Europees Verdrag inzake nationaliteit
Preambule
De Lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die dit Verdrag hebben ondertekend,
Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden;
Indachtig de talrijke internationale akten met betrekking tot nationaliteit, meervoudige nationaliteit en staatloosheid;
Erkennende dat, in aangelegenheden betreffende nationaliteit, zowel met de legitieme belangen van Staten als met die van individuele personen rekening moet worden gehouden;
Geleid door de wens de gestage ontwikkeling te bevorderen van juridische beginselen inzake nationaliteit, alsmede de aanneming daarvan in de nationale wetgeving en geleid door de wens, voor zover mogelijk, gevallen van staatloosheid te voorkomen;
Geleid door de wens discriminatie in aangelegenheden betreffende nationaliteit te voorkomen;
Zich bewust van het recht op respect voor het familie- en gezinsleven, bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden;
Gelet op de uiteenlopende benadering van de Staten van het vraagstuk van de meervoudige nationaliteit en erkennende dat elke Staat vrij is te beslissen welke gevolgen hij in zijn nationale wetgeving hecht aan het feit dat een onderdaan een andere nationaliteit verkrijgt of bezit;
Overeenstemming bereikt hebbende over de wenselijkheid dat er passende oplossingen worden gevonden voor de gevolgen van meervoudige nationaliteit en in het bijzonder inzake de rechten en plichten van onderdanen met meervoudige nationaliteit;
Overwegende dat het wenselijk is dat personen die de nationaliteit bezitten van twee of meer Staten die Partij zijn, hun militaire dienstplicht slechts ten aanzien van een van die Partijen hoeven te vervullen;
Overwegende de noodzaak de internationale samenwerking tussen de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor nationaliteitsaangelegenheden te bevorderen,
Zijn het volgende overeengekomen:
HOOFDSTUK I. ALGEMEEN
Artikel 1. Onderwerp van het Verdrag
In dit Verdrag worden beginselen en regels vastgelegd inzake de nationaliteit van natuurlijke personen, alsmede regels inzake de militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit, waarmee de nationale wetgeving van de Staten die Partij zijn in overeenstemming moet zijn.
Artikel 2. Definities
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a. „nationaliteit”: de juridische band tussen een persoon en een Staat; deze term verwijst niet naar de etnische afkomst van de persoon;
- b. „meervoudige nationaliteit”: het gelijktijdig bezitten van twee of meer nationaliteiten door dezelfde persoon;
- c. „kind”: elke persoon beneden de leeftijd van achttien jaar, tenzij de meerderjarigheid krachtens het op het kind van toepassing zijnde recht eerder wordt bereikt;
- d. „nationaal recht”: alle soorten bepalingen van het nationale rechtssysteem met inbegrip van de constitutie, wetgeving, voorschriften, besluiten, jurisprudentie, gewoonterecht en gebruikelijke handelwijzen, alsmede regels die voortvloeien uit bindende internationale akten.
HOOFDSTUK II. ALGEMENE BEGINSELEN INZAKE NATIONALITEIT
Artikel 3. Bevoegdheid van de Staat
Elke Staat bepaalt ingevolge zijn eigen wetgeving wie zijn onderdanen zijn.
Deze wetgeving wordt door andere Staten geaccepteerd voor zover zij overeenstemt met toepasselijke internationale verdragen, internationaal gewoonterecht en de rechtsbeginselen die in het algemeen inzake nationaliteit worden erkend.
Artikel 4. Beginselen
De regels inzake nationaliteit van elke Staat die Partij is, moeten zijn gebaseerd op de volgende beginselen:
- a. iedereen heeft recht op een nationaliteit;
- b. staatloosheid dient te worden vermeden;
- c. aan niemand mag willekeurig zijn of haar nationaliteit worden ontnomen;
- d. noch een huwelijk noch de ontbinding van een huwelijk tussen een onderdaan van een Staat die Partij is en een vreemdeling, noch de wijziging van nationaliteit door een van de echtgenoten tijdens het huwelijk tast automatisch de nationaliteit van de andere echtgenoot aan.
Artikel 5. Non-discriminatie
De regels van een Staat die Partij is, inzake nationaliteit mogen geen onderscheid bevatten of gebruiken inhouden die neerkomen op discriminatie op grond van geslacht, godsdienst, ras, kleur of nationale of etnische afkomst.
Elke Staat die Partij is, laat zich leiden door het beginsel van non-discriminatie tussen zijn onderdanen, ongeacht het feit of zij onderdaan door geboorte zijn of de nationaliteit van die Staat later hebben verkregen.
HOOFDSTUK III. REGELS INZAKE NATIONALITEIT
Artikel 6. Verkrijging van de nationaliteit
Elke Staat die Partij is, regelt in zijn nationale wetgeving dat zijn nationaliteit van rechtswege kan worden verkregen door de volgende personen:
- a. kinderen van welke een van de ouders op het tijdstip van de geboorte van die kinderen de nationaliteit van die Staat die Partij is, bezit, behoudens eventuele uitzonderingen die in de nationale wetgeving zijn voorzien voor in het buitenland geboren kinderen. Ten aanzien van kinderen met betrekking tot welke het ouderschap is vastgesteld door erkenning, rechterlijke uitspraak of soortgelijke procedures kan elke Staat die Partij is bepalen dat het kind zijn nationaliteit verkrijgt overeenkomstig de in zijn nationale wetgeving vastgelegde procedure;
- b. vondelingen die op zijn grondgebied zijn gevonden en die anders staatloos zouden zijn.
Elke Staat die Partij is, regelt in zijn nationale wetgeving dat zijn nationaliteit kan worden verkregen door kinderen die op zijn grondgebied worden geboren en die bij de geboorte geen andere nationaliteit verkrijgen. Deze nationaliteit wordt verleend:
- a. bij de geboorte van rechtswege; of
- b. daarna, aan kinderen die staatloos zijn gebleven, op verzoek door of namens het desbetreffende kind, in te dienen bij de daarvoor in aanmerking komende autoriteit, op de in de nationale wetgeving van de Staat die Partij is, voorgeschreven wijze. Aan dit verzoek kan de voorwaarde gesteld worden van een wettig en gewoon verblijf op zijn grondgebied van niet meer dan vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek.
Elke Staat die Partij is, voorziet in zijn nationale wetgeving in de mogelijkheid van naturalisatie van personen die hun wettige en gewone verblijf op zijn grondgebied hebben. Bij het bepalen van de voorwaarden voor naturalisatie voorziet hij niet in een periode van verblijf langer dan tien jaar voorafgaande aan de indiening van het verzoek.
Elke Staat die Partij is, vergemakkelijkt in zijn nationale wetgeving de verkrijging van zijn nationaliteit voor de volgende personen:
- a. echtgenoten van zijn onderdanen;
- b. kinderen van een van zijn onderdanen waarop de uitzondering van artikel 6, eerste lid, letter a, van toepassing is;
- c. kinderen waarvan een van de ouders zijn nationaliteit verkrijgt of heeft verkregen;
- d. kinderen die door een van zijn onderdanen zijn geadopteerd;
- e. personen die op zijn grondgebied zijn geboren en daar wettig en gewoonlijk verblijven;
- f. personen die hun wettige en gewone verblijf hebben op zijn grondgebied gedurende een periode die aanvangt voor de leeftijd van 18 jaar, welke periode wordt vastgesteld door de nationale wetgeving van de betrokken Staat die Partij is;
- g. staatloze personen en erkende vluchtelingen die hun wettige en gewone verblijf hebben op zijn grondgebied.
Artikel 7. Verlies van nationaliteit van rechtswege of op initiatief van een Staat die Partij is
Een Staat die Partij is, mag in zijn nationale wetgeving niet voorzien in het verlies van zijn nationaliteit van rechtswege of op initiatief van de Staat die Partij is, behoudens in de volgende gevallen:
- a. vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit;
- b. verkrijging van de nationaliteit van de Staat die Partij is, door middel van aan de aanvrager toe te schrijven bedrieglijk gedrag, valse informatie of verzwijging van enig relevant feit;
- c. het vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden;
- d. gedrag dat de essentiële belangen van de Staat die Partij is, ernstig schaadt;
- e. het ontbreken van een effectieve band tussen de Staat die Partij is, en een onderdaan die zijn gewone verblijf in het buitenland heeft;
- f. wanneer tijdens de minderjarigheid van een kind wordt vastgesteld dat niet meer wordt voldaan aan de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden die hebben geleid tot de verkrijging van rechtswege van de nationaliteit van de Staat die Partij is;
- g. adoptie van een kind indien het kind de buitenlandse nationaliteit van een of beide adoptiefouders verkrijgt of bezit.
Een Staat die Partij is, kan voorzien in het verlies van zijn nationaliteit door kinderen wier ouders die nationaliteit verliezen, behoudens in gevallen als bedoeld in letters c en d van het eerste lid. De kinderen verliezen die nationaliteit echter niet indien een van beide ouders deze behoudt.
Een Staat die Partij is, mag in zijn nationale wetgeving niet voorzien in het verlies van zijn nationaliteit ingevolge het eerste en tweede lid van dit artikel indien de betrokken persoon daardoor staatloos zou worden, behoudens in de gevallen genoemd in het eerste lid, letter b, van dit artikel.
Artikel 8. Verlies van de nationaliteit op initiatief van het individu
Elke Staat die Partij is, staat toe dat personen afstand doen van zijn nationaliteit, mits zij daardoor niet staatloos worden.
Een Staat die Partij is, kan in zijn nationale wetgeving echter bepalen dat uitsluitend onderdanen die hun gewone verblijf in het buitenland hebben, afstand mogen doen.
Artikel 9. Herverkrijging van de nationaliteit
Elke Staat die Partij is, vergemakkelijkt, in de gevallen en onder de voorwaarden voorzien in zijn nationale wetgeving, het herverkrijgen van zijn nationaliteit door voormalige onderdanen die hun wettige en gewone verblijf op zijn grondgebied hebben.
HOOFDSTUK IV. PROCEDURES INZAKE NATIONALITEIT
Artikel 10. Behandeling van aanvragen
Elke Staat die Partij is, zorgt dat aanvragen inzake de verkrijging, het behoud, het verlies, de herverkrijging of om een verklaring van zijn nationaliteit binnen een redelijk tijdsbestek worden behandeld.
Artikel 11. Besluiten
Elke Staat die Partij is, zorgt ervoor dat besluiten inzake de verkrijging, het behoud, het verlies, de herverkrijging of een verklaring van zijn nationaliteit, schriftelijk met redenen zijn omkleed.
Artikel 12. Recht op toetsing
Elke Staat die Partij is, zorgt ervoor dat besluiten inzake de verkrijging, het behoud, het verlies, de herverkrijging of een verklaring van zijn nationaliteit openstaan voor een administratieve of rechterlijke toetsing conform zijn nationale wetgeving.
Artikel 13. Tarieven
Elke Staat die Partij is, zorgt ervoor dat de tarieven voor de verkrijging, het behoud, het verlies, de herverkrijging of een verklaring van zijn nationaliteit redelijk zijn.
Elke Staat die Partij is, zorgt ervoor dat de tarieven voor een administratieve of rechterlijke toetsing geen belemmering voor de aanvragers vormen.
HOOFDSTUK V. MEERVOUDIGE NATIONALITEIT
Artikel 14. Gevallen van meervoudige nationaliteit van rechtswege
Een Staat die Partij is, verleent toestemming aan:
- a. kinderen met verschillende nationaliteiten die zij automatisch bij hun geboorte hebben verkregen om deze nationaliteiten te behouden;
- b. zijn onderdanen om een andere nationaliteit te bezitten wanneer deze andere nationaliteit automatisch door huwelijk wordt verkregen.
Het behoud van de nationaliteiten genoemd in het eerste lid is onderworpen aan de desbetreffende bepalingen van artikel 7 van dit Verdrag.
Artikel 15. Andere mogelijke gevallen van meervoudige nationaliteit
De bepalingen van dit Verdrag leggen geen beperking op aan het recht van een Staat die Partij is, om in zijn nationale wetgeving vast te stellen of:
- a. zijn onderdanen die de nationaliteit van een andere Staat verkrijgen of bezitten, zijn nationaliteit behouden of verliezen;
- b. de verkrijging of het behoud van zijn nationaliteit onderworpen is aan het doen van afstand of het verlies van een andere nationaliteit.
Artikel 16. Behoud van de eerdere nationaliteit
Een Staat die Partij is, stelt het doen van afstand of het verlies van een andere nationaliteit niet als voorwaarde voor de verkrijging of het behoud van zijn nationaliteit, wanneer het doen van afstand of het verlies niet mogelijk is of niet in redelijkheid kan worden vereist.
Artikel 17. Rechten en plichten inzake meervoudige nationaliteit
Onderdanen van een Staat die Partij is, die in het bezit zijn van een andere nationaliteit, hebben, op het grondgebied van die Staat die Partij is en waarop zij verblijven, dezelfde rechten en plichten als andere onderdanen van die Staat die Partij is.
De bepalingen van dit hoofdstuk doen geen afbreuk aan:
- a. de regels van het internationaal recht inzake diplomatieke of consulaire bescherming door een Staat die Partij is, van een van zijn onderdanen die tegelijkertijd een andere nationaliteit bezit;
- b. de toepassing van de regels van het internationaal privaatrecht van elke Staat die Partij is, in gevallen van meervoudige nationaliteit.
HOOFDSTUK VI. STATENOPVOLGING EN NATIONALITEIT
Artikel 18. Beginselen
Bij nationaliteitsaangelegenheden in geval van statenopvolging respecteert elke betrokken Staat die Partij is, de beginselen van de voorrang van het recht, de regels inzake mensenrechten en de beginselen genoemd in artikel 4 en 5 van dit Verdrag en in het tweede lid van dit artikel, in het bijzonder om staatloosheid te voorkomen.
Bij beslissingen over het toekennen of het behoud van de nationaliteit in gevallen van statenopvolging houdt elke Staat die Partij is, met name rekening met:
- a. de daadwerkelijke en effectieve band van de betrokken persoon met de Staat;
- b. de gewone verblijfplaats van de betrokken persoon ten tijde van de statenopvolging;
- c. de wil van de betrokken persoon;
- d. de territoriale herkomst van de betrokken persoon.
Wanneer de verkrijging van de nationaliteit afhankelijk is van het verlies van een buitenlandse nationaliteit, zijn de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag van toepassing.
Artikel 19. Regeling bij internationaal verdrag
In geval van statenopvolging trachten de betrokken Staten die Partij zijn, de nationaliteitsaangelegenheden te regelen door middel van een onderling verdrag en, waar van toepassing, in hun betrekkingen met andere betrokken Staten. In deze verdragen worden de beginselen en regels die in dit hoofdstuk worden genoemd of waarnaar in dit hoofdstuk wordt verwezen, in acht genomen.
Artikel 20. Beginselen met betrekking tot niet-onderdanen
Elke Staat die Partij is, neemt de volgende beginselen in acht:
- a. de onderdanen van een voorgangerstaat die hun gewone verblijf hebben op het grondgebied waarvan de soevereiniteit overgaat op een opvolgerstaat en die niet de nationaliteit van laatstgenoemde staat hebben verkregen, hebben het recht om in die Staat te blijven;
- b. de in letter a bedoelde personen genieten dezelfde behandeling als de onderdanen van de opvolgerstaat wat de sociale en economische rechten betreft.
Elke Staat die Partij is, kan de in het eerste lid bedoelde personen uitsluiten van werk in overheidsdienst dat het uitoefenen van soevereine bevoegdheden met zich meebrengt.
HOOFDSTUK VII. MILITAIRE VERPLICHTINGEN IN GEVAL VAN MEERVOUDIGE NATIONALITEIT
Artikel 21. Nakoming van militaire verplichtingen
Personen die de nationaliteit van twee of meer Staten die Partij zijn, bezitten, behoeven hun militaire verplichtingen slechts ten opzichte van een van die Staten na te komen;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.