Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof
Aanwending van beroep heeft geen schorsende werking tenzij de Kamer van beroep, overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering anders bepaalt.
Een wettelijk vertegenwoordiger van de slachtoffers, de veroordeelde of een eigenaar te goeder trouw op wiens recht nadelig inbreuk wordt gemaakt door een bevel ingevolge artikel 75 is bevoegd beroep in te stellen tegen het bevel tot herstelbetalingen, overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering.
Artikel 83. Beroepsprocedure
De Kamer van beroep oefent alle bevoegdheden uit van de Kamer van berechting ter zake van procesvoering ingevolge artikel 81 en dit artikel.
Indien de Kamer van beroep vaststelt dat de procedure waartegen beroep is ingesteld, oneerlijk is verlopen waardoor de betrouwbaarheid van de uitspraak is aangetast of dat de uitspraak waartegen beroep is ingesteld inhoudelijk is aangetast door feitelijke of rechtsdwaling of door een procedurefout, is hij bevoegd:
- a. de uitspraak te vernietigen of te wijzigen; of
- b. een nieuwe terechtzitting te gelasten voor een andere Kamer van beroep.
Hiertoe is de Kamer van beroep bevoegd een vraagpunt van feitelijke aard terug te verwijzen naar de oorspronkelijke Kamer van berechting teneinde dit af te doen, of zelf bewijsvoering te doen plaatsvinden teneinde op dat punt te beslissen. Indien tegen de uitspraak alleen door de veroordeelde beroep is ingesteld of namens hem door de Aanklager, kan de uitspraak niet in zijn nadeel worden herzien.
Indien de Kamer van beroep op een beroep tegen een uitspraak vaststelt dat de uitspraak niet in evenredige verhouding staat tot het misdrijf, is de Kamer van beroep bevoegd de uitspraak overeenkomstig Deel 7 te wijzigen.
De uitspraak van de Kamer van beroep wordt bij meerderheid van de rechters en in openbare zitting gewezen. De uitspraak is met redenen omkleed. Bij het ontbreken van eenstemmigheid vermeldt de uitspraak van de Kamer van beroep de zienswijzen van de meerderheid en van de minderheid, met dien verstande dat elke rechter bevoegd is een uiteenzetting van zijn individuele of afwijkende oordeel over een rechtsvraag toe te voegen.
De Kamer van beroep is bevoegd zijn uitspraak bij verstek te wijzen.
Artikel 84. Herziening van einduitspraken
De veroordeelde of, na diens overlijden, echtgenoten, kinderen, ouders of een ten tijde van het overlijden van de beschuldigde in leven zijnde persoon die van de beschuldigde uitdrukkelijke schriftelijke aanwijzingen heeft gekregen tot het instellen van een dergelijke vordering, of de Aanklager namens de persoon, is respectievelijk zijn bevoegd de Kamer van beroep te verzoeken om herziening van de einduitspraak waarbij de veroordeling werd uitgesproken of de straf werd opgelegd, op grond van het feit dat:
- a. nieuw bewijs is ontdekt dat:
- i. niet beschikbaar was ten tijde van de terechtzitting en deze niet-beschikbaarheid niet geheel of gedeeltelijk te wijten was aan de partij die het verzoek doet; en
- ii. van voldoende belang is om, indien de juistheid ervan tijdens de terechtzitting zou zijn vastgesteld, waarschijnlijk tot een andere uitspraak te hebben geleid;
- b. thans pas is ontdekt dat beslissend bewijs dat op de terechtzitting in aanmerking is genomen en waarop de veroordeling is gebaseerd, onwaar, vals of vervalst was;
- c. een of meer rechters die deelnamen aan de veroordeling of bevestiging van de tenlastegelegde feiten zich in die zaak schuldig heeft of hebben gemaakt aan ernstig wangedrag of ernstig plichtsverzuim van voldoende gewicht om de ontzetting van die rechter of rechters uit hun ambt ingevolge artikel 46 te rechtvaardigen.
De Kamer van beroep wijst het verzoek af indien hij dit ongegrond acht. Indien hij vaststelt dat het verzoek een nadere beoordeling verdient, is hij, waar dit in aanmerking komt bevoegd:
- a. de oorspronkelijke Kamer van berechting opnieuw bijeen te roepen;
- b. een nieuwe Kamer van berechting samen te stellen; of
- c. de kennisneming van de zaak aan zich te houden,
teneinde, na de partijen te hebben gehoord op de in het Reglement van proces- en bewijsvoering vermelde wijze, vast te stellen of de uitspraak herzien dient te worden.
Artikel 85. Schadevergoeding ten behoeve van aangehouden of veroordeelde personen
Een ieder die het slachtoffer is geworden van onrechtmatige aanhouding of hechtenis heeft een afdwingbaar recht op schadevergoeding.
Wanneer een persoon bij onherroepelijke beslissing voor een strafbaar feit is veroordeeld en zijn veroordeling daarna nietig is verklaard op grond van het feit dat uit een nieuw of een nieuw ontdekt feit overtuigend blijkt dat sprake is van een rechterlijke dwaling, wordt de persoon die als gevolg van die veroordeling straf heeft ondergaan schadeloos gesteld overeenkomstig het daarvoor geldend recht, tenzij wordt bewezen dat het niet tijdig bekend worden van het onbekende feit geheel of gedeeltelijk aan hem is te wijten.
In buitengewone omstandigheden, wanneer het Hof vaststelt dat er overtuigende feiten zijn die er op wijzen dat sprake was van een ernstige en duidelijke rechterlijke dwaling, is het bevoegd ambtshalve overeenkomstig de maatstaven van het Reglement van proces- en bewijsvoering schadevergoeding toe te kennen aan een persoon die uit hechtenis is vrijgelaten na een onherroepelijke beslissing tot vrijspraak of na beëindiging van de zaak op dezelfde grond.
DEEL 9. INTERNATIONALE SAMENWERKING EN WEDERZIJDSE RECHTSHULP
Artikel 86. Algemene verplichting tot samenwerking
Staten die Partij zijn verlenen overeenkomstig het in dit Statuut bepaalde het Hof volledige samenwerking bij zijn onderzoek naar en vervolging van misdrijven waarover het Hof rechtsmacht bezit.
Artikel 87. Verzoeken om samenwerking: algemene bepalingen
- a. Het Hof is bevoegd aan Staten die Partij zijn te verzoeken om samenwerking. De verzoeken worden overgebracht langs diplomatieke of elke andere passende weg die daartoe door iedere Staat die Partij is kan worden opgegeven bij bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding. Iedere Staat die Partij is kan later die opgave overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering wijzigen.
- b. Onverminderd het onder a bepaalde, kunnen verzoeken ook worden overgebracht via de Internationale Organisatie van Politie in strafzaken of een andere daarvoor in aanmerking komende regionale organisatie.
Verzoeken om samenwerking en de documenten ter ondersteuning van het verzoek worden gesteld in of gaan vergezeld van een vertaling in een officiële taal van de aangezochte Staat of in een van de werktalen van het Hof overeenkomstig de keuze die door die Staat werd gedaan bij bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.
Deze keuze kan overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering later worden gewijzigd.
De aangezochte Staat behandelt een verzoek om samenwerking en de documenten ter ondersteuning van het verzoek vertrouwelijk behoudens voorzover openbaarmaking daarvan onontkoombaar is ter inwilliging van het verzoek.
Met betrekking tot een verzoek om rechtshulp ingevolge Deel 9 is het Hof bevoegd alle maatregelen te treffen, met inbegrip van maatregelen ter bescherming van informatie, die noodzakelijk zijn om de veiligheid of het lichamelijke of geestelijke welzijn van slachtoffers, mogelijke getuigen en hun gezins- en familieleden te waarborgen. Het Hof is bevoegd te verzoeken dat alle ingevolge Deel 9 ter beschikking gestelde informatie wordt verstrekt en behandeld op een wijze die de veiligheid of het lichamelijke of geestelijke welzijn van slachtoffers, mogelijke getuigen en hun gezins- en familieleden beschermt.
- a. Het Hof is bevoegd een Staat die geen partij is bij dit Statuut uit te nodigen rechtshulp ingevolge dit Deel te verlenen op basis van een ad hoc-regeling, van een overeenkomst met die Staat of op andere toereikende gronden.
- b. Wanneer een Staat die geen partij is bij dit Statuut en die een ad hoc-regeling of overeenkomst met het Hof is aangegaan, nalaat mee te werken aan verzoeken ingevolge een dergelijke regeling of overeenkomst, is het Hof bevoegd de Vergadering van Staten die Partij zijn daarvan in kennis te stellen of de Veiligheidsraad, wanneer de Veiligheidsraad de zaak heeft aangegeven bij het Hof.
Het Hof is bevoegd intergouvernementele organisaties te verzoeken informatie of documenten te verstrekken. Het Hof is ook bevoegd andere vormen van samenwerking en rechtshulp te verzoeken die worden overeengekomen met een dergelijke organisatie en in overeenstemming zijn met haar bevoegdheid of mandaat.
Wanneer een Staat die Partij is nalaat te voldoen aan een rechtshulpverzoek in strijd met het in dit Statuut bepaalde, ten gevolge waarvan deze het Hof verhindert zijn taken en bevoegdheden krachtens dit Statuut uit te oefenen, is het Hof bevoegd een uitspraak te doen met die strekking en de zaak te verwijzen naar de Vergadering van Staten die Partij zijn of, wanneer de Veiligheidsraad de zaak heeft aangegeven bij het Hof, naar de Veiligheidsraad.
Artikel 88. Beschikbaarheid van procedures naar nationaal recht
Staten die Partij zijn dragen er zorg voor dat ingevolge hun nationale recht procedures beschikbaar zijn voor alle vormen van samenwerking die in dit Deel zijn voorzien.
Artikel 89. Overdracht van personen aan het Hof
Het Hof is bevoegd een verzoek tot aanhouding en overdracht van een persoon, tezamen met het in artikel 91 vermelde materiaal ter ondersteuning van het verzoek, tot elke Staat te richten op het grondgebied waarvan die persoon kan worden aangetroffen en verzoekt die Staat om samenwerking bij de aanhouding en overdracht van die persoon. Staten die Partij zijn voldoen overeenkomstig het in dit Deel bepaalde en de procedure ingevolge hun nationaal recht, aan verzoeken tot aanhouding en overdracht.
Indien de persoon om wiens overdracht wordt verzocht dit voor een nationale rechtbank aanvecht op grond van het in artikel 20 omschreven beginsel, raadpleegt de aangezochte Staat onverwijld het Hof teneinde vast te stellen of met betrekking tot de ontvankelijkheid een relevante uitspraak bestaat. Indien de zaak ontvankelijk is, willigt de aangezochte Staat het verzoek in. Indien een uitspraak over de ontvankelijkheid hangende is, is de aangezochte Staat bevoegd de inwilliging van het verzoek tot overdracht van de persoon aan te houden totdat het Hof heeft beslist over de ontvankelijkheid.
- a. Een Staat die Partij is verleent overeenkomstig zijn nationaal procesrecht toestemming tot vervoer over zijn grondgebied van een persoon die door een andere Staat aan het Hof wordt overgedragen, behoudens wanneer doorvoer door die Staat de overdracht zou belemmeren of vertragen;
- b. Een verzoek tot doorvoer van het Hof wordt overeenkomstig artikel 87 overgebracht. Het verzoek tot doorvoer bevat:
- i. een signalement van de persoon die wordt vervoerd;
- ii. een korte uiteenzetting van de feiten van de zaak en hun juridische kwalificatie; en
- iii. het bevel tot aanhouding en het bevel tot overdracht;
- c. Een persoon die wordt vervoerd wordt in hechtenis gehouden tijdens de duur van doorvoer;
- d. Geen toestemming is vereist indien de persoon door de lucht wordt vervoerd en geen landing is voorzien op het grondgebied van de Staat van doorvoer;
- e. Indien een onvoorziene landing plaatsvindt op het grondgebied van de Staat van doorvoer, is die Staat bevoegd een verzoek tot doorvoer van het Hof te verlangen, als voorzien in het onder b bepaalde. De Staat van doorvoer houdt de persoon die wordt vervoerd in hechtenis tot het verzoek om doorvoer is ontvangen en de doorvoer is geschied; met dien verstande dat de hechtenis van toepassing van dit lid niet langer mag duren dan 96 uur na de onvoorziene landing, tenzij het verzoek binnen die termijn is ontvangen.
Indien de opgeëiste persoon wordt vervolgd of een straf uitzit in de aangezochte Staat wegens een ander misdrijf dan dat waarvoor overdracht aan het Hof wordt verzocht, pleegt de aangezochte Staat nadat hij heeft besloten het verzoek in te willigen, overleg met het Hof.
Artikel 90. Concurrerende verzoeken
Een Staat die Partij is en een verzoek van het Hof ontvangt tot overdracht van een persoon ingevolge artikel 89, stelt, indien hij ook van een andere Staat een verzoek ontvangt tot uitlevering van dezelfde persoon voor dezelfde gedragingen die de grondslag vormen voor het misdrijf waarvoor het Hof de overdracht van de persoon verlangt, het Hof en de verzoekende Staat van dat feit in kennis.
Wanneer de verzoekende Staat een Staat is die Partij is, verleent de aangezochte Staat voorrang aan het verzoek van het Hof indien:
- a. het Hof ingevolge de artikelen 18 en 19 de beslissing heeft genomen dat de zaak waarvoor overdracht wordt verlangd ontvankelijk is en bij die beslissing rekening is gehouden met het gevoerde onderzoek of de vervolging die door de verzoekende Staat is verricht met betrekking tot zijn verzoek tot uitlevering; of
- b. het Hof de onder a vermelde beslissing neemt overeenkomstig de kennisgeving aan de aangezochte Staat ingevolge het eerste lid.
Wanneer geen beslissing ingevolge het tweede lid, onder a, is genomen, kan de aangezochte Staat, naar eigen inzicht, hangende de beslissing van het Hof ingevolge het tweede lid, onder b, de behandeling van het verzoek tot uitlevering van de verzoekende Staat voortzetten, maar hij levert de persoon niet uit totdat het Hof heeft beslist dat de zaak niet-ontvankelijk is. Het Hof neemt zijn beslissing volgens een verkorte procedure.
Indien de verzoekende Staat geen partij is bij dit Statuut, geeft de aangezochte Staat, indien deze geen internationale verplichting heeft tot uitlevering van de persoon aan de verzoekende Staat, voorrang aan het verzoek van het Hof tot overdracht, indien het Hof heeft beslist dat de zaak ontvankelijk is.
Wanneer het Hof heeft beslist dat een zaak ingevolge het vierde lid niet-ontvankelijk is, kan de aangezochte Staat naar eigen inzicht de behandeling van het verzoek tot uitlevering van de verzoekende Staat voortzetten.
In gevallen waarin het vierde lid van toepassing is met uitzondering van het feit dat de aangezochte Staat een bestaande internationale verplichting heeft tot uitlevering van de persoon aan de verzoekende Staat die geen partij is bij dit Statuut, beslist de aangezochte Staat of hij de persoon aan het Hof zal overdragen danwel de persoon zal uitleveren aan de verzoekende Staat. Bij zijn besluit houdt de aangezochte Staat rekening met alle relevante factoren, waaronder:
- a. de respectieve data van de verzoeken;
- b. de belangen van de verzoekende Staat met inbegrip van, waar dit ter zake doende is, het feit of het misdrijf op zijn grondgebied is begaan en de nationaliteit van de slachtoffers en van de persoon wiens overdracht wordt verlangd; en
- c. de mogelijkheid van een latere overdracht door het Hof en de verzoekende Staat.
Wanneer een Staat die Partij is van het Hof een verzoek tot overdracht van een persoon ontvangt, tevens een verzoek ontvangt van een Staat tot uitlevering van dezelfde persoon voor andere gedragingen dan die welke het misdrijf opleveren waarvoor het Hof overdracht van de persoon verlangt:
- a. dient de aangezochte Staat, indien deze geen bestaande internationale verplichting heeft tot uitlevering van de persoon aan de verzoekende Staat, voorrang te geven aan het verzoek van het Hof;
- b. dient de aangezochte Staat, indien deze geen bestaande internationale verplichting heeft tot uitlevering van de persoon aan de verzoekende Staat, te beslissen of hij de persoon overdraagt aan het Hof of de persoon uitlevert aan de verzoekende Staat. Bij zijn besluit neemt de aangezochte Staat alle relevante factoren in overweging, waaronder de factoren vermeld in het zesde lid, waarbij speciale aandacht wordt besteed aan de desbetreffende aard en de ernst van de gedragingen in kwestie.
Wanneer overeenkomstig een kennisgeving ingevolge dit artikel het Hof heeft beslist dat een zaak niet-ontvankelijk is en daarna uitlevering aan de verzoekende Staat wordt geweigerd, stelt de aangezochte Staat het Hof van deze beslissing in kennis.
Artikel 91. Inhoud van het verzoek tot aanhouding en overdracht
Een verzoek tot aanhouding en overdracht wordt schriftelijk gedaan. In dringende gevallen kan een verzoek worden gedaan via elk communicatiemiddel dat daarvan een schriftelijke vastlegging kan opleveren mits het verzoek wordt bevestigd langs de in artikel 87, eerste lid, onder a, vermelde weg.
In het geval van een verzoek tot aanhouding en overdracht van een persoon tegen wie een bevel tot aanhouding is uitgevaardigd door de Kamer van vooronderzoek ingevolge artikel 58, bevat het verzoek of wordt het ondersteund door:
- a. het signalement van de opgeëiste persoon, dat toereikend is voor diens identificatie en informatie met betrekking tot de plaats waar die persoon zich waarschijnlijk bevindt;
- b. een kopie van het bevel tot aanhouding; en
- c. de vereiste documenten, verklaringen of informatie om te voldoen aan de procedure van overdracht in de aangezochte Staat geldende vereisten, met dien verstande dat die vereisten niet zwaarder mogen zijn dan die welke gelden voor verzoeken tot uitlevering ingevolge verdragen of regelingen tussen de aangezochte Staat en andere Staten en, zo mogelijk, minder zwaar dienen te zijn, gelet op de bijzondere aard van het Hof.
Wanneer een verzoek tot aanhouding en overdracht een persoon betreft die reeds is veroordeeld, bevat het verzoek of wordt het ondersteund door:
- a. een kopie van elk bevel tot aanhouding met betrekking tot die persoon;
- b. een kopie van veroordelende einduitspraak; en
- c. informatie om aan te tonen dat de opgeëiste persoon degene is die in veroordelende einduitspraak wordt bedoeld; en
- d. indien de opgeëiste persoon is veroordeeld, een kopie van de opgelegde einduitspraak en, in geval van een veroordeling tot gevangenisstraf, een verklaring ten aanzien van de tijd die reeds is uitgezeten en de tijd die nog moet worden uitgezeten.
Op verzoek van het Hof pleegt een Staat die Partij is met het Hof overleg, hetzij in het algemeen, hetzij met betrekking tot een bepaalde zaak, over vereisten ingevolge zijn nationale recht die ingevolge het tweede lid, onder c, van toepassing kunnen zijn. Bij dit overleg geeft de Staat die Partij is het Hof advies over de specifieke vereisten van zijn nationale recht.
Artikel 92. Voorlopige aanhouding
In dringende gevallen is het Hof bevoegd de voorlopige aanhouding van de opgeëiste persoon te verzoeken, hangende de indiening van het verzoek tot overdracht en de in artikel 91 vermelde documenten die het verzoek dienen te ondersteunen.
Het verzoek tot voorlopige aanhouding wordt gedaan via een communicatiemiddel dat daarvan een schriftelijke vastlegging kan opleveren en bevat:
- a. het signalement van de opgeëiste persoon, dat toereikend is voor diens identificatie en informatie met betrekking tot de plaats waar die persoon zich waarschijnlijk bevindt;
- b. een beknopt overzicht van de misdrijven waarvan aanhouding van de persoon wordt verzocht en van de feiten die beweerdelijk die misdrijven opleveren, met inbegrip van, zo mogelijk, de datum en plaats van het misdrijf;
- c. een verklaring over het bestaan van een bevel tot aanhouding of een veroordelende einduitspraak ten aanzien van de opgeëiste persoon; en
- d. een verklaring dat een verzoek tot overdracht van de opgeëiste persoon zal volgen.
Een persoon die voorlopig is aangehouden kan uit hechtenis worden vrijgelaten indien de aangezochte Staat geen verzoek tot overdracht noch de in artikel 91 vermelde documenten ter ondersteuning van het verzoek heeft ontvangen binnen de in het Reglement van proces- en bewijsvoering vastgelegde termijnen. De persoon kan echter instemmen met overdracht voor afloop van deze termijn indien dit mogelijk is ingevolge het recht van de aangezochte Staat. In dit geval gaat de aangezochte Staat zo spoedig mogelijk over tot overdracht van de persoon aan het Hof.
Het feit dat de opgeëiste persoon overeenkomstig het derde lid uit hechtenis is vrijgelaten doet geen afbreuk aan de latere aanhouding en overdracht van die persoon indien het verzoek tot overdracht en de documenten ter ondersteuning van het verzoek op een later tijdstip worden aangeboden.
Artikel 93. Andere vormen van samenwerking
Staten die Partij zijn voldoen overeenkomstig het in dit Deel bepaalde en ingevolge procedures van nationaal recht aan verzoeken van het Hof om de volgende rechtshulp te verlenen met betrekking tot onderzoek of vervolging:
- a. de identificatie en lokalisering van personen of goederen;
- b. bewijsgaring, met inbegrip van getuigenverklaringen onder ede en het leveren van bewijs, met inbegrip van verklaringen van deskundigen en door het Hof benodigde rapporten;
- c. het ondervragen van een persoon tegen wie een onderzoek loopt of die wordt vervolgd;
- d. de betekening van documenten, met inbegrip van gerechtelijke documenten;
- e. de vergemakkelijking van de vrijwillige verschijning van personen voor het Hof als getuigen of deskundigen;
- f. de tijdelijke overbrenging van personen zoals voorzien in het zevende lid;
- g. een gerechtelijke plaatsopneming of onderzoek van locaties, met inbegrip van het opgraven van lijken en onderzoek van plaatsen waar zich graven bevinden;
- h. het uitvoeren van huiszoekingen en inbeslagnemingen;
- i. het verstrekken van verslagen en documenten, met inbegrip van officiële akten en documenten;
- j. de bescherming van slachtoffers en getuigen en instandhouding van bewijs;
- k. de identificatie, opsporing en bevriezing of inbeslagneming van de door middel van het misdrijf verkregen opbrengst, goederen en vermogensbestanddelen en de bij misdrijven gebruikte hulpmiddelen, ten behoeve van een eventuele verbeurdverklaring, zonder dat hiermee afbreuk wordt gedaan aan de rechten van derden te goeder trouw; en
- l. elke andere vorm van rechtshulp die niet is verboden bij de wet van de aangezochte Staat, teneinde het onderzoek en de vervolging van misdrijven waarover het Hof rechtsmacht heeft te vergemakkelijken.
Het Hof heeft de bevoegdheid te waarborgen dat een getuige of deskundige die voor het Hof verschijnt niet door het Hof zal worden vervolgd, in hechtenis gehouden of onderworpen aan enigerlei beperking van zijn persoonlijke vrijheid met betrekking tot een handelen of nalaten voorafgaande aan het vertrek van die persoon uit de aangezochte Staat.
Indien de uitvoering van een bijzondere maatregel terzake van rechtshulp omschreven in een verzoek dat ingevolge het eerste lid is ingediend in de aangezochte Staat verboden is op grond van een bestaand, fundamenteel, algemeen geldend rechtsbeginsel, pleegt de aangezochte Staat onverwijld overleg met het Hof teneinde te trachten de zaak op te lossen. Bij dit overleg dient te worden overwogen of de rechtshulp op een andere wijze of onder voorwaarden kan worden verleend. Indien dit overleg niet leidt tot oplossing van de zaak, wijzigt het Hof het verzoek voorzover dit noodzakelijk is.
Overeenkomstig artikel 72 kan een Staat die Partij is een verzoek om rechtshulp slechts geheel of gedeeltelijk weigeren, indien het verzoek het overleggen van documenten of de openbaarmaking van bewijs betreft waarbij zijn nationale veiligheid in het geding is.
Alvorens een verzoek om rechtshulp ingevolge het eerste lid, onder l, te weigeren, overweegt de aangezochte Staat of de rechtshulp onder bepaalde voorwaarden kan worden verleend of dat de rechtshulp op een later tijdstip of op andere wijze kan worden verleend, met dien verstande dat indien het Hof of de Aanklager de rechtshulp onder voorwaarden aanvaardt, het Hof of de Aanklager zich daaraan dient te houden.
Indien een verzoek om rechtshulp wordt geweigerd, stelt de aangezochte Staat die Partij is het Hof of de Aanklager onverwijld in kennis van de redenen voor een dergelijke weigering.
- a. Het Hof is bevoegd de tijdelijke overbrenging te verzoeken voor identificatiedoeleinden of ter verkrijging van getuigenverklaringen of andere rechtshulp van een persoon die in hechtenis verkeert. De persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- i. de persoon geeft vrijelijk zijn toestemming voor de overbrenging na omtrent de gevolgen daarvan behoorlijk te zijn ingelicht; en
- ii. de aangezochte Staat stemt in met de overbrenging, onder de voorwaarden die die Staat en het Hof overeen kunnen komen.
- b. De persoon die wordt overgebracht blijft in hechtenis. Wanneer het doel van de overbrenging is vervuld, zendt het Hof de persoon onverwijld terug naar de aangezochte Staat.
- a. Het Hof draagt zorg voor de vertrouwelijkheid van documenten en informatie behoudens voorzover vereist voor het onderzoek en de in het verzoek vermelde procedure.
- b. De aangezochte Staat kan, wanneer dit noodzakelijk is, documenten of informatie aan de Aanklager verstrekken op basis van vertrouwelijkheid. De Aanklager is bevoegd deze in dat geval slechts te gebruiken om nieuw bewijs te verkrijgen.
- c. De aangezochte Staat kan, uit eigen beweging of op verzoek van de Aanklager, in een later stadium toestemming geven tot openbaarmaking van die documenten of informatie. Deze kunnen in dat geval worden aangewend als bewijs ingevolge het bepaalde in de Delen 5 en 6 en overeenkomstig het Reglement van proces- en bewijsvoering.
- a.
- i. In het geval dat een Staat die Partij is concurrerende verzoeken, anders dan tot overdracht of uitlevering, ontvangt van het Hof en van een andere Staat ingevolge een internationale verplichting, tracht de Staat die Partij is in overleg met het Hof en de andere Staat, aan beide verzoeken te voldoen, waarbij zo nodig het ene of het andere verzoek wordt uitgesteld of aan de inwilliging daarvan voorwaarden worden verbonden.
- ii. Indien zulks onmogelijk blijkt, wordt de concurrentie van verzoeken opgelost overeenkomstig de in artikel 90 vastgelegde beginselen.
- b. Indien echter het verzoek van het Hof informatie, goederen of personen betreft die zich bevinden in de feitelijke macht van een derde Staat of een internationale organisatie ingevolge een internationale overeenkomst, stellen de aangezochte Staten het Hof daarvan in kennis en richt het Hof zijn verzoek tot de derde Staat of de internationale organisatie.
- a. Het Hof is bevoegd op verzoek samenwerking en rechtshulp te verlenen aan een Staat die Partij is en een onderzoek uitvoert naar of een onderzoek ter zitting houdt ter zake van gedragingen die een misdrijf opleveren waarover het Hof rechtsmacht bezit of die een ernstig misdrijf opleveren ingevolge het nationale recht van de verzoekende Staat.
- b.
- i. De onder a voorziene rechtshulp omvat, onder meer:
-
- de overdracht van verklaringen, documenten of andere vormen van bewijs die zijn verkregen in de loop van een door het Hof gehouden onderzoek of een terechtzitting; en
-
- het ondervragen van personen die zich in hechtenis bevinden ingevolge bevel van het Hof;
- ii. In geval van rechtshulp ingevolge het onder b, onderdeel i., onder 1, bepaalde:
-
- indien de documenten of andere vormen van bewijs zijn verkregen met rechtshulp van een Staat, is voor een dergelijke overdracht de toestemming van die Staat vereist;
-
- indien de verklaringen, documenten of andere vormen van bewijs zijn verstrekt door een getuige of een deskundige, geldt voor een dergelijke overdracht het bepaalde in artikel 68.
- c. Het Hof is bevoegd onder de in dit lid vermelde voorwaarden te voldoen aan een rechtshulpverzoek ingevolge dit lid van een Staat die geen partij is bij dit Statuut.
Artikel 94. Uitstel van inwilliging van een verzoek hangende een lopend onderzoek of vervolging
Indien de onmiddellijke inwilliging van een verzoek een lopend onderzoek of vervolging in een andere zaak dan die waarop het verzoek betrekking heeft zou belemmeren, kan de aangezochte Staat de inwilliging van het verzoek opschorten gedurende een bepaalde met het Hof overeengekomen tijd. Het uitstel dient echter niet langer te zijn dan noodzakelijk ter voltooiing van het desbetreffende onderzoek of de vervolging in de aangezochte Staat. Alvorens een beslissing tot opschorting te nemen overweegt de aangezochte Staat of de rechtshulp onmiddellijk onder bepaalde voorwaarden kan worden verleend.
Indien een beslissing tot opschorting wordt genomen ingevolge het eerste lid, is de Aanklager echter bevoegd te verzoeken om maatregelen tot de instandhouding van bewijs ingevolge artikel 93, eerste lid, onder j.
Artikel 95. Uitstel van inwilliging van een verzoek bij betwisting van ontvankelijkheid
Onverminderd het bepaalde in artikel 53, tweede lid, kan in het geval waarin het Hof een betwisting van ontvankelijkheid ingevolge de artikelen 18 of 19 onderzoekt, de aangezochte Staat de inwilliging van een verzoek ingevolge dit Deel uitstellen, hangende een beslissing door het Hof, tenzij het Hof uitdrukkelijk heeft bepaald dat de Aanklager kan voortgaan met het vergaren van dat bewijs ingevolge de artikelen 18 of 19.
Artikel 96. Inhoud van een verzoek om andere vormen van rechtshulp ingevolge artikel 93
Een verzoek om andere vormen van rechtshulp als bedoeld in artikel 93 wordt schriftelijk gedaan. In dringende gevallen kan een verzoek worden gedaan via elk communicatiemiddel dat daarvan een schriftelijke vastlegging kan opleveren, mits het verzoek bevestigd wordt langs de in artikel 87, eerste lid, onder a, vermelde weg.
Het verzoek bevat, waar toepasselijk, of wordt ondersteund door het volgende:
- a. een beknopt overzicht van het doel van het verzoek en de verzochte rechtshulp, met inbegrip van de juridische basis en de gronden voor het verzoek;
- b. zo gedetailleerd mogelijke informatie over de plaats of identificatie van een persoon of plaats die moet worden gevonden of geïdentificeerd teneinde het mogelijk te maken de verzochte rechtshulp te verlenen;
- c. een beknopt overzicht van de essentiële feiten waarop het verzoek is gestoeld;
- d. de redenen voor en nadere gegevens omtrent de te volgen procedure of in acht te nemen vereisten;
- e. de informatie die is vereist ingevolge het recht van de aangezochte Staat ter inwilliging van het verzoek; en
- f. alle overige informatie die ter zake doende is teneinde het mogelijk te maken de verzochte rechtshulp te verlenen.
Op verzoek van het Hof pleegt een Staat die Partij is met het Hof overleg, hetzij in het algemeen, hetzij met betrekking tot een bepaalde zaak, over vereisten ingevolge zijn nationale recht die ingevolge het tweede lid, onder e, van toepassing kunnen zijn. Tijdens het overleg geeft de Staat die Partij is het Hof advies over de specifieke vereisten van zijn nationale recht.
Het in dit artikel bepaalde geldt, waar van toepassing, eveneens ten aanzien van een aan het Hof gericht rechtshulpverzoek.
Artikel 97. Overleg
Wanneer een Staat die Partij is een verzoek ingevolge dit Deel ontvangt in verband waarmee de Staat problemen signaleert die de inwilliging van het verzoek kunnen belemmeren of verhinderen, pleegt die Staat onverwijld overleg met het Hof teneinde de zaak op te lossen. Dergelijke problemen kunnen onder meer omvatten:
- a. onvoldoende informatie van inwilliging van het verzoek;
- b. in het geval van een verzoek tot overdracht, het feit dat ondanks uiterste inspanningen de opgeëiste persoon niet kan worden gelokaliseerd of dat uit het verrichte onderzoek is gebleken dat de persoon in de Staat van hechtenis klaarblijkelijk niet de in het bevel genoemde persoon is; of
- c. het feit dat inwilliging van het verzoek in zijn huidige vorm voor de aangezochte Staat zou meebrengen dat deze in strijd zou handelen met een reeds eerder bestaande verplichting op grond van een verdrag die de Staat is aangegaan ten opzichte van een andere Staat.
Artikel 98. Samenwerking bij afstand van immuniteit en toestemming tot overdracht
Het Hof is niet bevoegd een verzoek tot overdracht of rechtshulp te handhaven wanneer dit voor de aangezochte Staat zou meebrengen dat deze handelt op een wijze die niet verenigbaar is met zijn verplichtingen ingevolge internationaal recht ten aanzien van de staats- of diplomatieke immuniteit van een persoon of de goederen van een derde Staat, tenzij het Hof eerst de samenwerking van die derde Staat kan verkrijgen tot het afstand doen van de immuniteit.
Het Hof is niet bevoegd een verzoek tot overdracht te handhaven wanneer dit van de aangezochte Staat zou meebrengen dat deze handelt op een wijze die onverenigbaar is met zijn verplichtingen ingevolge internationale overeenkomsten ten gevolge waarvan de toestemming van een zendstaat is vereist van overdracht aan het Hof van een persoon van die Staat, tenzij het Hof eerst de samenwerking van de zendstaat kan verkrijgen voor het verlenen van toestemming van overdracht.
Artikel 99. Inwilliging van verzoeken ingevolge de artikelen 93 en 96
Een verzoek om rechtshulp wordt ingewilligd overeenkomstig de toepasselijke procedure ingevolge het recht van de aangezochte Staat en, tenzij het krachtens dat recht is verboden, op de wijze die in het verzoek is aangegeven, met inbegrip van het volgen van de daarin uiteengezette procedures of het toestaan aan in het verzoek vermelde personen aanwezig te zijn en te helpen bij de uitvoering.
In geval van een dringend verzoek worden de documenten of het bewijs in antwoord daarop, op verzoek van het Hof, met spoed verzonden.
Antwoorden van de aangezochte Staat worden overgebracht in hun oorspronkelijke taal en vorm.
Onverminderd de overige artikelen in dit Deel, is de Aanklager, wanneer dit noodzakelijk is voor een succesvolle uitvoering van een verzoek dat kan worden ingewilligd zonder dwangmaatregelen, met inbegrip van met name ondervraging van of het afnemen van getuigenverklaringen van een persoon op vrijwillige basis, met inbegrip van de inwilliging daarvan buiten aanwezigheid van de autoriteiten van de aangezochte Staat indien dit essentieel is voor inwilliging van het verzoek, en het onderzoek van een openbare locatie of andere openbare plaats zonder dat er iets in wordt gewijzigd, bevoegd aan een dergelijk verzoek direct op het grondgebied van een Staat als volgt uitvoering te geven:
- a. wanneer de aangezochte Staat die Partij is een Staat is op wiens grondgebied het misdrijf beweerdelijk is gepleegd en de ontvankelijkheid ingevolge de artikelen 18 of 19 is vastgesteld, is de Aanklager bevoegd aan een dergelijk verzoek direct uitvoering te geven na overleg, in alle gevallen waarin dit mogelijk is, met de aangezochte Staat die Partij is;
- b. in andere gevallen, is de Aanklager bevoegd aan een dergelijk verzoek uitvoering te geven na overleg met de aangezochte Staat die Partij is en met inachtneming van redelijke voorwaarden of zorgen die door die Staat die Partij is naar voren zijn gebracht. Wanneer de aangezochte Staat die Partij is problemen signaleert bij de inwilliging van een verzoek ingevolge dit onderdeel pleegt deze onverwijld overleg met het Hof teneinde de zaak op te lossen.
Bepalingen die een persoon die door het Hof wordt gehoord of ondervraagd het recht geven ingevolge artikel 72 een beroep te doen op beperkingen die zijn bedoeld om te verhinderen dat vertrouwelijke informatie met betrekking tot de nationale verdediging of veiligheid wordt openbaargemaakt, gelden ook voor de inwilliging van verzoeken tot rechtshulp ingevolge dit artikel.
Artikel 100. Kosten
De gewone kosten voor inwilliging van een verzoek op het grondgebied van de aangezochte Staat worden gedragen door die Staat, behoudens de volgende kosten, die worden gedragen door het Hof:
- a. kosten verbonden aan de reizen en de veiligheid van getuigen en deskundigen of de overdracht ingevolge artikel 93 van personen in hechtenis;
- b. kosten van vertaling, vertolking en transcriptie:
- c. reis- en verblijfkosten van rechters, de Aanklager, de Substituut-Aanklager, de Griffier, de Substituut-Griffier en personeel van organen van het Hof;
- d. kosten van deskundigenadviezen of -rapporten waarom het Hof heeft verzocht;
- e. kosten verbonden aan het vervoer van een persoon die aan het Hof wordt overgedragen door een Staat van hechtenis; en
- f. na overleg, buitengewone kosten die uit de inwilliging van een verzoek kunnen voortvloeien.
Het in het eerste lid bepaalde geldt, waar van toepassing, voor verzoeken aan het Hof van Staten die Partij zijn. In dat geval draagt het Hof de gewone kosten van uitvoering.
Artikel 101. Specialiteitsbeginsel
Een persoon die ingevolge dit Statuut aan het Hof is overgedragen wordt niet vervolgd, gestraft of in hechtenis gehouden voor gedragingen begaan voorafgaand aan de overdracht, anders dan de gedragingen of de gedragslijn die de grondslag vormen respectievelijk vormt van de misdrijven waarvoor die persoon is overgedragen.
Het Hof is bevoegd de Staat die de persoon aan het Hof heeft overgedragen, te verzoeken afstand te doen van het in het eerste lid bepaalde, en verstrekt zo nodig aanvullende informatie overeenkomstig artikel 91. Staten die Partij zijn hebben de bevoegdheid aan het Hof te verklaren afstand te doen en dienen te streven naar het doen van afstand.
Artikel 102. Gebruik van termen
Van toepassing van dit Statuut:
- a. betekent „overdracht" het ter beschikking stellen van een persoon door een Staat aan het Hof ingevolge dit Statuut.
- b. betekent „uitlevering" het ter beschikking stellen van een persoon door een Staat aan een andere Staat, zoals voorzien bij verdrag, conventie of nationale wetgeving.
DEEL 10. TENUITVOERLEGGING
Artikel 103. Rol van Staten bij de tenuitvoerlegging van uitspraken tot gevangenisstraf
- a. Een uitspraak tot gevangenisstraf wordt ondergaan in de Staat die door het Hof wordt aangewezen uit een lijst van Staten die het Hof te kennen hebben gegeven bereid te zijn veroordeelden te aanvaarden.
- b. Op het moment waarop een Staat zich bereid verklaart veroordeelden te aanvaarden kan een Staat voorwaarden aan zijn aanvaarding verbinden, goedgekeurd door het Hof en in overeenstemming met dit Deel.
- c. Een in een bepaalde zaak aangewezen Staat deelt het Hof onverwijld mee of hij de aanwijzing van het Hof aanvaardt.
- a. De Staat van tenuitvoerlegging stelt het Hof in kennis van alle omstandigheden, met inbegrip van de toepassing van ingevolge het eerste lid overeengekomen voorwaarden, die de voorwaarden of de duur van de gevangenisstraf concreet zouden kunnen beïnvloeden. Het Hof wordt ten minste 45 dagen tevoren in kennis gesteld van dergelijke bekende of voorzienbare omstandigheden. Gedurende deze periode onderneemt de Staat van tenuitvoerlegging geen stappen die afbreuk zouden kunnen doen aan zijn verplichtingen ingevolge artikel 110.
- b. Indien het Hof de onder a vermelde omstandigheden niet kan aanvaarden, stelt het de Staat van tenuitvoerlegging daarvan in kennis en handelt het vervolgens overeenkomstig artikel 104, eerste lid.
Bij de uitoefening van zijn recht een aanwijzing te doen ingevolge het eerste lid neemt het Hof het volgende in aanmerking:
- a. het beginsel dat Staten die Partij zijn de verantwoordelijkheid van tenuitvoerlegging van uitspraken tot gevangenisstraf dienen te dragen in overeenstemming met de beginselen van een evenredige verdeling als voorzien in het Reglement van proces- en bewijsvoering;
- b. de toepassing van algemeen ingevolge internationale verdragen aanvaarde maatstaven van behandeling van gevangenen;
- c. de mening van de veroordeelde; en
- d. de nationaliteit van de veroordeelde;
- e. alle overige factoren met betrekking tot de omstandigheden van het misdrijf of de veroordeelde, of de doelmatige tenuitvoerlegging van de uitspraak die relevant kunnen zijn bij de aanwijzing van de Staat van tenuitvoerlegging.
Indien geen Staat wordt aangewezen ingevolge het eerste lid, wordt de opgelegde gevangenisstraf ondergaan in een gevangenisinstelling die door het Gastland ter beschikking is gesteld overeenkomstig de voorwaarden vermeld in de zetelovereenkomst als bedoeld in artikel 3, tweede lid. In dat geval worden de kosten voortvloeiend uit de tenuitvoerlegging van de uitspraak waarbij gevangenisstraf is opgelegd gedragen door het Hof.
Artikel 104. Wijziging in de aanwijzing van de Staat van tenuitvoerlegging
Het Hof is te allen tijde bevoegd te besluiten een veroordeelde over te brengen naar een gevangenis van een andere Staat.
Een veroordeelde kan te allen tijde het Hof verzoeken te worden overgebracht uit de Staat van tenuitvoerlegging.
Artikel 105. Tenuitvoerlegging van de uitspraak
Onverminderd de voorwaarden die een Staat overeenkomstig artikel 103, eerste lid, onder b, kan hebben gesteld, is de uitspraak waarbij gevangenisstraf is opgelegd bindend voor de Staten die Partij zijn, en mogen zij deze in geen geval wijzigen.
Alleen het Hof heeft het recht te beslissen over een verzoek tot beroep of herziening. De Staat van tenuitvoerlegging belet een veroordeelde niet een verzoek daartoe te doen.
Artikel 106. Toezicht op de tenuitvoerlegging van uitspraken tot en voorwaarden van gevangenisstraf
De tenuitvoerlegging van een uitspraak tot gevangenisstraf is onderworpen aan het toezicht van het Hof en dient in overeenstemming te zijn met in wijde kring aanvaarde maatstaven voor de behandeling van gevangenen krachtens internationale verdragen.
De voorwaarden van gevangenisstraf zijn onderworpen aan het recht van de Staat van tenuitvoerlegging en dienen verenigbaar te zijn met in wijde kring aanvaarde beginselen ingevolge internationale verdragen voor de behandeling van gevangenen; in geen geval zijn die voorwaarden gunstiger of ongunstiger dan die welke gelden voor gevangenen die voor vergelijkbare misdrijven in de Staat van tenuitvoerlegging veroordeeld zijn.
Mededelingen tussen een veroordeelde en het Hof worden niet belemmerd en zijn vertrouwelijk.
Artikel 107. Overbrenging van de persoon nadat de uitspraak is tenuitvoergelegd
Nadat de uitspraak is tenuitvoergelegd kan een persoon die geen onderdaan is van de Staat van tenuitvoerlegging, overeenkomstig het recht van de Staat van tenuitvoerlegging worden overgebracht naar een Staat die verplicht is hem toe te laten, of naar een andere Staat die erin toestemt hem toe te laten, waarbij rekening wordt gehouden met de wensen van de persoon die naar die Staat wordt overgebracht, tenzij de Staat van tenuitvoerlegging de persoon toestemming geeft om op zijn grondgebied te blijven.
Indien geen Staat de kosten draagt die voortvloeien uit de overbrenging van de persoon naar een andere Staat ingevolge het eerste lid, worden die kosten gedragen door het Hof.
Onverminderd het bepaalde in artikel 108 kan de Staat van tenuitvoerlegging de persoon ook overeenkomstig zijn nationale recht uitleveren of op andere wijze overleveren aan de Staat die om de uitlevering of overdracht van de persoon heeft verzocht ten behoeve van een terechtzitting of de tenuitvoerlegging van een uitspraak.
Artikel 108. Beperking van de vervolging of de bestraffing van andere misdrijven
Een veroordeelde die in hechtenis is van de Staat van tenuitvoerlegging wordt niet blootgesteld aan vervolging, bestraffing of uitlevering aan een derde Staat voor gedragingen begaan voorafgaand aan de terbeschikkingstelling van die persoon aan de Staat van tenuitvoerlegging, tenzij deze vervolging, bestraffing of uitlevering door het Hof is goedgekeurd op verzoek van de Staat van tenuitvoerlegging.
Het Hof beslist over de zaak na de mening van de veroordeelde te hebben gehoord.
Het eerste lid houdt op van toepassing te zijn indien de veroordeelde vrijwillig meer dan 30 dagen verblijft op het grondgebied van de Staat van tenuitvoerlegging nadat hij zijn volledige door het Hof opgelegde straf heeft ondergaan, of naar het grondgebied van die Staat terugkeert nadat hij dit heeft verlaten.
Artikel 109. Tenuitvoerlegging van boetes en maatregelen ter verbeurdverklaring
Staten die Partij zijn geven uitvoering aan door het Hof krachtens Deel 7 bevolen boetes of verbeurdverklaringen, onverminderd de rechten van derden te goeder trouw, een en ander overeenkomstig de ingevolge hun nationale recht geldende procedure.
Indien een Staat die Partij is niet in staat is uitvoering te geven aan een bevel tot verbeurdverklaring, treft hij maatregelen tot verhaal van de waarde van de opbrengsten, goederen of vermogensbestanddelen waarvan het Hof de verbeurdverklaring heeft bevolen, onverminderd de rechten van derden te goeder trouw.
Goederen of de opbrengsten van de verkoop van onroerend goed of, waar dit van toepassing is, de verkoop van andere goederen die door een Staat die Partij is worden verkregen als gevolg van zijn tenuitvoerlegging van een uitspraak van het Hof, worden aan het Hof overgemaakt.
Artikel 110. Heroverweging door het Hof inzake strafvermindering
De Staat van tenuitvoerlegging stelt de persoon niet in vrijheid voordat de door het Hof opgelegde duur van de uitspraak is verstreken.
Alleen het Hof heeft het recht te beslissen over een mogelijke strafvermindering, en het beslist daarover na de persoon te hebben gehoord.
Wanneer de persoon tweederde van de einduitspraak heeft ondergaan of, 25 jaar in geval van levenslange gevangenisstraf, heroverweegt het Hof de uitspraak om te bepalen of dit dient te worden verminderd. Eerder vindt geen heroverweging plaats.
Bij een heroverweging ingevolge het derde lid is het Hof bevoegd de straf te verminderen, indien het vaststelt dat een of meer van de volgende factoren aanwezig zijn:
- a. vroegtijdige en voortdurende bereidheid van de persoon om het Hof samenwerking te verlenen bij zijn onderzoeken en vervolgingen;
- b. vrijwillige samenwerking van de persoon om de tenuitvoerlegging van de uitspraken en bevelen van het Hof in andere zaken mogelijk te maken, en in het bijzonder door samenwerking te verlenen bij het traceren van vermogensbestanddelen terzake waarvan bevelen tot boetes, verbeurdverklaringen of herstelbetalingen gelden die ten behoeve van slachtoffers kunnen worden aangewend; of
- c. andere factoren die op een duidelijke en significante verandering in de omstandigheden wijzen die voldoende is om een strafvermindering te rechtvaardigen, zoals voorzien in het Reglement van proces- en bewijsvoering.
Indien het Hof bij zijn eerste heroverweging ingevolge het derde lid vaststelt dat het niet passend is de straf te verminderen, heroverweegt het daarna de kwestie van strafvermindering met de tussenpozen en onder toepassing van de maatstaven waarin het Reglement van proces- en bewijsvoering voorziet.
Artikel 111. Ontsnapping
Indien een veroordeelde uit hechtenis ontsnapt en vlucht uit de Staat van tenuitvoerlegging kan die Staat, na overleg met het Hof, verzoeken om overdracht van de persoon door de Staat waarin de persoon zich bevindt ingevolge bestaande bilaterale of multilaterale akkoorden, of kan hij aan het Hof verzoeken om overdracht van de persoon te vragen. Het Hof is bevoegd te bepalen dat de persoon ter beschikking wordt gesteld aan de Staat waarin hij de straf onderging of aan een andere door het Hof aangewezen Staat.
DEEL 11. VERGADERING VAN STATEN DIE PARTIJ ZIJN
Artikel 112. Vergadering van Staten die Partij zijn
Een Vergadering van Staten die Partij zijn bij dit Statuut wordt hierbij ingesteld. Elke Staat die Partij is heeft één vertegenwoordiger in de Vergadering, die zich kan doen vergezellen door plaatsvervangers en adviseurs. Andere Staten, die dit Statuut of de Slotakte hebben ondertekend kunnen als waarnemers de Vergadering bijwonen.
De Vergadering dient:
- a. aanbevelingen van de Voorbereidende Commissie te behandelen en, voorzover dit in aanmerking komt, aan te nemen;
- b. inzicht te verstrekken in het beheer aan het Presidium, de Aanklager en de Griffier met betrekking tot het dagelijks bestuur van het Hof;
- c. de rapporten en activiteiten van het ingevolge het derde lid opgerichte Bureau te behandelen en in verband daarmee passende stappen te ondernemen;
- d. de begroting voor het Hof te behandelen en daarover te beslissen;
- e. te beslissen over een eventuele wijziging overeenkomstig artikel 36 van het aantal rechters;
- f. vragen te behandelen inzake niet-samenwerking, ingevolge artikel 87, vijfde en zevende lid;
- g. alle overige taken uit te oefenen die in overeenstemming zijn met dit Statuut of het Reglement van proces en bewijsvoering.
- a. De Vergadering beschikt over een Bureau dat bestaat uit een President, twee Vice-Presidenten en 18 leden die voor een ambtstermijn van drie jaar door de Vergadering worden gekozen.
- b. Het Bureau dient te beantwoorden aan maatstaven van evenredige vertegenwoordiging, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met een billijke geografische verdeling en het adequaat verdisconteren van de voornaamste rechtsstelsels van de wereld.
- c. Het Bureau vergadert zo vaak als nodig is, doch ten minste eens per jaar. Het staat de Vergadering ter zijde bij de vervulling van haar taken.
De Vergadering kan de hulporganen instellen die zij noodzakelijk acht, waaronder een onafhankelijk toezichthoudende instelling ter inspectie, evaluatie en onderzoek van het Hof teneinde de doeltreffendheid en de financieel verantwoorde aanwending daarvan te bevorderen.
De President van het Hof, de Aanklager en de Griffier of hun vertegenwoordigers kunnen, waar dit passend is, deelnemen aan bijeenkomsten van de Vergadering en van het Bureau.
De Vergadering komt eens per jaar bijeen op de zetel van het Hof of op het Hoofdkantoor van de Verenigde Naties en houdt, wanneer de omstandigheden dit vereisen, speciale zittingen. Behoudens voorzover dit Statuut anders bepaalt worden speciale zittingen door het Bureau ambtshalve bijeengeroepen of op verzoek van een derde van de Staten die Partij zijn.
Elke Staat die Partij is heeft één stem. Getracht wordt beslissingen in de Vergadering en in het Bureau bij consensus te nemen. Indien geen consensus kan worden bereikt, worden, tenzij dit Statuut anders bepaalt:
- a. beslissingen over inhoudelijke kwesties goedgekeurd bij een tweederde meerderheid van degenen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen, met dien verstande dat een absolute meerderheid van Staten die Partij zijn het quorum vormt voor stemming;
- b. beslissingen over procedurekwesties genomen bij een gewone meerderheid van de aanwezige Staten die Partij zijn en hun stem uitbrengen.
Een Staat die Partij is en die zijn financiële bijdragen in de kosten van het Hof niet op tijd heeft betaald, heeft geen stem in de Vergadering en in het Bureau indien het bedrag van de achterstallige betaling gelijk is aan of hoger dan het bedrag van de bijdragen dat over de twee volle voorafgaande jaren verschuldigd is. Niettemin kan de Vergadering een dergelijke Staat die Partij is toestaan zijn stem in de Vergadering en in het Bureau uit te brengen indien zij ervan overtuigd is dat het uitblijven van de betaling te wijten is aan omstandigheden buiten de macht van de Staat die Partij is.
De Vergadering stelt haar eigen huishoudelijk reglement vast.
De officiële en werktalen van de Vergadering zijn die van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.
DEEL 12. FINANCIERING
Artikel 113. Financiële regelingen
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn op alle financiële zaken in verband met het Hof en de bijeenkomsten van de Vergadering van Staten die Partij zijn, met inbegrip van haar Bureau en hulporganen, dit Statuut en de financiële regelingen en regels aangenomen door de Vergadering van Staten die Partij zijn, van toepassing.
Artikel 114. Betaling van kosten
Kosten van het Hof en de Vergadering van Staten die Partij zijn, met inbegrip van haar Bureau en hulporganen, worden betaald uit de fondsen van het Hof.
Artikel 115. Fondsen van het Hof en van de Vergadering van Staten die Partij zijn
De kosten van het Hof en de Vergadering van Staten die Partij zijn, met inbegrip van haar Bureau en hulporganen, als voorzien in de door de Vergadering van Staten die Partij zijn vastgestelde begroting, worden gefinancierd uit de volgende bronnen:
- a. vastgestelde bijdragen van de Staten die Partij zijn;
- b. fondsen verschaft door de Verenigde Naties, afhankelijk van de goedkeuring van de Algemene Vergadering, in het bijzonder met betrekking tot de kosten die zijn gemaakt ten gevolge van aangiften door de Veiligheidsraad.
Artikel 116. Vrijwillige bijdragen
Onverminderd artikel 115 is het Hof bevoegd vrijwillige bijdragen van Regeringen, internationale organisaties, particulieren, ondernemingen en andere lichamen, te ontvangen en aan te wenden als aanvullende fondsen, overeenkomstig de desbetreffende maatstaven die zijn aangenomen door de Vergadering van Staten die Partij zijn.
Artikel 117. Vaststelling van bijdragen
De bijdragen van Staten die Partij zijn worden vastgesteld overeenkomstig een overeengekomen schaal van vaststelling, gebaseerd op de door de Verenigde Naties voor haar normale begroting aangenomen schaal die is aangepast overeenkomstig de beginselen waarop die schaal is gebaseerd.
Artikel 118. Jaarlijkse controle
De documenten, boeken en rekeningen van het Hof, met inbegrip van zijn jaarrekeningen, worden jaarlijks gecontroleerd door een onafhankelijke accountant.
DEEL 13. SLOTBEPALINGEN
Artikel 119. Geschillenbeslechting
Elk geschil met betrekking tot de rechterlijke taken van het Hof wordt beslecht door de beslissing van het Hof.
Elk ander geschil tussen twee of meer Staten die Partij zijn met betrekking tot de interpretatie of toepassing van dit Statuut dat niet binnen drie maanden na de aanvang daarvan door onderhandelingen is beslecht, wordt verwezen naar de Vergadering van Staten die Partij zijn. De Vergadering kan zelf trachten het geschil te beslechten of aanbevelingen doen inzake andere middelen ter beslechting van het geschil, met inbegrip van verwijzing naar het Internationaal Gerechtshof overeenkomstig het Statuut van dat Hof.
Artikel 120. Voorbehouden
Geen voorbehouden kunnen worden gemaakt ter zake van dit Statuut.
Artikel 121. Wijzigingen
Na het verstrijken van een periode van zeven jaar na de inwerkingtreding van dit Statuut kan een Staat die Partij is wijzigingen daarin voorstellen. De tekst van een voorgestelde wijziging wordt aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties voorgelegd, die deze onverwijld aan alle Staten die Partij zijn toezendt.
Niet eerder dan drie maanden na de datum van kennisgeving beslist de Vergadering van Staten die Partij zijn in haar volgende bijeenkomst bij meerderheid van hen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen of zij het voorstel in behandeling nemen. De Vergadering kan het voorstel rechtstreeks afhandelen of een Herzieningsconferentie bijeenroepen indien de zaak in kwestie dit wettigt.
De aanneming van een wijziging in een bijeenkomst van de Vergadering van Staten die Partij zijn of in een Herzieningsconferentie waarover geen consensus kan worden bereikt, vereist een tweederde meerderheid van Staten die Partij zijn.
Behoudens het vijfde lid, wordt een wijziging voor alle Staten die Partij zijn van kracht een jaar nadat zevenachtste van hen hun akten van bekrachtiging of aanvaarding bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties heeft neergelegd.
Een wijziging in artikel 5, 6, 7 en 8 van dit Statuut wordt voor die Staten die Partij zijn en de wijziging hebben aanvaard van kracht een jaar na de nederlegging van hun akten van bekrachtiging of aanvaarding. Ten aanzien van een Staat die Partij is en de wijziging niet heeft aanvaard, oefent het Hof zijn rechtsmacht niet uit met betrekking tot een misdrijf waarop de wijziging betrekking heeft indien dit is gepleegd door onderdanen van die Staat die Partij is of op het grondgebied daarvan.
Indien een wijziging door zevenachtste van de Staten die Partij zijn is aanvaard overeenkomstig het vierde lid, kan een Staat die Partij is en de wijziging niet heeft aanvaard dit Statuut met onmiddellijke ingang opzeggen, onverminderd artikel 127, eerste lid, doch onder toepassing van artikel 127, tweede lid, door een kennisgeving binnen een jaar nadat die wijziging van kracht werd.
De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties stelt alle Staten die Partij zijn in kennis van een wijziging die in een bijeenkomst van de Vergadering van Staten die Partij zijn of in een Herzieningsconferentie is aangenomen.
Artikel 122. Wijzigingen in bepalingen van institutionele aard
Wijzigingen in bepalingen van het Statuut die van louter institutionele aard zijn, te weten artikel 35, artikel 36, achtste en negende lid, artikel 37, artikel 38, artikel 39, eerste lid (eerste twee volzinnen), tweede en vierde lid, artikel 42, vierde tot en met negende lid, artikel 43, tweede en derde lid, en de artikelen 44, 46, 47 en 49 kunnen te allen tijde door iedere Staat die Partij is worden voorgesteld, onverminderd artikel 121, eerste lid. De tekst van een voorgestelde wijziging wordt voorgelegd aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties of aan degene die daartoe door de Vergadering van Staten die Partij zijn is aangewezen, die deze onverwijld toezendt aan alle Staten die Partij zijn en aan anderen die deelnemen aan de Vergadering.
Wijzigingen ingevolge dit artikel waarover geen consensus kan worden bereikt worden aangenomen door de Vergadering van Staten die Partij zijn of door een Herzieningsconferentie bij een tweederde meerderheid van Staten die Partij zijn. Dergelijke wijzigingen treden voor alle Staten die Partij zijn in werking zes maanden nadat deze door de Vergadering of, door de Conferentie zijn aangenomen.
Artikel 123. Herziening van het Statuut
Zeven jaar na de inwerkingtreding van dit Statuut roept de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties een Herzieningsconferentie bijeen teneinde wijzigingen in dit Statuut te behandelen. Een dergelijke herziening kan de lijst van misdrijven vervat in artikel 5 omvatten, maar is niet tot deze lijst beperkt. De Conferentie staat open voor degenen die deelnemen aan de Vergadering van Staten die Partij zijn en op dezelfde voorwaarden.
Daarna roept, op verzoek van een Staat die Partij is en ten behoeve van de in het eerste lid vermelde doeleinden, de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, na goedkeuring door een meerderheid van Staten die Partij zijn, een Herzieningsconferentie bijeen.
Het in artikel 121, derde tot en met zevende lid, bepaalde geldt voor de aanvaarding en de inwerkingtreding van alle wijzigingen in het Statuut die in een Herzieningsconferentie worden behandeld.
Artikel 124. Overgangsbepaling
Niettegenstaande het bepaalde in artikel 12, eerste en tweede lid, kan een Staat, wanneer deze partij wordt bij het Statuut, verklaren dat hij gedurende een periode van zeven jaar na de inwerkingtreding van dit Statuut van betrokken Staat, de rechtsmacht van het Hof niet aanvaardt met betrekking tot de categorie misdrijven vermeld in artikel 8, wanneer een misdrijf beweerdelijk is gepleegd door zijn onderdanen of op zijn grondgebied. Een verklaring ingevolge dit artikel kan te allen tijde worden ingetrokken. Het in dit artikel bepaalde wordt herzien op de Herzieningsconferentie die bijeengeroepen wordt overeenkomstig artikel 123, eerste lid.
Artikel 125. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding
Dit Statuut staat open voor ondertekening voor alle Staten in Rome, op het Hoofdkantoor van de Voedsel- en Landbouworganisatie der Verenigde Naties, op 17 juli 1998. Daarna blijft het open voor ondertekening in Rome, op het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Italië tot 17 oktober 1998. Na die datum blijft het Statuut open voor ondertekening in New York, op het Hoofdkantoor van de Verenigde Naties tot 31 december 2000.
Dit Statuut is onderworpen aan bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring door de Staten die het ondertekenen. Akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring dienen te worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Dit Statuut staat open voor toetreding door alle Staten. Akten van toetreding dienen te worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Artikel 126. Inwerkingtreding
Dit Statuut treedt in werking op de eerste dag van de maand na de zestigste dag volgend op de datum van nederlegging van de zestigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Voor elke Staat die dit Statuut bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of daartoe toetreedt na nederlegging van de zestigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt het Statuut in werking op de eerste dag van de maand na de zestigste dag volgend op de nederlegging door die Staat van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.
Artikel 127. Terugtrekking
Een Staat die Partij is kan dit Statuut door een schriftelijke kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties opzeggen. De opzegging treedt in werking een jaar na de datum van ontvangst van de kennisgeving, tenzij de kennisgeving een latere datum vermeldt.
Een Staat wordt niet vanwege zijn opzegging ontslagen van de verplichtingen ingevolge dit Statuut uit de tijd waarin de Staat partij was bij het Statuut, met inbegrip van alle financiële verplichtingen die kunnen zijn ontstaan. Zijn opzegging is niet van invloed op de samenwerking met het Hof in verband met strafrechtelijk onderzoek en procedures ten aanzien waarvan de Staat die zich terugtrekt de plicht had rechtshulp te verlenen en die voor de datum waarop de opzegging in werking trad zijn aangevangen, noch heeft de opzegging op enigerlei wijze nadelige invloed op de voortgezette behandeling van een zaak die reeds voor de datum waarop de opzegging van kracht werd aan de kennisneming van het Hof was onderworpen.
Artikel 128. Authentieke teksten
Het origineel van dit Statuut, waarvan de Arabische, Chinese, Engelse, Franse, Russische en Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die een gewaarmerkt afschrift daarvan aan alle Staten toezendt.
IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorized thereto by their respective Governments, have signed this Statute.
DONE at Rome, this 17th day of July 1998.
Artikel 8 bis. Het misdrijf agressie
Voor de toepassing van dit Statuut wordt verstaan onder het „misdrijf agressie”: het plannen, voorbereiden, in gang zetten of uitvoeren, door een persoon die in de positie verkeert daadwerkelijk controle uit te oefenen over of leiding te geven aan het politieke of militaire optreden van een Staat, van een daad van agressie die door zijn aard, ernst en schaal een onmiskenbare schending vormt van het Handvest van de Verenigde Naties.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder „daad van agressie”: het gebruik van wapengeweld door een Staat tegen de soevereiniteit, territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een andere Staat, of op enige andere wijze die onverenigbaar is met het Handvest van de Verenigde Naties. Elk van de volgende handelingen wordt, ongeacht of er een oorlogsverklaring is, in overeenstemming met resolutie 3314 (XXIX) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 14 december 1974, als een daad van agressie aangemerkt:
- a. de invasie of aanval door de strijdkrachten van een Staat van respectievelijk op het grondgebied van een andere Staat, of een militaire bezetting, ook als deze van tijdelijke aard is, die het gevolg is van een dergelijke invasie of aanval, of de annexatie door middel van geweld van het grondgebied van een andere Staat of deel daarvan;
- b. het bombarderen door de strijdkrachten van een Staat van het grondgebied van een andere Staat of het gebruik van enig wapen door een Staat tegen het grondgebied van een andere Staat;
- c. de blokkade van de havens of kusten van een Staat door de strijdkrachten van een andere Staat;
- d. een aanval door de strijdkrachten van een Staat op de land-, zee- of luchtstrijdkrachten of de zee- en luchtvloot van een andere Staat;
- e. de inzet van strijdkrachten van een Staat die met instemming van een andere Staat aanwezig zijn op het grondgebied van die Staat, in strijd met de voorwaarden vervat in de daarop betrekking hebbende overeenkomst of een verlenging van hun aanwezigheid op dit grondgebied na het verstrijken van de overeenkomst;
- f. het feit dat een Staat toestaat dat zijn grondgebied, dat hij aan een andere Staat ter beschikking heeft gesteld, door die andere Staat wordt gebruikt om een daad van agressie te plegen tegen een derde Staat;
- g. het sturen door of namens een Staat van gewapende bendes, groepen, ongeordende troepen of huurlingen, die met wapengeweld gepaard gaande handelingen plegen tegen een andere Staat die zo ernstig zijn dat zij gelijkstaan met de hierboven genoemde handelingen, of die daar in aanzienlijke mate bij betrokken zijn.
Artikel 15 bis. Uitoefening van rechtsmacht ter zake van het misdrijf agressie (Aangifte door een Staat, eigener beweging)
Het Hof is bevoegd rechtsmacht uit te oefenen ter zake van het misdrijf agressie in overeenstemming met artikel 13, onder a en c, met inachtneming van de bepalingen van dit artikel.
Het Hof is uitsluitend bevoegd rechtsmacht uit te oefenen ter zake van misdrijven van agressie die zijn gepleegd een jaar na de bekrachtiging of aanvaarding van de wijzigingen door dertig Staten die Partij zijn.
Het Hof oefent rechtsmacht ter zake van het misdrijf agressie uit in overeenstemming met dit artikel, met inachtneming van een besluit dat na 1 januari 2017 wordt genomen door dezelfde meerderheid van Staten die Partij zijn als nodig is voor het aannemen van een wijziging van het Statuut.
Het Hof is in overeenstemming met artikel 12 bevoegd rechtsmacht ter zake van een misdrijf van agressie uit te oefenen dat voortvloeit uit een daad van agressie gepleegd door een Staat die Partij is, tenzij deze Staat die Partij is vooraf heeft verklaard dat hij een dergelijke rechtsmacht niet aanvaardt door het neerleggen van een verklaring bij de Griffier. Deze verklaring kan te allen tijde worden ingetrokken en wordt door de Staat die Partij is binnen drie jaar overwogen.
Ten aanzien van een Staat die geen Partij is bij dit Statuut, oefent het Hof zijn rechtsmacht niet uit ter zake van het misdrijf agressie wanneer dit misdrijf door onderdanen van die Staat of op zijn grondgebied wordt gepleegd.
Indien de Aanklager concludeert dat er een redelijke basis is om tot een onderzoek naar een misdrijf van agressie over te gaan, vergewist hij of zij zich er eerst van of de Veiligheidsraad heeft vastgesteld dat de betreffende Staat een daad van agressie heeft gepleegd. De Aanklager stelt de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties in kennis van de situatie voor het Hof, met inbegrip van relevante informatie en documenten.
Indien de Veiligheidsraad een daad van agressie heeft vastgesteld, kan de Aanklager overgaan tot het onderzoek met betrekking tot een misdrijf van agressie.
Indien een dergelijke vaststelling niet binnen zes maanden na de datum van kennisgeving is geschied, kan de Aanklager overgaan tot het onderzoek naar een misdrijf van agressie op voorwaarde dat de Afdeling Vooronderzoek toestemming heeft gegeven voor het aanvangen van het onderzoek naar een misdrijf van agressie in overeenstemming met de in artikel 15 vervatte procedure en de Veiligheidsraad niet anderszins heeft besloten in overeenstemming met artikel 16.
Het vaststellen van een daad van agressie door een orgaan buiten het Hof laat de eigen bevindingen van het Hof uit hoofde van dit Statuut onverlet.
Dit artikel laat de bepalingen met betrekking tot het uitoefenen van rechtsmacht ter zake van andere in artikel 5, genoemde misdrijven onverlet.
Artikel 15 ter. Uitoefening van rechtsmacht ter zake van het misdrijf agressie (Aangifte door de Veiligheidsraad)
Het Hof is bevoegd rechtsmacht uit te oefenen ter zake van het misdrijf agressie in overeenstemming met artikel 13, onder b, met inachtneming van de bepalingen van dit artikel.
Het Hof is uitsluitend bevoegd rechtsmacht uit te oefenen ter zake van misdrijven van agressie die zijn gepleegd een jaar na de bekrachtiging of aanvaarding van de wijzigingen door dertig Staten die Partij zijn.
Het Hof oefent rechtsmacht ter zake van het misdrijf agressie uit in overeenstemming met dit artikel, met inachtneming van een besluit dat na 1 januari 2017 wordt genomen door dezelfde meerderheid van Staten die Partij zijn als nodig is voor het aannemen van een wijziging van het Statuut.
Het vaststellen van een daad van agressie door een orgaan buiten het Hof laat de eigen bevindingen van het Hof uit hoofde van dit Statuut onverlet.
Dit artikel laat de bepalingen met betrekking tot het uitoefenen van rechtsmacht ter zake van andere in artikel 5, genoemde misdrijven onverlet.
DEEL 3. ALGEMENE BEGINSELEN VAN STRAFRECHT
DEEL 4. SAMENSTELLING EN DAGELIJKS BESTUUR VAN HET HOF
DEEL 5. OPSPORINGSONDERZOEK EN VERVOLGING
DEEL 6. DE TERECHTZITTING
DEEL 7. STRAFFEN
DEEL 8. BEROEP EN HERZIENING
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)