderdelen van de strijdkrachten die voor oefen- en opleidingsdoeleinden naar het Koninkrijk der Nederlanden zijn overgebracht, dient vooraf te worden aangekondigd ter goedkeuring door de bevoegde Nederlandse autoriteiten. Het gebruik wordt geacht te zijn goedgekeurd indien de Nederlandse autoriteiten daartegen geen bezwaar maken binnen 45 dagen na de ontvangst van de aankondiging.

4.

Bijzonderheden betreffende het gebruik van militaire oefenterreinen, luchtverdedigingsterreinen, lokale militaire oefenterreinen en schietbanen, alsmede de in het derde lid bedoelde aankondiging en goedkeuring, worden geregeld in administratieve overeenkomsten.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)