Verdrag van Tampere inzake de levering van telecommunicatievoorzieningen voor rampenmitigatie en noodhulpoperaties

Type Verdrag
Publication 2005-01-08
State In force
Source BWB
artikelen 17
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,

In het besef dat de omvang, de complexiteit, de frequentie en de gevolgen van rampen sterk toenemen en in ontwikkelingslanden buitengewoon ernstige consequenties hebben,

In herinnering brengend dat humanitaire hulpverleningsorganisaties betrouwbare en flexibele telecommunicatievoorzieningen nodig hebben voor de uitvoering van hun vitale taken,

Voorts in herinnering brengend de essentiële rol van telecommunicatievoorzieningen bij het faciliteren van de veiligheid van het personeel dat de humanitaire noodhulp en bijstand verleent,

Voorts in herinnering brengend de vitale rol van radio-uitzendingen bij het verspreiden van nauwkeurige informatie over rampen onder in gevaar verkerende bevolkingsgroepen,

Ervan overtuigd dat de doelmatige en tijdige inzet van telecommunicatievoorzieningen en de snelle en efficiënte uitwisseling van nauwkeurige en betrouwbare informatie van wezenlijk belang zijn om het verlies aan mensenlevens, het menselijk lijden en de schade aan eigendommen en leefomgeving als gevolg van rampen te beperken,

Bezorgd over de gevolgen van rampen voor communicatiefaciliteiten en informatiestromen,

Zich bewust van de bijzondere behoefte aan technische bijstand van de minst ontwikkelde, rampgevoelige landen, teneinde telecommunicatievoorzieningen te ontwikkelen voor rampenmitigatie en noodhulpoperaties,

Opnieuw bevestigend de absolute prioriteit die wordt toegekend aan levensreddende communicatie in noodsituaties in meer dan vijftig internationale regelgevende kaders, waaronder het Statuut van de Internationale Telecommunicatie Unie,

Gelet op de geschiedenis van de internationale samenwerking en coördinatie bij rampenmitigatie en noodhulp, met inbegrip van de aangetoonde levensreddende rol van de tijdige inzet en het gebruik van telecommunicatievoorzieningen,

Voorts gelet op het verslag van de Internationale Conferentie over communicatie bij rampen (Genève, 1990) betreffende de mogelijkheden van telecommunicatiesystemen bij de reactie op en het herstel na rampen,

Voorts gelet op de dringende roep in de Verklaring van Tampere inzake communicatie bij rampen (Tampere, 1991) om betrouwbare telecommunicatiesystemen voor rampenmitigatie en noodhulpoperaties, en om een internationaal verdrag inzake communicatie bij rampen teneinde deze systemen te bevorderen,

Voorts gelet op Resolutie 44/236 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, die het tijdvak 1990–2000 uitroept tot Internationaal Decennium voor de beperking van natuurrampen, en Resolutie 46/182, waarin wordt opgeroepen tot versterking van de coördinatie van humanitaire noodhulp,

Voorts gelet op de prominente rol die wordt toegekend aan communicatievoorzieningen in de strategie en het actieplan van Yokohama voor een veiliger wereld, aangenomen door de Wereldconferentie inzake het beperken van natuurrampen (Yokohama, 1994),

Voorts gelet op Resolutie 7 van de Wereldconferentie inzake de ontwikkeling van telecommunicatie (Buenos Aires, 1994), bekrachtigd bij Resolutie 36 van de Conferentie van gevolmachtigden van de Internationale Telecommunicatie Unie (Kyoto, 1994), die regeringen aanspoort alle praktische maatregelen te nemen om de snelle ingebruikneming en het doelmatige gebruik van telecommunicatie-apparatuur voor rampenmitigatie en noodhulpoperaties te vergemakkelijken door reglementaire belemmeringen te beperken en waar mogelijk weg te nemen en de samenwerking tussen Staten te intensiveren,

Voorts gelet op Resolutie 644 van de Wereld Radiocommunicatie Conferentie (Genève, 1997), die regeringen aanspoort de aanneming van dit Verdrag en de uitvoering ervan op nationaal niveau volledig te steunen,

Voorts gelet op Resolutie 19 van de Wereldconferentie inzake de ontwikkeling van telecommunicatie (Valletta, 1998), die regeringen aanspoort de bestudering van dit Verdrag voort te zetten teneinde te overwegen de aanneming ervan volledig te steunen,

Voorts gelet op Resolutie 51/94 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, die de ontwikkeling aanmoedigt van een transparante en tijdige procedure voor het instellen van doelmatige regelingen voor de coördinatie van noodhulp bij rampen, alsmede van ReliefWeb als het wereldwijde informatiesysteem voor het verspreiden van betrouwbare en tijdige informatie inzake noodsituaties en natuurgeweld,

Onder verwijzing naar de conclusies van de Werkgroep voor telecommunicatie in noodsituaties ten aanzien van de cruciale rol van telecommunicatie bij rampenmitigatie en noodhulp,

Ondersteund door het werk van vele Staten, organen van de Verenigde Naties, gouvernementele, intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties, humanitaire organisaties, aanbieders van telecommunicatie-apparatuur en telecommunicatiediensten, media, universiteiten en organisaties die actief zijn op het gebied van communicatie en rampen, om de communicatie bij rampen te verbeteren en te vergemakkelijken,

Geleid door de wens de betrouwbare en snelle beschikbaarheid van telecommunicatievoorzieningen voor rampenmitigatie en noodhulpoperaties te waarborgen, en

Voorts geleid door de wens internationale samenwerking te vergemakkelijken teneinde de gevolgen van rampen te beperken,

Zijn als volgt overeengekomen:

Artikel 1. Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit Verdrag hebben onderstaande termen, tenzij uit de context waarin zij worden gebruikt anderszins blijkt, de volgende betekenis:

Artikel 2. Coördinatie

1.

De Coördinator van de Verenigde Naties voor Rampenhulp is de uitvoerende coördinator voor dit Verdrag en kwijt zich van de verantwoordelijkheden van de uitvoerende coördinator als omschreven in de artikelen 3, 4, 6, 7, 8 en 9.

2.

De uitvoerende coördinator verzoekt om de medewerking van andere bevoegde organisaties van de Verenigde Naties, in het bijzonder de Internationale Telecommunicatie Unie, teneinde hem bij te staan bij het verwezenlijken van de doelstellingen van dit Verdrag en, in het bijzonder, van de verantwoordelijkheden als omschreven in de artikelen 8 en 9, en de nodige technische ondersteuning te verlenen die strookt met de doelstellingen van de desbetreffende organisaties.

3.

De verantwoordelijkheden van de uitvoerende coördinator ingevolge dit Verdrag beperken zich tot coördinerende activiteiten met een internationaal karakter.

Artikel 3. Algemene bepalingen

1.

De Staten die Partij zijn werken, in overeenstemming met het bepaalde in dit Verdrag, onderling en met organen anders dan Staten en intergouvernementele organisaties samen, teneinde het gebruik van telecommunicatievoorzieningen voor rampenmitigatie en noodhulp te vergemakkelijken.

2.

Dit gebruik omvat, doch is niet beperkt tot:

3.

Teneinde dit gebruik te vergemakkelijken, kunnen Staten die Partij zijn aanvullende multinationale of bilaterale verdragen of regelingen sluiten.

4.

De Staten die Partij zijn verzoeken de uitvoerende coördinator, in overleg met de Internationale Telecommunicatie Unie, de depositaris en andere betrokken organen van de Verenigde Naties en intergouvernementele en niet-gouvernementele organisaties alles in het werk te stellen, in overeenstemming met het bepaalde in dit Verdrag, teneinde:

5.

De Staten die Partij zijn werken onderling samen teneinde de mogelijkheden van gouvernementele organisaties, organen anders dan Staten en intergouvernementele organisaties te vergroten, opdat deze opleidingsstelsels kunnen opzetten voor de behandeling en de bediening van apparatuur, alsmede cursussen voor het ontwikkelen, ontwerpen en bouwen van noodtelecommunicatiefaciliteiten voor het voorkomen, volgen en mitigeren van rampen.

Artikel 4. Het verlenen van bijstand op het gebied van telecommunicatie

1.

Een Staat die Partij is die bijstand op het gebied van telecommunicatie voor rampenmitigatie en noodhulp behoeft, kan elk van de Staten die Partij zijn daarom verzoeken, hetzij rechtstreeks hetzij door tussenkomst van de uitvoerende coördinator. Indien het verzoek wordt gedaan door tussenkomst van de uitvoerende coördinator, verspreidt de uitvoerende coördinator deze informatie onmiddellijk onder alle andere betrokken Staten die Partij zijn. Indien het verzoek rechtstreeks aan een andere Staat die Partij is wordt gedaan, stelt de verzoekende Staat die Partij is de uitvoerende coördinator zo spoedig mogelijk hiervan in kennis.

2.

Een Staat die Partij is die om bijstand op het gebied van telecommunicatie verzoekt, omschrijft de reikwijdte en de aard van de benodigde bijstand en de ingevolge de artikelen 5 en 9 van dit Verdrag genomen maatregelen, en verschaft, indien mogelijk, de Staat die Partij is waaraan het verzoek is gericht en/of de uitvoerende coördinator alle overige informatie die noodzakelijk is om vast te stellen in hoeverre de betreffende Staat aan het verzoek kan voldoen.

3.

Elke Staat die Partij is waaraan hetzij rechtstreeks hetzij door tussenkomst van de uitvoerende coördinator een verzoek om bijstand op het gebied van telecommunicatie wordt gericht, besluit onverwijld of hij de bijstand waarom wordt verzocht, hetzij rechtstreeks hetzij anderszins, zal verlenen en bepaalt de reikwijdte en de eventueel aan de bijstand verbonden voorwaarden, beperkingen en kosten, en doet de verzoekende Staat die Partij is daarvan mededeling.

4.

Elke Staat die Partij is die besluit bijstand op het gebied van telecommunicatie te verlenen, stelt de uitvoerende coördinator zo spoedig mogelijk hiervan in kennis.

5.

Ingevolge dit Verdrag wordt geen bijstand op het gebied van telecommunicatie verleend zonder de instemming van de verzoekende Staat die Partij is. De verzoekende Staat die Partij is behoudt het recht de bijstand op het gebied van telecommunicatie die ingevolge dit Verdrag wordt aangeboden, geheel of gedeeltelijk te weigeren overeenkomstig de bestaande nationale wetgeving en het bestaande nationale beleid van de verzoekende Staat die Partij is.

6.

De Staten die Partij zijn erkennen het recht van verzoekende Staten die Partij zijn, organen anders dan Staten en intergouvernementele organisaties rechtstreeks te verzoeken om bijstand op het gebied van telecommunicatie, alsmede het recht van organen anders dan Staten en intergouvernementele organisaties, overeenkomstig de wetgeving waaraan zij zijn onderworpen, bijstand op het gebied van telecommunicatie te verlenen aan verzoekende Staten die Partij zijn op grond van dit artikel.

7.

Een orgaan anders dan een Staat of een intergouvernementele organisatie kan geen „verzoekende Staat die Partij is" zijn en kan niet verzoeken om bijstand op het gebied van telecommunicatie ingevolge dit Verdrag.

8.

Niets in dit Verdrag doet afbreuk aan het recht van een Staat die Partij is overeenkomstig zijn nationale wetgeving toezicht te houden op de overeenkomstig dit Verdrag op zijn grondgebied verleende bijstand op het gebied van telecommunicatie en deze te leiden, te controleren en te coördineren.

Artikel 5. Voorrechten, immuniteiten en faciliteiten

1.

De verzoekende Staat die Partij is kent, voor zover zijn nationale wetgeving dat toestaat, aan personen die geen onderdaan van de desbetreffende Staat zijn, en aan organisaties, anders dan die welke hun zetel of hun vestiging op zijn grondgebied hebben, die handelen ingevolge dit Verdrag teneinde bijstand op het gebied van telecommunicatie te verlenen en waarvan mededeling is gedaan aan en die zijn aanvaard door de verzoekende Staat die Partij is, de voorrechten, immuniteiten en faciliteiten toe welke nodig zijn voor de uitvoering van hun taken, met inbegrip van, doch niet beperkt tot:

2.

De verzoekende Staat die Partij is stelt, voor zover dit in zijn vermogen ligt, plaatselijke faciliteiten en diensten ter beschikking voor het deugdelijke en doelmatige beheer van de bijstand op het gebied van telecommunicatie, met inbegrip van de waarborg dat voor de telecommunicatie-apparatuur die ingevolge dit Verdrag zijn grondgebied wordt binnengebracht met spoed mogelijk een vergunning wordt verleend of van de vergunningsplicht wordt vrijgesteld in overeenstemming met zijn nationale wet- en regelgeving.

3.

De verzoekende Staat die Partij is waarborgt de veiligheid van personeel, apparatuur en materialen die ingevolge dit Verdrag zijn grondgebied worden binnengebracht.

4.

De eigendom van apparatuur en materialen die ingevolge dit Verdrag zijn geleverd, wordt niet beïnvloed door het gebruik ervan uit hoofde van dit Verdrag. De verzoekende Staat die Partij is waarborgt de onverwijlde teruggave van deze apparatuur, materialen en goederen aan de desbetreffende Staat die Partij is die de bijstand verleent.

5.

De verzoekende Staat die Partij is zal geen telecommunicatievoorzieningen die ingevolge dit Verdrag zijn geleverd, inzetten of gebruiken voor doeleinden die niet rechtstreeks verband houden met het voorspellen en volgen van, het reageren op en het zich voorbereiden op rampen, of met het verzachten van de gevolgen van rampen of het bieden van noodhulp tijdens en na rampen.

6.

Niets in dit artikel verplicht een verzoekende Staat die Partij is voorrechten en immuniteiten toe te kennen aan zijn onderdanen, aan personen die in de betreffende verzoekende Staat die Partij is hun vaste verblijfplaats hebben of aan organisaties die op zijn grondgebied hun zetel of hun vestiging hebben.

7.

Onverminderd hun voorrechten en immuniteiten in overeenstemming met dit artikel dienen alle personen die binnenkomen op het grondgebied van een Staat die Partij is teneinde bijstand op het gebied van telecommunicatie te verlenen of anderszins het gebruik van telecommunicatievoorzieningen ingevolge dit Verdrag te vergemakkelijken, alsmede alle organisaties die bijstand op het gebied van telecommunicatie verlenen of anderszins het gebruik van telecommunicatievoorzieningen ingevolge dit Verdrag vergemakkelijken, de wet- en regelgeving van de desbetreffende Staat die Partij is in acht te nemen. Deze personen en organisaties dienen zich bovendien niet te mengen in de binnenlandse aangelegenheden van de Staat die Partij is op het grondgebied waarvan zij zijn binnengekomen.

8.

Niets in dit artikel doet afbreuk aan de rechten en verplichtingen ten aanzien van voorrechten en immuniteiten die zijn toegekend aan personen en organisaties die onmiddellijk of middellijk deelnemen aan bijstand op het gebied van telecommunicatie ingevolge andere internationale verdragen (daaronder begrepen het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties, aangenomen door de Algemene Vergadering op 13 februari 1946, en het Verdrag nopens de voorrechten en immuniteiten van de gespecialiseerde organisaties, aangenomen door de Algemene Vergadering op 21 november 1947) of het internationale recht.

Artikel 6. Beëindiging van de bijstandsverlening

1.

De verzoekende Staat die Partij is of de Staat die Partij is en bijstand verleent, kan te allen tijde de bijstand op het gebied van telecommunicatie die ingevolge artikel 4 wordt ontvangen of verleend door middel van een schriftelijke kennisgeving beëindigen. Na ontvangst van de kennisgeving plegen de betrokken Staten die Partij zijn overleg teneinde de bijstand op passende en snelle wijze te beëindigen, waarbij zij rekening houden met de gevolgen die de beëindiging zal hebben voor het gevaar voor mensenlevens en lopende noodhulpoperaties.

2.

Staten die Partij zijn die ingevolge dit Verdrag bijstand op het gebied van telecommunicatie verlenen of ontvangen, blijven na de beëindiging van de bijstand onderworpen aan het bepaalde in dit Verdrag.

3.

Elke Staat die Partij is die om beëindiging van de bijstand op het gebied van telecommunicatie verzoekt, stelt de uitvoerende coördinator van dit verzoek in kennis. De uitvoerende coördinator verleent de bijstand waarom is verzocht en die noodzakelijk is om de beëindiging van de bijstand op het gebied van telecommunicatie te vergemakkelijken.

Artikel 7. Betaling of vergoeding van kosten of honoraria

1.

De Staten die Partij zijn kunnen de verlening van bijstand op het gebied van telecommunicatie voor rampenmitigatie en noodhulp onderwerpen aan de voorwaarde van instemming met betaling of vergoeding van gespecificeerde kosten of honoraria, te allen tijde indachtig het bepaalde van het negende lid van dit artikel.

2.

Indien een dergelijke voorwaarde bestaat, leggen de Staten die Partij zijn voorafgaand aan de verlening van de bijstand op het gebied van telecommunicatie schriftelijk vast:

3.

Aan de voorwaarden als bedoeld in de leden 2 b) en 2 c) van dit artikel kan worden voldaan door te verwijzen naar gepubliceerde tarieven, percentages of prijzen.

4.

Teneinde te voorkomen dat de onderhandelingen over overeenkomsten inzake betaling of vergoeding de verlening van bijstand op het gebied van telecommunicatie onnodig vertragen, stelt de uitvoerende coördinator in overleg met de Staten die Partij zijn een modelovereenkomst voor betaling en vergoeding op, die als basis kan dienen voor onderhandelingen over betalings- en vergoedingsverplichtingen ingevolge dit artikel.

5.

Een Staat die Partij is kan niet worden verplicht tot betaling of vergoeding van kosten of honoraria ingevolge dit Verdrag zonder vooraf te hebben ingestemd met de voorwaarden als vastgesteld ingevolge het tweede lid van dit artikel door een Staat die Partij is die bijstand verleent.

6.

Indien de verlening van bijstand op het gebied van telecommunicatie op behoorlijke wijze is onderworpen aan de voorwaarde van betaling of vergoeding van kosten of honoraria ingevolge dit artikel, vindt de betaling of vergoeding onmiddellijk plaats nadat de Staat die Partij is die de bijstand verleent zijn verzoek om betaling of vergoeding heeft ingediend.

7.

Gelden die door een verzoekende Staat die Partij is in het kader van verlening van bijstand op het gebied van telecommunicatie zijn betaald of vergoed, zijn vrij overdraagbaar buiten het rechtsgebied van de verzoekende Staat die Partij is en worden niet vertraagd of ingehouden.

8.

Bij het bepalen of de verlening van bijstand op het gebied van telecommunicatie dient te worden onderworpen aan de voorwaarde van een overeenkomst inzake betaling of vergoeding van kosten of honoraria, en bij het bepalen van het bedrag van die kosten of honoraria, alsmede de voorwaarden en beperkingen die aan betaling of vergoeding zijn verbonden, houden de Staten die Partij zijn onder meer rekening met:

9.

Dit artikel is eveneens van toepassing op gevallen waarin bijstand op het gebied van telecommunicatie wordt verleend door een orgaan anders dan een Staat of door een intergouvernementele organisatie, mits:

Artikel 8. Inventarisatie van de informatie ter zake van bijstand op het gebied van telecommunicatie

1.

Elke Staat die Partij is informeert de uitvoerende coördinator over zijn autoriteit of autoriteiten:

2.

Elke Staat die Partij is tracht de uitvoerende coördinator onverwijld mededeling te doen van alle wijzigingen van de ingevolge dit artikel verschafte informatie.

3.

De uitvoerende coördinator kan kennis nemen van de goedkeuringsprocedures van een orgaan anders dan een Staat of een intergouvernementele organisatie voor het aanbieden en het beëindigen van bijstand op het gebied van telecommunicatie overeenkomstig dit artikel.

4.

Een Staat die Partij is, een orgaan anders dan een Staat of een intergouvernementele organisatie kan naar eigen goeddunken in de stukken die deze bij de uitvoerende coördinator nederlegt, informatie opnemen ter zake van bepaalde telecommunicatievoorzieningen en ter zake van plannen voor het gebruik van deze voorzieningen teneinde te reageren op een door een verzoekende Staat die Partij is ingediend verzoek om bijstand op het gebied van telecommunicatie.

5.

De uitvoerende coördinator bewaart afschriften van alle lijsten met autoriteiten en doet deze informatie onverwijld toekomen aan de Staten die Partij zijn, aan andere Staten en aan bevoegde organen anders dan Staten en intergouvernementele organisaties, tenzij een Staat die Partij is, een orgaan anders dan een Staat of een intergouvernementele organisatie daaraan voorafgaand schriftelijk heeft medegedeeld dat verspreiding van door hem of haar verschafte informatie aan beperkingen dient te zijn gebonden.

6.

De uitvoerende coördinator behandelt de door organen, anders dan Staten en intergouvernementele organisaties, nedergelegde informatie op dezelfde wijze als door Staten die Partij zijn nedergelegde informatie.

Artikel 9. Belemmeringen van regelgevende aard

1.

De Staten die Partij zijn beperken of nemen, voor zover mogelijk en met inachtneming van hun nationale wetgeving, belemmeringen van regelgevende aard weg voor het gebruik van telecommunicatievoorzieningen voor rampenmitigatie en noodhulp, met inbegrip van het verlenen van bijstand op het gebied van telecommunicatie.

2.

Belemmeringen van regelgevende aard kunnen omvatten, doch zijn niet beperkt tot:

3.

Beperking van belemmeringen van regelgevende aard kan geschieden door middel van, doch is niet beperkt tot:

4.

Elke Staat die Partij is vergemakkelijkt, op verzoek van een andere Staat die Partij is en voor zover zijn nationale wetgeving dat toelaat, de doorvoer naar, vanaf of over zijn grondgebied van personeel, apparatuur, materialen en informatie die verband houden met het gebruik van telecommunicatievoorzieningen voor rampenmitigatie en noodhulp.

5.

Elke Staat die Partij is doet de uitvoerende coördinator en de andere Staten die Partij zijn, hetzij rechtstreeks hetzij door tussenkomst van de uitvoerende coördinator, mededeling van:

6.

De uitvoerende coördinator doet de Staten die Partij zijn, andere Staten, organen anders dan Staten en intergouvernementele organisaties regelmatig en met spoed een actuele lijst toekomen van de maatregelen, hun reikwijdte, en de eventuele voorwaarden en beperkingen die zijn verbonden aan het gebruik ervan.

7.

Niets in dit artikel staat overtreding of herroeping van verplichtingen en verantwoordelijkheden toe welke worden opgelegd door de nationale wetgeving, internationaal recht of multilaterale of bilaterale verdragen, met inbegrip van verplichtingen en verantwoordelijkheden ten aanzien van douane-inspecties en uitvoercontroles.

Artikel 10. Relatie tot andere internationale verdragen

Dit Verdrag is niet van invloed op de rechten en verplichtingen van Staten die Partij zijn welke voortvloeien uit andere internationale verdragen of internationaal recht.

Artikel 11. Beslechting van geschillen

1.

In geval van een geschil tussen de Staten die Partij zijn betreffende de uitleg of de toepassing van dit Verdrag, plegen de Staten die Partij zijn die partij zijn bij het geschil onderling overleg teneinde het geschil te beslechten. Dit overleg begint onmiddellijk na de schriftelijke verklaring van een Staat die Partij is aan een andere Staat die Partij is inzake het bestaan van een geschil ingevolge dit Verdrag. De Staat die Partij is die de schriftelijke verklaring betreffende het bestaan van een geschil opstelt, doet onverwijld een afschrift van de verklaring toekomen aan de depositaris.

2.

Indien een geschil tussen twee Staten die Partij zijn niet kan worden beslecht binnen zes (6) maanden na de datum waarop de schriftelijke verklaring aan een Staat die Partij is en partij is bij het geschil is overhandigd, kunnen de Staten die Partij zijn en partij zijn bij het geschil verzoeken om de goede diensten van elke andere Staat die Partij is, elke Staat, elk orgaan anders dan een Staat of elke intergouvernementele organisatie teneinde de beslechting van het geschil te vergemakkelijken.

3.

Indien geen van de Staten die Partij zijn verzoekt om de goede diensten van een andere Staat die Partij is, een Staat, een orgaan anders dan een Staat of een intergouvernementele organisatie, of indien de verlening van de goede diensten niet binnen zes (6) maanden na indiening van het verzoek om de goede diensten leidt tot vergemakkelijking van de beslechting van een geschil, kan elk der Staten die Partij zijn en partij zijn bij het geschil:

4.

Ingeval de respectieve Staten die Partij zijn en partij zijn bij het geschil verzoeken om onderwerping van het geschil aan bindende arbitrage, en het geschil ter beslissing voorleggen aan het Internationale Gerechtshof, heeft voorlegging aan het Internationale Gerechtshof voorrang.

5.

In geval van een geschil betreffende de verlening van bijstand op het gebied van telecommunicatie ingevolge artikel 4, dat rijst tussen een Staat die Partij is die verzoekt om bijstand op het gebied van telecommunicatie en een orgaan anders dan een Staat of een intergouvernementele organisatie waarvan de zetel of de vestiging is gelegen buiten het grondgebied van de desbetreffende Staat die Partij is, kan de vordering van het orgaan anders dan een Staat of de intergouvernementele organisatie rechtstreeks worden gesteund door de Staat die Partij is waarin de zetel of de vestiging van het orgaan anders dan een Staat of de intergouvernementele organisatie is gelegen, als zijnde een vordering van een Staat tegen een Staat ingevolge dit artikel, mits die steun niet onverenigbaar is met enige andere overeenkomst tussen de Staat die Partij is en het orgaan anders dan een Staat of de intergouvernementele organisatie die zijn betrokken bij het geschil.

6.

Op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van, of toetreding tot, dit Verdrag kan een Staat verklaren zich niet gebonden te achten aan één of beide procedures voor beslechting van geschillen, als bedoeld in het derde lid. De andere Staten die Partij zijn zijn niet gebonden aan een procedure voor beslechting van geschillen, als bedoeld in het derde lid, ten opzichte van een Staat die Partij is waarvoor een dergelijke verklaring geldt.

Artikel 12. Inwerkingtreding

1.

Dit Verdrag staat open voor ondertekening voor alle Staten die lid zijn van de Verenigde Naties of van de Internationale Telecommunicatie Unie tijdens de Intergouvernementele Conferentie inzake telecommunicatie in noodsituaties in Tampere op 18 juni 1998, en nadien op het hoofdkwartier van de Verenigde Naties, New York, van 22 juni 1998 tot en met 21 juni 2003.

2.

Een Staat kan het feit dat hij ermee instemt door dit Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking brengen door:

3.

Het Verdrag treedt in werking dertig (30) dagen na de datum van de nederlegging van de dertigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding of definitieve ondertekening.

4.

Voor elke Staat die definitief ondertekent of een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding nederlegt nadat aan de voorwaarde als bedoeld in het derde lid van dit artikel is voldaan, treedt dit Verdrag in werking dertig (30) dagen na de datum van de definitieve ondertekening of de instemming te worden gebonden.

Artikel 13. Wijzigingen

1.

Een Staat die Partij is kan wijzigingen in dit Verdrag voorstellen door de wijzigingen in te dienen bij de depositaris, die deze ter goedkeuring doet toekomen aan de andere Staten die Partij zijn.

2.

De Staten die Partij zijn doen de depositaris binnen honderdtachtig (180) dagen na ontvangst van de voorgestelde wijzigingen mededeling of zij deze wijzigingen goedkeuren dan wel afwijzen.

3.

Elke wijziging die door twee derde van alle Staten die Partij zijn wordt goedgekeurd, wordt vastgelegd in een protocol dat bij de depositaris open staat voor ondertekening door alle Verdragsluitende Partijen.

4.

Het protocol treedt op dezelfde wijze in werking als dit Verdrag. Voor elke Staat die het protocol definitief ondertekent of een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding nederlegt nadat aan de voorwaarden voor inwerkingtreding van het protocol is voldaan, treedt het protocol voor die Staat in werking dertig (30) dagen na de datum van de definitieve ondertekening of de instemming te worden gebonden.

Artikel 14. Voorbehouden

1.

Op het tijdstip van de definitieve ondertekening of bekrachtiging van, of toetreding tot, dit Verdrag of enige wijziging hiervan, kan een Staat die Partij is voorbehouden maken.

2.

Een Staat die Partij is kan zijn eerder gemaakte voorbehoud te allen tijde opheffen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris. De opheffing van een voorbehoud wordt onmiddellijk na kennisgeving aan de depositaris van kracht.

Artikel 15. Opzegging

1.

Een Staat die Partij is kan dit Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris.

2.

De opzegging wordt van kracht negentig (90) dagen volgend op de datum van nederlegging van de schriftelijke kennisgeving.

3.

Op verzoek van de Staat die Partij is die opzegt, worden alle afschriften van lijsten met autoriteiten en met aangenomen maatregelen en beschikbare procedures voor beperking van belemmeringen van regelgevende aard welke zijn verschaft door een Staat die Partij is die dit Verdrag opzegt, buiten werking gesteld met ingang van de datum waarop de opzegging van kracht wordt.

Artikel 16. Depositaris

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties is de depositaris van dit Verdrag.

Artikel 17. Authentieke teksten

Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Arabische, Chinese, Engelse, Franse, Russische en Spaanse teksten gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de depositaris. Slechts de Engelse, Franse en Spaanse authentieke teksten worden beschikbaar gesteld voor ondertekening in Tampere op 18 juni 1998. De depositaris stelt zo spoedig mogelijk daarna de authentieke teksten in de Arabische, Chinese en Russische taal op.

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorized thereto, have signed this Convention.

DONE at Tampere (Finland), this 18th day of June 1998.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)